Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden : Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden
36 850 K Wijziging van de begrotingsstaat van het Defensiematerieelbegrotingsfonds voor het jaar 2025 (wijziging samenhangende met de Najaarsnota)
Nr. 3 VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 23 december 2025
De vaste commissie voor Defensie, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel
van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met
de daarop gegeven antwoorden.
De vragen zijn op 8 december 2025 voorgelegd aan de Minister en Staatssecretaris van
Defensie. Bij brief van 15 december 2025 zijn ze door de Minister en Staatssecretaris
van Defensie beantwoord.
Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van
het wetsvoorstel voldoende voorbereid.
De fungerend voorzitter van de commissie, Paternotte
Adjunct-griffier van de commissie, Manten
1
Kunt u toelichten hoe het mogelijk is dat bij Lucht Materieel een verlaging van het
instandhoudingsbudget plaatsvindt vanwege gebrek aan absorptievermogen, terwijl bij
Maritiem Materieel juist sprake is van uitbesteding wegens personele ondervulling?
Als gevolg van verschillende maatregelen uit de Defensienota is er extra instandhoudingsbudget
vrijgekomen ten behoeve van de Luchtmacht. Deze instandhoudingsbudgetten sloten echter
niet aan op de Life Cycle Costing (LCC) van de bijbehorende systemen. Om die reden
zijn de financiële middelen verschoven naar latere jaren conform de LCC inzichten.
Het instandhoudingsbudget van de Luchtmacht is per saldo niet verlaagd, maar op een
andere manier verdeeld over de jaren. De Luchtmacht is voor de instandhouding van
haar hoog geavanceerde systemen afhankelijk van een selectief aantal leveranciers
dat onderhoud kan geven aan deze systemen.
Binnen Maritiem Materieel wordt meer uitbesteed als gevolg van personele ondervulling.
Daarnaast is er sprake van toenemende onderhoudskosten tegen het einde van de levensduur
van systemen en daarbij behorende obsolete onderdelen. Verdere samenwerking met de
industrie leidt tot meer uitbesteding, dit is nodig als gevolg van personele tekorten
en de beschikbaarheid van de instandhoudingsfaciliteiten.
2
Welke structurele factoren liggen ten grondslag aan deze verschillen in uitvoeringscapaciteit
tussen de krijgsmachtdelen?
Zie het antwoord op vraag 1.
3
Welk percentage van de instandhoudingswerkzaamheden bij Maritiem Materieel wordt in
2025 uitbesteed vanwege personele ondervulling?
Er zijn verschillende factoren die effect hebben op het percentage dat uitbesteed
wordt voor onderhoud aan Maritiem Materieel. Door de vergrote samenwerking met de
industrie, de beschikbaarheid van onderhoudsfaciliteiten en productiemiddelen en de
vulling van de organisatie is een exact percentage lastig vast te stellen. Daarbij
wordt het percentage mede beïnvloed door het type schepen dat in onderhoud gaat en
de werkzaamheden die hieraan verbonden zijn.
In 2025 wordt ingeschat dat circa 13% van de onderhoudswerkzaamheden aan Maritiem
Materieel uitbesteed wordt als het gevolg van ondervulling. Bij het vaststellen van
dit percentage is uitgegaan van de kosten aan eigen onderhoudspersoneel en dit af
te zetten ten opzichte van het bedrag dat in het huidige jaar extra wordt uitbesteed.
4
Wat is de meerprijs van de uitbesteding ten opzichte van de oorspronkelijk begrote
interne personeelskosten?
Door personeelstekorten kan CZSK niet alle benodigde (onderhouds)werkzaamheden door
eigen personeel laten uitvoeren. Als gevolg hiervan ziet CZSK zich genoodzaakt om
vaker werkzaamheden extern en dus commercieel uit te besteden. De kosten van de uitbesteding
van bijvoorbeeld een dokking zijn veel hoger dan de eigen personeelskosten. Een vergelijking
is lastig te maken, omdat naast de personeelskosten van de marktpartij(en) ook de
kosten van capaciteiten als dokfaciliteiten, ligplaatsen en beveiliging in rekening
worden gebracht
5
Kunt u aangeven welke effecten het terugbrengen van overprogrammering naar nul heeft
op de daadwerkelijke leveringsmomenten van lopende projecten?
Bij overprogrammering worden in de eerste jaren meer plannen gestart dan past binnen
het budgettaire kader van deze jaren. Over de gehele planperiode van 15 jaar sluit
de programmering aan op het totaal beschikbare budget. Onderprogrammering in latere
jaren compenseert de overprogrammering in eerdere jaren.
Onzekerheden zoals bijvoorbeeld krapte op de defensiemarkten, prijsstijgingen en/of
onderhandelingen met externe partijen die langer duren dan verwacht, kunnen ervoor
zorgen dat Defensie haar projecten later implementeert dan werd geraamd.
Conform de werking van de overprogrammering wordt deze bij de 2e suppletoire begroting
afgebouwd door het budget van de projecten aan te sluiten bij de beschikbare budgetten.
