Verslag van een commissiedebat : Verslag van een commissiedebat, gehouden op 11 december 2025, over Staats- en bestuursrecht
29 362 Modernisering van de overheid
Nr. 396 VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBAT
Vastgesteld 16 januari 2026
De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft op 11 december 2025 overleg gevoerd
met de heer Rutte, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, over:
– de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 6 december 2022 inzake kader
modernisering (staats)nood- en crisisrecht (Kamerstuk 29 668, nr. 69);
– de brief van de Minister voor Rechtsbescherming d.d. 25 april 2023 inzake stand van
zaken verklaring omtrent het gedrag (vog) (Kamerstuk 36 200 VI, nr. 128);
– de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 10 oktober 2023 inzake routekaart
modernisering (staats)nood- en crisisrecht (Kamerstuk 29 668, nr. 70);
– de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid d.d. 25 oktober 2023 inzake onderzoek
naar de mogelijkheden voor het monitoren van de gevolgen van de toepassing van de
Wet Damocles (Kamerstuk 34 763, nr. 20);
– de brief van de Minister voor Rechtsbescherming d.d. 27 februari 2024 inzake jaarverslag
Adviescommissie VOG Politiegegevens 2023 (Kamerstuk 29 628, nr. 1213);
– de brief van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid d.d. 13 februari 2025
inzake voortgang modernisering staatsnoodrecht (Kamerstuk 29 668, nr. 71);
– de brief van de Staatssecretaris Rechtsbescherming d.d. 14 februari 2025 inzake WODC-rapport
Het gebruik van het Beleidskompas binnen de Rijksoverheid (Kamerstuk 29 362, nr. 372);
– de brief van de Staatssecretaris Rechtsbescherming d.d. 6 juni 2025 inzake onvolledige
informatievoorziening continue screening voor de kinderopvang en de taxibranche (Kamerstuk
31 322, nr. 557);
– de brief van de Staatssecretaris Rechtsbescherming d.d. 24 juni 2025 inzake ontwikkelingen
verklaring omtrent het gedrag (Kamerstuk 36 600 VI, nr. 160);
– de brief van de Staatssecretaris Rechtsbescherming d.d. 4 juli 2025 inzake de Staat
als procespartij (Kamerstuk 29 279, nr. 980).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De fungerend voorzitter van de commissie, Ellian
De griffier van de commissie, Brood
Voorzitter: Ellian
Griffier: Paauwe
Aanwezig zijn vijf leden der Kamer, te weten: Bikker, Emiel van Dijk, Ellian, Sneller
en Straatman,
en de heer Rutte, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Aanvang 10.02 uur.
De voorzitter:
Dames en heren, goedemorgen. Ik open deze vergadering van de vaste commissie voor
Justitie en Veiligheid. Ik mag daar de waarnemend voorzitter van zijn. Op de agenda
staat het commissiedebat Staats- en bestuursrecht. Ik heet uiteraard de Staatssecretaris
en diens ondersteuning van harte welkom. Welkom aan de geïnteresseerden die hier zijn
en aan degenen die dit debat anderszins volgen; dit is natuurlijk het debat dat veel
interesse oproept in de samenleving. En natuurlijk welkom aan de collega's: mevrouw
Straatman namens het CDA, collega Sneller namens D66 en collega Van Dijk namens de
PVV. Ik verwacht mevrouw Bikker namens de ChristenUnie nog. Ik ben zelf van de VVD.
We hebben vier minuten spreektijd. Dat zou moeten lukken. Ik ken de collega's een
beetje. We hanteren maximaal drie interrupties; daar gaan we wel uitkomen. Het is
druk zat richting het kerstreces. Laten we kijken of we dit dus een beetje voortvarend
kunnen afronden met elkaar. Ik wil daar niet mee zeggen dat het onderwerp niet belangrijk
is. Ik kan me indenken dat de Staatssecretaris ook genoeg werk heeft. Laten we dus
snel beginnen. Ik begin bij mevrouw Straatman voor haar eerste termijn namens het
CDA.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Vandaag spreken we over een breed palet aan staats- en bestuursrechtelijke
onderwerpen die raken aan de kern van onze democratische rechtsorde. Ik start met
de rol van de Staat als procespartij. Tot voor kort mocht ik dat optreden in de rechtszaal
nog van dichtbij meemaken. Als de Staat daar niet naar zijn rol handelt, schaadt dat
het vertrouwen van burgers in de overheid. Ik vind het positief om te zien dat de
Staatssecretaris onderzoek heeft gedaan naar de positie van de Staat in hoger beroep
in bestuursrechtelijke zaken en daarvoor nu een afwegingskader ontwikkelt. Deze reflectieve
opstelling mist wat de CDA-fractie betreft echter als het gaat om de rol van de Staat
in civielrechtelijke procedures, met name als het gaat om de verjaringsvraag. Juist
als het eigen handelen van de Staat in een procedure voorligt, kan een verjaringsverweer
het vertrouwen van burgers aantasten. Daarom ook mijn vraag op dit punt: waarom kiest
de Staatssecretaris ervoor om bij beslissingen om te procederen in hoger beroep een
afwegingskader voor de Staat uit te werken en waarom doet hij dit niet in civiele
zaken waar een verjaringsberoep speelt? Is de Staatssecretaris bereid dit alsnog te
doen?
Voorzitter. Ook in de rechtszaal moet de Staat zijn rechtvaardige en menselijke kant
laten zien. Dat kan prima samengaan. De verwijzing in de brief naar de afstandsmoederszaak
stelt in dat kader wel teleur. De Staatssecretaris noemt deze zaak als voorbeeld van
het nut van een beroep op verjaring door de Staat. Let wel, het gaat hier om een zaak
van historisch onrecht, waarin de Staat zelf onderwerp van debat is geweest. Daarbij
komt dat de Kamer in deze zaak nota bene een motie heeft aangenomen om in een zaak
als deze juist geen beroep op verjaring te doen, maar deze motie is niet uitgevoerd.
Deze zaak is dan ook vooral een voorbeeld van hoe de Staat niet met burgers moet omgaan.
Gelukkig, zeg ik erbij, heeft deze Staatssecretaris inmiddels het traject naar erkenning
van en excuses voor het leed dat de afstandsmoeders is aangedaan, buiten de rechtszaal
opgepakt. Tegelijkertijd bereiken mij ook signalen dat dit traject inmiddels vertraagd
is. Hoe reflecteert de Staatssecretaris daarop? Wij sporen hem dan ook aan het gesprek
met voortvarendheid te blijven voeren; daar hebben de moeders recht op.
Voorzitter. Dan de modernisering van het staatsnoodrecht. Al sinds 2018 werkt het
kabinet hieraan, maar dit proces verloopt traag. Daarom heb ik de volgende vragen.
Wat is op dit moment de status van de aangekondigde trajecten, inclusief de verkenning
naar digitale crises? Hoe geeft de Staatssecretaris invulling aan zijn regierol richting
andere departementen?
Voorzitter. Dan de vog. Die beschermt kwetsbare groepen, maar het systeem moet wel
robuust zijn. De ADR-doorlichting laat forse kwetsbaarheden zien: verouderde instructies,
onvoldoende kwaliteitsborging en personeelskrapte. De softwarefout bij Justid, specifiek
in de kinderopvang en de taxibranche, raakt aan het hart van de publieke veiligheid.
Daarom heb ik de volgende vragen aan de Staatssecretaris. Wanneer is het externe onderzoek
naar Justid afgerond? Hoe kan het dat het Kiwa Register een tijdelijke stop heeft
kunnen zetten op de continue screening in de taxibranche? Waarom worden personen in
de kinderopvang in afwachting van een nieuwe vog op non-actief gesteld en personen
in de taxibranche niet? Tot slot, in het kader van de uitwisseling van justitiële
gegevens met derde landen voor de vog-aanvraag: hoe staat het met de EU-brede afspraken
voor gegevensdeling?
Voorzitter. Een rechtsstaat begint bij zorgvuldige regels en een overheid die betrouwbaar
uitvoert, leert en corrigeert. Ik zeg erbij: dat is een overheid die ook in de rechtszaal
haar menselijke gezicht laat zien. Ik zie uit naar de antwoorden.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Straatman. Dit roept geen vragen op. Dan gaan we naar collega
Sneller voor zijn eerste termijn. Hij spreekt namens D66.
De heer Sneller (D66):
Dank u wel, voorzitter. Ik duik er ook meteen maar in, want er staat veel op de agenda
en het is lang geleden dat we hier voor het laatst over hebben gesproken.
Allereerst de versterking waarborgfunctie Awb. In januari is het vijf jaar geleden
dat er moties werden aangenomen naar aanleiding van de parlementaire ondervragingscommissie
Kinderopvangtoeslag die verzochten om echt werk te maken van die versterking. We wachten
nog steeds op een wetsvoorstel in de Tweede Kamer. Ik zeg dat over het hoofd van de
Staatssecretaris heen ook tegen zijn voorgangers en tegen het Ministerie van Binnenlandse
Zaken. Dit kan zo eigenlijk niet. Dus ik vraag wanneer we dat wetsvoorstel krijgen.
Dan kom ik bij het staatsnoodrecht. Ook daar is veel vertraging op de lijn. We zien
dat vormvrij staatsnoodrecht ook risico's met zich meebrengt. Dus boven op de terechte
vraag van collega Straatman vraag ik ook hoe het slot op de deur voor misbruik nou
wordt ingebouwd bij deze nieuwe wetsvoorstellen. We hebben onlangs weer een motie
gezien die verzocht om het staatsnoodrecht toch te gebruiken voor een asielstop, ondanks
het feit dat tot nu toe geen enkele expert op het gebied van staatsnoodrecht zegt
dat dit een situatie is waar het zich voor leent, terwijl wel talloze experts op dit
gebied zeggen dat dit zich er niet voor leent. Dus ik hoor graag van de Staatssecretaris
hoe hij de waarborgen in dit proces ziet.
Ik kom bij de overheid als procespartij. Ik maak eerst even een uitstapje naar artikel 6
van het EVRM, oftewel het recht op een eerlijk proces. We gingen er altijd van uit
dat de Staat en ook decentrale overheidsorganen geen beroep konden doen op dat artikel
uit het EVRM. Nu blijkt uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep dat dat
wel zou kunnen. Ik vraag de Staatssecretaris niet om te recenseren wat de rechter
heeft gezegd, maar wel hoe we hier nou mee verdergaan. Wat ziet hij wel op zijn weg
liggen om daarmee te doen?
Ook zien we dat rechters steeds vaker dwangsommen opleggen aan de overheid als er
geen gehoor wordt gegeven aan de uitspraak van de rechter, terwijl je er vanuit constitutionele
hoffelijkheid, zoals dat zo mooi heet, maar ook gewoon vanuit een rechtmatig opererende
overheid, eigenlijk natuurlijk gewoon van uit zou mogen gaan dat de overheid dat wel
doet. Volgens mij is dat eigenlijk best wel een zware aanklacht tegen de positie van
de overheid als procespartij. Ik ben benieuwd hoe de Staatssecretaris daarnaar kijkt.
Dan kom ik bij het hoger beroep; collega Straatman verwees daar terecht al naar. In
de brief staat heel mooi: alleen als het algemeen belang vergt dat een procedure wordt
voortgezet, zal daartoe worden besloten; voetnoot 14. Dan staat er in de voetnoot:
«opgemerkt wordt ...» En dan komen er een aantal uitzonderingen. Ik vraag de Staatssecretaris
bij de uitwerking van dat beleidskader over het hoger beroep de volgende dingen. Eén:
waarom is het zo smal ingevuld, alleen maar sec wat er in de motie staat? Als de Staatssecretaris
het intrinsiek ook zo voelt, waarom is het dan niet breder opgepakt? Maar ook: wat
moet ik nou precies lezen in die voetnoot en waarom staat het in een voetnoot? Dat
maakt de gemiddelde volksvertegenwoordiger immers nogal achterdochtig.
Ten slotte de Wet Damocles. We hebben een heel teleurstellend debat gehad over de
eerste evaluatie door de Rijksuniversiteit Groningen, jaren geleden al, waaruit eigenlijk
bleek dat die onvoldoende gegevens had om de wet goed te kunnen evalueren. Toen hebben
we een motie ingediend om ervoor te zorgen dat die gegevens wel verzameld worden,
zodat gekeken kan worden of die wet zijn doel dient. Nou hebben we in oktober 2023
een brief gekregen van de toenmalige Minister van Justitie, waarin stond dat de monitoring
op die manier eigenlijk niet vormgegeven kon worden. Ik vraag de Staatssecretaris
hoe we dan überhaupt vorm kunnen gaan geven aan die evaluatie om te bekijken of die
wet zijn doel bereikt en of we die zouden moeten aanpassen. Hebben we de inhoudelijke
reactie van de Minister of Staatssecretaris op deze voorzet van het WODC nu gekregen?
Ten slotte heb ik een vraag over de achterstand die is opgelopen na de hack, toen
er even geen gegevens binnenkwamen van het Openbaar Ministerie en er wel vog's werden
uitgegeven. Is met terugwerkende kracht gekeken of daar fouten zijn gemaakt en of
de nieuwe informatie die na het oplossen van de hack is binnengekomen, ook in de branches
waar geen continue screening geldt, toch nog aanleiding was om de vog te herroepen?
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Ik heb u wat meer tijd gegeven. Dank. Welkom, collega Bikker, fijn dat u er bent.
We gaan luisteren naar collega Van Dijk voor zijn eerste termijn namens de PVV.
De heer Emiel van Dijk (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Ik begin met het WODC-rapport over het gebruik van het Beleidskompas.
Het Beleidskompas is de opvolger van het zogenaamde Integraal Afwegingskader. Dat
afwegingskader is destijds in het leven geroepen om ervoor te zorgen dat beleid evenredig
is en niet de burgers de vernieling in helpt, een sympathiek en niet onnodig voorstel.
Door de toenmalige Minister voor Rechtsbescherming is het IAK vernieuwd en gewijzigd
in het zogenaamde Beleidskompas. De reden hiervoor: schandalen als de toeslagenaffaire
en vele andere situaties waarin burgers met de grond gelijk werden gemaakt door een
almachtige overheid. Om dit te voorkomen zijn het IAK en in navolging daarvan het
Beleidskompas in het leven geroepen.
