Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Teunissen over het bericht ‘Kabinet negeert alarmbellen rond nieuwe Zeeuwse kerncentrales’
Vragen van het lid Teunissen (PvdD) aan de Minister van Klimaat en Groene Groei over het bericht «Kabinet negeert alarmbellen rond nieuwe Zeeuwse kerncentrales» (ingezonden 24 november 2025).
Antwoord van Minister Hermans (Klimaat en Groene Groei) (ontvangen 16 december 2025)
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Kabinet negeert alarmbellen rond nieuwe Zeeuwse
kerncentrales»?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2 t/m 4
Klopt het dat op uw ministerie al sinds 2024 meerdere rapporten bekend zijn (onder
meer van Deltares, Arcadis en de Commissie voor de milieueffectrapportage) waarin
wordt gewezen op mogelijke ecologische en juridische risico’s bij de waterkoeling
van kerncentrales in de Westerschelde?
Kunt u bevestigen dat deze rapporten reeds beschikbaar waren vóór het versturen van
uw voortgangsbrief van mei 2025 aan de Kamer? Zo ja, waarom zijn deze koelwaterwaarschuwingen
toen niet met de Kamer gedeeld?
Kunt u toelichten op welke wijze deze rapporten zijn meegenomen in het huidige locatieonderzoek
voor nieuwe kerncentrales?
Antwoord 2 t/m 4
Al de genoemde rapporten zijn sinds 2024 afgerond én openbaar:
– Deltares heeft een verkennende studie uitgevoerd naar de koelcapaciteit als input
voor de technische haalbaarheidsstudies voor de locatie Borssele. Dit rapport is in
juni 2024 openbaar gemaakt2. Op grond van de Third Party Review heeft het kabinet in mei 2025 geconcludeerd dat
een koeltoren op de locatie Borssele niet nodig is.
– Om de verlenging van de bedrijfsduur van de huidige kerncentrale mogelijk te maken,
wordt de Kernenergiewet gewijzigd. Daartoe is een project-MER opgesteld. De Commissie
mer heeft hierover op 25 oktober 2024 een tussentijds advies uitgebracht3 Naar aanleiding van dit advies is een aanvulling op het MER opgesteld4. Het hoofdrapport heeft van 21 augustus tot 1 oktober 2024 ter inzage gelegen5. Vervolgens heeft het kabinet op 20 mei 2025 het ontwerpwetsvoorstel met het MER,
de reactienota en de aanvulling op het MER aan de Raad van State voorgelegd voor advies.
– Na ontvangst van het advies, gedateerd op 27 augustus 2025, en het opstellen van het
nader rapport zijn de reactienota en de aanvulling op het MER op 30 oktober aan de
Kamer toegestuurd, als bijlagen bij het voorstel voor wijziging van de Kernenergiewet.
De Kamerbrief van mei 2025 over de voortgang van de nieuwbouw kerncentrales6 gaat in op de technische haalbaarheidsstudie. Er is toen gemeld dat het locatieonderzoek
is gestart. Al eerder is aan de Kamer gemeld dat het kabinet op elke te onderzoeken
locatie complexiteiten verwacht. Om zicht te krijgen is onderzoek nodig. Het kabinet
werkt aan verschillende onderzoeken op verschillende locaties, waaronder milieutechnisch
onderzoek (inclusief koelwater) en een ecologische effectbeoordeling om een totaalbeeld
van iedere onderzoek locatie te krijgen. Hierin wordt voortgebouwd op kennis en inzichten
van de genoemde rapporten. Het is niet gebruikelijk, en voor het overzicht niet zinvol,
om elke tussentijdse stap te publiceren of naar de Kamer te sturen. Als de onderzoeken
zijn afgerond worden de resultaten openbaar en volgt een totaalbeeld per locatie,
zodat er een integrale afweging gemaakt kan worden. Nu speculeren over de uitkomsten
is niet zinvol in het licht van zorgvuldigheid en snelheid van de besluitvorming.
In de voortgangsbrief van 17 oktober 20257 is daarom gemeld dat de Kamer na afronding van de onderzoeken wordt geïnformeerd.
Dit moment is voorzien direct na de zomer in 2026.
Vraag 5 t/m 8
Hoe beoordeelt u de conclusie van Deltares dat de Westerschelde tijdens de levensduur
van de geplande kerncentrales structureel te warm kan worden om als koelwaterbron
te dienen zonder schending van Europese regelgeving?
Hoe beoordeelt u de mogelijke impact van opwarming van het koelwater in de Westerschelde
op de ecologische toestand van het Natura 2000-gebied en op de bedrijfsvoering van
de geplande kerncentrales?
