Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Stoffer over de instandhoudingsopgave
Vragen van het lid Stoffer (SGP) aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat over de instandhoudingsopgave (ingezonden 19 november 2025).
Antwoord van Minister Tieman (Infrastructuur en Waterstaat) (ontvangen 16 december
2025)
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van de grote zorgen die uitgesproken worden in het artikel «Om
bruggen en wegen te onderhouden zijn miljarden nodig, maar het budget is platgewalst»
en de analyse dat «het risico dat Nederland meer haarscheuren en kuilen zal moeten
accepteren, reëel wordt»?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Hoe waardeert u deze zorgen en analyse?
Antwoord 2
De zorgen worden herkend. De Algemene Rekenkamer concludeerde in mei van dit jaar
in haar verantwoordingsonderzoek dat het verschil tussen de budgetbehoefte en begroting
voor de instandhouding van het hoofdwegennet, hoofdvaarwegennet en hoofdwatersysteem
over de periode van 2024–2038 is opgelopen tot circa € 34,5 miljard. Het uitgesteld
onderhoud neemt verder toe en de conditie van de infraobjecten wordt zichtbaar en
meetbaar slechter, zoals ook blijkt uit de Staat van de Infrastructuur. Het aantal
storingen, ongeplande werkzaamheden en functie beperkingen loopt verder op.
Nadere analyses zijn eerder uitgevoerd en met de Kamer gedeeld. Het kabinet heeft
eind 2024 opdracht gegeven om een langetermijnperspectief en uitvoeringsstrategie
voor de bereikbaarheid van veranderend Nederland (woningbouw, economie en mobiliteit)
op te stellen. Over de uitkomsten is de Kamer 17 oktober jl. geïnformeerd2. Niet voor niets is daarin aangegeven dat de infrastructuur in Nederland de ruggengraat
van onze samenleving vormt én onze delta veilig houdt. Het is ook een harde randvoorwaarde
voor woningbouw, onze weerbaarheid en economische ontwikkeling. Zonder infra geen
nieuwe woningen, zonder infra geen militaire mobiliteit en zonder infra geen sterke
internationale concurrentiepositie en economie.
Ook is de Kamer 17 juni 20243 geïnformeerd dat de instandhoudingsopgave groter is dan het beschikbare budget en
wat op dat moment maakbaar werd geacht. Met de maatregelen uit het Meerjarenplan Instandhouding4 dat op 1 juli 2025 is gedeeld met de Kamer, is het productievermogen van Rijkswaterstaat
vergroot. Hierdoor kan meer werk worden gerealiseerd dan waarin de huidige budgetten
voorzien. In het meerjarenplan is een lijst opgenomen met objecten waarvoor de voorbereiding
voor de vernieuwing is gestart, maar waarvoor geen budget beschikbaar is. Voor al
deze projecten geldt dat de urgentie in kaart is gebracht en het niet tijdig oppakken
gaat leiden tot forse risico’s op de netwerken.
In de Kamerbrief van 8 december 2025 over de Staat van de Infrastructuur 20245 is benadrukt dat het nieuwe kabinet voor een belangrijke keuze staat om de infrastructuur
op basis van de huidige eisen operationeel te houden. De beschikbaarheid van voldoende
structurele middelen is daarvoor een randvoorwaarde. Zonder deze randvoorwaarde zullen
de prestaties van de netwerken naar beneden moeten worden bijgesteld en zijn vergaande
keuzes nodig.
Vraag 3
Hoe wordt gezorgd voor (duidelijkheid over) meerjarige financiering van de instandhoudingsopgave
voorbij de horizon van 2030, waarbij inflatie-gecorrigeerde schommelingen vermeden
worden, en voor een programmatische of seriematige aanpak van onderhoud zodat het
werkveld meer zekerheid heeft voor het doen van investeringen in productiecapaciteit?
