Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Kostic over landbouwgif in populaire snoepgroenten voor jonge kinderen
Vragen van het lid Kostić (PvdD) aan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over landbouwgif in populaire snoepgroenten voor jonge kinderen (ingezonden 6 november 2025).
Antwoord van Staatssecretaris Tielen (Volksgezondheid, Welzijn en Sport), mede namens
de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (ontvangen 15 december
2025). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 483.
Vraag 1
Heeft u de uitzending gezien van KASSA over pesticiden in populaire snoepgroenten
voor jonge kinderen?1
Antwoord 1
Ja, deze uitzending heb ik gezien.
Vraag 2
Deelt u de bezorgdheid van toxicoloog Scheepers van de Radboud Universiteit over de
door Pesticide Action Network Netherlands (PAN-NL) gevonden hormoonverstorende en
voor de voorplanting giftige pesticiden in deze producten?
Antwoord 2
Voor elke combinatie van een product en actieve stof (werkzame bestanddeel van een
gewasbeschermingsmiddel), zoals in het rapport van PAN-NL wordt aangegeven, geldt
een Maximaal Residu Limiet (MRL). De MRL is de maximale wettelijke hoeveelheid van
een actieve stof die in of op levensmiddelen voor mag komen. De residuen die door
PAN-NL gevonden zijn, voldoen allen aan deze MRL.
Vraag 3
Kunt u bevestigen dat jonge kinderen extra gevoelig zijn voor blootstelling aan gif,
omdat hun lichaam (met name hersenen, hormoonstelsel, immuunsysteem en voortplantingsorganen)
nog in volle ontwikkeling zijn? Zo nee, op welk concreet recent wetenschappelijk onderzoek
baseert u zich dan?
Antwoord 3
Kinderen zijn inderdaad extra gevoelig voor de blootstelling aan stoffen zoals gewasbeschermingsmiddelen.
Hier wordt rekening mee gehouden in de toelatingsbeoordeling van gewasbeschermingsmiddelen
en de vaststelling van de MRLs. Voordat een gewasbeschermingsmiddel mag worden gebruikt
op een gewas, wordt onderzocht of de te verwachten residuen van het desbetreffende
gewasbeschermingsmiddel een gevaar voor de volksgezondheid vormen. Hierbij wordt ook
rekening gehouden met gevoeligheid van baby's en jonge kinderen en hun hogere blootstelling.
Gewasbeschermingsmiddelen worden alleen toegelaten als de risicoschatting aangeeft
dat bij de maximum te verwachten residuen per gewas de acceptabele dagelijkse inname
(ADI) en de acute referentie dosis (ARfD), niet worden overschreden voor respectievelijk
chronische blootstelling en acute blootstelling.
Vraag 4
Klopt het dat op basis van twee adviezen van het Wetenschappelijk Comité voor de menselijke
voeding nog steeds twijfel bestaat over de adequaatheid van de bestaande waarden voor
de aanvaardbare dagelijkse inname (ADI) van landbouwgiffen en residuen, met het oog
op de bescherming van de gezondheid van zuigelingen en peuters, zoals in de richtlijn
2006/125/EG is vermeld?
Antwoord 4
Dit klopt niet. De twee adviezen van het Wetenschappelijk Comité voor de menselijke
voeding stammen uit 1997 en 1998. In de tussentijd is het toetsingskader voor gewasbeschermingsmiddelen
op meerdere punten aangescherpt. Op verzoek van de Europese Commissie heeft de European
Food Safety Authority (EFSA) in 2018 de geschiktheid van de toxicologische referentiewaarden
(ADI en ARfD) voor gewasbeschermingsmiddelen voor baby's ouder dan 4 maanden en jonge
kinderen beoordeeld. EFSA concludeerde dat de huidige aanpak voor het vaststellen
van de toxicologische referentiewaarden (ADI en ARfD) geschikt is voor baby's en jonge
kinderen.2
Vraag 5
Klopt het dat voor een potje voeding voor een peuter van drie jaar een pesticidenorm
is gesteld van maximaal 0,01 milligram per kilogram op basis van deze zorgen over
pesticiden?