Herkent u het beeld dat er al sprake is van regelmatige onderwaterhittegolven in de
Westerschelde? Wat betekent dit voor de toekomstige bedrijfszekerheid van nieuwe kerncentrales
in Borssele of Terneuzen?
Kunt u uitsluiten dat de geplande kerncentrales incidenteel of structureel moeten
worden stilgelegd wegens te warm koelwater, zoals reeds gebeurt bij Franse kerncentrales
tijdens warmteperiodes?
Antwoord 5 t/m 8
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2 t/m 4 heeft Deltares in opdracht van het
Ministerie van KGG in 2024 en 2025 verkennende studies uitgevoerd ten behoeve van
de Technische Haalbaarheidsstudie op de locatie Borssele. Deze hebben als doel gehad
om inzicht te krijgen in de beschikbaarheid en de capaciteit van koelwater bij verschillende
locaties, waaronder bij de Westerschelde, om mede hiermee een locatieafweging te kunnen
maken. Deze studies keken niet naar mogelijke ecologische impact. Dergelijke beoordelingen
worden momenteel uitgevoerd voor de planMER. De genoemde rapporten geven geen «rode
vlaggen» aan op basis waarvan de conclusie nu getrokken kan worden dat de bouw van
twee nieuwe kerncentrales onvergunbaar is. Het kabinet doet momenteel onderzoek naar
de ecologische impact.
Vraag 9
Klopt het dat de provincie Zeeland in de «Borselse voorwaarden» heeft vastgelegd dat
er geen koeltorens mogen komen, waardoor waterkoeling de enige resterende optie lijkt?
Antwoord 9
In de provinciale voorwaarden wordt aangegeven dat een koeltoren veel impact heeft
op de lokale leefbaarheid en het landschap. De provincie Zeeland wil daarom geen koeltorens.
De signalen rondom koelwater betekenen niet automatisch dat er koeltorens nodig zijn
zoals bijvoorbeeld bij de kerncentrale Doel in België. Er zijn ook andere mitigerende
maatregelen mogelijk. Bijvoorbeeld tijdelijke stilstand, het plannen van onderhoudsvensters
of andere vormen van (bij)koeling. In het huidige locatieonderzoek worden dit soort
maatregelen verkend om te zien in hoeverre deze voor de diverse onderzoekslocaties
aan de orde zouden kunnen zijn.
Vraag 10
Kunt u aangeven wat de meerkosten zouden zijn van kerncentrales met koeltorens ten
opzichte van waterkoeling, mede gezien de bevindingen van de International Atomic
Energy Agency (IAEA) dat koeltorens vier tot vijf keer duurder zijn?
Antwoord 10
Ongeacht de koelwateroplossing zijn de kosten hiervan sterk afhankelijk van de daadwerkelijke
locatie. Zowel de bodem, de afstand tot de kust, of het een open of gesloten water
toe- en uitvoer is, zijn dusdanig bepalend voor de kosten van het koelwatersysteem
als geheel, dat daar nu nog niet op vooruit gelopen kan worden. Na de locatiekeuze
en de techniekkeuze zal een ontwerp gemaakt worden voor het koelwatersysteem, op basis
waarvan een kosteninschatting gemaakt kan worden.
Vraag 11
Bent u bereid de Kamer inzicht te geven in de financiële en juridische risico’s van
beide koelingsopties (directe waterkoeling versus koeltorens) alvorens verdere besluiten
worden genomen over de oprichting van het staatsbedrijf NEO NL en de locatiekeuze?
Antwoord 11
Vanzelfsprekend houdt het kabinet de Kamer van de risico’s op de hoogte via de reguliere
voortgangsbrieven. De financiële risico's van koelwateroplossingen zijn sterk afhankelijk
van de locatiekeuze. Daarom zal eerst tot een locatie moeten worden gekomen, voordat
de koelwateroplossing ontworpen kan worden en daarmee de financiële en juridische
risico’s in beeld gebracht. Het gebruik van koeltorens of van doorstroomkoeling kent
op zichzelf geen juridische risico’s maar moet gezien worden als een technische uitdaging
met impact op aspecten zoals landschap, milieu, investeringskosten en bedrijfseconomie.
Daarbij moet voldaan worden aan Nederlandse wet- en regelgeving. Het ontwerp van de
koelwateroplossing wordt pas na de locatiekeuze bepaald, waarbij vooralsnog wordt
uitgegaan van doorstroomkoeling tenzij dit niet kan vanwege bijvoorbeeld ecologische
beperkingen. Dit wordt in de planMER beoordeeld. De oprichting van NEO NL is voorzien
in Q1 2026 parallel aan de plan MER en Integrale Effectenanalyse (IEA). De (voorbereiding
van de) locatiekeuze is een van de taken die niet wordt overgedragen naar NEO NL bij
de verzelfstandiging. Zoals gesteld wordt de Kamer na de zomer op de hoogte gebracht
van de locatiekeuze en worden de onderzoeken die deze keuze onderbouwen gepubliceerd.