Antwoord 3
De meerjarige financiering van de instandhoudingsopgave is opgenomen in de instandhoudingsbijlage
van het Mobiliteits- en Deltafonds. Voor de gehele fondsperiode tot en met 2039 is,
per netwerk, inzichtelijk gemaakt wat de jaarlijks beschikbare budgetten zijn voor
Exploitatie & Onderhoud en Vernieuwing. Afhankelijk van de jaarlijkse toekenning van
de Index Bruto Overheidsinvesteringen (IBOI) door het Ministerie van Financiën, wordt
de begroting gecorrigeerd voor prijsstijgingen.
In het Meerjarenplan Instandhouding6 is de aanpak van Rijkswaterstaat beschreven. Met de portfolioaanpak wordt ingezet
op onderhoud en vernieuwing in bundels van meerdere vergelijkbare objecten, zoals
bruggen, sluizen of tunnels. Dit bespaart tijd en kosten in de aanbesteding en levert
schaalvoordelen op. Het zorgt ook voor een voorspelbare stroom aan opdrachten («dealflow»),
waarop de markt zich kan voorbereiden door te investeren in productiecapaciteit. Om
de voordelen van de portfolioaanpak ten volle te benutten, is zekerheid nodig over
de financiële middelen in de begroting voor de gehele looptijd. In het meerjarenplan
is aangegeven dat voor een deel van het werk in voorbereiding, waaronder portfolio’s,
geen financiële middelen beschikbaar zijn. Besluitvorming hierover is aan een nieuw
kabinet.
Vraag 4
Bent u bereid een voortrollend meerjarenplan instandhouding waarbij niet vijf maar
tien jaar vooruitgekeken wordt in overweging te nemen en hier een prijsindexatie aan
te koppelen?
Antwoord 4
Rijkswaterstaat werkt al met een voortrollende programmering waarbij steeds over de
lengte van de gehele fondsperiode vooruit wordt gekeken. Dat betekent dat steeds 16
jaar vooruit wordt gekeken, waarvan de eerste 4 jaar maakbaar worden geprogrammeerd
en de 4 jaar daarna vooruit worden gepland.
Naast een samenvatting van de programmering kent het meerjarenplan instandhouding
nog drie onderdelen, namelijk de sturing op de opgave, managen van productiegroei
en de maakbaarheid van de opgave. Deze onderdelen zijn juist gebaat bij stabiliteit
en lenen zich niet voor een voortrollende systematiek. Afhankelijk van de jaarlijkse
toekenning van de IBOI wordt de begroting gecorrigeerd voor prijsstijgingen.
Vraag 5
Wordt gekeken naar mogelijkheden om de investeringsbehoefte voor de instandhoudingsopgave
en versterking van de infrastructuur, die sterk toeneemt met de technische levensduur
van kunstwerken en andere infrastructuur en de groei van de bevolking, beter te linken
aan de begroting?
Antwoord 5
In de Kamerbrief van 17 juni 20247 is aangegeven dat de instandhoudingsopgave groter is dan het beschikbare budget en
wat op dat moment maakbaar werd geacht. De Algemene Rekenkamer heeft het tekort in
de periode 2024–2038 becijfert op € 34.5 miljard. Het meerjarenplan instandhouding
van 1 juli 20258 zet uiteen hoe Rijkswaterstaat de productie op instandhouding verhoogt naar ruim
€ 3 miljard per jaar in de periode tot en met 2030 in lijn met het beschikbare budget.
Rijkswaterstaat is inmiddels in staat om meer vernieuwingsprojecten te starten dan
eerder voorzien en thans budgettair inpasbaar.
Een robuust en duurzaam Nederland vereist dat we blijven investeren in onze infrastructuur.
Ook de Raad van State wijst er in dit kader in haar advies bij de Voorjaarsnota 2025
op dat op middellange termijn de overheidsconsumptie en inkomensoverdrachten stijgen,
vooral in de zorg- en de sociale zekerheid, terwijl de overheidsinvesteringen (zoals
vervoersinfrastructuur) beduidend minder toenemen, ook op langere termijn. Het is
aan een nieuw kabinet om te besluiten over toekomstige extra investeringen in de infrastructuur.
