Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Jimmy Dijk over het artikel “1 op 6 Nederlanders heeft stressvol werk, vooral in de zorg en het onderwijs.”
Vragen van het lid Dijk (SP) aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over het bericht dat 1 op de 6 Nederlanders stressvol werk heeft, vooral in de zorg en het onderwijs (ingezonden 11 november 2025).
Antwoord van Staatssecretaris Nobel (Sociale Zaken en Werkgelegenheid), mede namens
de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (ontvangen 15 december 2025).
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 574.
Vraag 1
Wat is uw reactie op het bericht dat 1 op de 6 Nederlanders stressvol werk heeft,
vooral in de zorg en het onderwijs?1
Antwoord 1
Ik vind het zorgelijk dat 1 op de 6 Nederlanders aangeeft een stressvolle baan te
hebben. In Nederland moet iedereen gezond en veilig kunnen werken. Daar hoort bij
dat werk niet structureel te veel stress mag opleveren. Ik vind het daarom belangrijk
dat ongezonde werkdruk wordt teruggedrongen.
De ervaren werkdruk en werkstress verschillen sterk per individu en context. De aard
van het werken in de zorg en het onderwijs brengt met zich mee dat het werk stressvol
kan zijn. Belangrijk is dat er ook energiebronnen zijn waar medewerkers energie uit
halen. Ondanks de ervaren werkdruk is 87% van de medewerkers in zorg en welzijn van
mening inhoudelijk leuk werk te hebben en 85% geeft aan het werk als zinvol te ervaren2. Ook in het onderwijs zien we dat ondanks de ervaren werkdruk maar liefst 95% van
de leraren met plezier op school werkt3. Werkdruk en werkplezier moeten dus met elkaar in balans zijn, ongeacht de sector
waar een werknemer zich in bevindt. Als de werkdruk te hoog wordt is het belangrijk
om ook in te zetten op de energiebronnen zodat deze in balans blijven.
Vraag 2
Wat is uw verklaring voor het feit dat de beroepen waarbij werknemers veel stress
ervaren met name in de publieke sector te vinden zijn? Deelt u de analyse dat dit
te maken heeft met de onderwaardering van de publieke sector door de kabinetten van
de afgelopen decennia? Zo ja, wat gaat u doen om deze onderwaardering te stoppen?
Zo nee, waarom niet?
Antwoord 2
Uit onderzoek door TNO en CBS blijkt dat vooral een combinatie van hoge kwantitatieve
taakeisen en lage autonomie bepalend is voor het stressvolle karakter van werk. Met
autonomie wordt bedoeld het zelf kunnen bepalen hoe, waar en wanneer het werk wordt
uitgevoerd. In sectoren als het onderwijs en de zorg is er ten opzichte van andere
sectoren naar zijn aard vaker sprake van lage autonomie. Onder andere omdat er vaak
in vaste roosters gewerkt wordt waar beperkte inspraak op mogelijk is en de werkzaamheden
moeten worden verricht op de zorg- of onderwijslocatie. Bij een deel van de zorgactiviteiten
is verder sprake van (door de beroepsgroep of organisatie) vastgestelde protocollen
of richtlijnen. Dit maakt dat functies in sectoren als het onderwijs en de zorg vaker
hoog zullen scoren op stressvol werk dan in andere sectoren. Ik deel de analyse dan
ook niet dat dit te maken heeft met eventuele onderwaardering van de publieke sector.
Vraag 3
Deelt u de zorg dat de personeelstekorten in deze cruciale sectoren groter dreigen
te worden als gevolg van de stress die werknemers ervaren? Zo ja, welke consequenties
verbindt u hieraan? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 3
Werkdruk en stress zijn factoren die bij kunnen dragen aan verzuim en verloop. Uit
het Uitstroomonderzoek van Regioplus4 volgt echter dat dit niet de meest genoemde redenen van verloop in de sector zorg
en welzijn zijn. Hoewel 40% van de medewerkers in zorg en welzijn de werkdruk in het
algemeen als te hoog ervaart, lijkt dit percentage de afgelopen jaren eerder iets
af te nemen dan toe te nemen. Ook in het funderend onderwijs is onderzoek gedaan naar
werkdruk. Op hoofdlijnen toont dit een positief beeld: Nederlandse leraren en schoolleiders
zijn overwegend positief over hun beroep, werkomgeving en salaris. Maar liefst 95%
van de leraren geeft aan met plezier in het onderwijs te werken. Werktevredenheid
is en blijft de belangrijkste reden voor leraren om in het onderwijs te blijven5. Daarom overwegen in vergelijking met andere landen relatief weinig Nederlandse leraren
om het onderwijs te verlaten.
Niettemin delen de Minister van VWS en de Staatssecretaris van OCW uw zorgen over
de werkdruk in respectievelijk de zorg en het onderwijs. Daarom ondersteunt de Minister
van VWS werkgevers bij hun beleid om medewerkers in zorg en welzijn gezond aan het
werk te houden. Dit doet hij door ondersteuning van het «Preventieplan arbeidsmarkt
zorg en welzijn». Dit is een initiatief van partijen uit de sector zelf om verzuim
en ongewenst verloop terug te dringen. Het preventieplan biedt een handelingsperspectief
voor de sector en individuele zorg- en welzijnsinstellingen om dit structureel aan
te pakken. Belangrijke aspecten zijn goed leiderschap op alle niveaus in de organisatie
en het betrekken van de medewerkers bij besluiten. Daarnaast heeft het aanpakken van
het personeelstekort in de zorg grote prioriteit voor de Minister van VWS. Met afspraken
in het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord en Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg wordt
stevig ingezet op vermindering van de zorgvraag. Met beleid rondom het terugdringen
van de administratietijd en de inzet van technologie wordt de vraag naar arbeid beïnvloed
en met het vergroten van vakmanschap en werkplezier wordt ingezet op behoud. Daarnaast
zet het AZWA een beweging in van zorg naar gezondheid door te investeren in het sociaal
domein. Dat alles zal bijdragen aan het verlagen van de werkdruk.