Dat klinkt als een goede ontwikkeling waar niemand tegen kan zijn, totdat we agendapunt
7 van een brief van de voorganger van deze Staatssecretaris lezen. Daarin staat: «Expertiseteams
en aanspreekpunten kunnen worden gezien als ambassadeurs van het Beleidskompas. In
bestaande expertiseteams is kennis voorhanden rondom het maken van beleid, gedrag,
uitvoerbaarheid, brede welvaart en de Sustainable Development Goals.» Als u denkt
dat deze Sustainable Development Goals toevallig sporadisch genoemd worden, dan komt
u bedrogen uit. De website van het Beleidskompas vertelt doodleuk dat alle Sustainable
Development Goals erin verwerkt zijn. Sterker nog, bij de vraag wat het beoogde doel
is van het Beleidskompas, is geen spoor meer te vinden van het originele doel, namelijk
de burger beschermen tegen de overheid. De hele website staat vol met Sustainable
Development Goals. Kan de Staatssecretaris mij uitleggen waarom het van belang is
om Sustainable Development Goals in een rechtsbeschermingsmaatregel te fietsen? Welke
bescherming bieden bijvoorbeeld gendergelijkheid en klimaatactie al die toekomstige
toeslagenouders in hemelsnaam? Waarom wordt een mechanisme dat burgers tegen de overheid
moet beschermen misbruikt om een globalistische klimaatagenda door de strot van mensen
te duwen?
Voorzitter. Dan een ander punt, dat helemaal onderaan de agenda staat, namelijk het
stuk De Staat als procespartij; een aantal collega's hebben er al iets over gezegd.
Eigenlijk sluit het grotendeels aan bij wat ik hiervoor heb ingebracht, namelijk dat
het handelen van de overheid het algemeen belang dient te dienen en erop gericht moet
zijn beleid tot stand te brengen en uit te voeren om Nederland op talloze vlakken
sterker en beter te maken. Dan denk ik het volgende. Het is dan wel van de voorganger
van deze Staatssecretaris, maar dat toont geen greintje zelfreflectie, want wiens
belang is dat algemene belang? Is dat het belang van de burger of is dat het belang
van de bureaucratie? Diende de toeslagenaffaire het algemeen belang, en al die rechtszaken
tegen gedupeerden in Groningen met een half ingestort huis, of het slopen van de heer
Ardesch in Enschede, die ondertussen met hartproblemen in een rolstoel thuiszit, of
het chanteren van de nabestaanden van het Stintdrama? Kan de Staatssecretaris mij
uitleggen hoe de opstelling van de overheid daarin het algemeen belang dient?
De voorganger van deze Staatssecretaris schrijft in zijn brief dat het soms in het
algemeen belang is om te proberen een burger die bij de rechter al gelijk heeft gekregen,
toch alsnog in hoger beroep te dwarsbomen. Want stel je voor dat de overheid een schadevergoeding
moet betalen aan die ene burger; dan zijn er straks misschien nog wel 10.000 anderen
die een soortgelijke situatie ook hun recht moeten krijgen! Dat kan aardig in de papieren
lopen, dus dan dient dat volgens de vorige Staatssecretaris het algemeen belang niet.
In dat kader heb ik de volgende vraag aan deze Staatssecretaris: wat is de definitie
van «het algemeen belang» en wie bepaalt dat? Voor de PVV is het klip-en-klaar dat
als een burger nota bene door de rechter in het gelijk wordt gesteld dat de overheid
hem of haar onrecht heeft aangedaan, het algemeen belang er juist mee gediend is om
die burger te compenseren en in zijn gelijk te stellen. Dan heb ik het natuurlijk
niet over beroepsmekkeraars en activistentypetjes als Vollenbroek, maar over burgers
die echt nadeel ondervinden van overheidshandelen, zoals de voorbeelden die ik eerder
in mijn tekst heb aangehaald. Mijn vraag aan de Staatssecretaris is dus: waarom niet
een beetje de hand in eigen boezem steken en toegeven dat de overheid het vaker dan
ons lief is gewoon bij het verkeerde eind heeft?
Dank u wel.
De voorzitter:
Dat was ’m? Welkom, mevrouw Bikker. We gaan over naar u voor uw eerste termijn, namens
de ChristenUnie.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. In het huidige tijdsgewricht, waarin wereldwijd de populariteit
van autocratieën lijkt te groeien, terwijl die van democratische rechtsstaten helaas
tanende lijkt, is het belangrijk om ons staatsnood- en crisisrecht op orde te hebben.
Allereerst zal ik daar in mijn bijdrage dan ook de focus op hebben. Het is een goede
zaak dat de regering daarmee bezig is, maar er moet me wel iets van het hart. De laatste
brief van het kabinet is van 13 februari 2025. Dat is bijna een halfjaar na het uitroepen
van de zogenaamde asielcrisis, waarbij de regering probeerde om de macht die ze deelt
met de Staten-Generaal – artikel 81 van de Grondwet – zichzelf exclusief toe te eigenen.
Daar is door de betrokkenen vergoelijkend over gesproken, maar op de keper beschouwd
ging dat toch een beetje richting dat autoritaire regime. De regering probeerde het
parlement buitenspel te zetten en was buiten de vangrails van de rechtsstaat gaan
karren. In de brief van 13 februari wordt hierover echter met geen woord gerept. De
Vreemdelingenwet, die het kabinet buitenspel wilde zetten, staat niet eens genoemd
in de stukken. Waarom, is mijn vraag aan de Staatssecretaris. Als er nou één gebeurtenis
is aan te merken als de stresstest van ons stelsel van staatsnoodrecht, dan is deze
het wel. Is de Staatssecretaris het met mij eens dat de gang van zaken op z'n minst
geëvalueerd moet worden en betrokken moet worden bij de herziening van het staatsnoodrecht?
Ik krijg graag zijn reactie.
Als ik de Staatssecretaris iets mag meegeven: ga in het kader van deze moderniseringsexercitie
zo snel mogelijk eens kijken naar de criteria voor de inzet van noodbevoegdheden,
naar de buitengewone omstandigheden. Hoe kunnen die begrippen verduidelijkt worden,
zodat bij een eventuele poging het staatsnoodrecht opnieuw te misbruiken door het
uitroepen van een ervaren crisis als een paal boven water staat dat dit niet binnen
de criteria van het staatsnoodrecht past?
Het valt me verder op dat er qua modernisering weinig beweging te zien is. Na de brief
met de algemene contouren uit 2022 zijn er twee rapportages over de voortgang gekomen,
maar ik ben niet de eerste die concludeert dat de voortgang nu niet bepaald van deze
stukken afspat. Heeft de Staatssecretaris daar een verklaring voor? Ik mis daarbij
ook de inzet om het staatsnoodrecht te harmoniseren. Een logische eerste stap is het
implementeren van een eenduidige inwerkingsstellingsprocedure. Staatsraad Verheij
van de Raad van State schetst bijvoorbeeld dat verschillende wetten die de gedwongen
verplaatsing van mensen door de overheid als instrument hebben, andere inwerkingtredingsprocedures
hebben. Dat deel van de Kernenergiewet heeft bijvoorbeeld geen inwerkingsstellingsprocedure,
maar de Wet verplaatsing bevolking wél, terwijl het gaat om vergelijkbare bevoegdheden.
Zou dit niet geharmoniseerd moeten worden, zo vraag ik aan de Staatssecretaris. Is
in algemene zin de noodzaak om te harmoniseren niet dringender, nu het kabinet toe
wil naar één type noodtoestand?
Ook denk ik dat het goed is om de positie van het parlement te verstevigen. De Kamer
heeft nu geen middel om na goedkeuring van de voortduringswet de ingezette noodbepalingen
terug te draaien. We hebben in coronatijd gezien wat de ellende daarvan is. Dat is
wat mij betreft ten onrechte. Dus wil het kabinet bij modernisering ook werk maken
van een middel om de voortduringswet in te laten trekken? Of door bijvoorbeeld een
horizonbepaling in te stellen, die de voortduringswet laat vervallen tenzij het parlement
er opnieuw mee instemt? Is de Staatssecretaris met mij van mening dat deze borging
van de democratische legitimering van het staatsnoodrecht een essentieel onderdeel
van de moderniseringsslag zou moeten zijn?
Voorzitter. Collega's hadden het ook al over de brief over de Staat als procespartij.
O, ik zie dat er een interruptie is.
De heer Sneller (D66):
Dat waren behartigenswaardige woorden van collega Bikker, die ook tijdens de debatten
over de inzet van die staatsnoodrechtbevoegdheden mooie dingen heeft gezegd. Zij zoekt
haar heil qua beter borgen van de vangrails in verduidelijking van de criteria. Tegelijkertijd
kan elke meerderheid gewoon zeggen: ik vind dat er voldaan is aan de criteria. Ziet
zij nog andere manieren om dit beter te verankeren?
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Dank voor de vraag. Het is ook wel een mooie vraag, in die zin dat ik erin bespeur
dat een meerderheid niet altijd de wijsheid in pacht heeft.
De heer Sneller (D66):
Ook een minderheid niet.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ook een minderheid niet. Dat is dan een mooie vorm van reflectie voor ons allen. Maar
tegelijkertijd denk ik dat het juist wel belangrijk is ... Deze bevoegdheden gaan
ver, zijn ingrijpend en raken aan grondrechten. Juist daarom heb ik het in coronatijd
zo ontzettend ingewikkeld gevonden dat het parlement moest vechten als een leeuw om
dingen terug te laten komen, om nog eens te bezien of we dit echt moesten voortzetten.
Ik weet hoezeer ik me daar zelf voor heb ingespannen, samen met heel veel collega's.
Dat is wel de reden geweest dat die avondklok, die we nu misschien allemaal betreuren,
maar kort geduurd heeft. Als we destijds niet hadden gevochten als leeuwen, was die
gewoon voor langere tijd ingevoerd geweest. Ik vind dat niet goed. Ik vind het belangrijk
dat we die weging maken, juist ook als parlement. Dan kan het nog steeds zijn dat
een meerderheid, zeker als er een meerderheidscoalitie is – zo ziet het er nu niet
uit, maar dat zal vast ook wel weer eens gebeuren – toch doorgaat met maatregelen
waarvan wij zeggen «moet dat nou?», maar dan heb je daar een open debat over in het
parlement, en gaat het niet automatisch door zoals dat nu het geval is. Ik vind dit
dus in ieder geval een van de waarborgen. Ik sta open voor andere suggesties, maar
een van de lessen die ik in ieder geval uit de coronatijd meeneem, is dat we dit echt
beter moeten doen. Ik denk dat staatsraad Verheij juist vanuit de juridische invalshoek
een heel aantal praktische voorbeelden geeft van wat daarbij beter kan.
De heer Sneller (D66):
Ik denk dat het ook een gezamenlijke zoektocht is, hoor. Mevrouw Bikker verwijst nu
ook naar staatsraad Verheij. In sommige staatsnoodrechtprocedures heeft de Raad van
State natuurlijk wel een rol, terwijl we bijvoorbeeld nu bij de Wet beschikbaarheid
goederen, die werd ingezet door het Ministerie van Economische Zaken, zagen dat noch
het parlement noch de Raad van State daar een rol in had. Dus hoe breed zou mevrouw
Bikker de inzet van het parlement willen laten zijn? Aan de andere kant: ik hoorde
Minister Karremans tijdens het debat over Nexperia en ik vind het ook weer ingewikkeld
om daarbij de Raad van State en het parlement te horen. Hoe ziet mevrouw Bikker dat
dilemma?
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Dat deel ik ook. Je hebt de natuurlijk de noodsituatie. Dan moet het kabinet kunnen
handelen. Dat is al even de eerste fase. Ik heb bijvoorbeeld gevraagd naar het voortduren
van die maatregelen. Daar heb ik nu op ingestoken, maar ik ben het met collega Sneller
eens dat het aan de ene kant gaat om waarborgen dat het wordt ingezet op het moment
dat er daadwerkelijke nood is. Daar ging ook het eerste deel van mijn bijdrage over.
Het moet niet over ervaren nood gaan, maar over daadwerkelijke, feitelijke nood. Dat
zullen we dus nog beter moeten verwoorden, denk ik.
In de tweede fase is de vraag op welk moment het parlement aan zet is, juist vanuit
de democratische legitimatie en om te voorkomen dat er autocratische trekken ontstaan.
Dat neemt niet weg dat de regering in noodsituaties moet kunnen handelen. Het moet
niet zo zijn dat als er een dijk doorbreekt, de Staatssecretaris eerst langs de Kneuterdijk
moet fietsen en hier langs moet komen voordat hij de maatregelen kan nemen om mensen
te evacueren. Dat is juist het spanningsveld. Maar het gevaar is dat we daar eindeloos
papers over blijven schrijven en ondertussen met een volledig ouderwets, niet up-to-date
verhaal zitten, terwijl we ook weten dat het nodig is om het aan te passen; dat hebben
we gezien in de afgelopen tijd.
Het derde punt, waarbij collega Sneller terecht verwijst naar het Ministerie van Economische
Zaken, is dat er verschillende wetgevingsregimes en omstandigheden zijn waarin het
noodrecht van toepassing kan zijn. Ik heb er begrip voor dat je daarbij soms andere
procedures bewandelt, maar soms is er evident overlap. Ik noemde het verplaatsen van
de bevolking. Ik hoop niet dat dat voorkomt, maar als het nodig is, vind ik het evident
dat je daarbij een eensluidend regime moet hebben. Ik zit er dus ook niet dogmatisch
in en meer puzzelend, maar wel met de waarden van democratische borging, in kunnen
grijpen als het nodig is en op tijd weer stoppen omdat het gaat om grondrechten. Zodra
je die inperking kan stoppen, moet je die stoppen. Ik denk dat dat een beetje het
veld is waarlangs ik het afwandel.
De voorzitter:
Gaat u verder, mevrouw Bikker.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Voorzitter, dit is het laatste stuk van mijn inbreng, zeg ik alvast ter bemoediging
voor u. We hebben er in het verleden vaker over gesproken dat de overheid soms maar
door blijft procederen tegen burgers, juist ook wanneer zij zich in een kwetsbare
positie bevinden. Ik denk aan de casus van twee tachtigers uit Groningen, Meine en
Trientje. Hun huis staat dicht bij een gasopslag. Dat heeft geleid tot verzakkingen
en scheuringen. Buurtbewoners hebben hun schade gemeld bij het Instituut Mijnbouwschade
en iedereen krijgt een schadevergoeding, maar niet Meine en Trientje. Zij stappen
naar de rechter. Na een procedure van ruim twee jaar krijgen ze op alle punten gelijk.
