Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Kröger over levering militair materieel aan Indonesische marine
Vragen van het lid Kröger (GroenLinks-PvdA) aan de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken over het bericht «Nederland levert militair materieel aan Indonesische marine, die mensenrechten schendt in West-Papoea» (ingezonden 3 december 2025).
Antwoord van Staatssecretaris De Vries (Buitenlandse Zaken), mede namens de Minister
van Buitenlandse Zaken (ontvangen 16 december 2025).
Vraag 1
Bent u bekend met het artikel «Nederland levert militair materieel aan Indonesische
marine, die mensenrechten schendt in West-Papoea»?1 Wat is uw reactie op dit artikel?
Antwoord 1
Ja. Zie onderstaande beantwoording op vragen over dit artikel.
Vraag 2
Kunt u specifiek reageren op de bevindingen van Pointer waaruit blijkt dat de Indonesische
marine wel degelijk een rol speelt bij mensenrechtenschendingen, zoals illegale uithuiszettingen
en martelingen?
Antwoord 2
Het ministerie toetst elke vergunningaanvraag individueel aan de hand van de acht
criteria van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexportcontrole2 waarbij per ingediende aanvraag wordt gekeken naar de aard van de goederen, het eindgebruik
en (de situatie in) het land van eindbestemming. De toetsing wordt gedaan op grond
van de actuele situatie waarbij alle relevante ontwikkelingen, waaronder de mensenrechtensituatie
in het land van eindbestemming, worden meegenomen.
Daaruit volgt dat om te komen tot een negatieve toetsing van het EUGS (waaronder het
criterium dat ziet op het bestaan van een duidelijk risico dat de goederen gebruikt
worden voor het begaan van ernstige schendingen van mensenrechten en/of het humanitair
oorlogsrecht) er een duidelijk (potentieel) verband moet bestaan tussen de uit te
voeren goederen en de geconstateerde zorgen. Algemene zorgen over bepaalde ontwikkelingen
in een land van eindbestemming leiden niet direct tot een afwijzing van een vergunningaanvraag.
Dat geldt eveneens voor de betrokkenheid van een dienstonderdeel van een krijgsmacht
bij dergelijke punten van zorg. Om te komen tot een negatieve toetsing moet sprake
zijn van een duidelijk risico dat specifiek het uit te voeren goed door de eindgebruiker
gebruikt wordt voor het begaan van ernstige schendingen van de mensenrechten of van
het humanitair oorlogsrecht. Een dergelijk duidelijk risico is in de voor uitvoer
naar Indonesië goedgekeurde vergunningaanvragen met als eindgebruiker de Indonesische
marine niet vastgesteld; dat geldt ook voor de in het artikel van Pointer genoemde
vergunningaanvragen.
Vraag 3 en 4
Is dit nieuwe informatie voor u of was u al op de hoogte van de in het artikel genoemde
aanwijzingen voor betrokkenheid van de marine bij mensenrechtenschendingen?
Kunt u toelichten hoe u in het verleden bent gekomen tot de conclusie, zoals verwoord
in brieven aan de Tweede Kamer, dat de Indonesische marine, «voor zover bekend» niet
betrokken is bij mensenrechtenschendingen? Welke bronnen zijn geraadpleegd en leidden
tot deze conclusie? Is de publiekelijk beschikbare informatie geraadpleegd door Pointer
hierbij meegewogen?
Antwoord 3 en 4
Voor de beoordeling van vergunningaanvragen werken diverse directies binnen het Ministerie
van Buitenlandse Zaken nauw samen, in afstemming met de betrokken ambassade(s) en
waar relevant ook met andere departementen. Ook openbare bronnen en informatie die
voortvloeit uit het lokale netwerk van de ambassade(s) worden in de toetsing meegenomen.
Het ministerie is op de hoogte van de genoemde punten van zorg in de door Pointer
aangehaalde bronnen. Om te komen tot een negatieve toetsing moet echter sprake zijn
van een duidelijk risico dat specifiek het uit te voeren goed door de eindgebruiker
gebruikt wordt voor het begaan van ernstige schendingen van de mensenrechten of van
het humanitair oorlogsrecht. In dat licht en gelet op de specifieke aard van de goederen
en het eindgebruik is in de toetsingen voor eerdere afgegeven vergunningen een dergelijk
risico niet vastgesteld.