Daardoor is de gehele overprogrammering in 2025 teruggebracht naar nul bij de 2e suppletoire
begroting. Dit heeft geen effect op de daadwerkelijke leveringsmomenten van de lopende
projecten.
6
Worden projecten zoals Vervanging Wissellaadsystemen, Defensiebrede Vervanging Operationele
Wielvoertuigen en Vervanging M-fregatten door deze herschikking feitelijk vertraagd?
Bijgestelde planningen kunnen leiden tot een ander kasritme, waarbij geplande uitgaven
op een later moment worden gedaan dan voorzien. Niet elke aanpassing van het kasritme
betekent dat het materieel later wordt ontvangen. Defensie verwacht dat in 2026 de
realisatie voor de programma’s «Vervanging Wissellaadsystemen, Trekker-opleggercombinaties
en Wielbergingsvoertuigen» en «Defensiebrede Vervanging Operationele Wielvoertuigen»
wordt versneld omdat nieuwe leveringen plaatsvinden en additionele verplichtingen
worden aangegaan, zoals het benutten van optieruimtes, voor onderdelen binnen deze
programma’s. In deze langer lopende programma’s worden gedurende de looptijd veelal
de tussentijds opgelopen vertragingen weer ingehaald. Daarnaast is het mogelijk dat
door complexiteit in de ontwerpfase de doorlooptijd van een project verandert. Voor
het project «Vervanging M-fregatten (ASWF)» loopt door de technische complexiteit
van het ontwerp de ontwerpfase bijvoorbeeld langer door.
7
Welke concrete deadlines gelden er voor de versnelde projecten rond de aanvulling
van de munitievoorraad bij de Landmacht?
Defensie investeert sinds 2022 in de aanvulling van de inzetvoorraden munitie via
het programma «Aanvulling inzetvoorraad munitie». Via dit programma worden stapsgewijs
de munitievoorraden verhoogd. Omwille van operationele en veiligheidsredenen doet
Defensie geen openbare uitspraak over de levertijden van munitie.
8
Welke operationele maatregelen worden getroffen om de vertraging bij het MRAT-project
op te vangen?
Dit betreft een minimale vertraging van een deellevering door de verlenging van het
kwalificatietraject. Dit heeft slechts een minimale operationele impact.
9
Op welke specifieke initiatieven wordt de teruggeboekte € 270 miljoen aan Bedrijfssteun
(Artikel 1) ingezet ter versterking van de Nederlandse defensie-industrie?
Op de specifieke achtergrond van de bedrijfssteun kan vanwege de commerciële belangen
rondom deze casus niet worden ingegaan. Uw Kamer is hier op 3 juli jongstleden separaat
vertrouwelijk over geïnformeerd. De overboeking naar de begroting van EZ voor deze
casus van bedrijfssteun, welke in het najaar niet nodig bleek te zijn, is met de najaarsnota
weer teruggeboekt. Specifieke initiatieven waren daarmee niet de drijfveer om deze
terugboeking te laten plaatsvinden.
10
Hoe wordt geborgd dat de sterk gestegen GrIT-exploitatieverplichtingen geen belemmering
vormen voor toekomstige digitale innovatie of nieuwe IT-vervangingsprojecten?
De verplichtingen ten aanzien van de GrIT exploitatie zijn meeberekend in het totale
programmabudget. Door het eerder opleveren van diverse blokken moest deze verplichting
echter eerder worden aangegaan dan initieel begroot. Er is dus geen sprake van belemmering
voor toekomstige projecten door het verhoogde verplichtingenbudget maar een versnelling
op IT die eerder naar de militairen kan worden uitgerold.
11
Welke gevolgen heeft de neerwaartse bijstelling van € 259,1 miljoen op de vastgoeduitgaven
voor de realisatieplanning van het Programma Ruimte voor Defensie?
Voor de realisatieplanning van het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie heeft
deze neerwaartse bijstelling geen invloed.
12
Welke maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat vertraging in vastgoedprojecten
de militaire mobiliteit, logistieke keten en operationele inzetbaarheid vertraagt?
In de vastgoedketen worden verschillende maatregelen genomen om te versnellen en daarmee
vertraging te voorkomen. De recent gestarte Commandopost Vastgoed (CPV) voert regie
op dat proces. De CPV kijkt naar verbetering van de interne (vastgoed)organisatie
en naar hoe de markt eerder en beter betrokken kan worden. Bij het vaststellen van
prioriteiten binnen dat proces staat operationele gereedheid nadrukkelijk op het netvlies,
waaronder de tijdige beschikbaarheid van vastgoed dat nodig is voor de operationele
inzetbaarheid, militaire mobiliteit en de logistieke keten.
