Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Verouden over nationale toepassing staatssteunregels bij scale-ups (OIM problematiek)
Vragen van het lid Verouden (Nieuw Sociaal Contract) aan de Minister van Economische Zaken over nationale toepassing staatssteunregels bij scale-ups (OIM problematiek) (ingezonden 11 november 2025).
Antwoord van Minister Karremans (Economische Zaken) (ontvangen 15 december 2025).
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Regeldrukreductie in perspectief: wat is nou
echt belangrijk?»?1
Antwoord 1
Ja, ik ben bekend met dit artikel.
Vraag 2
Deelt u de mening dat de toekenning van subsidies aan jonge bedrijven (bv. innovatie-
en projectsteun aan scale-ups) vaak aanloopt tegen een specifiek «Nederlands» probleem
bij de toepassing van EU-staatssteunregels, in die zin dat de Nederlandse regelgeving
en toepassingspraktijk er andere, meer stringente, maatstaven op na lijkt te houden
bij de beoordeling of een bedrijf al dan niet in financiële moeilijkheden verkeert
(«OIM problematiek»), waardoor veel van deze bedrijven (naar schatting wel 25%) steun
mislopen?
Antwoord 2
Ik zie dat jonge (innovatieve) bedrijven aanlopen tegen de definitie van «onderneming
in moeilijkheden» (OIM), zoals opgenomen in de Europese staatsteunkaders. Dit is een
probleem en aanpassing van de EU-staatssteunregels acht ik zeer noodzakelijk. Aanpassing
van de Nederlandse regels biedt helaas geen oplossing.
Dat komt omdat bij het toekennen van staatssteun elke lidstaat zich namelijk moet
houden aan de Europese regels en de uitleg daarvan door Europese en nationale rechters.
De Nederlandse regelgeving en praktijk hanteert geen strengere of afwijkende maatstaven.
Om te bepalen of een onderneming een OIM is, wordt gekeken naar de verhouding tussen
het geplaatste aandelenkapitaal en het eigen vermogen van een onderneming. Het begrip
«eigen vermogen» moet volgens het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb)
in de gehele EU op autonome en uniforme wijze worden uitgelegd.2 Totdat de definitie op Europees niveau is aangepast, dient NL zich te houden aan
deze uitspraak van het CBb. Werken met een ruimere interpretatie biedt dus geen oplossing
voor ondernemers. Dit kan zelfs tot gevolg hebben dat de subsidie – met rente – moet
worden teruggevorderd omdat de subsidie dan kwalificeert als onrechtmatige staatssteun.
Mijn voorgangers en ik dringen dan ook al geruime tijd bij de Europese Commissie (EC)
aan op verandering van deze definitie – en met mij verschillende andere lidstaten.
Mede door onze inzet is het probleem erkend door de EC en opgenomen in de recent gepubliceerde
start- en scale-up strategie van de EC. De aankondiging van de EC om de Richtsnoeren
voor reddings- en herstructureringssteun, met daarin de OIM-definitie, eind 2026 te
herzien is ook unaniem verwelkomd door de lidstaten. Hetzelfde geldt voor de aankondigde
herziening van de Algemene groepsvrijstellingsverordening waarin deze definitie ook
is opgenomen.
Vraag 3
Acht u het gewenst dat Nederland er andere, meer stringente, maatstaven op na lijkt te houden bij de
beoordeling of een bedrijf al dan niet in financiële moeilijkheden verkeert?
Antwoord 3
Ik acht het niet wenselijk om meer stringente maatstaven te hanteren bij de beoordeling
of een onderneming in financiële moeilijkheden verkeert. De huidige definitie van
OIM sluit juist bepaalde jonge (innovatieve) bedrijven uit van toegang tot het verkrijgen
van steun. De huidige Europese definitie is dus te ruim. Nederland wil een aanpassing
van deze definitie zodat deze innovatieve ondernemingen steun kunnen ontvangen. Het
is uiteraard niet wenselijk om strengere maatstaven in Nederland te hanteren dan in
andere EU lidstaten. Ik vind het wel belangrijk om te handelen in overeenstemming
met de Europese staatssteunregels. De aanpassing van deze definitie is daarom nodig
op Europees niveau, ook gelet op de uitspraak van het CBb. Mij is geen informatie
bekend waaruit blijkt dat Nederland op dit moment een meer stringente maatstaf hanteert
dan andere lidstaten. Dit komt ook niet terug uit contact met andere lidstaten.
Vraag 4
Bent u bereid om op korte termijn – en vooruitlopend op de huidige consultatieronde
op Europees niveau – alvast de nationale obstakels uit de weg te ruimen die de toekenning
van projectsubsidies aan jonge bedrijven (bv. innovatiesteun aan scale-ups) verhinderen?