Vraag 5
Bent u zich ervan bewust dat het zeer moeilijk is om informatie over de situatie in
West-Papoea te krijgen, omdat internationale journalisten West-Papoea niet binnen
komen, lokale journalisten worden geïntimideerd, en ook de VN-mensenrechtencommissaris
niet welkom is? Is het u bekend dat West-Papoea om deze reden door experts een «black
box» wordt genoemd, vergelijkbaar met Tsjetsjenië, Xinjiang en Tibet?
Antwoord 5
Het is bekend dat het voor internationale journalisten lastig kan zijn om een vergunning
te krijgen om naar de Papoea provincies van Indonesië te reizen. Er zijn echter verschillende
organisaties die rapporteren over de mensenrechtensituatie in Indonesië, bijvoorbeeld
de organisaties die worden aangehaald in het betreffende artikel van Pointer. Daarnaast
heeft de ambassade een uitgebreid netwerk in de verschillende regio’s van Indonesië,
inclusief de Papoea provincies, waarmee Nederland de mensenrechtensituatie in Papoea
nauwlettend kan en blijft volgen.
Vraag 6
Als er zo weinig informatie over de situatie in West-Papoea beschikbaar is, vindt
u het dan van gepaste zorgvuldigheid getuigen om export toe te staan omdat de Indonesische
marine «voor zover bekend» niet betrokken is bij mensenrechtenschendingen?
Antwoord 6
Wapenexportcontrole bestaat uit een zorgvuldige risicoanalyse van alle beschikbare
informatie die op het moment van toetsing beschikbaar is. Om te komen tot een negatieve
toetsing moet sprake zijn van een duidelijk risico dat specifiek het uit te voeren
goed door de eindgebruiker gebruikt wordt voor het begaan van ernstige schendingen
van de mensenrechten of van het humanitair oorlogsrecht. Een dergelijk duidelijk risico
is in de voor uitvoer naar Indonesië goedgekeurde vergunningaanvragen niet vastgesteld;
dat geldt ook voor de in deze vraag genoemde vergunningaanvragen met betrekking tot
de uitvoer van schepen en scheepsonderdelen. Ter illustratie: in het geval van de
uitvoer van scheepsonderdelen is na zorgvuldige analyse geconcludeerd dat het niet
in de rede lag dat het betreffende type goed gezien de aard en specificaties zal worden
gebruikt voor ongewenste inzet waarover wordt bericht.
Vraag 7
Bent u het eens dat Europese regelgeving vraagt om uitvoer niet toe te staan bij alleen
al het risico op mensenrechtenschendingen? Hoe is uw ministerie in tegenstelling tot
mensenrechtenexperts tot de conclusie gekomen dat dit risico niet bestaat?
Antwoord 7
Nee. Het EU Gemeenschappelijk Standpunt vraagt van lidstaten onder meer te onderzoeken
of er een duidelijk risico bestaat dat de uit te voeren militaire goederen of technologie
kunnen worden gebruikt voor het toepassen of faciliteren van binnenlandse onderdrukking,
ernstige daden van op gender gebaseerd geweld of ernstige daden van geweld tegen vrouwen
en kinderen of andere ernstige schendingen van de mensenrechten. Het kabinet erkent
in algemene zin dat naleving van de, ook in de Indonesische Grondwet vastgelegde,
mensenrechten op verschillende terreinen een punt van zorg is, bijvoorbeeld in de
Papoea provincies van Indonesië. Ten aanzien van de voor uitvoer naar Indonesië afgegeven
vergunningen geldt echter dat vanwege de aard van de uit te voeren goederen er bij
de toetsingen op grond van toepasselijke juridische kaders geen duidelijk risico op
ongewenst eindgebruik is vastgesteld dat deze goederen gebruikt zullen worden voor
het begaan van de schendingen waarover wordt gerapporteerd.