Vreugde alom, maar die was van korte duur, want de overheid ging in hoger beroep.
Na drie jaar procederen begint het hele circus weer van voren af aan.
Meine en Trientje zijn inmiddels dichter bij de 90 dan bij de 80. Iedereen, ook iedereen
hier, voelt op zijn klompen aan dat dit niet is wat we moeten willen. Ik ben dan ook
blij met de toezegging in het stuk dat wordt gestart met het ontwikkelen van een afwegingskader
voor het instellen van hoger beroep in het bestuursrecht. Dat is een goed begin, maar
het mag van mij echt doortastender. Daarom heb ik de volgende drie vragen. Dat zijn
ook de slotvragen. Waarom is gekozen voor een niet-bindend afwegingskader? Rechtvaardigt
de omvang van het probleem niet een stevigere inzet? Twee: kunt u toezeggen dat dit
afwegingskader in 2026 is opgesteld? Zo niet, wanneer dan wel? Drie: hoe gaat u toezicht
houden op de naleving van het afwegingskader?
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
U bedankt, mevrouw Bikker. Dan kijk ik even naar de collega's. Zal ik het voorzitterschap
even overdragen? Wil collega Sneller dat even doen?
Voorzitter: Sneller
De voorzitter:
Ja. Dan geef ik graag het woord aan de heer Ellian voor zijn inbreng namens de VVD-fractie.
De heer Ellian (VVD):
Dank. Het is goed dat we dit debat weer een keer met elkaar hebben, want ook ik vind,
in navolging van mijn collega's, dat het wel ergens over gaat. Ik begin met het staatsnoodrecht.
Het is goed dat er gewerkt wordt aan een herziening, hoewel ik ook de opmerkingen
van de collega's kan plaatsen. Over het proces krijgen we veel informatie, maar het
voeren van de inhoudelijke discussie, die ik net met genoegen waarnam, is natuurlijk
wat we hier doen. Dat is, denk ik, ook de fundamentele discussie over de parlementaire
betrokkenheid en over welke wetten het dan precies gaat. Ik denk dat er wel wat urgentie
meegegeven mag worden aan dit demissionaire kabinet, maar dat kan dat natuurlijk ook
weer meegeven aan het volgende kabinet.
Ik wil dan ook maar meteen een richting meegeven vanuit de VVD-fractie. In de brieven
las ik namelijk dat de huidige structuur, een crisisstructuur naast het staatsnoodrecht
dat wordt vervangen, als onoverzichtelijk wordt gezien. De situatie van noodtoestand
is helder. Feitelijk mag de Grondwet dan voor een groot deel buiten werking worden
gesteld. Denk aan – dat las ik als voorbeeld – het instellen van mobiele rechtbanken.
Dan heb je de situatie van noodbevoegdheden buiten een noodtoestand. Die lijkt minder
ingrijpend, maar dan moet in een wet in formele zin een grondslag gecreëerd zijn om
een grondrecht te beperken. Op zich kun je dan dus nog steeds grondrechten vrij fors
beperken. Alleen, het verschil is dat er dan formeel niet het etiketje «noodtoestand»
op zit.
Dit raakt, denk ik, ook de discussie tussen collega Sneller en collega Bikker, en
ook het eerdere verslag van collega Sneller en voormalig collega Van der Staaij. We
moeten het wel even scherp hebben met elkaar. Dit is volgens mij de richting van het
kabinet. Er zijn drie situaties: noodtoestand, noodbevoegdheden buiten noodtoestand
en dan de vormvrije noodbevoegdheden. Oké, maar werk die dan alsjeblieft uit. En hoe
gaan we dan om met het grijze gebied? Minister Brekelmans zegt volgens mij terecht
continu: we zijn niet in oorlog, maar ook niet in vrede. Volgens mij zien we dat we
dagelijks op allerlei nieuwe manieren worden aangevallen. Waar past dat dan precies
in?
Ook wil ik wel de parlementaire betrokkenheid benadrukken. Dat roept dan wel ook,
denk ik, meteen een reflectie op, ten dele bij onszelf, maar ook bij het kabinet,
ook als ik luister naar de vermakelijke interactie van zojuist. Als wij onszelf een
belangrijke rol toedichten bij – wij roepen de crisis niet uit – de controle van de
noodbevoegdheden, dan betekent dat ook dat als het echt spannend wordt, wij moeten
beseffen dat er een behoorlijke verantwoordelijkheid op ons rust, ook in praktische
zin: je moet als Kamer bij elkaar kunnen komen.
Kijk ook naar hoe wij onze burgers informeren: je moet er rekening mee houden dat
er langdurig geen elektriciteit kan zijn en dat je zelfvoorzienend moet zijn. Oké,
maar als wij dan vergaande noodbevoegdheden moeten controleren en daar misschien ook
iets over moeten vinden ... Ik mis soms een beetje onze eigen rol. Ik wil niet zeggen
dat we ons op een oorlogsparlement moeten voorbereiden, maar als we in een grijs gebied
zitten, dan moeten we ook wel wat meer van onszelf verwachten. Ik ben dus benieuwd
hoe de Staatssecretaris daarnaar kijkt.
Ik wil ook gewoon wat urgentie meegeven, want ik zie in de routekaart allerlei wetten
die nog aangepast moeten worden. Ja jongens, de Russische Federatie past niks aan;
die gaat gewoon door. Dit begint wel een beetje lang te duren.
Ik zie dat mevrouw Bikker een interruptie heeft.
De voorzitter:
Zo is dat: een interruptie van mevrouw Bikker.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
In heel veel themagebieden werk je met scenario's. Het valt me op dat we juist op
dit terrein alles heel lang aan het bestuderen en nog eens aan het bestuderen zijn
en dan de volgorde van mogelijk te veranderen wetten weer op een rijtje zetten. Is
collega Ellian het met mij eens dat er ook eens even in scenarioplanning moet worden
gedacht? Als de dreiging inderdaad aanhoudt, vraagt dat ook om een andere procedure
voor welke wetten we als eerste bekijken. We zouden dan bijvoorbeeld eens met de NCTV
samen naar het dreigingsniveau kunnen kijken en op welk front van het staatsnoodrecht
we allereerst aan de slag zouden moeten. Zou dat een lijn zijn? Of wat is anders zijn
manier om te voorkomen dat we hier bijna meer in de studeerkamer blijven zitten en
niet overgaan tot de actie waarvan hij, heel terecht, zegt dat die nodig is?
De heer Ellian (VVD):
Dank voor de vraag. Kijk, volgens mij wordt de laatste hand gelegd aan de wet op de
gereedstelling, maar die raakt natuurlijk heel erg aan defensie en de krijgsmacht.
Er is ook een wet ... Die heet niet «wet op de oorlog», maar in normaal taalgebruik
noem ik die even zo.
Staatssecretaris Rutte:
Ik krijg «Oorlogswet» ingefluisterd.
De heer Ellian (VVD):
Oorlogswet? Wet op de oorlog, Oorlogswet: het lijkt op elkaar. Ik wil meteen, ook
in antwoord op collega Bikker, zeggen dat ik me ook echt verantwoordelijk voel. Ik
wil geen onrust zaaien, dus ik wil niet dat mensen die dit kijken nu denken: wauw,
er wordt over een oorlogswet gesproken. Maar die wet is wel belangrijk, want daarin
worden een aantal dingen geregeld die nergens anders in geregeld worden. Dat betekent
niet dat we meteen grootschalig in oorlog terechtkomen met elkaar, maar daar staan
wel bevoegdheden in die misschien ouderwets zijn of die misschien tegen het licht
moeten worden gehouden. Dan heb je nog een trits aan wetten die daarmee samenhangen.
Volgens mij noemde collega Bikker zelf ook een voorbeeld. Nexperia kwam net langs.
Ik denk dat het heel zinnig kan zijn om aan de hand van het actuele dreigingsbeeld ...
Dat is er. Dat wordt bijna dagelijkse geüpdatet. Volgens mij weten we heel goed waartoe
de statelijke actoren die ons niet goed gezind zijn in staat in zijn. Ik zeg via de
waarnemend voorzitter tegen collega Bikker dat ik deze week in het Europees Parlement
was, waar ook onze collega's uit Litouwen waren. Die hebben net de noodtoestand uitgeroepen
vanwege die ballonnen. Daar spraken ze ook over met de NAVO-admiraal die aanwezig
was. Volgens mij hebben we dus best wel een goed beeld. Dus ik zou zeggen: laten we
dat doen; laten we die scenario's in kaart brengen. Dat betekent wel dat het kabinet,
welk kabinet het ook is, rapido die wetten moet gaan aanpassen en hier in procedure
moet brengen, zodat wij de discussie kunnen gaan voeren.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Dan hebben wij, denk ik, een gedeelde vraag aan de Staatssecretaris, namelijk om die
scenario's niet alleen in beeld te brengen, maar ook wel de vaart te houden in het
vervolg dat het moet krijgen. Ik zou collega Ellian het volgende willen vragen. Wat
ik mooi vond aan zijn betoog, is dat hij dat ook breder ziet dan alleen de sector
waar het heel specifiek om gaat, of dat nou defensie is, energie – die noemde ik –
of infrastructuur; het raakt ook burgers. Er moet voorlichting zijn. Je wilt daarover
juist voorlichten op een moment dat er geen panieksituatie is. Je wilt je juist in
rust kunnen voorbereiden. Ik denk dat we hiermee rust in plaats van paniek kunnen
brengen. Dat vraagt alleen om wijsheid en om juist nu doorwerken in plaats van op
het laatste moment in allerijl aan de slag gaan.
De heer Ellian (VVD):
Ik denk dat wij gedrieën, collega Sneller, collega Bikker en ondergetekende, het eens
zijn. Ik denk dat dat ook geldt voor een aantal andere collega's, die er nu niet zijn.
Ik denk dat wij het eens zijn. Het is een beetje gek om dat tegen deze Staatssecretaris
van JenV te zeggen, maar we zijn hier op wekelijkse basis bezig met besloten briefings,
opschaling van de krijgsmacht en weerbaarheid. Er gebeurt megaveel, van het noodpakket
tot het «pepernootpakket» – zo heet het geloof ik – van het Sinterklaasjournaal. Dat
was dus nootpakket met een t; dat was wel grappig. Als ik dan kijk naar het fundament
van dit alles, namelijk wetten in formele zin, dan heb ik nog geen enkele aanpassing
gezien. Ik vind corona een mooi voorbeeld. Ik was tijdens de avondklok nog geen Kamerlid.
Was de Staatssecretaris toen wel Kamerlid? Nee, niet. Ik vind in ieder geval dat dat
op die manier niet meer zou moeten gebeuren. Ik kijk naar onze collega's in Litouwen.
Niet alles is daar openbaar, maar zij weten precies wat ze moeten doen als de noodtoestand
wordt uitgeroepen. Wie moet wat doen? Daar hebben wij nooit met elkaar over gesproken.
Ik zie het alweer gebeuren, van die knullige dingen, zo van: hebben we een quorum?
We zijn het dus eens wat dat betreft.
Ik ga mijn verhaal afmaken. Er is veel gezegd over de Staat als procespartij. Ik wil
toch even complimenten aan de Socialistische Partij geven. Zij zijn er nu niet, maar
de toenmalige collega's Van Nispen en Leijten hebben daar heel veel aan gedaan. De
overheid is reflectiever en responsiever. Het is logisch dat er een afweging gemaakt
moet worden tussen algemeen belang en individueel belang. Soms moet er nu eenmaal
geprocedeerd worden om duidelijkheid te verkrijgen. Heel eerlijk: ik kan dat echt
wel begrijpen. Ik vind alleen wel dat het ingewikkeld voelt als je daarmee dan een
individu enorm opzadelt met alle gevolgen daarvan, met name kosten en proceskosten.
Daar hebben we ook eerder over gedebatteerd en moties over ingediend. Ik ben benieuwd
hoe het daar nu mee staat. Is het volgende een overweging? Zeg je in sommige gevallen
als overheid: we willen een principiële uitspraak, maar als dit voor het individu
bijvoorbeeld qua proceskosten echt supernadelig uitpakt, gaan we daar een bijdrage
aan leveren?
Tot slot de vog. Daar zijn heel veel brieven over gekomen. Dank daarvoor, want die
waren inzichtelijk. Wat mij echt ontgaat, is waarom er in achttien gevallen, die herbeoordeeld
bleken te zijn, sprake kon zijn van een zwaar misdrijf. Waar gaat dat dan over? Gaat
het om de continue screening voor de kinderopvang? Hoezo mogen die mensen dan ...?
Over wat voor misdrijven heb je het als mensen na een zwaar misdrijf nog wel in de
kinderopvang mogen werken? Die logica ontgaat me. Ik zie ook dat de ADR dat vog-proces
tegen het licht heeft gehouden en tien aanbevelingen heeft gedaan, maar ik las niet
dat de Staatssecretaris die aanbevelingen over gaat nemen en ons daarover gaat informeren.
Ik vond het zelf overigens wel stevige aanbevelingen.
Dat is ’m voor mij!
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik heb een vraag aan collega Ellian over de vog. De discussie gaat over continue screening
in de taxibranche en de kinderopvang, omdat dat risicovolle sectoren zijn. Ik zie
ook dat er in havengebieden met een aangescherpte screening wordt gewerkt. De heer
Ellian houdt zich heel veel bezig met de bestrijding van de georganiseerde misdaad.
Daarom vraag ik me af of hij het net als het CDA een goed idee vindt om te gaan kijken
of continue screening in die gebieden kan helpen in de strijd tegen die georganiseerde
misdaad.
De heer Ellian (VVD):
Dank voor de vraag. Ja, dat zou zeker kunnen helpen. De Douane heeft een eigen screeningstool
gemaakt. Ik hoop dat ik het zo goed verwoord, maar omdat er op een gegeven moment
enorme achterstanden waren bij de beoordeling van vog's en de beoordelingscriteria
voor de Douane niet meer voldeden, hebben zij volgens mij een eigen screeningstool
gemaakt. Die werkt supergoed en ik vind het dan ook heel mooi om te zien dat een overheidsonderdeel
zegt: weet je, we nemen het heft in handen.