Antwoord 5
Richtlijn 2006/125/EG van 5 december 2006 schrijft inderdaad voor dat bewerkte voedingsmiddelen
op basis van granen en babyvoeding geen residuen van afzonderlijke bestrijdingsmiddelen
mogen bevatten met niveaus die hoger liggen dan 0,01 mg/kg.
Vraag 6
Klopt het dat op verse snoepgroente, veel gegeten in die leeftijd, tot wel soms 10 milligram
per kilogram of meer residu (MRL) van bepaalde pesticiden mag zitten, dus 1000 keer
zoveel?
Antwoord 6
De MRL verschilt per product en per actieve stof. Zowel snoepgroenten als de gewone
groenten moeten voldoen aan de betreffende MRL. Veel MRL’s voor tomaten, komkommers,
paprika’s en wortelen zijn 0,01 mg/kg. Er zijn echter ook veel MRL’s hoger dan 0,01 mg/kg
en dat kan ook 10 mg/kg zijn, bijvoorbeeld tomaten.
Vraag 7
Kunt u bevestigen dat het schadelijk effect van een residu op een verse snoeptomaat
hetzelfde is als dezelfde hoeveelheid residu op een tomaat in een potje peutervoeding?
Zo nee, waarom niet en op welk concreet recent wetenschappelijk onderzoek baseert
u zich dan op?
Antwoord 7
Ja, dat klopt. Het hangt van de mate van blootstelling aan een schadelijke stof af
of er schadelijke effecten optreden. Het maakt niet uit via welke voedingsmiddelen
deze blootstelling plaatsvindt.
Vraag 8
Bent u bereid wetgeving hierop aan te passen zodat voor specifieke producten die gericht
zijn op kinderen altijd deze veilige «babynorm» geldt? Zo nee, waarom niet en op welk
concreet recent wetenschappelijk onderzoek baseert u zich dan op?
Antwoord 8
Uit de overwegingen van Richtlijn 2006/125/EG blijkt dat destijds een zeer lage (0,01 mg/kg)
gemeenschappelijke grenswaarde voor alle bestrijdingsmiddelen in of op levensmiddelen
voor bijzondere voedingsdoeleinden, bestemd voor zuigelingen en peuters, is vastgesteld
in afwachting van een wetenschappelijke studie over en beoordeling van de specifieke
relevante stoffen. Dit werd passend gevonden, omdat op basis van de in vraag 4 aangehaalde
adviezen van het Wetenschappelijk Comité twijfel bestond over de adequaatheid van
de ADI van bestrijdingsmiddelen en residuen van bestrijdingsmiddelen, met het oog
op de bescherming van de gezondheid van zuigelingen en peuters. Zoals aangegeven in
het antwoord op vraag 4 is in de tussentijd van de publicatie van de adviezen en nu
het toetsingskader voor gewasbeschermingsmiddelen op meerdere punten aangescherpt.
Volgens EFSA is de huidige aanpak voor het vaststellen van de toxicologische referentiewaarden
(ADI en ARfD) geschikt voor baby's en jonge kinderen. Hierdoor is het niet nodig de
huidige wetgeving aan te passen.
Vraag 9
Indien u hier niet toe bereid bent, bent u dan bereid met supermarkten afspraken te
maken zodat zij voor deze producten deze veilige norm hanteren bij hun inkoopbeleid?
Zo nee, waarom niet?
Antwoord 9
Producten die in de supermarkt verkocht worden moeten voldoen aan de wettelijk vastgestelde
MRLs volgens Verordening (EG) 396/2005. Bij het vaststellen van de MRLs wordt ook
rekening gehouden met zwangeren, baby's en jonge kinderen en er worden ruime veiligheidsmarges
toegepast. Het is daarom niet nodig om afspraken te maken over bovenwettelijke eisen.