13
Hoe zien we de 1.0–2,5 miljard euro die in de Kamerbrief van 24 november stond terug
in het Defensiematerieelbegrotingsfonds? (Kamerstuk 27 830, nr. 474)
Uw Kamer is op 24 november 2025 geïnformeerd (Kamerstuk 27 830, nr. 474) over een aantal additionele investeringen met een waarde in de DMP-bandbreedte van
1 miljard tot 2,5 miljard in verschillende systemen voor dronebestrijding (zie vraag
33). Voor de in de kamerbrief genoemde investeringen in de IRIS-radars en Skyranger30-systemen
geldt dat het kas- en verplichtingenbudget dat benodigd is voor contracttekening in
2025 is herschikt met de Incidentele suppletoire begroting inzake bestrijding van
drones (Kamerstuk 36 858, nr. 1 van 19 november 2025). De meerjarige verwerking van de aanvullende investeringen
uit de Voorjaarsnota 2025 vindt plaats met de nota van wijzigingen op de ontwerpbegroting
2026 (Kamerstuk 36 800 K, nr. 6 van 20 november 2025). Daarbij wordt het op artikel 8 («parkeerartikel») geplaatste
budget in het juiste kasritme verdeeld over de juiste artikelen. Overige herschikkingen
vinden plaats met de eerste suppletoire begroting 2026.
14
Welke toekomstige budgettaire gaten vallen er (bijvoorbeeld deprioritering andere
projecten) indien deze 1.0–2,5 miljard euro uit de Kamerbrief van 24 november toekomstig
budget betreft dat naar voren is gehaald?
Er vallen geen budgettaire gaten als gevolg van de in de kamerbrief genoemde projecten.
Met de nota van wijzigingen op de ontwerpbegroting 2026 (Kamerstuk 36 800 K, nr. 6 van 20 november 2025) heeft Defensie de middelen uit de Voorjaarsnota 2025, die tot
nadere uitwerking van de maatregelen «geparkeerd» stonden op artikel 8 van het DMF,
overgeheveld naar de juiste artikelen en in het juiste kasritme gezet. Door de ruimte
in de overprogrammering in 2026 te benutten kan Defensie een deel van de projecten
uit het voorjaarsnotapakket in 2026 al starten, zonder dat er verdringing plaatsvindt.
15
Welke standaard contractuele afspraken maakt Defensie op inkoopgebied ten aanzien
van prijsrisico?
Defensie sluit over het algemeen contracten tegen een vaste prijs of op basis van
een prijsescalatieformule waarbij toekomstige betalingen worden gecorrigeerd voor
inflatie.
Er zijn uitzonderingen voor overeenkomsten waarbij de omvang van de dienst of levering
niet op voorhand te bepalen en/of te beprijzen is. In dergelijke gevallen worden er
afspraken gemaakt over de calculatiemethodiek. Ook maakt het bedingen van een recht
op accountantsonderzoek naar de totstandkoming van iedere nieuwe calculatie en prijsstelling
deel uit van de standaard contractartikelen.
16
Wat is de geografische breakdown delen (euro’s en percentages) van de inkoop van het
materieelbegrotingsfonds in 2025 bij bedrijven die in Nederland, de EU (exclusief
Nederland) en de VS gevestigd zijn? Graag opgesplitst per geografie en uitgedrukt
in miljarden met 1 decimaal.
De analyse is uitgevoerd voor alle leveranciers van Defensie. Uitgaven en bestelorders
aan Nederlandse overheidsinstanties, zoals het Rijksvastgoedbedrijf en gemeenten,
zijn bewust buiten beschouwing gelaten.
De vestigingsplaats van leveranciers is bepaald op basis van KvK-gegevens voor Nederlandse
ondernemingen en gegevens van Dunn & Brad Street (leverancier van internationale bedrijfsinformatie)
voor buitenlandse ondernemingen. Hierbij gaat het om de vestiging waarmee wij daadwerkelijk
zakendoen, niet om de locatie van een eventuele moedermaatschappij. Wanneer Defensie
zaken doet met de Europese vestiging van een Amerikaans moederbedrijf, wordt deze
in de rapportage als «Europa» weergegeven. Deze cijfers (excl. BTW) betreffen de bestelorderposities
die in het betreffende jaar zijn aangemaakt in de bestelsystemen SAP MM en SAP Ariba
per 8-12-2025. In de onderstaande tabel worden de inkoopcijfers van Europa uitgesplitst
naar lidstaten, geen EU lidstaten en Nederland.
Rijlabels
Euro
%
Europa
7.4 mld
77%
EU-landen (lidstaten)
4.15 mld
44%
Geen EU
0.45 mld
5%
NL
2.8 mld
29%
Noord-Amerika
1.5 mld
16%
Azië
0.6 mld
6%
Zuid-Amerika
0.04 mld
0%
Oceanië
0.04 mld
0%
Eindtotaal
9.6 mld
100%
17
Wat zijn de KPIs waarop gebaseerd wordt of de inkooporganisatie succesvol is? Hoe
hebben deze KPIs zich in 2020–2025 jaarlijks ontwikkeld? Graag in tabelvorm delen.
De inkooporganisatie stuurt op een aantal kernthema’s die bepalend zijn voor het succes
van de gehele inkoopfunctie. De belangrijkste thema’s zijn:
Doeltreffend inkopen – Inkopen wat daadwerkelijk nodig is;
Doelmatig inkopen – Inkopen op de meest (kosten)efficiënte manier;
Rechtmatig inkopen – Voldoen aan wet- en regelgeving;
De onderlinge verhouding van deze thema’s en de prioritering zijn de afgelopen jaren
diverse malen bijgesteld.