Bij de DJI werken mensen op wie ik erg gesteld ben, maar na 30 jaar heeft nog niemand
gevraagd: goh, hebben we eigenlijk uw antecedenten gecontroleerd? Dus ik denk zeker
dat een aantal overheidsgebieden dermate interessant zijn voor georganiseerde criminelen
dat je echt moet toewerken naar periodieke screening. Houd me ten goede, maar volgens
mij – ik pass het ook maar door naar de Staatssecretaris – gaat de nieuw VOG P, die
voor politiegegevens, bij de Dienst Justitiële Inrichtingen periodiek voor sommige
functies gevraagd worden. Dat is allemaal heel vog's, dus ...
Het antwoord is dus ja! Maar ik heb nog wel één disclaimer: of het een continue of
een periodieke screening is of dat er een aparte tool wordt gemaakt voor bepaalde
risicovolle functies, dat vind ik allemaal prima als je maar de vinger aan de pols
houdt. Het is namelijk heel gek dat je op maar één moment zegt «iemand is oké gebleken»
en er vervolgens vijftien jaar lang van uitgaat dat het nog steeds oké is. In de tussentijd
kan er immers van alles gebeuren. Dus ...
De voorzitter:
Dan geef ik het voorzitterschap terug aan de heer Ellian.
Voorzitter: Ellian
De voorzitter:
Dank dat u dit even wilde doen. Er wordt nu druk overlegd.
Staatssecretaris Rutte:
Ik zou graag twintig minuten schorsen.
De voorzitter:
Dat is heel vlot, Staatssecretaris. Ik ga schorsen tot 11.00 uur, maar als u een paar
minuutjes langer nodig heeft, dan gun ik u die ook.
De vergadering wordt van 10.39 uur tot 11.03 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen deze vergadering van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid. We
zijn nog steeds bij het commissiedebat Staats- en bestuursrecht. We zijn aanbeland
bij de eerste termijn vanuit het kabinet, dus ik geef graag het woord aan de Staatssecretaris.
Het debat was best overzichtelijk, maar heeft hij een soort blokjesindeling voor ons?
Dan kunnen we meteen meeschrijven.
Staatssecretaris Rutte:
Voorzitter, dank u wel. Ik zal inderdaad proberen om gestructureerd door de antwoorden
heen te gaan. Ik begin met een blokje over de verklaring omtrent het gedrag. Dan duiken
we in de wilde wereld van het Beleidskompas. Daarna komt het dikste mapje, denk ik,
namelijk het staatsnood- en crisisrecht. Dan zijn er vragen gesteld over het procedeergedrag
van de overheid. Wat minder vragen, maar toch, waren er over artikel 13b van de Opiumwet,
oftewel de Wet Damocles. Tot slot heb ik dan – het zal u niet verbazen – het mapje
overig, dat overigens door ambtenaren is benoemd tot «andere belangrijke onderwerpen».
Dat klinkt toch beter.
De voorzitter:
Andere belangrijke onderwerpen dus. Ik denk dat wij met gezwinde spoed door de mapjes
heen kunnen. Aan u het woord, Staatssecretaris.
Staatssecretaris Rutte:
Voorzitter. Er is een behoorlijk aantal vragen gesteld over de vog's. Dat is ook logisch.
Het is wel interessant dat de vog een Nederlandse uitvinding is. We verstrekken van
overheidswege allerhande informatie om te kunnen kijken of iemand in het verleden
rare dingen heeft gedaan. In andere landen is het heel gebruikelijk dat iemand die
een bepaalde functie wil bekleden, zelfstandig met uittreksels aantoont of hij een
boefje is geweest of niet. Ik denk dat wij ons in Nederland gelukkig mogen prijzen
met de mogelijkheid om vog's aan te vragen. U heeft het wellicht gelezen, maar ik
zeg het ook even voor de kijker thuis en voor de lezer later: dat gaat echt over hele
grote getallen. We stevenen dit jaar af op 1,7 miljoen vog-aanvragen. Dat is echt
heel veel. Dat betekent dat zo ongeveer 10% van de Nederlanders een vog-aanvraag doet.
Dat is echt heel veel. Die toegenomen interesse in de inzet van de vog als integriteitsscreening
onderstreept het belang van een uniforme en op risiconiveau toegespitste vog-screening.
Daar zijn al mooie stappen in gezet in de afgelopen periode, te beginnen met de herijkte
beleidstheorie, die mijn ambtsvoorganger met u heeft gedeeld. Begin 2026 verwacht
ik te starten met het opstellen van de risicomethodiek. Met andere departementen werken
we ondertussen verder aan een verbeterde inzet van de vog in sectoren waarin sprake
is van extra risico's. Want zoals u ook weet, is het niet het Ministerie van Justitie
dat bepaalt waarvoor een vog wordt aangevraagd. Dat doen de vakministeries, die zo'n
vog voor specifieke functies willen inzetten. De vog is er natuurlijk ook voor functies
waar ik wel over ga, zoals de heer Ellian aangaf, bijvoorbeeld functies bij de DJI.
Daarvoor lopen er vog-aanvragen.
Het afgelopen jaar heeft de vog-screening ook te maken gehad met twee incidenten in
de informatievoorziening richting Justis voor de vog-screening. Daar hebt u naar gevraagd
als Kamer en daar zal ik zo op terugkomen.
Mevrouw Straatman vroeg bijvoorbeeld wanneer nou het onderzoek naar de onvolledige
informatievoorziening bij Justis is afgerond. Ik verwacht uw Kamer voor het zomerreces
van 2026 te kunnen informeren over het onderzoek naar de onvolledige informatievoorziening
vanuit Justis bij de continue screening.
Mevrouw Straatman stelt ook een vraag die ik me gewoon kan voorstellen. Waarom gaan
er nou in gevallen die in ieder geval vergelijkbaar lijken, bij de kinderopvang personen
op non-actief als dat in de taxibranche vervolgens niet gebeurt? Mijn collega's van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Infrastructuur en Waterstaat – het gaat over
twee verschillende ministeries – zijn de opdrachtgevers van de continue screening
in de kinderopvang en in de taxibranche, en zij zijn verantwoordelijk voor de respectievelijke
opzetten daarvan. Ik kan aangeven dat de te beschermen belangen in beide sectoren
niet volledig gelijk zijn en het dus ook niet helemaal vreemd is om te differentiëren
in de inrichting van het screeningsproces. Omdat bij de taxibranche de Inspectie Leefomgeving
en Transport op basis van een signaal van Justis geen belangenafweging kan maken of
een situatie ernstig genoeg is om tot intrekking over te gaan, is ervoor gekozen om
de chauffeurskaart niet in te trekken gedurende de behandeling van de nieuwe vog-aanvraag.
Dat ligt anders in de kinderopvang, waar gezien de risico's het zekere voor het onzekere
wordt genomen en iemand direct op non-actief wordt gesteld.
De heer Emiel van Dijk (PVV):
Onderschat de Minister hiermee niet het risico voor bijvoorbeeld vrouwen, die veilig
willen thuiskomen ook als er geen andere manier is om dat te doen dan een taxi te
nemen? Zij moeten ervan op aan kunnen dat de chauffeur bijvoorbeeld geen veroordeelde
zedendelinquent is. We hebben bijvoorbeeld een tijd geleden gezien dat er in Brussel
veel taxichauffeurs waren die vrouwen naar afgelegen plekken toe reden waar ze niet
naartoe wilden en daar vervolgens de meest verschrikkelijke dingen deden. Je wilt
natuurlijk niet dat dat soort dingen ooit in Nederland gebeuren. Is het dus niet beter
om ook bij de taxibranche het zekere voor het onzekere te nemen en die vergunningen
te schorsen?
De voorzitter:
Het woord is aan de Staatssecretaris, die vandaag volgens mij gedeeltelijk de Minister
vervangt. Ik was dat vergeten te zeggen.
Staatssecretaris Rutte:
Maar volgens mij niet op dit onderdeel, hoewel ik de heer Van Dijk dan wel in zoverre
teleur moet stellen dat ik weer naar een ander ministerie moet verwijzen. Dat is niet
om vervelend te zijn, maar die afweging moet worden gemaakt op het Ministerie van
IenW. Dat maakt in dit geval de afweging over hoe we omgaan met de taxibranche. De
algemene afweging is dat er continue screening moet zijn. Men heeft in dit geval wel
gedacht: oké, dit risico wordt natuurlijk opnieuw gescreend, maar in de tussentijd
kunnen wij dit overzien. Bij Sociale Zaken heeft men tegelijkertijd gezegd: voor de
kinderopvangbranche is het risico zo evident dat wij vinden dat er wel direct moet
worden geschorst. Dat is dus een afweging van de vakministeries zelf geweest. Ik kan
me voorstellen dat u daar nog navraag naar zult doen.
Nog een vraag van mevrouw Straatman, ervan uitgaande dat ik door kan: hoe kan het
dat het kiwi register een tijdelijke stop heeft kunnen zetten op de taxibranche? Hier
staat «kiwi register». Dat is mooi, maar het is «Kiwa Register»; dat lijkt mij beter.
Het Kiwa Register kan de continue screening niet tijdelijk stopzetten. Wanneer de
bevoegdheid om als taxichauffeur te rijden wordt ingetrokken of als een chauffeur
zelf stopt met het uitoefenen van zijn beroep, wordt deze persoon permanent uitgeschreven
uit het register. Daarmee stopt ook de continue screening. Wanneer een persoon opnieuw
de bevoegdheid aanvraagt om als taxichauffeur te rijden, moet diegene alle bewijsstukken
opnieuw aan het Kiwa Register overleggen.
Ten aanzien van deze herintreders in de taxibranche stond er een fout in de software
voor de continue screening bij de Justitiële Informatiedienst, Justid, waardoor signalen
over deze personen niet goed waren doorgegeven aan Justis. Justis heeft de taxibranche
daarom tijdelijk handmatig gemonitord en inmiddels de software aangepast, zodat dit
niet opnieuw kan gebeuren. Dat is anders bij de kinderopvang, waarbij gezien de risico's
het zekere voor het onzekere wordt genomen en iemand direct op non-actief wordt gezet.
Dan kijken we nog een stukje verder, naar de verklaring omtrent het gedrag en de EU-gegevensdeling.
Mevrouw Straatman vroeg: hoe staat het met de EU-brede afspraken over gegevensdeling?
Lidstaten van de Europese Unie worden bij de aanvraag voor een vog voor het werken
met kinderen en bij vergunningen voor het gebruik van precursoren voor explosieven
via het Europese strafregisterinformatiesysteem ECRIS bevraagd om justitiële gegevens
over onherroepelijke veroordelingen. Aanvullend zijn in Benelux-verband afspraken
gemaakt over het uitwisselen van justitiële gegevens via ECRIS voor bredere werkgelegenheidsscreening.
De wetswijziging moet het mogelijk maken om binnen de Europese Unie justitiële gegevens
voor de vog te delen.
Deze wijziging van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens ter vastlegging
van de doelen van het gebruik van ECRIS is ingediend bij uw Kamer. Onherroepelijke
veroordelingen van derdelanders, niet-EU-burgers in een EU-lidstaat, kunnen naar verwachting
in het tweede kwartaal van 2026 worden betrokken bij de beoordeling van de verklaring
omtrent het gedrag. Dan treedt het Europese ECRIS-TCN-systeem in werking. ECRIS-TCN
zal worden bevraagd voor vog's waarvoor ook ECRIS wordt bevraagd. Dat betekent dat
het in de huidige situatie zal worden bevraagd voor de vog voor het werken met kinderen
en voor het werken met precursoren voor explosieven. Het is dus heel breed en op vele
vlakken work in progress.
De heer Sneller vraagt naar de OM-hack en of de achterstand die na de hack is opgelopen,
is ingelopen. Wordt er met terugwerkende kracht bezien of daar fouten zijn gemaakt?
Geeft nieuwe info over branches waarvoor geen continue screening geldt aanleiding
om de vog te herroepen? Dat is een hele logische vraag. Eerst maar het goede nieuws:
de volledige achterstand vanuit het Openbaar Ministerie is reeds bijgewerkt in het
justitiële documentatiesysteem. Die achterstand is dus ingelopen. Het proces van reguliere
vog-beoordeling is tijdens de verstoring gewoon voortgezet, maar daarbij kon uiteraard
alleen informatie van het OM van voor 18 juli worden gebruikt en onherroepelijke veroordelingen
uit andere Europese lidstaten. Justis heeft organisaties gewezen op de mogelijkheid
opnieuw een vog aan te vragen nu het justitiële documentatiesysteem weer actueel is.
Het is aan organisaties zelf om af te wegen of dat opportuun is, gezien de risico's
van de functie. Dus het kan als daar behoefte aan is. De organisaties kunnen daarom
vragen.
De heer Sneller (D66):
Mag ik daaruit afleiden dat het niet mogelijk is om proactief vanuit Justis te kijken
welke vog's we hebben afgegeven en of we dat met de informatie die daarna weer is
binnengekomen ook hadden gedaan of dat we het dan juist niet hadden gedaan?
Staatssecretaris Rutte:
Ten eerste is het proces van de behandeling van vog's wel de hele tijd doorgegaan.
Er is een korte periode geweest dat de systemen niet zijn geactualiseerd, maar de
behandeling van vog's ging wel door. Er is altijd een mogelijkheid dat in die periode
een vog is afgegeven terwijl iemand heel kort daarvoor iets heeft gedaan wat niet
mocht. Dat is de theoretische situatie waar we het over hebben en die zich ook daadwerkelijk
zou kunnen voordoen. Maar het is echt aan de vog-aanvragende organisaties om de afweging
te maken of zij het, gezien hun inschatting van de risico's, nodig vinden om een herbeoordeling
aan te vragen. Ik wil het echt daar laten. We kennen organisaties die dat willen doen,
maar we kennen er ook heel veel die het niet nodig vinden omdat ze wel degelijk vertrouwen
hebben in de vog's die zijn afgegeven.
De voorzitter:
Gaat u verder.
