Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Van der Plas over het Commissiedebat Raad Buitenlandse Zaken Handel van 19 november
Vragen van het lid Van der Plas (BBB) aan de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken over het Commissiedebat Raad Buitenlandse Zaken Handel van 19 november (ingezonden 21 november 2025).
Antwoord van Staatssecretaris De Vries (Buitenlandse Zaken) (ontvangen 15 december
2025).
Vraag 1
Herinnert u zich dat u tijdens het commissiedebat heeft aangegeven geen compenserende
maatregelen te willen treffen voor de Nederlandse varkenssector, welke getroffen is
door antidumpingsheffingen, ingesteld door China?
Antwoord 1
Ja. Tijdens het debat heeft het kabinet aangegeven dat het de instelling van antidumping
heffingen tegen de Europese en dus ook Nederlandse varkenssector door China betreurt.
Het kabinet is zich ervan bewust dat deze heffingen de sector zwaar treffen, en zet
zich er daarom samen met de Europese Commissie voor in om de situatie te verbeteren.
Dit laat onverlet dat het kabinet niet overgaat tot compenserende maatregelen voor
deze of andere sectoren die te maken krijgen met antidumping of antisubsidie heffingen.
Vraag 2
Herinnert u zich dat u daarbij heeft gesteld dat compenserende maatregelen «in andere
sectoren ook niet worden toegepast»?
Antwoord 2
Ja.
Vraag 3
Kunt u voor deze bewering een volledige en concrete lijst verstrekken van sectoren
waarop u doelde? Per sector: welke antidumpingheffing, welk percentage per lidstaat,
welke schade, en welk besluit om geen compensatie te verstrekken was daarbij aan de
orde?
Antwoord 3
De Europese Commissie publiceert jaarlijks een volledige overzicht van alle antidumpingheffingen,
antisubsidieheffingen en vrijwaringsmaatregelen die tegen de Europese Unie en haar
lidstaten zijn genomen.1 Eind 2024 waren er 167 dergelijke maatregelen in werking, waarvan er ongeveer één-derde
direct op Nederlandse exporten van toepassing waren. Het betreft exporten uit de agrofood
sector, de staalindustrie, de textielindustrie en de chemische industrie. Voor geen
van de bovengenoemde maatregelen gericht op exporten uit de Europese Unie is door
de Europese Commissie of door de Nederlandse overheid een compensatie verstrekt.
Vraag 4
In hoeveel van deze door u genoemde sectoren bij vraag 3 gold, net zoals in de varkenssector,
dat de betrokken bedrijven geen enkele verantwoordelijkheid droegen voor de buitenlandse
heffingen of tegenmaatregelen, maar desalniettemin substantiële economische schade
ondervonden?
Antwoord 4
Het kabinet speculeert niet over de motivatie van derde landen voor heffingen of maatregelen
op producten vanuit de Europese Unie. Noch doet het kabinet uitspraken over de verantwoordelijkheid
van bedrijven voor buitenlandse heffingen of tegenmaatregelen die hen zijn opgelegd.
Wel toetst de Europese Commissie of de (voorlopige) tarieven, en daaraan voorafgaande
onderzoek, conform zijn aan WTO-regels. Wanneer de Commissie acht dat WTO-regels niet
gevolgd worden, kan de Commissie namens de EU een zaak starten bij de WTO, naast het
uitoefenen van druk in de bilaterale contacten met het derde land. Middels het WTO
proces kan definitief worden vastgesteld of een buitenlands heffing al dan niet gerechtvaardigd
is en op de juiste wijze is opgelegd. Nederland kan aanvullend hierop in de eigen
bilaterale relatie met het betreffende land de inspanningen van de Europese Commissie
ondersteunen, zoals het ook doet in deze casus.
Vraag 5
Erkent u dat in gevallen waarin Europese bedrijven schuldeloos door externe handelsmaatregelen
worden geraakt, welke per bedrijf en/of lidstaat verschillen, het uitblijven van compensatie
het level playing field binnen de interne markt kan verstoren?
Antwoord 5
Het is gebruikelijk dat bij het instellen van antidumping- of antisubsidieheffingen
tarieven van verschillende hoogte worden ingesteld, variërend van bedrijf tot bedrijf.
De grondslag hiervoor zijn de resultaten van een uitgevoerd antisubsidie- of antidumpingonderzoek.
Hieruit kan naar voren komen dat er verschillen zijn tussen het (vermeende) oneigenlijke
concurrentievoordeel dat verschillende bedrijven hebben ontvangen. De heffingen hebben
tot doel dit (vermeende) oneigenlijke concurrentievoordeel van de betreffende bedrijven
als gevolg van dumping of overheidssubsidies zo accuraat mogelijk te compenseren.
Wanneer derde landen antisubsidie- of antidumpingmaatregelen opleggen aan bedrijven
die zijn gevestigd in de Europese Unie kan daarbij dus niet alleen gedifferentieerd
worden tussen bedrijven gevestigd in verschillende lidstaten van de Europese Unie
maar ook tussen bedrijven gevestigd in dezelfde lidstaat. Omgekeerd legt ook de Europese
Unie op bedrijfsniveau gedifferentieerde antidumping en antisubsidie heffingen op
aan exporterende bedrijven uit derde landen.