Defensie heeft geen overzicht bijgehouden van de ontwikkelingen tussen 2020 en 2025
en kan daarmee niet in tabelvorm gedeeld worden.
Meer algemeen kan gezegd worden dat een inkooporganisatie succesvol is zodra het materieel
en de diensten verschaft die gevechtskracht genereren, ondersteunen of verlengen.
Momenteel ligt de nadruk op tijdigheid, herkomst, prijs en kwaliteit. Daarnaast ook
op het verrichten van meer inkooptrajecten en doeltreffend inkopen. Dit sluit aan
bij de behoefte om wendbaarder te zijn, doorlooptijden te verkorten en beter aan te
sluiten op de vraag vanuit de organisatie en externe partners.
Defensie werkt eraan om deze thema’s in normeerbare prestatie-indicatoren te vervatten.
18
Wat is de omvang van de inkooporganisatie bij Defensie in aantallen medewerkers per
aanvang 2025?
Per aanvang 2025 bestond de inkooporganisatie bij Defensie uit circa 650 mensen.
19
Hoe verhoudt het aantal medewerkers van de inkooporganisatie als percentage van de
totale defensieorganisatie zich tot andere West-Europese landen?
De omvang van de inkooporganisatie is ongeveer 0,9% van de totale defensieorganisatie.
Defensie heeft geen inzicht in de relatieve omvang van inkoop binnen de defensieorganisatie
van andere West-Europese landen.
20
Kan het kabinet aangeven wat de gemiddelde doorlooptijd (uitgedrukt in maanden) van
inkooptrajecten is voor een representatieve selectie van defensiematerieel projecten?
De doorlooptijd van het inkoopproces, van het formuleren van de inkoopstrategie tot
aan de gunning is over 2024 en 2025 berekend op gemiddeld 7,5 maand voor materieelprojecten.
In deze doorlooptijd zijn de planfase en de behoeftestellingsfase niet meegenomen.
Over deze fases zijn geen exacte cijfers bekend.
21
Hoeveel langjarige contracten (>5 jaar) voor defensiematerieel heeft het kabinet sinds
2024 afgesloten met in Nederland gevestigde bedrijven in de defensie-industrie? Hierbij
gaat het niet om overhead (als IT, vastgoed of facility management services), maar
om materieel als drones, munitie, voertuigen, etc.
Sinds 2024 zijn er ongeveer 30 langjarige contracten afgesloten die betrekking hebben
op defensiematerieel. De komende jaren zal Defensie blijven inspannen om in lijn met
de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie 2025 – 2029 zo veel mogelijk materieel
bij Nederlandse of Europese bedrijven te verwerven. Voor openbare percentages en cijfers
over directe contractering met de Nederlandse industrie, verwijst Defensie deze tabellen
die zijn opgenomen in de Stand van Defensie (september 2025):
22
Waaruit bestaat de terugboeking van 270 miljoen euro van EZ naar Defensie? Wat zijn
de gevolgen hier van? Waar was dit geld voor bestemd?
Zie antwoord op vraag 9.
23
De verplichtingenruimte stijgt met € 3,8 miljard door het naar voren halen van contracten;
kunt u garanderen dat deze versnelling niet leidt tot onzorgvuldige verwerving of
«panic buying», waarbij de interoperabiliteit en levensduurkosten ondergeschikt raken
aan de wens om budget vast te leggen?
De verplichtingenruimte is naar boven bijgesteld als gevolg van verschillende redenen.
Het betreft het saldo van herfaseringen van de verplichtingen in de realisatiefase
waarbij de verplichtingen van bestaande projecten eerder dan wel later dan voorzien
worden aangegaan. Daarnaast zijn de verplichtingen naar boven bijgesteld als gevolg
van bijvoorbeeld scope uitbreidingen. Door het ophogen van de verplichtingenbudgetten
kunnen contracten tijdig worden aangegaan en lopen projecten geen vertraging op. Het
hogere verplichtingenbudget betreft dus het eerder aangaan van verplichtingen van
projecten waarvoor de reguliere verwervingstrajecten worden doorlopen, of hogere verplichtingen
als gevolg van bijvoorbeeld scope-uitbreidingen voor deze projecten.
24
In de tweede suppletoire begroting wordt de overprogrammering volledig teruggebracht
naar nul; betekent dit dat het instrument van overprogrammering in de praktijk heeft
gefaald als stuurmiddel om onderuitputting te voorkomen, gezien de enorme neerwaartse
bijstellingen op investeringen (€ 2,8 miljard)? Is de conclusie gerechtvaardigd dat
de absorptiecapaciteit van de organisatie structureel wordt overschat?
Als gevolg van interne en/of externe factoren kunnen betalingen van individuele investeringsprojecten
vertragen ten opzichte van de raming. Het is op voorhand onduidelijk waar deze vertragingen
zich zullen voordoen. Defensie hanteert daarom het instrument «overprogrammering»
om het toegewezen totaalbudget in het DMF tijdig te realiseren, ondanks de te verwachten
vertragingen in de realisatie van individuele projecten.