Vraag 12
Hoe verhoudt de inzet op Zeeland zich tot de verplichting onder artikel 4 van de Kaderrichtlijn
Water om verslechtering van de waterkwaliteit te voorkomen, zeker gezien de huidige
chemische belasting van de Westerschelde?
Antwoord 12
In de planMER wordt voor alle locaties onderzocht in hoeverre de thermische en chemische
lozingen van de kerncentrales de waterkwaliteit beïnvloeden. Hierbij wordt het Toetsingskader
Waterkwaliteit gehanteerd waarin de Kaderrichtlijn is uitgewerkt. De techniekleveranciers
zullen gedurende het inkoopproces een ontwerp voorstellen voor de door het kabinet
aangewezen locatie, rekening houdend met deze randvoorwaarden. De uiteindelijke beoordeling
of het ontwerp voldoet aan de Nederlandse wet- en regelgeving vindt vervolgens plaats
bij de vergunningaanvraag.
Vraag 13
Hoe zorgt u ervoor dat de Kamer volledig geïnformeerd wordt over de ecologische, juridische
en financiële risico’s in het besluitvormingsproces over de kerncentrales?
Antwoord 13
Zodra alle onderzoeken zijn afgerond zal de Kamer een totaalbeeld per locatie ontvangen.
In dat beeld zullen effecten en risico’s van juridische, financiële en ecologische
aard worden meegenomen. Dit moment is voorzien direct na de zomer van 2026. Op dat
moment zal de ontwerp Voorkeursbeslissing samen met de Integrale Effectenanalyse en
planMER ter inzage worden gelegd. Als de wettelijke adviezen en de binnengekomen reacties
zijn verwerkt, wordt de Voorkeursbeslissing definitief. Ook hier wordt de Kamer over
geïnformeerd door middel van de voortgangsbrieven die periodiek verzonden worden.
Hierna zal de planuitwerkingsfase starten waarvoor een project-MER zal worden opgesteld.
Dit nieuwe onderzoek naar de effecten op het milieu en de leefomgeving zal meer detail
hebben dan de planMER. Deze project-MER zal de vergunningaanvragen en het uiteindelijke
Projectbesluit onderbouwen.
Vraag 14
Kunt u toezeggen dat er geen onomkeerbare stappen worden gezet in de voorbereiding
van de nieuwe kerncentrales (zoals de oprichting of kapitalisatie van NEO NL), voordat
de Kamer volledig inzicht heeft gekregen in de koelwaterproblematiek en de ecologische
haalbaarheid van de locaties in Zeeland? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 14
Het kabinet beoogt bij de vormgeving van de verschillende werksporen snelheid te behouden
én de beperking van risico's in acht te nemen. In de Kamerbrief van 17 oktober jl.8 is op pagina 9 de routekaart te zien met de verschillende trajecten. De oprichting
van NEO NL is voorzien in Q1 2026 parallel aan de plan MER en Integrale Effectenanalyse
(IEA) waarin de effecten van de verschillende locaties in beeld worden gebracht. In
de ontwerpVoorkeursbeslissing zal het Kabinet de voorkeurslocatie beschrijven en motiveren.
Deze wordt naar verwachting direct na de zomer van 2026 gepubliceerd. Na het verwerken
van adviezen en reacties wordt de Voorkeursbeslissing definitief vastgesteld.
De techniekleveranciers zullen gedurende het inkoopproces een ontwerp voorstellen
voor de door het kabinet aangewezen locatie. Deze ontwerpen zullen van elkaar verschillen.
Na de keuze voor de uiteindelijke techniekleverancier zal een definitief ontwerp gemaakt
worden. Met het definitieve ontwerp kunnen de volledige ecologische effecten in kaart
worden gebracht door middel van een project-MER. Het kabinet werkt tegelijkertijd
aan meerdere parallelle werksporen, waarmee de gewenste snelheid wordt behouden en
tegelijk de risico's in acht worden genomen door de verschillende trajecten te laten
interacteren.
Conform de motie van het lid de Groot (31 239-438) zal in de eerstvolgende nieuwbouwbrief begin volgend jaar teruggekomen worden op
het behouden van de snelheid die gewenst is in dit project. Het kabinet blijft stappen
zetten maar neemt geen besluiten met potentiële ecologische of financiële effecten
zonder daarover de Tweede Kamer voorafgaand te informeren.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
S.T.M. Hermans, minister van Klimaat en Groene Groei
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.