Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Van Nispen over de inzet van sport en bewegen in de aanpak preventie en weerbaarheid jongeren
Vragen van het lid Van Nispen (SP) aan de Minister van Justitie en Veiligheid en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de inzet van sport en bewegen in de aanpak preventie en weerbaarheid jongeren (ingezonden 7 november 2025).
Antwoord van Minister Van Oosten (Justitie en Veiligheid), mede namens de Staatssecretaris
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (ontvangen 15 december 2025). Zie ook Aanhangsel
Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 495
Vraag 1
Deelt u de analyse dat sport en bewegen een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan
het verbeteren van veiligheid en leefbaarheid in wijken en bij de aanpak om te voorkomen
dat jongeren in de criminaliteit belanden?
Antwoord 1
Sport past in een breder perspectief van een zinvolle dagbesteding voor jongeren wanneer
het gaat om het voorkomen van jeugdcriminaliteit. Zo kan met sport een positief effect
worden bereikt op bijvoorbeeld antisociaal gedrag doordat jeugdigen meer pro-sociale
contacten leggen, sociale vaardigheden ontwikkelen en levenservaring opdoen.
Het in 2024 verschenen Landelijk kwaliteitskader effectieve jeugdinterventies voor
preventie van jeugdcriminaliteit» (hierna: Landelijk Kwaliteitskader) stelt het volgende
ten aanzien van sport en preventie jeugdcriminaliteit1: «In termen van universele preventie heeft jeugdparticipatie op het gebied van sport
en cultuur een positieve werking in algemene zin waar het psychosociale problemen
betreft, maar ook ten aanzien van het voorkomen van antisociaal gedrag, zoals jeugddelinquentie
(Clarijs, 2014).» Met dat doel kunnen gemeenten maatregelen en interventies inzetten
door gebruik te maken van sport.
Het Landelijk Kwaliteitskader stelt echter ook dat wanneer er in het leven van een
jongere meerdere risicofactoren zijn en onvoldoende beschermende factoren, in die
gevallen alleen deelname aan sport-gerelateerde activiteiten niet voldoende is. In
zulke gevallen zijn interventies gericht op deze specifieke groep nodig, waarbij de
voordelen van sport kunnen worden gebruikt om de weerbaarheid van jongeren te verhogen.
Dit geldt bijvoorbeeld bij de Preventie met Gezag-gemeenten, die vooral inzetten op
deze doelgroep met jongeren in een meer kwetsbare positie.
Vraag 2
In hoeverre en op welke manier wordt de preventieve werking van sport en bewegen op
dit moment benut binnen de lerende aanpak van het brede netwerk Preventie met Gezag?2
Antwoord 2
Uit wetenschappelijk onderzoek is bekend dat sport op zichzelf geen gedragsinterventie
is waarmee jeugdcriminaliteit kan worden voorkomen. Er zijn echter wel gedragsinterventies
die sport inzetten als middel tot gedragsverandering, in combinatie met andere werkzame
bestanddelen die in gezamenlijkheid tot gedragsverandering kunnen leiden. Een voorbeeld
van een bewezen justitiële gedragsinterventie met sport als middel is «Alleen jij
bepaalt wie je bent» (AJB). Deze interventie wordt inmiddels ingezet in meer dan 35
gemeenten in Nederland en in het Caribisch deel van het Koninkrijk, waarbij lokaal
wordt samengewerkt met het Jeugdfonds Sport en Cultuur. Interventies waarvan de werkzame
bestanddelen bewezen effectief zijn of die vanuit de kennis van het Landelijk kwaliteitskader
als kansrijk kunnen worden bestempeld, worden via de lerende aanpak van Preventie
met Gezag breed gedeeld. Dit gebeurt zowel met de gemeenten die aangesloten zijn op
Preventie met Gezag als met gemeenten die niet aangesloten zijn op de aanpak.
Vraag 3
Bent u bereid om expliciet te kijken naar hoe sport en bewegen als onderdeel van de
sociale basis kan bijdragen aan het voorkomen van jeugdcriminaliteit, als aanvulling
op de bestaande aanpak?
Antwoord 3
In eerste instantie zijn gemeenten zelf verantwoordelijk voor de sociale basis in
de eigen gemeente, op basis van de lokale situatie. Naast de reguliere inzet van gemeenten
wordt er bijvoorbeeld via het Nationaal Programma Leefbaarheid- en Veiligheid in 19
gemeenten gewerkt aan het versterken van de leefbaarheid en veiligheid in 20 kwetsbare
gebieden, waarbij het sociaal domein is betrokken. Hierbij is er ook aandacht voor
het vergroten van de mogelijkheden voor sportparticipatie.
Vraag 4
Zijn het Ministerie van VWS en de bestaande sport- en beweegprogramma’s betrokken
bij de aanpak van jeugdcriminaliteit en het versterken van weerbaarheid van jongeren?
Zo ja, op welke manier? Zo nee, bent u bereid deze bij deze aanpak te betrekken?
Antwoord 4
Vanuit het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) is er goed zicht
op en contact met de organisaties die betrokken zijn bij sport- en beweegprogramma’s.
Vanuit het Ministerie van Justitie en Veiligheid is er contact met het Ministerie
van VWS over de mogelijkheden voor het inzetten van deze sportprogramma’s en interventies
om de weerbaarheid van jongeren te vergroten. Er zijn interventies en lokale aanpakken
die werken aan weerbaarheid van jongeren, maar (nog) niet bewezen effectief zijn.
Via de site van Kenniscentrum Sport en Bewegen3 kan deze informatie worden gevonden. Twee voorbeelden van dergelijke interventies
zijn Yets en Futsall Chabbab. Deze goed onderbouwde interventies zijn gericht op het
verhogen van de weerbaarheid, maar bieden (nog) geen bewezen effect op de aanpak van
jeugdcriminaliteit.
Binnen de lerende aanpak van Preventie met Gezag wordt kennis en ervaring gedeeld
over de mogelijkheden van sportprogramma’s en interventies. Op basis van deze inzichten
kunnen gemeenten de eigen inzet bepalen. Vooralsnog is enkel de preventieve gedragsinterventie
AJB bewezen effectief in de aanpak van jeugdcriminaliteit.
Vraag 5
Bent u bereid om u ervoor in te zetten om sport en bewegen meer te betrekken bij de
preventieve aanpak van veiligheidsproblemen? Zo ja, welke stappen gaat u daarvoor
zetten? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 5
Ik ben ervan overtuigd dat sport en bewegen, net als mentoring voor jongeren, belangrijke
onderdelen zijn van een bredere aanpak ter voorkoming van veiligheidsproblemen. Om
deze reden vormen deze thema’s al geruime tijd een onderdeel van de integrale aanpak
van jeugdcriminaliteit. Ik zie nu dan ook geen reden om dit verder te intensiveren.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
F. van Oosten, minister van Justitie en Veiligheid -
Mede namens
J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.