Vraag 10
Bent u bereid jonge ouders en zwangere vrouwen te adviseren zoveel mogelijk gebruik
te maken van onbespoten of biologische producten? Zo nee, waarom niet en waarom laat
u ouders en kinderen bewust extra risico lopen met hun gezondheid?
Antwoord 10
Nee, ik ben niet bereid dat te adviseren. De huidige manier waarop het Voedingscentrum
communiceert over babyvoeding en bestrijdingsmiddelen is voldoende.3 Consumptie van groenten met residugehaltes onder de MRL is ook veilig voor zwangeren,
baby’s en jonge kinderen. Verder is het belangrijk om goed te variëren. Hiermee wordt
de kans verkleind dat je te veel schadelijke stoffen binnenkrijgt en krijg je daarmee
verschillende voedingsstoffen, zoals vitamines en mineralen binnen.
Vraag 11
Klopt het dat de Europese Commissie (EC), het Europees Parlement en de lidstaten al
in 2009 overeenkwamen dat er een uitfasering moest komen op hormoonverstorende pesticiden,
behoudens enkele uitzonderingen, gezien hun mogelijke langdurige en onherstelbare
schadelijke effecten, zelfs bij een lage blootstelling?
Antwoord 11
In 2009 is in Verordening (EG) 1107/2009, voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen,
opgenomen dat actieve stoffen met hormoonontregelende eigenschappen niet worden goedgekeurd,
tenzij het gebruik ervan alleen leidt tot verwaarloosbare blootstelling of als er
sprake is van een niet op een andere wijze te bestrijden fytosanitair gevaar. In 2018
zijn de wetenschappelijke criteria voor het identificeren van dergelijke stoffen in
de Verordening opgenomen.
Vraag 12 en 13
Kunt u aangeven voor hoeveel van de als hormoonverstorend geclassificeerde pesticiden
de toelating sindsdien is ingetrokken en hoeveel nog steeds een toelating hebben in
Nederland?
Kunt u aangeven wat de meest voorkomende redenen zijn dat bepaalde als hormoonverstorend
geclassificeerde stoffen nog steeds een toelating hebben?
Antwoord 12 en 13
Tot op heden4 is van tien actieve stoffen de goedkeuring niet verleend of niet verlengd vanwege
hormoonontregelende eigenschappen. De toelatingen van middelen op basis van deze stoffen
zijn inmiddels ingetrokken. Voor de tien middelen op basis van de actieve stof flufenacet
geldt nog een respijtperiode tot eind volgend jaar.
Er zijn vooralsnog geen actieve stoffen met hormoonontregelende eigenschappen goedgekeurd
onder de twee in het vorige antwoord genoemde derogaties.
Vier stoffen zijn door EFSA aangemerkt als stoffen met hormoonontregelende eigenschappen,
maar bevinden zich nog in de Europese besluitvormingsfase. Het betreft 30 middelen.
De Europese Commissie is aan zet om een voorstel te doen over het (al dan niet) intrekken
van de goedkeuring. Wanneer dit gebeurt trekt het Ctgb vervolgens de toelating van
de betreffende middelen in.
Vraag 14
Kunt u deze redenen afwegen tegen de risico’s voor de gezondheid voor onder andere
jonge kinderen en daarbij aangeven of u het terecht vindt dat deze stoffen nog steeds
zijn toegelaten?
Antwoord 14
Zoals in het antwoord op vraag 12 aangegeven zijn er vier stoffen door EFSA aangemerkt
als stoffen met hormoonontregelende eigenschappen, maar bevinden zich nog in de Europese
besluitvormingsfase. De Europese Commissie is aan zet om een voorstel te doen over
het al dan niet intrekken van de goedkeuring.