Bij overprogrammering worden in de eerste jaren meer plannen gestart dan past binnen
het budgettaire kader van deze jaren. Op deze manier worden vertragingen of latere
betalingen opgevangen en wordt het risico op onderuitputting verminderd. Conform de
werking van de overprogrammering wordt deze bij de 2e suppletoire begroting, wanneer
beter zicht is op het verloop van de projecten, afgebouwd door het budget van de projecten
aan te sluiten bij de beschikbare budgetten van het DMF.
Daarom is de gehele overprogrammering in 2025 teruggebracht naar nul bij 2e suppletoire
begroting. De neerwaartse bijstelling op de investeringen bij de tweede suppletoire
begroting en daarbij gepaard gaande opwaartse bijstelling op de overprogrammering
betreft de reguliere werkwijze van de overprogrammering. De mutaties passen binnen
de reguliere werkwijze van het DMF en daaruit is dus niet te concluderen dat de absorptiecapaciteit
van de organisatie structureel wordt overschat.
25
De overheveling van € 270 miljoen «bedrijfssteun» van EZK terug naar Defensie roept
vragen op over de regie; is Defensie nu zelf verantwoordelijk voor industriebeleid,
en heeft de organisatie de expertise in huis om deze middelen effectief in te zetten
voor de versterking van de Nederlandse defensie-industrie (D-SIII), zonder dat dit
verzandt in versnipperde subsidies?
Sinds april 2025 werkt Defensie aan de uitvoering van de Nederlandse Defensie Strategie
voor Industrie en Innovatie 2025–2029, om zo de defensie-industrie kennis gedreven
te versterken. Defensie is hiervoor verantwoordelijk, vergaart interne expertise en
neemt hierin de aanjagersrol. Het Ministerie van Defensie heeft de regie gevoerd over
dit proces en heeft daarin constructief samengewerkt met de Ministeries van Economische
Zaken, Financiën en Buitenlandse zaken. Het Ministerie van Economische zaken beschikt
specifiek over het instrumentarium t.b.v. bedrijfssteun. Dit is ook de reden geweest
waarom er een overboeking is geweest.
26
Welk deel van de bijstelling van verplichtingen van 622,5 miljoen euro is te wijten
aan de vertraging bij Short Range Anti-Tank (SRAT)?
In verband met de commerciële vertrouwelijkheid van het financiële volume van deze
projecten is het niet mogelijk individuele projecten zoals SRAT uit de bijstelling
uit te lichten. Uw Kamer wordt via het Defensie Projectenoverzicht (DPO) van mei 2026
geïnformeerd over de voortgang van de materieelprojecten.
27
Welke andere bijstellingen zijn er met een omvang van meer dan 100 miljoen euro en
wat is de reden van deze bijstelling?
In verband met de commerciële vertrouwelijkheid van het financiële volume van deze
projecten is het niet mogelijk om van individuele projecten te benoemen of deze van
een hoger financieel volume zijn dan € 100 miljoen euro. Uw Kamer wordt met het DPO
van mei 2026 geïnformeerd over de voortgang van de materieelprojecten.
28
Betreft de scope uitbreiding bij het Short Range Anti-Tank (SRAT) project de verwerving
van het «Carl-Gustaf M4» anti-tank systeem? Zo nee, hoe kan er sprake zijn van een
scope uitbreiding bij het Short Range Anti-Tank (SRAT) project terwijl dit MOTS zou
zijn?
Het project «Vervanging en uitbreiding Short Range Anti-Tank (SRAT) capaciteit» is
uitgebreid met de verwerving van het anti-tank wapen Carl-Gustaf M4, zoals gecommuniceerd
aan uw Kamer in het DPO van 2025 (Kamerstuk 27 830, nr. 456 van 21 mei 2025). Ook verwerft Defensie extra munitie voor dit project met de aanvulling
van de inzetvoorraad munitie. Het betreft geen aanpassing aan een military-off-the-shelf (MOTS)-product.
29
Wat zijn de gevolgen van de vertraging in verplichtingen bij afzonderlijke trajecten,
zoals SRAT?
De bijstelling in de verplichtingen kan meerdere oorzaken hebben en leidt niet in
alle gevallen tot een wijziging in de levertijden. In veel gevallen betreft het aanpassingen
in betaalschema’s na het sluiten van het contract, zonder gevolgen voor de levertijden.
Omwille van operationele en veiligheidsredenen doet Defensie geen openbare uitspraak
over de levertijden. Uw Kamer wordt met het DPO van mei 2026 geïnformeerd over de
voortgang van de materieelprojecten.
30
Het budget voor de verwerving van munitie (SRAT, Aanvulling Inzetvoorraad) wordt wederom
verlaagd door vertragingen; erkent u dat het onvermogen om munitievoorraden tijdig
aan te vullen, ondanks beschikbaar geld, de meest acute kwetsbaarheid van de krijgsmacht
vormt in het huidige dreigingsbeeld? Welke onconventionele maatregelen worden overwogen
om deze impasse te doorbreken?
De benoemde vertraging betreft een herfasering als gevolg van een scope-uitbreiding.