Via de reguliere begrotingscyclus wordt uw Kamer, onder meer via de instandhoudingsbijlage,
geïnformeerd over de gerealiseerde en beoogde productie en prestaties van de netwerken
en de bijbehorende financiering voor de aankomende jaren.
Vraag 6
Hoe zorgt u ervoor dat schaarse capaciteit van aannemers en specialisten gericht wordt
op projecten die de grootste impact hebben op het netwerk?
Antwoord 6
RWS werkt op basis van een stabiel meerjarenprogramma waarin projecten worden geprioriteerd.
Criteria daarbij zijn beschikbaarheid van budget, beschikbaarheid van capaciteit,
zowel bij RWS als de markt, het belang van het object in het netwerk en de technische
staat ervan. Ook wordt het werk afgestemd tussen RWS en Prorail en met andere (regionale)
partners en uitvoeringsorganisaties om overlast voor de gebruiker te beperken. Door
tijdig met marktpartijen te communiceren over het meerjarenprogramma en enkele keren
per jaar een actuele inkoopplanning te publiceren, zijn marktpartijen in staat om
rekening te houden met het moment waarop projecten op de markt komen en kunnen ze
daarop anticiperen.
Vraag 7
Hoe wordt bepaald welke kunstwerken het eerst vervangen moeten worden? Hoe wordt daarbij
rekening gehouden met de netwerkimpact bij uitval en storingen, ook voor goederenvervoer?
Antwoord 7
Bij de prioritering wordt rekening gehouden met de aspecten zoals genoemd in het antwoord
op vraag 6. Daarbij geldt dat Vernieuwing en Exploitatie en Onderhoud communicerende
vaten zijn. Als vernieuwingsprojecten niet kunnen worden uitgevoerd binnen de randvoorwaarden
van budget, capaciteit en hinderplanning wordt er geprioriteerd. Dan worden één of
meer vernieuwingsprojecten in het Meerjarenprogramma naar achteren geschoven. De objecten
binnen de scope van deze projecten zullen in dat geval langer in stand moeten worden
gehouden binnen Exploitatie & Onderhoud. Dit leidt tot hogere kosten en extra capaciteitsinzet
voor Exploitatie & Onderhoud. Hierdoor schuift ander werk behorend bij het afgesproken
Basiskwaliteitsniveau (BKN) ook naar achteren en loopt het uitgesteld onderhoud op.
Vraag 8
Is een lijst met kunstwerken beschikbaar die op korte termijn vervangen moeten worden
vanwege de hoge netwerkimpact bij storingen en uitval?
Antwoord 8
RWS rapporteert jaarlijks in de in de «Staat van de Infrastructuur» over kunstwerken
met beperkingen voor gebruikers. Ook wordt inzicht gegeven in de gebieden waar Rijkswaterstaat
geplande en/of uitgestelde werkzaamheden verwacht. Deze kaarten zijn momentopnames.
Gedurende het jaar kunnen er wijzigingen optreden door herprioritering, vertragingen,
inspecties of andere factoren.
Vraag 9
Hoe kunt u ervoor zorgen dat het (financieel) aantrekkelijker wordt voor aannemers
om te kiezen voor infrastructuurprojecten van Rijkswaterstaat?
Antwoord 9
Rijkswaterstaat biedt in vergelijking met andere opdrachtgevers en opgaven in beginsel
interessante en beeldbepalende infraopdrachten. Het is van belang dat deze projecten
onder voldoende aantrekkelijke voorwaarden in de markt worden gezet. Er wordt gewerkt
aan meer en betere samenwerking met de markt, innovatieve werkwijzen, passende contractvormen
en meer inzicht in de «dealflow». Dat helpt marktpartijen om keuzes te maken, te anticiperen
en capaciteit efficiënt in te plannen. Daarbij wordt, om het werk aantrekkelijker
te maken, ingezet op vereenvoudiging van administratieve proceseisen, vermindering
van de tenderinspanningen en standaardisering. Tot slot is er aandacht voor de contractuele
verdeling van de risico’s en de beheersafspraken daarover.
Ondertekenaars
R. Tieman, minister van Infrastructuur en Waterstaat
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.