Staatssecretaris Rutte:
De heer Ellian struikelde in een brief over achttien gevallen die herbeoordeeld worden
naar aanleiding van onvolledige informatievoorziening in de continue screening in
de kinderopvang. Toen bleek dat ook nog om zware misdrijven te gaan. Hij vraagt zich
af wat voor misdrijven dat dan zijn. In die achttien gevallen ging het om zaken waarbij
er een flink tijdsverloop was of zaken die waren afgedaan met een lichte afdoening.
Dat klinkt nog steeds heel cryptisch, maar laten we kijken of we dat concreter kunnen
maken. Onder zware misdrijven, niet zijnde seksuele misdrijven, vallen onder meer
diefstal, fraude, mishandeling en strafbare feiten uit de Opiumwet. In de herbeoordeling
heeft Justis over de periode van 2016 tot 2025 312 signalen ontvangen over personen
die mogelijk nog werkzaam waren in de kinderopvang. In 3 gevallen ging het om signalen
met betrekking tot seksuele misdrijven, in 18 gevallen om andere zware misdrijven,
in 84 gevallen om lichte misdrijven en in 207 gevallen om overtredingen. Er zijn vijf
kennisgevingen verstuurd. Die achttien gevallen waar u naar vraagt, zitten dus in
de categorie van diefstal, fraude, mishandeling en strafbare feiten uit de Opiumwet.
Dat zijn dus zware misdrijven, niet zijnde seksuele misdrijven. De specifieke casuïstiek
is moeilijk boven water te halen, want er wordt per geval een afweging gemaakt, bijvoorbeeld
op basis van het tijdsverloop. Het kan heel erg lang geleden zijn geweest dat zo'n
feit zich heeft voorgedaan. Dan staat het nog wel ergens geregistreerd, maar dan is
er toch wel degelijk reden om een vog af te geven.
De heer Sneller (D66):
Ik neem het voorzitterschap even over, want volgens mij wil de heer Ellian een interruptie
plaatsen.
Voorzitter: Sneller
De heer Ellian (VVD):
Dank. Collega Sneller kent mij langer dan vandaag. Ik dank de Staatssecretaris voor
het antwoord. Het puzzelt mij, in die mate dat ... Ik denk het te begrijpen. Je hebt
een feit-functiecriterium. Natuurlijk heb je een objectief en een subjectief criterium.
Dat staat allemaal heel goed uitgelegd in de Beleidsregels VOG voor natuurlijke personen.
Moet ik het dan zo begrijpen dat in die achttien gevallen waarbij sprake was van een
zwaarder misdrijf, het misdrijf bijvoorbeeld buiten de terugkijktermijn valt? Of is
bij die gevallen de conclusie getrokken dat het misdrijf geen belemmering vormde voor
het afgeven van de vog voor de betreffende functie? Mijn kinderen gaan niet naar een
opvang, maar ik ken er velen die dat wel doen, en het lot van kinderen gaat ons allen
na aan het hart. Ik kan me best voorstellen dat het iets geks heeft als je als ouder
in het nieuws hoort of leest – ik weet niet of ze Kamerbrieven lezen, maar dat doen
wij namens hen – dat iemand is veroordeeld voor een zwaar misdrijf maar toch een vog
voor een functie in de kinderopvang heeft gekregen. Ik probeer het te begrijpen: valt
dat buiten de terugkijktermijn of is de vaststelling dat de relevantie voor de functie
niet aanwezig is?
Staatssecretaris Rutte:
Ik ben niet dagelijks bezig met het beoordelen van vog's, maar wat ik ervan begrijp,
is dat er uiteindelijk wel een individueel afwegingskader is om te kijken hoelang
iets geleden is en hoe relevant het dan nog is voor de functie. Dan kan er dus in
sommige gevallen, ondanks dat er in het verleden iets heeft plaatsgevonden, wel degelijk
een vog worden afgegeven. In sommige gevallen kan er ook sprake zijn van een registratie
waarbij we het niet hebben over een veroordeling, maar waarbij bijvoorbeeld een sepot
heeft plaatsgevonden. Dan is er niet verder veroordeeld, wegens een gebrek aan bewijs,
maar dan is wel geregistreerd dat er ooit vervolging heeft plaatsgevonden. Dat is
precies de reden. De Algemene wet bestuursrecht staat niet toe dat je helemaal geautomatiseerd
dit soort dingen doet. Er moet uiteindelijk op basis ... Deze mensen zullen eruit
vallen. Dan zeg je: hé, daar is wat mee. Dan vindt er een individuele beoordeling
plaats. Heel vaak zal dat inderdaad betekenen: geen vog. Maar in sommige gevallen
kan toch de afweging gemaakt worden om het wel te doen. Dan registreer je wel netjes
dat het om dit soort gevallen gaat. Ik kan me dat ongemak dus wel voorstellen, maar
het is, denk ik, niet onredelijk dat je uiteindelijk een individuele afweging moet
kunnen maken.
De heer Ellian (VVD):
Helder. Dan snap ik ’m. Dan moet ik bijvoorbeeld denken aan een verdenking van mishandeling,
bijvoorbeeld een vechtpartij tijdens het uitgaan. Uit de individuele beoordeling blijkt
dan: dat hoeft geen belemmering te zijn voor het goed functioneren op een kinderopvang.
Zo moet ik ’m begrijpen. Maar het stelt mij gerust dat er goed individueel naar gekeken
is. Wat ik wel erg interessant vind – maar dat is voor een andere keer – is de menselijke
kant die de Staatssecretaris noemt. Algoritmen hebben we keihard nodig; mijn fractie
vindt dat ook. Volgens mij worden er bepaalde geautomatiseerde processen gebruikt,
maar de vog is bij uitstek een onderwerp waarbij je kunt denken: we hebben altijd
mensen nodig die naar de informatie kijken. Ik ben blij dat de Staatssecretaris dat
benadrukt, want de gevolgen kunnen best wel groot zijn voor iemand.
Voorzitter: Ellian
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik heb een verduidelijkende vraag naar aanleiding van de vraag van de heer Ellian
en de heer Van Dijk, over type veroordelingen en de acties die daarvan het gevolg
zijn. Ik begrijp dat de Staatssecretaris zegt dat het wat betreft de taxibranche eigenlijk
bij een ander ministerie ligt. Maar als ik het goed begrijp, lees ik in de stukken
dat in één geval naar aanleiding van de softwarefout teruggekeken is. In de taxibranche
is een zedenveroordeling gevonden en dat gaf aanleiding om daarvan melding te maken
bij de inspectie. Betekent het in het geval van zeden dat die persoon op dit moment
nog niet op non-actief wordt gesteld? De ILT heeft gewoon ander beleid, maar dat betekent
in het geval van zeden dat die taxichauffeur op dit moment gewoon nog rijdt. Begrijp
ik dat goed?
Staatssecretaris Rutte:
Ik moet navragen of dat zo is, want dat weet ik niet. Je hebt best kans dat hij inmiddels
niet meer rijdt, maar dat weet ik niet. Er heeft niet een directe schorsing plaatsgevonden,
zoals in het kinderdagverblijf wel gebeurt. Dat wordt nader onderzocht. Het kan best
zo zijn dat er inmiddels al lang een uitspraak is, maar dat weet ik niet. Ik zal kijken
of ik het na kan vragen. Anders moet ik er later op terugkomen.
Mevrouw Straatman (CDA):
Het gaat niet per se om het specifieke geval en die persoon. Het gaat erom of een
zedenveroordeling een extra signalering is om iemand wel op non-actief te stellen,
in tegenstelling tot kennisgevingen van veroordelingen op andere terreinen.
Staatssecretaris Rutte:
Voor zover ik weet, heeft de ILT daarin een iets ander beleid dan bijvoorbeeld Sociale
Zaken. Bij Sociale Zaken zeggen ze: dat risico is zo groot; direct schorsen. Bij IenW
geeft men de kans om nog even te beoordelen wat er nou precies aan de hand is. Maar
dan kom ik echt op het terrein van andere ministeries. Daarvan ken ik de details niet
helemaal. Ik kan mij voorstellen dat men wil dat het nader wordt uitgezocht.
De heer Emiel van Dijk (PVV):
Misschien kan de Staatssecretaris daar per brief op terugkomen.
De voorzitter:
Misschien is het geen gek idee dat u er per brief op terugkomt, Staatssecretaris.
Dan moeten we het wel iets preciezer maken. Ik denk dat het de verhouding betreft
tussen de vog en de beleidsruimte die andere departementen hebben. Ik denk dat het
specifiek gaat om de taxibranche en de kinderopvang. Is dat mogelijk, Staatssecretaris?
Staatssecretaris Rutte:
Dat kan, maar ik moet de vraag in dit geval dan wel doorgeleiden naar IenW. Die moeten
uitleggen hoe dit werkt en hoe dit in elkaar zit. Maar ik zal kijken hoe we hier invulling
aan kunnen geven. Het is geen geheime informatie. Maar de beoordeling of dit wel of
niet gebeurt, ligt oprecht niet bij mijn ministerie. Ik kan er dus wel een brief over
sturen, maar dan moet ik de inhoud ophalen bij een ander ministerie. Ik bekijk even
wat de beste manier is om deze informatie door te geleiden naar de heer Van Dijk en
andere Kamerleden.
De heer Emiel van Dijk (PVV):
Dat is precies het verzoek: of de Staatssecretaris binnen het kabinet gewoon uitvogelt
wie er verantwoordelijk is en of die informatie gewoon met ons gedeeld wordt.
De voorzitter:
Ik proef welwillendheid bij de Staatssecretaris, dus het komt goed. Wij gaan even
bekijken hoe we dit gaan noteren. Gaat u verder.
Staatssecretaris Rutte:
We gaan dat uitzoeken. Ik kom erop terug. We zoeken contact met IenW.
Dan mijn laatste puntje ten aanzien van de vog. De heer Ellian gaf aan dat de ADR
dat hele vog-proces tegen het licht heeft gehouden en met tien aanbevelingen is gekomen.
Hij vraagt hoe het daarmee staat. Justis heeft de aanbeveling van de ADR over het
proces van de vog-screening overgenomen en een plan van aanpak opgesteld voor de uitvoering
daarvan. Vog-aanvragen waarbij een terroristisch delict wordt aangetroffen, worden
al snel, conform aanbevelingen, standaard besproken in casusoverleggen. De overige
aanbevelingen zijn inmiddels ook uitgewerkt en grotendeels geïmplementeerd. Uitzonderingen
hierop zijn acties op documentbeheer en bezetting, die meer en continue aandacht vragen.
Justis zet er doorlopend op in dat documenten met regels en instructies bekend en
leidend zijn voor de medewerkers en dat de personele bezetting op niveau blijft. In
principe moeten deze aanbevelingen worden geïmplementeerd. Sommige zijn al direct
een-op-een geïmplementeerd. Andere zijn onderdeel van een continu verbeterproces.
Daarmee kom ik aan het eind van het eerste blokje – dat was een groot blokje – over
de vog. Ik ga door naar het Beleidskompas. Dat is een heel dun mapje; er zit maar
één vraag in, maar wel een hele relevante, namelijk van de heer Van Dijk, die heel
enthousiast was over het Beleidskompas. Hij dacht: daarmee voorkomen wij dat burgers
in de squeeze komen en dat er allerlei gekkigheid over ons wordt uitgestort. Toen
hij ging lezen, las hij overal Sustainable Development Goals. Iets zegt mij dat de
heer Van Dijk daar niet heel erg enthousiast over is; dat dacht ik tussen de regels
door te horen.
Waarom zijn die nou belangrijk? Je hebt een beleidskompas om een goede afweging te
maken: doe ik het juiste en doe ik het op de juiste manier? Het is dan toch wel wat
anders om te kijken naar de Sustainable Development Goals. Daar kun je natuurlijk
ook verschillend over denken, maar ten aanzien van die doelen het volgende. De Sustainable
Development Goals zijn in 2015 aangenomen door alle lidstaten van de Verenigde Naties.
De Nederlandse Staat heeft zich daar ook aan gecommitteerd en moet de doelen nastreven.
Daarom zijn die doelen ook in het Beleidskompas opgenomen. Dat leidt tot zeventien
duurzame ontwikkelingsdoelen, waaronder gendergelijkheid en klimaat.
Alleen, dat wil niet zeggen dat die het meest leidend zijn in het Beleidskompas. Deze
zaken pas je toe in het Beleidskompas op de momenten dat die relevant zijn voor het
beleid dat voorligt. Als het niet relevant is, dan heeft het ook geen zin om ernaar
te kijken. Zo zijn er nog veel meer beleidsdoelen en toetsingsmogelijkheden binnen
zo'n beleidskompas. Ik kan de heer Van Dijk dus geruststellen: het is niet zo dat
het Beleidskompas helemaal in het teken staat van de Sustainable Development Goals.
Het is natuurlijk wel zo dat die erin verwerkt zijn.
De heer Emiel van Dijk (PVV):
Ik heb hier even de website voor me. Vraag één: wat is het probleem? Dat is logisch;
daar begin je altijd mee. Twee: wat is het beoogde doel? Als je daarop doorklikt,
word je meteen doodgespamd met al die Sustainable Development Goals, terwijl het doel
van dat Beleidskompas naar aanleiding van het rapport Ongekend onrecht zou moeten
zijn dat burgers niet meer in de knel komen. Mijn vraag is dus: hoe kan het opdringen
van klimaatbeleid, gendergelijkheid en weet ik veel wat voor gekkigheid er allemaal
in die doelen staat, helpen om te voorkomen dat burgers door de overheid onrecht wordt
aangedaan? Die vraag heb ik nog niet beantwoord gekregen.
Staatssecretaris Rutte:
Een beleidskompas moet helpen om goed en kundig beleid te maken, zodat je het juiste
middel inzet om tot het juiste resultaat te komen en daarbij de juiste afwegingen
maakt. De heer Van Dijk heeft daarin gelijk: een van de redenen waarom we dat hebben,
is om te voorkomen dat burgers in de knel komen en om te voorkomen dat de overheid
burgers in de hoek zet en met haar almacht zelfs kan vermorzelen. Helaas hebben wij
daar voorbeelden van gezien. Dat is een van de redenen. Maar er zijn ook andere vormen
van beleid die gewoon van belang zijn. Als je klimaatbeleid maakt – dat is ook beleid –
dan kun je je voorstellen dat Sustainable Development Goals daarin wél een heel belangrijk
toetsingskader vormen. Het hangt dus echt af van het soort beleid of deze doelen relevant
zijn. Ik kan de heer Van Dijk geruststellen dat als het gaat om vraagstukken over
toeslagen, die Sustainable Development Goals daarin niet het meest relevante toetsingskader
zijn. Dan gaat het echt om andere zaken en ook die staan in het Beleidskompas.