Het project is uitgebreid met de verwerving van het anti-tank wapen Carl-Gustaf M4
en extra munitie voor de doorgroei van de inzetvoorraden. Door deze uitbreiding wordt
een verplichting later aangegaan dan initieel verwacht.
De stapsgewijze doorgroei van de munitievoorraden blijft een belangrijk aandachtspunt.
Vanwege het zich ontwikkelende dreigingsbeeld en met oog op de oplopende levertijden
weegt de tijdige beschikbaarheid van materieel zwaarder mee. Waar mogelijk maakt Defensie
gebruik van verschillende maatregelen om tijdig over het materieel te kunnen beschikken,
waaronder het ophogen van lopende bestellingen en samenwerking met andere landen,
bijvoorbeeld door middel van vraagbundeling of verwerving via de NATO Support and Procurement Agency (NSPA).
31
Van wat voor soort «leveringsproblematiek» is sprake bij het project Initiële Counter-Unmanned
Aircraft Systems (C-UAS) en hoeveel maanden duurt de vertraging?
Het betreft een uitgestelde deellevering van C-UAS systemen als gevolg van knelpunten
in de toeleveringsketen van de leverancier. Uw Kamer wordt met het DPO van mei 2026
vertrouwelijk geïnformeerd over de eventuele impact op de levertijden.
32
Hoe rijmt deze vertraging bij C-UAS met de Kamerbrief van 24 november die repte van
«snel leverbare combat C-UAS systemen»?
De snel leverbare combat C-UAS systemen uit de kamerbrief van 24 november 2025 (Kamerstuk
27 830, nr. 474) worden verworven in het kader van het project «Verwerving Combat Counter-UAS» (Kamerstuk
27 830, nr. 458 van 29 januari 2025). Deze systemen worden aangeschaft voor de bescherming van de
eenheden, gebieden en kritieke (militaire) infrastructuur tegen de dreiging van zwermen
kleine UAS, loitering munitions, zeer laagvliegende helikopters en vliegtuigen. Het betreft daarom wezenlijk andere
systemen en een andere capaciteit dan wordt verworven binnen het genoemde project
«Initiële Counter-Unmanned Aircraft Systems».
33
In de Kamerbrief van 24 november wordt versterking van de C-UAS capaciteit van 1.0–2,5 miljard
genoemd; wat is de opsplitsing van dit bedrag over de genoemde projecten?
Uw Kamer is op 24 november 2025 geïnformeerd over een aantal additionele investeringen
met een waarde in de DMP-bandbreedte van 1 miljard tot 2,5 miljard in verschillende
systemen voor dronebestrijding (Kamerstuk 27 830, nr. 474). Dit betreft aanvullende bestellingen via verschillende lopende projecten, waaronder
«Initiële Counter-Unmanned Aircraft Systems (C-UAS)» (Kamerstuk 34 919, nr. 52 van 12 mei 2020), «Verwerving extended All Arms Air Defence (eAAAD) Toolbox» (Kamerstuk
27 830, nr. 456 van 19 december 2024), «Verwerving onbemenste systemen» (Kamerstuk 36 410 X, nr. 93 van 7 juni 2024), «Future All-Terrain Mobility Patrouillevoertuigen (FLATM PV)» (Kamerstuk
27 830, nr. 314 van 14 juni 2021) en «Verwerving Combat Counter-UAS» (Kamerstuk 27 830, nr. 458 van 29 januari 2025).
34
Draagt Defensie voor deze twee projecten (Verwerving Maritime Strike en Future Littoral
All-Terrain Mobility Patrouillevoertuigen) het volledige prijsrisico of wordt dit
gedeeld met de leveranciers?
Defensie kan geen publieke inzage geven in de voorwaarden in commercieel vertrouwelijke
contracten. Het is gebruikelijk dat Defensie, net als andere departementen, afspraken
maakt over prijs-escalatie bij het aangaan van verplichtingen. Defensie indexeert
projecten voor inflatie aan de hand van de indexatie die de departementale begroting
krijgt aan de hand van het Centraal Economisch Plan dat het CPB elk jaar in maart
publiceert. Voor beide projecten geldt dat deze via Foreign Military Sales (FMS) vanuit de VS of via Direct Commercial Sales tot stand komen. Ook in deze contracten worden afspraken gemaakt over prijs-escalatie.
35
Welke individuele projecten zijn vertraagd en wat zijn de consequenties daarvan?
De voortgang van individuele projecten, eventuele vertragingen en andere wijzigingen
op de lopende projecten zullen door Defensie worden gerapporteerd in het DPO van mei
2026.
36
Bij Defensiebreed Materieel wordt het budget voor de realisatiefase met € 784 miljoen
verlaagd door vertragingen bij cruciale projecten als DVOW en munitievoorraden; hoe
verhoudt deze forse vertraging zich tot de acute noodzaak om de basisgereedheid en
voorraden op orde te brengen, zoals geschetst in de Stand van Defensie? Dreigt hierdoor
een «papieren gereedheid» te ontstaan die niet gedekt wordt door materieel?