Vraag 15
Wat vindt u ervan dat er meerdere pesticiden met PFAS in snoepgroenten voor kinderen
zijn gevonden?5, 6
Antwoord 15
Er zijn twee PFAS-pesticiden gevonden, pyridalyl op snoeppaprika en fludioxonil op
snackkomkommer. Voor zowel de snoeppaprika als de snackkomkommer geldt dat deze stoffen
onder de MRL zijn aangetroffen. Bij het bepalen van de MRL wordt rekening gehouden
met zwangeren, baby’s en jonge kinderen en is daarom ook voldoende beschermend voor
hen.
Vraag 16
Kunt u bevestigen dat kinderen een lager lichaamsgewicht hebben, waardoor ze sneller
te veel PFAS binnenkrijgen en dit ertoe kan leiden dat het immuunsysteem minder goed
werkt?
Antwoord 16
Kinderen hebben inderdaad gemiddeld een lager lichaamsgewicht dan volwassenen. Bij
de risicobeoordeling en de afleiding van MRLs wordt hiermee rekening gehouden. Het
systeem is erop gericht om te zorgen dat kinderen en volwassenen geen schadelijke
effecten ondervinden van de residuen die zij via de voeding binnenkrijgen.
Vraag 17
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat de gezondheid van kinderen in gevaar
wordt gebracht doordat ze groenten eten die zijn bespoten met pesticiden met PFAS?
Zo nee, waarom niet?
Antwoord 17
Uiteraard vind ik het onwenselijk wanneer de gezondheid van kinderen in gevaar wordt
gebracht. Of dat nu door voeding is of door iets anders. Echter zoals aangegeven in
het antwoord op vraag 16 wordt bij de risicobeoordeling en de afleiding van MRL rekening
gehouden met het lagere lichaamsgewicht van kinderen.
Vraag 18
Bent u ermee bekend dat Denemarken onlangs heeft besloten om de toelating van 23 landbouwgiffen
in te trekken omdat ze PFAS bevatten?7
Antwoord 18
Ik ben ermee bekend dat Denemarken de betreffende toelatingen heeft ingetrokken op
basis van nieuwe informatie over de vorming van het afbraakproduct trifluorazijnzuur
en het risico op vervuiling van het grondwater door deze stof.
Vraag 19
Is er verschil in de feitelijke situatie tussen Nederland en Denemarken waarom in
Denemarken een verbod op pesticiden met PFAS wel als wenselijk en haalbaar is beoordeeld
door de regering en in Nederland (vooralsnog) niet?
Antwoord 19
Denemarken heeft de Europese Commissie en alle lidstaten geïnformeerd over het besluit
om de toelating van deze middelen in te trekken. Er kunnen verschillen zijn tussen
de lidstaten in onder andere de agronomische situatie, nationale toetsingskaders en
toegelaten middelen. Op basis van de informatie van Denemarken zal elke lidstaat daarom
afzonderlijk bepalen wat het Deense onderzoek waarop het besluit is gebaseerd, betekent
voor de nationale situatie. In Nederland bestudeert het Ctgb het Deense onderzoek
om te bepalen wat dit betekent voor de Nederlandse situatie. Het is vervolgens aan
het Ctgb om, als aangewezen toelatingsautoriteit, te bepalen of er aanleiding is om
de in Nederland toegelaten middelen op basis van deze stoffen tussentijds opnieuw
te beoordelen.
Vraag 20
Bent u bereid om alsnog op zeer korte termijn het besluit van Denemarken te volgen
en de toelating van pesticiden met PFAS zo snel mogelijk in te trekken? Zo nee, waarom
niet?
Antwoord 20
Het Ctgb bestudeert het Deense onderzoek momenteel zorgvuldig en dat kost tijd. Vanwege
de hoeveelheid werk en complexiteit van het dossier kan het Ctgb nog niet aangeven
wanneer dit is afgerond. Zodra er een besluit is genomen door het Ctgb zal ik uw Kamer
hierover informeren.
Vraag 21
Wat vindt u ervan dat op de Nederlandse snoeppaprika’s van Lidl een verdacht reprotoxische
pesticide werd gevonden (spirotetramat) die in Nederland verboden is in de paprikateelt?
Hoe verklaart u dit?