De heer Emiel van Dijk (PVV):
Dan constateer ik dus gewoon dat er met dat Integraal Afwegingskader een goede route
is ingezet om te voorkomen dat burgers door de overheid vermorzeld worden en dat dat
sinds – wat is het? – maart 2023 op een laag pitje is komen te staan, waarbij de VN-duurzaamheidsdoelen
belangrijker worden geacht dan het voorkomen van een nieuw toeslagenschandaal. Dat
is helaas het enige wat ik kan concluderen. Anders zou de Staatssecretaris zeggen:
«Ja, wat vreemd inderdaad dat dat er staat. Wat is het doel en hoe gaan we dat doen?
O, verrek, er staan zestien of zeventien Sustainable Development Goals in plaats van
een antwoord op de vraag hoe we bij de overheid gaan voorkomen dat we burgers op de
laatste plaats zetten, in plaats van op de eerste plaats.»
Staatssecretaris Rutte:
Ik kan me niet helemaal aan de indruk onttrekken dat de heer Van Dijk deze conclusie
al had getrokken voordat hij mij gehoord had, want ik zei nou juist dat bij vraagstukken
waarbij burgers in de knel komen, je op een andere wijze toetst. Dan zijn andere delen
in het Beleidskompas relevant. Je moet op dat moment een keuze maken voor de toetsingskaders
die relevant zijn voor de casus die voorligt. Wat ik al zei, bij klimaatbeleid is
het heel logisch om te kijken naar dit soort doelen. Bij emancipatiebeleid gaat het
hier ook over, maar dat geldt niet als je kijkt naar bijvoorbeeld de vraag hoe wij
toeslagen inrichten. Dan doen de klimaatdoelen er niet toe. Welke kaders relevant
zijn, hangt dus erg af van welk stuk beleid voorligt. Het is niet zo dat het Beleidskompas
zegt: je moet altijd al die punten afvinken om tot een goede afweging te komen. Het
is een hulpmiddel waarin zaken staan als: hier kun je aan denken om op te toetsen.
Ambtenaren zijn gelukkig wijs genoeg om de toetsingskaders mee te pakken die relevant
zijn voor de zaken die voorliggen, en dat zou ik graag zo willen houden.
De voorzitter:
Afrondend.
De heer Emiel van Dijk (PVV):
Ik geloof dat maar een kwart van de ambtenaren er überhaupt gebruik van maakt en dat
maar net iets meer dan de helft ermee bekend is. Maar die ambtenaren die er dan wel
gebruik van maken, worden al bij de tweede stap direct geconfronteerd met al die doelen.
Dan gooien die doelen toch zand in de motor op het moment dat een ambtenaar zich afvraagt:
voor wie doe ik dit en hoe voorkom ik dat burgers in de knel ben bij het beleid dat
ik nu aan het uitzetten ben?
De voorzitter:
De Staatssecretaris tot slot.
Staatssecretaris Rutte:
De heer Van Dijk raakt aan een punt dat in zijn algemeenheid wel relevant is en waar
ik ook een beetje vrees voor had, namelijk dat we het Beleidskompas als een kerstboom
optuigen met allerhande kaders, dus dit kader en nog ontzettend veel andere kaders.
Als je te veel meegeeft, heb je zó'n boekwerk om door te ploegen. Dan kun je je voorstellen
dat een ambtenaar denkt: hier ga ik niet meer naar kijken. We hebben daarin een afweging
te maken met elkaar: welke kaders wel en welke niet? Tegelijkertijd, als je een vraagstuk
krijgt voorgelegd, wil je wel dat je de relevante kaders hebt waaraan je kunt toetsen.
Ik noem eens wat, er zit bijvoorbeeld ook een doenvermogentoets in het Beleidskompas.
Dat is ook niet altijd van toepassing op het soort beleid dat je moet maken. Uiteindelijk
gaat het om de relevante afweging. Het doel dat de heer Van Dijk belangrijk vindt,
namelijk dat we burgers niet in de knel laten komen door beleid, staat echt nog steeds
overeind.
De voorzitter:
Gaat u verder.
Staatssecretaris Rutte:
Laten we dat doen. We gaan door naar het onderwerp dat ik vandaag te leen heb van
de Minister, maar waarover wel vragen zijn gesteld, namelijk het staatsnoodrecht.
Ik denk dat ik daar een heel eind kan komen, maar mocht ik het echt niet weten, dan
geleid ik de vraag door en dan komt het antwoord in een brief. Ik heb echter heel
deskundige ondersteuning naast mij zitten, dus laten we eens kijken waar we uit kunnen
komen.
Het staatsnoodrecht is een beladen onderwerp. Dat blijkt ook wel. Het is heel aangelegen.
Zodra je erover praat, zitten de emoties hoog. Dat is ook terecht, want het raakt
de essentie van de democratische rechtsstaat, zoals mevrouw Bikker zei. Iedereen snapt
tegelijkertijd ook dat je in een noodsituatie moet kunnen handelen. Daar zitten we
tussenin. Het is een beladen onderwerp – in de politiek en in de maatschappij. Het
gaat inderdaad om verregaande bevoegdheden. U heeft ook allemaal gelezen dat het huidige
staatsnoodrecht sterk is verouderd. Let op, zo verwijzen bepalingen naar artikelen
die niet meer bestaan, zijn er bepalingen die de lading niet meer dekken door de veranderde
samenleving of nieuwe ontwikkelingen en zijn er leemtes ontstaan voor situaties waarin
nog niet is voorzien. Ga er maar aanstaan! En dan hebben we ook nog – velen van u
refereerden eraan – het gegeven dat de huidige geopolitieke situatie ons noodzaakt
om sneller te handelen.
Wat er gebeurt er nou? Op alle departementen wordt er hard gewerkt aan de modernisering.
Dat is, zoals u al had gelezen, een complex en tijdrovend proces. Dat is vervelend
om te horen. Het staatsnoodrecht komt niet voort uit één ministerie, maar betreft
allerhande ministeries. Het Ministerie van Justitie heeft daarin een coördinerende
rol en die nemen we heel serieus. Het is wel complex, want je hebt continu andere
ministeries nodig om vooruit te komen. De Minister coördineert het interdepartementale
traject en zal begin 2026 de Kamer nog een voortgangsbrief sturen. Ik moet wel zeggen
dat ik blij ben dat de Kamer het hier vandaag uitgebreid over heeft, want drie jaar
geleden is hierover voor het laatst gesproken.
Ik sluit aan bij de heer Ellian: het is inderdaad een grote verantwoordelijkheid voor
de regering om deze modernisering door te voeren. Het is heel ingewikkeld. We moeten
gigantisch veel wetten aanpakken met elkaar, met veel dilemma's. Aan de andere kant
helpt het ook als dit bij de Kamer hoog op de agenda blijft staan, niet alleen kijkend
naar het functioneren van de Kamer zelf – hoe doen wij dat, zijn wij gereed? – maar
ook kijkend naar: kunnen wij samen met de regering hierin de juiste stappen zetten?
Het klinkt altijd heel vervelend, maar het is echt een gezamenlijke verantwoordelijkheid
om de rechtsstaat te waarborgen en het vertrouwen in elkaar te hebben om in geval
van nood ruimte te geven om te doen wat op dat moment nodig is.
Mevrouw Straatman vroeg naar de voortgang van de routekaart. Daar wordt op dit moment
hard aan gewerkt. U heeft dat kunnen lezen in de brief van 13 februari. Zoals ik net
al zei, komt er een update in de voortgangsbrief van begin 2026. Wat betreft de verkenning
naar een digitale crisis: er is een inventarisatie gedaan van bestaande wet- en regelgeving
op het gebied van digitale dreigingen en er hebben scenariosessies plaatsgevonden
met deskundigen op het gebied van digitale cyberdreigingen. Maar ik moet even verwijzen
naar de eerstvolgende brief, begin 2026. Ik kan mij meer in algemene zin voorstellen
dat u over staatsnoodrecht tegen die tijd nog een nader overleg zult willen hebben,
maar dat laat ik aan de Kamer.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Het commissiedebat Staats- en bestuursrecht is niet een tweemaandelijks terugkerend
debat, dus daarom vind ik dit wel het moment om het bij de kop te pakken. Die voortgangsrapportage
volgt steeds aan het begin van een nieuw jaar. Ik heb die van 2025 er even bij gepakt.
In alle eerlijkheid, ik vind daarin weinig beweging terug. Ik hoop dat de Staatssecretaris
kan toezeggen dat er nu wel veel meer beweging in zit en in ieder geval een reflectie
op de omgang met de asielcrisis en het inroepen van het al dan niet van toepassing
zijnde noodrecht. Kan de Staatssecretaris in ieder geval zeggen of daarop een reflectie
komt?
Staatssecretaris Rutte:
Bij een coördinerende rol die Justitie heeft en waarbij gigantisch veel verschillende
wetten moeten worden aangeraakt, is het soms ook wel lastig om heel snel resultaat
te boeken. Het is niet zo dat je ieder stapje in een prachtige nieuwe brief kunt omschrijven,
zo van: wij hebben alweer allerlei stukken nieuwe wetgeving gemaakt. Er zit heel veel
voorbereiding en afweging in om uiteindelijk tot iets te komen. Dat is best lastig.
Als Kamerlid zie je dan niet wat er precies gebeurt. Ik kan mij ook voorstellen dat
er vanuit de Kamer om meer urgentie wordt gevraagd en dat wordt gezegd dat dit mijn
aandacht nodig heeft. Dat is dan iets wat ik mij aantrek, dan hebben wij daar wat
te doen. Op de vraagstukken rondom de asielnoodwetgeving en dergelijke kom ik zo meteen
nog uitgebreid terug. Als dat akkoord is, wil ik het op dat moment doen.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Toch even over die urgentie. Al in 2021 kwam de Raad van State zelf met een ongevraagd
advies en zei: maak hier werk van. Collega's hier, ikzelf ook, hebben het misschien
niet ieder debat heel uitgebreid erover gehad, maar ik herinner mij zelfs nog dat
ik mevrouw Yeşilgöz als Minister van Justitie op haar verantwoordelijkheid bevroeg,
ook tijdens de coronacrisis. Het was logisch, we moesten aan de slag. Het was logisch
dat de Minister van VWS daarin het voortouw had, maar Justitie blonk af en toe eerlijk
gezegd uit in afwezigheid. Dat dan nu, jaren later, Justitie nog steeds niet de schoen
aantrekt die dat ministerie past ... De Staatssecretaris zegt dat er veel achter de
schermen gebeurt en dat wil ik best aannemen. Natuurlijk, ik ben van het vertrouwen,
absoluut. Maar complexiteit kan ook een argument zijn om maar te blijven praten en
niet vooruit te komen. Alleen ga je sneller en samen kom je verder, daar ben ik het
mee eens. Maar we moeten wel verder komen en niet samen bij de bushalte blijven staan.
Dat is wel mijn nadrukkelijke oproep aan de Staatssecretaris.
De voorzitter:
Niet bij de bushalte, Staatssecretaris.
Staatssecretaris Rutte:
Ik heb alle begrip voor het ongeduld, hoor. Soms ontkom ik ook niet aan deels ambtelijke
antwoorden die toch wel relevant zijn. We hebben inmiddels een hele structuur opgetuigd
onder coördinatie van JenV om te komen tot die harmonisering van het staatsnoodrecht.
Er worden activiteiten ondernomen, er wordt gewerkt aan harmonisering van verschillende
wetten, wat heel erg nodig is. Dat moet via verschillende ministeries lopen. Dat is
gewoon een hele lastige puzzel die zich niet altijd makkelijk laat vertalen in «we
hebben dit gedaan, we hebben zus en zo gedaan». We hebben gecoördineerd en afgestemd
en we zijn bezig met harmoniseren. Ik wil wel toezeggen dat we in de volgende voortgangsbrief
zo concreet mogelijk maken welke stappen al gezet zijn, zodat we dat ook echt kunnen
zien. Vervolgens zien we dan ook welke stappen we nog moeten gaan zetten. Op die manier
komt daar veel meer grip op en heeft de Kamer ook iets om op te gaan sturen. Wellicht
wordt dan ook helder wat de Kamer kan doen om behulpzaam te zijn en dingen te versnellen.
Ook wordt helder welke dingen men zelf nog moet doen. Ik kan me dit ongemak voorstellen,
dus laten we kijken of we het gewoon concreter kunnen maken. Daarmee kunnen we ook
een bijdrage leveren aan de snelheid, daar waar mogelijk. Het is zeker geen onwil.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Is dit een toezegging, vraag ik aan de voorzitter. Want dan blijven we ...
De voorzitter:
Is dit een toezegging? Ja, daar zat ik ondertussen over na te denken. Daarom fronste
ik en moest ik even in mijn ogen wrijven, want iets concreet maken is op zich een
toezegging tot een inspanning. Wij zijn professionals in toezeggingen vissen.
Staatssecretaris Rutte:
Dit is een toezegging. Ik kijk even naar mijn buurvrouw. Zij knikt heel erg en dat
is altijd bemoedigend. Ik denk dat we de opdracht hebben om in de volgende voortgangsbrief
gewoon echt de stappen die we al gezet hebben, zo helder mogelijk uit te werken, zodat
echt te zien is wat we al gedaan hebben en wat de volgende stappen zijn die we moeten
zetten. Dan wordt het net een slag concreter, want we zijn bezig met harmonisatie.
Wellicht hebben we al een aantal stappen kunnen zetten. Dan wordt helder: dit hebben
we echt al rond, bijna rond of nog niet rond. Nu kan ik me voorstellen dat de Kamer
zegt: we krijgen één keer per jaar een brief en we moeten maar hopen dat het goed
komt. We moeten daar meer grip op krijgen, zodat we ook weten wat de Kamer mag verwachten.
Wellicht zegt de Kamer, nadat ze de brief heeft gelezen: dat gaat ons niet snel genoeg,
dus we gaan de Minister achter de broek aan zitten. Dan hebben we daarover een gesprek.
Laten we zo'n brief maken.
De voorzitter:
Die brief komt sowieso. Dat is toch zo? Die krijgen we jaarlijks.