Antwoord 4
Ik kijk al enige tijd naar wat, binnen de geldende juridische kaders, mogelijk is
om de problematiek rondom de definitie «OIM» zo veel mogelijk te verminderen.
Ondernemingen kunnen ter ondersteuning in gesprek gaan met de Rijksdienst voor Ondernemend
Nederland (RVO), wanneer zij de uitvoerder is van de betreffende subsidieregeling.
Samen kunnen zij de benodigde acties uitzoeken voor het oplossen van de juridische
OIM-kwalificatie. Zo wordt er, bij de indiening van een subsidieaanvraag waaruit blijkt
dat een bedrijf als OIM kwalificeert, proactief met bedrijven gekeken of de balanspositie
voorafgaand aan de subsidieverlening verbeterd kan worden. Dit heeft meerdere malen
een positief effect gehad.
Vraag 5
Deelt u de mening dat een nieuwe beleidsinstructie (bv. in de vorm van een spoed-AMvB)
over het kwalificeren van achtergestelde leningen als eigen vermogen hiertoe een nuttige
of zelfs noodzakelijke stap zou zijn?
Antwoord 5
Nee, in de hierboven genoemde uitspraak van het CBb komt naar voren dat leningen zoals
in die zaak aan de orde, niet vallen onder de Europese definitie van «eigen vermogen».
De uitspraak draait om achtergestelde aandeelhoudersleningen binnen de groep van ondernemingen.
Een nieuwe beleidsinstructie, of AMvB, biedt geen oplossing omdat deze ook in lijn
moet zijn met het Europees recht, en dus rekening moet houden met de uitspraak van
het CBb.
Vraag 6
Deelt u de mening dat scale-ups wel vaker te maken hebben met een boekhoudkundig negatief
vermogen (bijv. als gevolg van de gekozen ontwikkelingsstrategie met hoge initiële
investeringskosten), maar dat zij bij opeenvolgende financieringsrondes toch nieuw
kapitaal weten op te halen omwille van de al bij al gunstige groeivooruitzichten?
Antwoord 6
Ik deel deze mening. Dit is ook één van de argumenten die ik enige tijd geleden met
de EC heb gedeeld om hen ervan te overtuigen over te gaan tot herziening van de definitie.
Vraag 7
In welke mate zouden EU staatssteunregels meer rekening moeten houden met dit inzicht
en bijvoorbeeld een scale-up als «niet in moeilijkheden» moeten beschouwen indien
het bedrijf in kwestie er blijk van geeft dat het parallel aan het ontvangen van de
subsidiemaatregel ook in significante mate nieuw privékapitaal weet op te halen?
Antwoord 7
De OIM-definitie uit de Europese staatssteunregels moet in grote mate rekening houden
met deze inzichten. Deze maken ook deel uit van de input die ik heb gegeven op de
recente consultatie van de EC over de OIM-definitie. In de consultatie pleit ik voor
het aanpassen van de definitie aan de hand van de volgende drie voorstellen:
1. Het verlengen van de uitzonderingsperiode voor nieuwe innovatieve mkb-ondernemingen,
van 3 jaar naar 10 jaar. Dergelijke ondernemingen tot 10 jaar zijn dan uitgezonderd
van de OIM-definitie.
2. Het verruimen van het begrip «eigen vermogen». Hierdoor moet het mogelijk worden dat
o.a. achtergestelde leningen wel mee mogen tellen in de OIM-toets.
3. Het verhogen van de drempelwaarde van het geplaatste aandelenkapitaal dat verloren
mag gaan als gevolg van opgebouwde verliezen, van 50% naar meer dan 70% voor het mkb.
Vraag 8
Wilt u de Kamer per ommegaande informeren over wat de inbreng van uw ministerie zal
zijn bij de huidige consultatieronde op het niveau van de EU-staatssteunregels?
Antwoord 8
Ja, op 14 november heb ik de Nederlandse reactie op de OIM-consultatie naar de EC
gestuurd. Deze reactie stuur ik ook als bijlage bij deze beantwoording mee. Hiermee
geef ik tegelijkertijd uitvoering aan de motie-Thijssen over het aanpassen van de
definitie «onderneming in moeilijkheden»3. Eerder dit jaar heb ik informatie met u gedeeld over mijn inzet voor dit onderwerp
in de eerste en derde EU-kwartaalrapportage van 20254.
Vraag 9
Kunt u elk van deze vragen binnen drie weken beantwoorden?
Antwoord 9
Nee, helaas is het niet gelukt deze antwoorden binnen de gevraagde termijn te beantwoorden.
Ondertekenaars
V.P.G. Karremans, minister van Economische Zaken
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.