Antwoord 21
Wanneer een stof in de EU verwijderd wordt van de lijst van goedgekeurde stoffen geldt
vaak nog een opbruiktermijn van middelen op basis van deze stof. Dat was ook van toepassing
voor Spirotetramat, waarvan opbruiktermijnen liepen tot 30-10-2025. Echter was er
in Nederland geen toelating (en dus geen opbruiktermijn) voor de teelt van paprika
en zouden er dus geen residuen van Spirotetramat te verwachten zijn in paprika’s uit
Nederland. In Nederlandse supermarkten worden ook paprika’s uit andere landen verkocht,
in dit geval ging het om Portugal. In andere Europese lidstaten gold een opgebruik
termijn voor middelen op basis van Spirotetramat, wat de meest voor de hand liggende
verklaring is voor het terugvinden van deze stof op de snoeppaprika.
Vraag 22
Hoeveel van de duizenden inspecties pesticiden die de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit
(NVWA) jaarlijks doet, zijn de afgelopen vijf jaren gedaan bij snoepgroenten, welke
stoffen zijn gevonden en hoeveel keer werd de «babynorm» van 0,01 milligram per kilogram
overschreden, graag per jaar uitgesplitst?8
Antwoord 22
De NVWA maakt geen onderscheid tussen maatvoeringen (eg: mini, snack, midi, etc).
Er kan dus geen exact antwoord op deze vraag gegeven worden. Zowel mini als grote
komkommers worden aan dezelfde MRL getoetst. De aanduiding van het product wordt geregistreerd,
maar bijvoeglijke naamwoorden als snoep, smaakvolle, gigantische worden niet geregistreerd
als deze geen onderdeel van de aanduiding zijn. Onderstaand overzicht moet dus wel
met de nodige terughoudendheid worden gezien. Met betrekking tot onderstaand overzicht
is één keer een overschrijding van de MRL aangetroffen. Het ging hier om Carbendazim
op komkommers, bemonsterd in 2021, met als land van oorsprong Turkije. Het betreffende
levensmiddelenbedrijf heeft hiervoor een schriftelijke waarschuwing gekregen.
Vraag 23
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Antwoord 23
Helaas is het niet gelukt deze vragen in de gestelde termijn te beantwoorden. Eerder
is hierover een uitstelbrief gestuurd.
Jaar
Aantal monsters1
Gevonden residuen
Aantal residuen boven 0.01 mg/kg
2020
5
cyprodinil, fludioxonil, cypermethrin, boscalid, fenhexamid, propamocarb, pyraclostrobin,
tebuconazool, abamectine, indoxacarb, spiromesifen
10
2021
6
flubendiamide, spinosad, cyprodinil, fludioxonil, carbendazim, chloorantraniliprole,
dimethomorf, flonicamid (som), metalaxyl, propamocarb, spinetoram, thiamethoxam, triflumizool,
fluopyram, flutriafol, spiromesifen, sulfoxaflor
13
2022
5
cyprodinil, fluopyram, chloorantraniliprole, pyrimethanil, fludioxonil, spiromesifen,
trifloxystrobin, acetamiprid, boscalid, pyraclostrobin
8
2023
3
cyprodinil, chloorantraniliprole, flubendiamide, flupyradifurone, spiromesifen, fluopyram,
pyrethrinen, thiabendazool, trifloxystrobin
8
2024
6
cyazofamid, flonicamid (som), fludioxonil, propamocarb, pyridalyl, thiabendazool,
cyflumetofen, azoxystrobin, cyhalothrin-lambda, difenoconazool, acetamiprid, boscalid,
cymoxanil, pyraclostrobin, spirotetramat (som), tebuconazool
12
X Noot
1
Toegepaste criteria: zoektermen: snoep snack mini kinder in producten: «komkommers»,
«paprika», «cherrytomaten», «tomaten», «kerstomaten», «niet-scherpsmakende pepers/paprika’s»,
«jonge worteltjes»
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede namens
F.M. Wiersma, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.