De uitgaven op enkele projecten in het DMF, waaronder op artikel 1 Defensiebreed materieel,
betreffen uitgaven die binnen het DMF naar een ander kasritme zijn geschoven. Dit
kan verschillende redenen hebben. Zo is het mogelijk dat een betaalschema wordt aangepast
na het sluiten van een contract. Ook is het mogelijk dat door technische complexiteit
in de ontwerpfase de doorlooptijd van een project verandert. Dit betekent niet dat
daadwerkelijke vertraging in de levering van het materieel is ontstaan.
Defensie voert overprogrammering in het DMF om onzekerheden op te kunnen vangen en
geplande investeringen zo veel mogelijk te implementeren (zie tevens antwoord 5).
Het betreft een reguliere werkwijze waarin Defensie in de programmering rekening houdt
met het feit dat in enig jaar tot wel 40% aan projectbudget in een ander kasritme
wordt geschoven.
37
Het budget voor Kennis en Innovatie wordt met € 172,6 miljoen verlaagd, grotendeels
door vertragingen; hoe valt deze structurele onderuitputting te rijmen met de ambitie
om via technologische innovatie (drones, AI) de gevechtskracht te vergroten? Wordt
innovatie in de praktijk als «sluitpost» gebruikt bij tegenvallers elders?
Het belang van innovatie voor het gevecht van vandaag én van morgen wordt breed erkend;
het K&I budget is dan ook niet verlaagd en wordt niet als sluitpost gebruikt. Zoals
in de suppletoire begroting weergegeven en toegelicht wordt: de 172,6 miljoen is een
samenstelling van verschuivingen tussen Defensie begrotingen (van DMF naar artikel 9),
overhevelingen naar OCW en het doorschuiven van budgetten over de jaargrens. Deze
budgetten worden blijvend ingezet waar ze bestemd voor zijn: bouwen aan een toekomstbestendige
krijgsmacht. Om K&I uitgaves te versnellen zijn verschillende maatregelen genomen,
in lijn met de Defensie Strategie voor Innovatie & Industrie (D-SII) 2025–2029, zoals
het inzetten van EZ en OCW instrumentarium en het versterken van de K&I inkoopexpertise
en -capaciteit.
38
Op welke manier zijn de wijzigingen van de onlangs vastgestelde begroting over drones
verwerkt in deze reguliere suppletoire begroting?
De Incidentele suppletoire begroting inzake bestrijding van drones (Kamerstuk 36 858, nr. 1 van 19 november 2025) is voorafgaand aan deze tweede suppletoire begroting behandeld.
De wijzigingen zijn daarom verwerkt in de «beginstanden» van deze tweede suppletoire
begroting. In de budgettaire tabellen betreft dat de kolom «Vastgestelde begroting
(incl. Suppletoire begrotingen, NvW en amendementen) (1)».
39
De ontvangsten stijgen met € 47 miljoen, deels door een boete van een maritieme leverancier;
hoewel financieel positief, duidt een boete op wanprestatie; om welk project en welke
leverancier gaat het, en wat zijn de operationele consequenties van de wanprestatie
die tot deze boete heeft geleid?
Het betrof een later dan geplande levering. Er worden geen significante operationele
consequenties voorzien. Omwille van commercieel vertrouwelijke informatie kan Defensie
niet ingaan op het project of de leverancier.
40
Hoe groot zijn de in de toelichting genoemde prijsstijgingen bij Verwerving Maritime
Strike en Future Littoral All-Terrain Mobility Patrouillevoertuigen? Zowel in euro’s
als in percentage?
Het betreft een ophoging van de verplichtingenruimte doordat de verplichtingen in
het juiste ritme zijn gezet. De benodigde ruimte is gevonden door verplichtingen uit
latere jaren naar voren te halen. Het totale projectbudget is daarmee niet gewijzigd.
Uw Kamer wordt met het DPO van mei 2026 geïnformeerd over de voortgang van de materieelprojecten.
41
Wat zijn de gevolgen van de vertraging in verplichtingen bij afzonderlijke projecten?
Een verschuiving van de verplichtingen leidt niet automatisch tot een vertraging van
het project. De eventuele gevolgen zullen worden omschreven in het DPO van mei 2026.
42
Zijn er elders binnen DMP-projecten die te maken hebben met prijsstijgingen? Zo ja
welke en in welke mate?
Uw Kamer wordt met het DPO van mei 2026 geïnformeerd over de voortgang van de materieelprojecten.
In het DPO zijn de significante wijzigingen op projectbudgetten, zoals door prijsstijgingen,
opgenomen. Defensie wordt jaarlijks gecompenseerd voor deze prijsstijgingen door de
prijspeilbijstellingen.
43
Voor het project «Vervanging M-fregatten» is het budget verlaagd door onduidelijkheid
over het BTW percentage en scopewijzigingen; is het acceptabel dat bureaucratische
onduidelijkheid over belastingen leidt tot vertraging van een hoofdwapensysteem dat
cruciaal is voor de slagkracht op zee? Welke operationele risico's levert dit uitstel
op voor de ASW-capaciteit?
Het betreft het saldo van herfaseringen van de verplichtingen in de realisatiefase
waarbij de verplichtingen van deelprojecten eerder dan wel later dan voorzien worden
aangegaan. Uw Kamer wordt met het DPO van mei 2026 geïnformeerd over de voortgang
van de materieelprojecten.