Staatssecretaris Rutte:
Ja, maar scherper dan.
De voorzitter:
Oké. Dat hebben we genoteerd. Gaat u verder.
Staatssecretaris Rutte:
Mevrouw Bikker en de heer Sneller vroegen hoe het zit met de waarborgen in het staatsnoodrecht.
Hoe zorg je ervoor dat daar geen misbruik van wordt gemaakt? Ook al is het huidige
staatsnoodrecht toe aan herziening, er zijn wel degelijk procedurele waarborgen, zoals
de inwerkingstelling ervan en de voortduringswet. Die hebben we gewoon. Bevoegdheden
uit het staatsnoodrecht kunnen alleen na een koninklijk besluit in werking treden.
Door de verplichte voortduringswet is parlementaire betrokkenheid geborgd. Wat de
regering betreft zijn die waarborgen dus in orde. Ik zal ze meenemen in de herziening.
We kunnen er altijd nog over nadenken of het nog anders of beter moet, maar in de
basis hebben we deze waarborgen ook op dit moment al.
Ik wil ook meteen reageren op iets anders. Ik kan ook de Asielnoodmaatregelenwet en
de asielcrisis meenemen. Misschien passen die er wel een beetje bij. Mevrouw Bikker
vroeg waarom de asielcrisis en de brief van 13 januari niet in de stukken staan. Die
waren immers relevant, omdat daar werd gewerkt met het idee om staatsnoodrecht te
gebruiken. De afweging om de staatsnoodrechtbepalingen uit de Vreemdelingenwet toe
te passen heeft geen relatie met de modernisering van het staatsnoodrecht. Het gaat
om de afweging of de staatsnoodrechtbepalingen toegepast kunnen worden. De waarborgen
rondom het staatsnoodrecht zijn juist robuust gebleken. Daarin zie ik dat de conclusie
van zowel mijn ambtsvoorganger als mij dat de buitengewone bevoegdheden in de Vreemdelingenwet
niet gemoderniseerd hoeven te worden, correct is.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik vind dit een interessant antwoord. Waarom is het geen staatsnoodrecht geworden?
Dat is omdat de Kámer heeft gezegd: begin hier nou niet aan; doe dit nou niet. Vervolgens
is er in het kabinet wel over gesproken. Ik zou toch graag iets meer inkijk hierin
willen. Welke waarborgen hebben gewerkt in die zin dat het eerst wel werd opgeschreven,
maar vervolgens niet werd uitgevoerd? Het is nu nog een enigszins schimmig antwoord.
Staatssecretaris Rutte:
Uiteindelijk heeft het niet geleid tot een voorgelegd koninklijk besluit, waar de
Kamer dus ja of nee tegen kon zeggen. Voor die tijd heeft het kabinet al besloten
om dit niet te doen. Ik wil wel toezeggen dat we in de brief die de Kamer in 2026
krijgt, desgewenst nog wat nader ingaan op de Vreemdelingenwet. Dan kunnen we kijken
of we dat alsnog nader kunnen duiden, als die behoefte bestaat. Dat wil ik best doen,
maar naar mijn overtuiging hebben de waarborgen gewerkt en is er uiteindelijk dus
ook geen staatsnoodrecht ingezet. Want uiteindelijk vereist de separate toepassing
van die noodbevoegdheden uit de Vreemdelingenwet een koninklijk besluit en een voortduringswet.
De Kamer zou dan ook weer aan zet zijn geweest om te kijken of ze dat wel wilde, of
ze ermee akkoord was et cetera. Dus die waarborgen werken wel, maar die zijn hier
nog niet eens in werking getreden, omdat we niet tot dat punt zijn gekomen.
De voorzitter:
Mevrouw Bikker, tot slot.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Naar mijn bescheiden mening schreef de coalitie op dat het moest gebeuren en heeft
de Minister van Asiel destijds de hele tijd uitgedragen dat het wel van toepassing
zou moeten zijn. In de loop van de tijd heeft er om politieke redenen een verschuiving
plaatsgevonden. Als daar wel een juridische argumentatie achter heeft gelegen, dan
zou ik het mooi vinden dat die gedeeld wordt met de Kamer. Anders zouden we gewoon
in alle eerlijkheid moeten toegeven dat het politiek iets wenselijks was, maar dat
er juridisch weinig van klopte; laat ik het parlementair houden.
Staatssecretaris Rutte:
Er is natuurlijk een verschil tussen een politieke wens of een politiek idee en het
daadwerkelijk toepassen van noodrecht. Dat laatste is hier niet gebeurd. Dat idee
is uiteindelijk niet in de vorm van een koninklijk besluit en daarna een voortduringswet
in de Kamer geland. Dan hadden we daadwerkelijk een situatie gehad waarin er sprake
is van de inzet van noodrecht. Zover is het gewoon niet gekomen. Ik zal kijken of
ik daar wat nadere duiding over kan geven.
De voorzitter:
Dat komt dan in de brief die we sowieso krijgen. Perfect.
De heer Sneller (D66):
Ik zit hier op de lijn van collega Bikker. We zijn het er, denk ik, in ieder geval
over eens dat het onaangenaam dichtbij kwam. Ik hoorde in de woorden van de Staatssecretaris
impliciet ook wel een oordeel over wat er destijds is afgesproken. Ik snap dan de
conclusie niet dat er geen enkele behoefte is om de waarborgen te versterken, zoals
mevrouw Bikker in eerste termijn heel mooi vroeg. Ik snap dat het sec niks te maken
heeft met modernisering, want dat gaat meer over harmoniseren en kijken of het tot
op de dag van vandaag nog oké is. Als we echter kijken vanuit het perspectief van
het weerbaarder maken van onze democratische rechtsstaat, ook tegen misbruik van staatsnoodrecht,
dan denk ik dat er in deze moderniseringsoperatie wel degelijk een opdracht ligt om
daar beter naar te kijken dan de Staatssecretaris nu voornemens lijkt.
Staatssecretaris Rutte:
Ik vind dat een lastige afweging. Ik zeg dat niet uit onwil. Dit is precies de kern.
Dit is precies de kruk waar de afweging over de vraag «wanneer wel en wanneer geen
staatsnoodrecht?» op drijft. Ik heb mij laten vertellen – ik denk dat dit op basis
van casuïstiek is – dat die zich niet 100% laat codificeren. Je moet dan toch echt
wel een gesprek met elkaar hebben. Je moet het heel casuïstisch benaderen: als deze
situatie zich voordoet – soms zijn dat situaties waar je nooit over hebt nagedacht –
dan vinden we het heel logisch om inderdaad te gaan voor staatsnoodrecht, maar er
zijn ook andere situaties, waarin daar meer twijfel over is en dan moet je het daar
ook met elkaar over kunnen hebben.
Ik weet niet of het lukt om dit helemaal aan de voorkant dicht te regelen. Ik weet
niet of dat kan. Dat is misschien wel echt de kern van dit vraagstuk, want als je
bezig bent met modernisering, gaat het niet alleen over harmonisering. Ik kan mij
best voorstellen dat dit vraagstuk nadrukkelijk op tafel komt, tegen de tijd dat we
het er echt over hebben qua wetgeving. Wordt die balans goed gevonden? Ja of nee?
Naar mijn oordeel zijn de weging die we tot nu toe hebben, dus waar we gebruik van
kunnen maken, en de waarborgen voldoende; anders kom je ook tot het fenomeen of vraagstuk
van de buitengewone omstandigheden. Kun je dat nader duiden? Daar vroeg mevrouw Bikker
naar en ik ga daar dadelijk nader op in. Ik denk dat het lastig is. Dat kan ik proberen,
maar omdat het staatsnoodrecht situationeel moet worden bepaald, krijg ik daar niet
meteen grip op. Laten we kijken waar we op uitkomen. Ik zal dit antwoord nog wat nader
duiden. Daar zit mijn ... Het is lastig om vast te pakken. Ik zou willen waarschuwen
tegen te veel codificeren, want dan kom je misschien in een harnas terecht dat in
geval van nood onvoldoende werkt.
De heer Sneller (D66):
Heel kort drie dingen. Eén. Ik zeg niet «helemaal dichtregelen» – mevrouw Bikker zegt
dat ook niet – maar «de drempels verhogen». Mevrouw Bikker sprak over duidelijkere
criteria. Daar is wel degelijk wat mogelijk zonder de illusie te wekken dat het helemaal
is dichtgeregeld. Twee. Als we pas als de wet hier ligt, erover spreken, dan moeten
we vervolgens gaan amenderen. Dat is vragen om ellende. Daarom vraag ik de Staatssecretaris
om het nu mee te nemen. Drie. De veroordeling van de Staatssecretaris is heel impliciet.
Bovendien wordt het dan gewoon weer een motie van de BBB-fractie, die laatst in de
Kamer meer dan 30 zetels had. Na alles wat er gebeurd is, vertrouw ik minder op de
politieke cultuur. De Staatssecretaris zegt: je moet het er gewoon met elkaar over
hebben. In dat democratische ethos moet ik dus wel naar meer waarborgen in de codificatie
zoeken, omdat ik er minder vertrouwen in heb. Het stond gewoon in het hoofdlijnenakkoord.
Het stond in het regeerakkoord.
Staatssecretaris Rutte:
Er blijft natuurlijk wel degelijk een verschil zitten tussen een voornemen om iets
te doen, ergens over nadenken, en het daadwerkelijk inzetten van middelen. Dat laatste
is in dit geval niet gebeurd, dus er zijn andere afwegingen gemaakt. Op het moment
dat zaken wel worden voorgelegd, komt de Kamer opnieuw wel degelijk aan bod. Dat zijn
de waarborgen die we hebben. Ik denk dat die goed zijn.
Ik zal ook even ingaan op de vraag die mevrouw Bikker daarover heeft gesteld. Zij
vroeg: kunnen we die buitengewone omstandigheden nader invullen? Dan blijf ik bij
het punt dat de afbakening van staatsnoodrecht helder is en dat het niet wenselijk
is om het verder af te bakenen. Het staatsnoodrecht kan namelijk pas worden ingezet
als een vitaal belang van de samenleving bedreigd wordt en het gehele stelsel van
reguliere wet- en regelgeving niet volstaat om die crisis het hoofd te bieden. Dat
is het afwegingskader dat we hebben. Verdere afbakening zal ervoor zorgen dat het
lastig gaat worden om staatsnoodrecht in te zetten wanneer dat echt nodig is. Daarom
moet de scope juist breed kunnen zijn. Maar op het moment dat het zich voordoet, moet
je wel van gedachten kunnen wisselen over: gaan we hiermee door en is het wel de juiste
weg? Ik benadruk daarom ook de waarborgen. In het door u aangehaalde scenario, namelijk
rondom asiel en migratie, bleken die voldoende te zijn.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik zou de Staatssecretaris, in alle vriendelijkheid, toch willen uitnodigen tot een
iets nadere reflectie. Sindsdien hebben wij namelijk ook gezien hoe de Raad van State
adviseerde. We hebben gezien dat juist de Raad van State aangaf dat in buitengewone
omstandigheden ook iets zit van een spoedeisend karakter. Dat is niet zo bij gevallen
van beleid die tot stand zijn gekomen door het jarenlang dingen niet doen door de
overheid. Neem bijvoorbeeld de opvangcrisis rondom asielzoekers. Die heeft te maken
met eerdere keuzes. Dat is niet een dijkdoorbraak, die onmiddellijk een spoedeisend
karakter heeft. Dus zou de Staatssecretaris daar toch op kunnen reflecteren, juist
omdat het, met een reden, geen staatsnoodrecht is geworden, maar we er wel heel dichtbij
waren en een deel van de Kamer nog steeds denkt dat het wel zo had moeten zijn? Dan
is er toch iets nog niet ... Ik merk dat ik me op zit te winden, dus ik wil er juist
extra zorgvuldig over spreken. Dan kun je toch ook expliciteren tot welke bevindingen
je bent gekomen in het afgelopen jaar, zeg ik via de voorzitter. Een daarvan is het
spoedeisende karakter, waarvan wij allen weten dat het staatsnoodrecht ooit op die
manier is ingericht. Kijk naar de oudere wetgeving, uit de jaren vijftig. Dat werd
opeens ontkend in de actualiteit, maar het keerde eigenlijk telkens terug zodra de
experts, de juristen, de geleerden ernaar keken. Ik vind dat bij uitstek een voorbeeld
van hoe je zou kunnen verduidelijken wat buitengewone omstandigheden zijn. Ik nodig
de Staatssecretaris toch uit tot die reflectie. Ik snap heel goed dat hij niet wil
reflecteren op teksten uit regeerakkoorden. Maar een jaar later gewoon kijken naar
wat er gebeurd is, is ook een vorm van jurisdictie die je hier vastlegt voor het verder
uitdiepen van deze begrippen.
Staatssecretaris Rutte:
Ik houd toch even vast aan het punt dat er uiteindelijk geen voorstel tot inzet van
staatsnoodrecht in de vorm van een koninklijk besluit en wetgeving aan de Kamer is
voorgelegd. Dus er is uiteindelijk een afweging gemaakt om het niet te doen. Op basis
daarvan houd ik vast aan het feit dat het huidige afwegingskader daarin voldoende
duidelijkheid biedt voor wanneer iets wel en niet kan. Dat is de situatie waar we
in zitten. Er is natuurlijk politieke gedachtevorming in de Kamer over geweest bij
het vormen van het regeerakkoord en de reactie daarop in de Kamer. Dat is allemaal
waar. Dat is politiek. Maar uiteindelijk kom je tot het vraagstuk: is hier staatsnoodrecht
ingezet? Dat is uiteindelijk niet het geval, omdat het afwegingskader ertoe heeft
geleid om het niet in te zetten.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Bikker.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Zou de Staatssecretaris bereid zijn om op dit punt een adviesaanvraag te doen bij
de Raad van State, over hoe buitengewone omstandigheden nader kunnen worden gedefinieerd,
ook gezien de ervaringen in de afgelopen tijd?
De voorzitter:
Daar wordt even over nagedacht. De Raad van State heeft het ook wel druk op dit moment,
begreep ik. Maar goed ...