Wapenexportbeleid is geen sanctiebeleid, waarmee eventuele afkeuring van het beleid
van een ander land kenbaar wordt gemaakt. Om een dergelijk gesprek vorm te geven gebruikt
het kabinet andere kanalen.
Vraag 8
Is het onderzoek van Pointer aanleiding voor u om de uitvoer van materiaal naar de
Indonesische marine te heroverwegen? Zo ja, hoe gaat u de kamer over het herbeoordelingsproces
informeren? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 8
Het kabinet is van mening dat het staande wapenexportbeleid, zoals toegelicht in het
antwoord op vragen 1 en 2, volstaat voor een zorgvuldige controle. Met inachtneming
van de algemene punten van zorg ten aanzien van de mensenrechtensituatie in Indonesië
is het kabinet, gelet op de aard van de onder lopende vergunningen uit te voeren goederen,
niet voornemens om lopende vergunningen voor uitvoer naar Indonesië opnieuw te beoordelen.
Vraag 9
Wordt het onderzoek van Pointer bij toekomstige beoordeling van uitvoer naar Indonesië
meegewogen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 9
Voor de beoordeling van vergunningaanvragen maakt het kabinet gebruik van diverse
informatiebronnen. Op het moment dat nieuwe informatie zich aandient, wordt ook deze
informatie meegewogen; dat geldt ook voor het onderzoek van Pointer.
Vraag 10
Bent u van plan uw Indonesische ambtsgenoot te spreken over de bevindingen uit het
onderzoek? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 10
De bilaterale relatie met Indonesië is breed en hecht, wat het bespreken van de mensenrechtensituatie
vergemakkelijkt. Op verschillende niveaus wordt de mensenrechtensituatie besproken,
zowel in bilateraal, EU- als multilateraal verband. Daarbij kijkt het kabinet nadrukkelijk
naar wat de meest effectieve wijze is om zorgen over mensenrechten over te brengen,
dat geldt ook voor de bevindingen uit het onderzoek.
Vraag 11 en 12
Deelt u de zorgen van de inzet van drones voor mensenrechtenschendingen in West-Papoea,
bijvoorbeeld doordat burgers ermee worden aangevallen?3
Kunt u uitsluiten dat door Nederland geleverde drones in Indonesië worden ingezet
bij mensenrechtenschendingen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Antwoord 11 en 12
In algemene zin deelt het kabinet de zorgen over de inzet van drones door de Indonesische
strijdkrachten daar waar deze inzet door onafhankelijke berichtgeving in verband wordt
gebracht met mensenrechtenschendingen. In het geval van de eerder verleende exportvergunning
voor de uitvoer van drones is na zorgvuldige analyse echter geconcludeerd dat het
niet in de rede lag dat het betreffende type drone, gezien de aard en specificaties,
zal worden gebruikt voor ongewenste inzet waarover is bericht. Op grond van de wapenexporttoets
heeft het ministerie geen gronden voor afwijzing gevonden. Ook hier geldt dat het
feit dat drone-inzet heeft plaatsgevonden niet een op een wordt vertaald naar een
exportverbod op alle typen drones. Die weging wordt per geval gedaan.
Vraag 13
Bent u het ermee eens dat ook dual use exportvergunningen voor drones heroverwogen
dienen te worden? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 13
De uitvoer van dual-use goederen voor militair eindgebruik wordt langs dezelfde lijnen beoordeeld als de
uitvoer van militaire goederen. Daarmee geldt dat het kabinet van mening is dat het
staande exportbeleid, zoals toegelicht in het antwoord op vragen 1 en 2, volstaat
voor een zorgvuldige controle. Zie ook het antwoord op vraag 8.
Vraag 14
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de termijn van drie weken beantwoorden?
Antwoord 14
De vragen zijn binnen een termijn van drie weken beantwoord. Daar waar dit passend
werd geacht zijn enkele vragen gebundeld.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
A. de Vries, staatssecretaris van Buitenlandse Zaken -
Mede namens
D.M. van Weel, minister van Buitenlandse Zaken
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.