Om de werkdruk in het onderwijs te verlagen investeert OCW sinds 2019 in het primair
onderwijs (po) en sinds 2022 in het voortgezet onderwijs (vo) in werkdrukverlichting.
Zoals in de ontwerpbegroting 2026 vermeld gaat het voor het po in 2026 € 545 miljoen
en voor het vo in 2026 om € 354 miljoen. In het po gaan schoolteams jaarlijks met
elkaar in gesprek over de besteding van de middelen om de werkdruk te verlagen. In
het vo wordt € 150 miljoen ook zo besteed. De resterende € 150 miljoen wordt besteed
aan een individueel component waarbij de werknemer zelf maatregelen uit mag kiezen.
De daadwerkelijke werkdrukvermindering vindt op scholen plaats, in gesprekken met
het personeel en door afspraken tussen werkgever en werknemer. Bij een effectieve
werkdrukaanpak heeft iedereen een rol: ministerie, inspectie, besturen, scholen en
schoolleiders.
Vraag 4
Wat gaat u doen om de werkstress voor de beroepen waarbij deze het hoogst is af te
laten nemen?
Antwoord 4
Werkgevers zijn verplicht hun werknemers te beschermen tegen werkstress. Daartoe moet
de werkgever in de Risico Inventarisatie en Evaluatie (RI&E) arbeidsrisico’s, waaronder
werkdruk, in kaart brengen en daarvoor passende maatregelen treffen.
Met mijn beleid ondersteun ik werkgevers en werknemers bij het aanpakken van ongezonde
werkstress. Dit doe ik door het bieden van praktische hulpmiddelen aan werknemers
én door werkgevers te ondersteunen bij het nemen van preventieve maatregelen, zoals
door een aanpak van werkstress en burn-outklachten in het mkb. In de voortgangsbrief
over de Brede Maatschappelijke Samenwerking van 24 april 2025 licht ik mijn inzet
uitgebreid toe.6
Het is aan werkgevers om te zorgen voor een gezond en veilig werkklimaat met zo min
mogelijk werkstress. De Minister van VWS ondersteunt werkgevers in zorg en welzijn
onder andere met het «Preventieplan arbeidsmarkt zorg en welzijn». De Staatssecretaris
van OCW doet dit door middel van de werkdrukmiddelen voor het onderwijs. Zie hiervoor
ook het antwoord op vraag 1 en 3.
Vraag 5
Vindt u het ook opvallend dat de werknemers die de meeste stress ervaren niet degenen
met de hoogste inkomens zijn, maar juist vaak degenen met een lager of middeninkomen?
Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 5
Op mijn verzoek heeft TNO een verdiepende analyse7 gemaakt om te kijken of er een verband is tussen stressvol werk en het inkomen van
werknemers.
Hieruit is op te maken dat het aandeel werknemers met stressvol werk hoger is in de
laag- en middeninkomensgroep dan de hoge inkomensgroep. Zoals ik in mijn antwoord
op vraag 2 aangeef, komt dit door andere factoren in het werk zoals lage autonomie.
Uit deze analyse blijkt ook dat het aandeel werknemers met stressvol werk in de zorg
evenredig is verdeeld over de inkomensgroepen. In het onderwijs hebben werknemers
met een relatief lager inkomen, zoals onderwijsondersteunend personeel, ten opzichte
van het midden- en hoge inkomen, zoals het onderwijzend personeel, minder werkstress.
Het is aan werkgevers om hun werknemers te beschermen tegen ongezonde werkstress en
om maatregelen te nemen.
Vraag 6
Bent u het ermee eens dat deze werknemers naast minder stress ook een betere beloning
voor hun zware werk verdienen? Zo ja, welke stappen gaat u daarvoor zetten?
Antwoord 6
Arbeidsvoorwaarden, waaronder beloningen, ziet het kabinet primair als een zaak van
werkgevers, werknemers en hun vertegenwoordigers. Het Ministerie van OCW en het Ministerie
van VWS zijn geen werkgever voor respectievelijk onderwijs en zorg en welzijn en daarom
geen partij aan de cao-tafel. Zij mogen zich er op grond van internationale verdragen
ook niet mee bemoeien. Wel stellen de Ministers van VWS en OCW jaarlijks de overheidsbijdrage
in de arbeidskostenontwikkeling (ova) beschikbaar om concurrerende loongroei mogelijk
te maken. Daarnaast is er sinds 2021 stapsgewijs structureel € 919 miljoen vrijgemaakt
voor het verbeteren van de salarissen in het primair onderwijs. Op deze manier is
de vergoeding van onderwijspersoneel in het primair onderwijs in lijn gebracht met
die van het voortgezet onderwijs.
Verder bepaalt het kabinet een ondergrens aan beloningen in de vorm van het wettelijk
minimumloon. Dit minimumloon is in 2023 en 2024 verhoogd en stijgt via indexatie mee
met de ontwikkeling van cao-lonen.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.N.J. Nobel, staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid -
Mede namens
K.M. Becking, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.