44
De instandhoudingsbudgetten worden op diverse artikelen verhoogd of verschoven (o.a.
€ 100 miljoen extra verplichtingen bij Land, € 128 miljoen verlaging uitgaven bij
Lucht); duidt deze volatiliteit op een gebrekkig inzicht in de werkelijke levensduurkosten
van materieel, en dreigt instandhouding een «black box» te worden die investeringsruimte
opslokt?
In de opeenvolgende DMP-fasen wordt de behoefte, en daarmee de financiële consequenties,
steeds concreter. Wanneer Defensie een contract met een leverancier (D-fase) sluit,
wordt het mogelijk om de daadwerkelijke instandhoudingskosten van het nieuwe systeem
te bepalen. Dit verschil in de exploitatie tussen het oude en het nieuwe systeem kan
zowel positief als negatief uitvallen. Wanneer het effect op de exploitatie wordt
toegevoegd aan het projectbudget kan dit zowel leiden tot een mindering als een toename
van het projectvolume in het DMF. Ook kan het voorkomen dat uitgaven binnen het DMF
in een ander kasritme worden geschoven dan voorzien. Het DMF wordt bijgesteld bij
de reguliere begrotingsmomenten.
45
Wat zijn de gevolgen van de vertraging in verplichtingen bij afzonderlijke projecten?
Welke projecten zijn versneld?
De bijstelling in de verplichtingen kan meerdere oorzaken hebben en leidt niet in
alle gevallen tot een vertraging. In veel gevallen betreft het aanpassingen in betaalschema’s
na het sluiten van het contract, zonder gevolgen voor de levertijden. Voor het project
«Verwerving F-35» en het project «Vervanging Medium Utility Helicopter (aanschaf H225M
Caracal)» vormen de leveringsschema’s bijvoorbeeld aanleiding tot de bijstelling in
de verplichtingen. Dit heeft geen gevolgen voor de operationele planning.
46
Bij Lucht Materieel wordt het budget voor de F-35 verlaagd met € 291 miljoen door
vertraagde leveringen; wat is de impact van deze vertraging op de operationele inzetbaarheid
en de vullingsgraad van de squadrons, zeker nu de F-16 versneld wordt uitgefaseerd
en ingezet voor Oekraïne? Ontstaat er een gat in de luchtverdedigingscapaciteit?
De verlaging van de uitgavenraming voor 2025 komt voort uit een aangepast leveringsschema.
De oorspronkelijke levering van enkele F-35 toestellen stond gepland voor eind 2025
en is bijgesteld naar begin 2026. Deze herfasering heeft geen impact op de operationele
inzetbaarheid.
47
Voor Infrastructuur en Vastgoed wordt het verwervingsbudget met € 259 miljoen verlaagd
door fasering van projecten als «Versnellen Verduurzaming»; betekent dit dat de duurzaamheidsambities
de facto in de ijskast worden gezet ten gunste van operationele prioriteiten, en welke
gevolgen heeft dit voor de energielasten op lange termijn?
Nee, de duurzaamheidsambities blijven overeind. Zoals eerder aan uw Kamer gemeld,
is echter wel een inhaalslag nodig om Defensie te laten voldoen aan de wet- en regelgeving
wat betreft verduurzaming van het vastgoed (Kamerstuk 36 124 nr. 43 van 30 mei 2024). In voornoemde Kamerbrief is uw Kamer geïnformeerd over de wijze
waarop Defensie zo snel als mogelijk wil voldoen aan de genoemde wettelijke verplichtingen
en wil bijdragen aan de energietransitie. Daarnaast is het nieuwe centrale uitgangspunt
dat gevechtskracht voorop staat en dat duurzaamheid daaraan bijdraagt (Kamerstuk 36 592, 32 813, 30 196, nr. 52 van 9 oktober 2025). Energie voor varen, vliegen, rijden, vastgoed, kampementen en
informatietechnologie is essentieel voor de operationele inzet. De focus ligt hierbij
op twee thema’s: energiezekerheid en autonoom voortzettingsvermogen.
48
Bij IT wordt het verplichtingenbudget met € 1,1 miljard verhoogd door het programma
GrIT; gezien de aanhoudende vertragingen en kostenoverschrijdingen bij GrIT, is het
verantwoord om nu al voor 5 jaar exploitatieverplichtingen aan te gaan? Wordt hiermee
niet een «vendor lock-in» bestendigd die innovatie en flexibiliteit in de weg staat?
De daadwekelijke opdracht voor de instandhouding van GrIT wordt per blok toegekend
aan het einde van de realisatiefase. Dan wordt gekozen of de instandhouding van GrIT
aan de huidige leverancier, of aan een andere partij verplicht wordt. Doordat deze
keus aan het einde van de realisatieperiode wordt gemaakt, wordt een mogelijke vendor-lock-in
voorkomen.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.M. Paternotte, voorzitter van de vaste commissie voor Defensie -
Mede ondertekenaar
N.E. Manten, adjunct-griffier