Heffingen van derde landen – al dan niet terecht – kunnen leiden tot minder goede
markttoegang voor Europese en Nederlandse exporteurs tot deze derde landen. Daaruit
volgt echter niet dat het gelijke speelveld binnen de interne markt wordt verstoord:
de werking van de interne markt wordt immers niet aangetast door heffingen van derde
landen.
Vraag 6
Indien dit niet het geval is, op welke wijze waarborgt de EU volgens u dan wél gelijke
concurrentieverhoudingen?
Antwoord 6
Binnen de Europese Unie geldt in beginsel vrij verkeer van goederen. Daarnaast gelden
er gemeenschappelijke regels voor onder andere staatssteun, mededinging en productiestandaarden.
Dit geheel van EU wet- en regelgeving waarborgt het gelijke speelveld op de interne
markt.
Voor wat betreft handel met derde landen geldt dat de Europese Unie zich actief inzet
voor het waarborgen van een gelijk speelveld, onder andere door het aangaan van nieuwe
handelsverdragen en door gebruik te maken van het handelsinstrumentarium waaronder
het handelsdefensieve instrumentarium. Hieronder vallen bijvoorbeeld vrijwaringsmaatregelen,
antisubsidie- en antidumping maatregelen, maar ook nieuwere instrumenten zoals de
Verordening Buitenlandse Subsidies en het Internationaal Aanbestedingsinstrument.
Vraag 7
Bent u bereid, gelet op de structurele en eenzijdige risico’s voor de Europese varkenssector,
uw eerdere positie te heroverwegen en zich in Brussel in te zetten voor tijdelijke
compenserende of mitigatiemaatregelen, zolang de Chinese antidumpingsheffingen gelden?
Antwoord 7
Het kabinet deelt de zorgen over de gevolgen van de voorlopige Chinese antidumping
heffingen op de Europese varkenssector, en heeft deze recent nog opgebracht tijdens
de Raad Buitenlandse Zaken van 24 november jl. Het kabinet heeft de Commissie tijdens
deze Raad opgeroepen al het mogelijke te doen om deze maatregelen in de handelsrelatie
met China te adresseren en zal dat blijven doen. Daarnaast heeft de Minister voor
LVVN tijdens de Landbouwraad op 17 november jl. benadrukt dat het belangrijk blijft
om de markteffecten als gevolg van zowel de voorlopige heffingen op varkensvlees als
het onderzoek naar de zuivelsubsidies nauw te blijven monitoren. Nederland zal uiteraard
deze zaak zelf ook blijven opbrengen in de relatie met China.
Tegelijk blijft het kabinet bij het standpunt dat compensatie aan betrokken bedrijven
niet aan de orde is. Nederland zet zich in voor zo goed mogelijke markttoegang voor
Nederlandse exporteurs, maar het is niet aan de overheid om afzetmarkten buiten de
Europese Unie te garanderen of te voorzien in compensatie wanneer de toegang tot bestaande
afzetmarkten verslechtert.
Vraag 8
Indien het antwoord nee is, hoe beoordeelt u dan het risico dat Europese producenten
blijvend worden benadeeld door geopolitiek gemotiveerde maatregelen waar zij zelf
geen invloed op hebben?
Antwoord 8
Het kabinet deelt de zorg dat handelsbeleid in toenemende mate wordt ingezet vanuit
(geo)politieke overwegingen. De Europese Unie heeft instrumenten om dergelijke zorgen
te adresseren, zoals hierboven uiteen gezet. De Europese Unie heeft in de afgelopen
jaren het instrumentarium uitgebreid om beter in te kunnen spelen op handelsmaatregelen
die genomen worden door derde landen en al dan niet geopolitiek gemotiveerd zijn.
Het kabinet zet zich ervoor in dat Europese producenten zo min mogelijk benadeeld
worden door geopolitiek ingegeven handelsmaatregelen van andere landen.
Vraag 9
Hoe verhoudt bovenstaande antwoord zich tot de kwesties aangaande het concurrentievermogen
en verdienvermogen van zowel Nederland en de EU?
Antwoord 9
Zoals ook in de Beleidsagenda Buitenlandse Handel2 en de kabinetsvisie op EU-concurrentievermogen3 beschreven vormt het versterken van het Europees concurrentievermogen een belangrijk
onderdeel van het Europese antwoord op de geopolitieke ontwikkelingen waarbij derde
landen handelspolitiek inzetten als politiek drukmiddel.
Vraag 10
Is dit in lijn met de conclusies en aanbevelingen van het rapport Draghi?
Antwoord 10
Ja.
Vraag 11
Kunt u deze vragen individueel en zo spoedig mogelijk beantwoorden, gelet op het feit
dat deze vragen onvoldoende duidelijk werden beantwoord in het commissiedebat?
Antwoord 11
De vragen zijn individueel en binnen de geldende termijn beantwoord.
Ondertekenaars
A. de Vries, staatssecretaris van Buitenlandse Zaken
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.