Staatssecretaris Rutte:
Het makkelijkste is natuurlijk om dat gewoon toe te zeggen. Dat kan altijd. Ik denk
dat we dat gewoon moeten doen. We gaan kijken of de Raad van State er grip op krijgt
om dat te doen. Ik verwacht daar geen extreem heilzame werking van, maar wie weet
komt daar wel ... Uiteindelijk moeten we dat toch situationeel beoordelen, maar wie
weet krijgen we daar meer houvast; daar worden we allemaal niet slechter van. Dat
kunnen we gewoon voorleggen. Dat lijkt me goed. Dan nemen we dat ook mee bij alle
volgende vraagstukken die we hebben, mocht daar nog behoefte aan bestaan.
De voorzitter:
Ik denk dat de aard van het debat ook redelijk veroorzaakt wordt door wat de Kamer
percipieert als een gebrek aan voortgang in deze materie. Ik heb er een beetje naar
gekeken. Het is best complexe materie, met buitengewone omstandigheden. Volgens mij
was het kabinet eerst voornemens om «crisisomstandigheden» als begrip toe te voegen.
Volgens mij is dat na de inbreng van collega Sneller en voormalig collega Van der
Staaij weer geschrapt. Het zou helpen als we gewoon wat meer teksten hebben. Dan kan
je daar ook met elkaar over discussiëren. De een kan dan vinden dat het dichtgetimmerd
is en de ander kan het open willen laten. Nu is de discussie wat lastig.
Staatssecretaris Rutte:
Ik heb toezeggingen gedaan aan mevrouw Bikker. Dus we kunnen hier nadere duiding op
vragen. Ik wil wel meegeven aan de Kamer, of daar in ieder geval wat ruimte voor vragen,
dat we niet op dat advies gaan wachten voor de rechtsvoortgang in dit traject. We
hebben nog veel te doen op het gebied van staatsnoodrecht. Laten we dat gewoon doen.
Dus we gaan niet eerst dit uitzoeken en dan pas weer stappen zetten. We gaan gewoon
door, in de wetenschap dat dit ook een toetsingscriterium is. Dat gaat over de vraag
wanneer je een middel wel of niet in mag zetten. Als ik het zo mag interpreteren,
dan kunnen we dit doen. Ik zie mevrouw Bikker knikken. Dus dan zou het moeten kunnen.
De voorzitter:
Dan gaan we snel verder.
Staatssecretaris Rutte:
Daar wil ik niet op wachten, want we hebben het over vertraging. Het gaat allemaal
langzaam.
Ik ben er net volgens mij al op ingegaan: we hebben te maken met een breed interdepartementaal
complex met ruim 70 wetten die geraakt worden door dit traject, en dat in een periode
dat er ook geopolitiek van alles aan het bewegen is. Dat maakt het een ingewikkeld
en taai proces, waarin je in een bewegende omgeving moet proberen dingen te harmoniseren
en beter te krijgen. Zoals ik al heb toegezegd, gaan we begin 2026 zo veel mogelijk
inzicht geven in waar we staan en wat we nog te doen hebben met elkaar.
Mevrouw Bikker mist ook de inzet om het staatsnoodrecht te harmoniseren. Als dat gemist
wordt, dan is dat ten onrechte, want dat heeft wel degelijk de volle aandacht. Dat
is belangrijk. Het harmoniseren van het staatsnoodrecht is onderdeel van de modernisering
waar wij aan werken. Binnen de interdepartementale structuur wordt gewerkt aan meerdere
departement overstijgende visies om die harmonisering goed vorm te geven. Er wordt
gekeken naar een set criteria aan de hand waarvan vastgesteld kan worden of een wettelijke
bevoegdheid een inwerkingtreding vereist, want daarin zitten vele verschillen. Ik
wil er niet helemaal op vooruitlopen, maar het is wel belangrijk dat we dit in focus
hebben. Dus die harmonisatie is wel degelijk in scope en van belang.
Dan kom ik bij de positie van het parlement bij het staatsnoodrecht. Daar hebben ook
meerdere mensen wat over gezegd. Mevrouw Bikker vraagt: is de Staatssecretaris van
mening dat deze borging van de democratische legitimering van het staatsnoodrecht
een essentieel onderdeel van de moderniseringsslag zou moeten zijn? Net als mevrouw
Bikker onderschrijf ik het grote belang van een sterke controlerende positie van het
parlement bij de inzet van het staatsnoodrecht. In eerdere Kamerbrieven heeft u per
vorm van het staatsnoodrecht kunnen zien op welke wijze het kabinet daar een sterke
rol van het parlement voor zich ziet. Dat kan in verenigde vergadering of bij voortduringswet.
Die rol is wat ons betreft dan ook gegarandeerd. Ook na de voortduringswet beschikt
de Kamer natuurlijk over haar gebruikelijke arsenaal aan parlementaire bevoegdheden
om het kabinet te controleren. Dat is goed en belangrijk. Dus onze overtuiging is
dat we dat op zich wel voldoende geborgd hebben. Mocht bij nadere uitwerking blijken
dat dat niet zo is, dan twijfel ik er niet aan dat mensen zullen zeggen dat het anders
moet.
Dan kom ik bij de heer Ellian, die terecht wijst op het grijze gebied van het staatsnoodrecht.
Daarbij moet je misschien wel concluderen dat het staatsnoodrecht altijd een beetje
grijs is; het zit toch een beetje tussen dingen in. We komen dus terecht in het grijze
gebied van een al grijs gebied. We proberen dat officiële gebied – dan hebben we het
over separate toepassing, beperkte noodtoestand en algemene noodtoestand – zo veel
mogelijk nog wat grip en body te geven. Alle drie deze varianten zijn omkleed met
procedurele waarborgen, zoals een inwerkingstelling en een voortduringswet. Het harmoniseren
van het staatsnoodrecht is onderdeel van de modernisering waar we aan werken. Daarbij
wordt ook gekeken naar een set criteria aan de hand waarvan vastgesteld kan worden
of een wettelijke bevoegdheid inwerkingtreding vereist. Welke vorm we ook inzetten,
het is dus van belang dat we daarin uiteindelijk altijd het parlement betrekken. Uiteindelijk
– ik kijk even naar rechts – is het wel enigszins relevant welke vorm we hebben gekozen,
maar het parlement komt daarin altijd aan zet om de eigen afweging te kunnen maken:
willen we dit wel, willen we dit niet, willen we dit nog steeds?
Ik zie twijfel over een vraag. Nee? Dan ga ik door met de volgende. Dat betreft ook
een vraag van de heer Ellian, namelijk over de parlementaire betrokkenheid. Daarin
deed hij een oproep aan het parlement: we moeten ons zelf voorbereiden als parlement.
Ik heb het over «ons», maar ik zit niet in het parlement. Hij zei: het parlement moet
zich daar zelf op voorbereiden. Ik denk dat dat terecht is. Als we mee kunnen denken
over wat daarbij verstandig is en hoe dat kan, dan kunnen we dat natuurlijk altijd
doen. Maar uiteraard heeft ook vooral de regering een belangrijke rol. Ik ben het
er namelijk ook mee eens dat het parlement een grote rol speelt bij de toepassing
van het staatsnoodrecht. In het staatsnoodrecht worden namelijk verregaande bevoegdheden
belegd om op te treden tegen buitengewone omstandigheden.
Daarover vraagt u: hoe zit het dan met de continuïteit van bestuur? Dat is een proces
dat ook in een reguliere crisis moet plaatsvinden. Dat zou op die manier in de processen
geborgd moeten zijn. Daarmee ligt daarop ook echt de focus in het moderniseringstraject.
Het is aan iedere organisatie om de eigen continuïteit te waarborgen, zo ook aan de
Tweede Kamer. Zo zijn er tijdens de coronapandemie in uw huis bijvoorbeeld maatregelen
getroffen om veilig te kunnen blijven vergaderen. Dat geldt voor de Kamer, maar ook
voor elke andere organisatie die daardoor geraakt wordt. Daar waar die onder onze
verantwoordelijkheid vallen, hebben we daar oog voor.
De heer Ellian vroeg nog om scenario's in beeld te brengen en vaart te houden in het
vervolg. Daar heb ik al het een en ander over verteld. U zei: dat is ook breder dan
defensie; het raakt burgers en daarbij is ook voorlichting belangrijk. Dat klopt.
Daarom wordt in het kader van weerbaarheid interdepartementaal gekeken naar meerdere
scenario's. Ook het staatsnoodrecht wordt langs die scenario's bekeken en aangevlogen.
Die trajecten raken elkaar. Er zijn dus ook diverse raakvlakken. Dat maakt het enerzijds
complexer. Aan de andere kant helpt het ook wel. Die communicatiestructuur en het
bekijken wat we moeten doen voor weerbaarheid, jagen ook het andere proces weer aan.
Er zijn bijvoorbeeld raakvlakken tussen de Oorlogswet voor Nederland en de Wet buitengewone
bevoegdheden burgerlijk gezag, die onderdeel uitmaken van het staatsnoodrecht. Dat
werkt goed samen.
Tot zover het staatsnoodrecht voor nu. Ik weet zeker dat u er de komende tijd nog
niet over uit bent gesproken. Dat lijkt me ook logisch, want het is work in progress.
Dan kom ik bij het volgende blokje. Dan hebben we het over het procedeergedrag van
de overheid. Dan neem ik één slokje koffie om de hals te smeren.
De voorzitter:
Wat mij betreft mag u er tempo in brengen, hoor.
Staatssecretaris Rutte:
Ja, dat ga ik doen. Mevrouw Straatman vroeg waarom er geen civielrechtelijk kader
is waarbij bijvoorbeeld verjaring wordt meegenomen. Er is een bestaand kader van de
Nationale ombudsman voor een behoorlijke omgang met schadeclaims in het civielrecht.
Hoewel dit kader alleen gericht is op de omgang met schadeclaims en de Rijksoverheid
op meer gebieden geschillen heeft met burgers, worden de achterliggende uitgangspunten
in brede zin nog steeds onderschreven. Het gaat bijvoorbeeld om een opstelling die
conflictoplossend, coulant, terughoudend met het starten van procedures, en proactief
is. Ik heb dit kader daarom opnieuw onder de aandacht gebracht bij de verschillende
departementen.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dat was me bekend, maar wat mij meer zorgen baart in de brief, is het punt van verjaring.
Het gaat om de situatie waarin in een civielrechtelijke procedure het handelen van
de Staat ter discussie staat. Daarvan zegt de Staat op dit moment in de brief: we
treden terughoudend op op het moment dat de aansprakelijkheid erkend wordt en op het
moment dat er in jurisprudentie voorbeelden zijn uitgewerkt van wanneer je de absolute
verjaringstermijn kan doorbreken. Die eerste situatie speelt natuurlijk niet op het
moment dat je gaat procederen. Als de Staat de aansprakelijkheid al erkend heeft,
is er geen reden om nog over die aansprakelijkheid te discussiëren. Het gaat dus met
name om punt b. Die grenzen om in het algemeen de absolute verjaringstermijn te doorbreken,
liggen in de jurisprudentie heel, heel hoog. De centrale vraag is nu: past het ook
voor een Staat, voor de overheid als procespartij, om precies onderdeel te zijn van
dat debat? Dat was mijn vraag. Zou u die vraag in dit specifieke kader van civielrechtelijke
zaken ook kunnen meenemen in een afwegingskader?
Staatssecretaris Rutte:
Dat is wat lastig, vind ik. Maar als er echt evident sprake is van onrechtmatig handelen
dat door de Staat wordt erkend en waarbij de gevolgen van dat handelen bekend zijn,
dan ligt het eigenlijk niet voor de hand dat de Staat het op een procedure laat aankomen
waarin hij een beroep op verjaring kan doen. Dat is als het echt evident is. Wanneer
het echter minder duidelijk is welke rol de Staat heeft gespeeld bij een bepaalde
gebeurtenis en welke verantwoordelijkheid daarbij op de Staat heeft gerust, geldt
het volgende. In die gevallen beoordeelt de Staat in beginsel per geval of hij zijn
beroep op verjaring, alles afwegende, gerechtvaardigd acht. Daarbij mag van de overheid
worden verwacht dat zij bij haar afweging rekening houdt met de impact daarvan op
burgers. Ook wordt dan nog gekeken naar de specifieke omstandigheden van het geval
in het licht van verjaringsregels, zoals neergelegd in het Burgerlijk Wetboek, en
wordt expliciet getoetst of een beroep op verjaring naar de door de Hoge Raad geformuleerde
maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is. In voorkomende
gevallen wordt waar mogelijk altijd inhoudelijk verweer gevoerd.
Dat zijn criteria die we wel degelijk hanteren en ik voel bij mezelf wat behoefte
om daarin wat ruimte te houden. We hanteren deze criteria, en afwegingskaders zouden
wel meteen weer heel strikt zijn. De casuïstiek verhoudt zich daar niet altijd toe.
Dit is dus zoals we het doen en ik hoop dat mevrouw Straatman denkt: ja, daar neem
ik genoegen mee.
De voorzitter:
Dat gaan we nu horen.
Mevrouw Straatman (CDA):
Niet helemaal. U noemde eigenlijk twee criteria. Je hebt de juridische criteria: wanneer
is het naar een maatstaf van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om je op verjaring
te beroepen? Dat geldt voor iedere procespartij. Het maakt niet uit of dat de Staat
is of een andere civiele procespartij. Die grenzen liggen heel hoog en dat is, denk
ik, ook goed in het kader van rechtszekerheid. Een tweede element is, denk ik, heel
interessant. Dat speelt op het moment dat de Staat procespartij is. Het betreft de
impact die het heeft op burgers. Uit de praktijk blijkt echter dat die belangenafweging
niet duidelijk is. Hoe weeg je die verschillende gezichtspunten? Dat zou mijn vraag
zijn voor zo'n afwegingskader: hoe verhouden die hele strikte juridische normen om
die verjaring te doorbreken, die voor iedereen gelden, zich tot de specifiek rol die
de Staat heeft op het moment dat het handelen van de Staat ter discussie staat? Het
gaat dan om de impact op burgers. Ik zou graag willen weten hoe u die verschillende
gezichtspunten zou wegen. Kunt u die niet in een afwegingskader meenemen? Dat kan,
denk ik, mooi meegenomen worden in het afwegingskader dat u maakt voor hoger beroep
in bestuursrechtelijke zaken.
Staatssecretaris Rutte:
Het risico bestaat dat we ongeveer hetzelfde willen en hetzelfde zeggen. Ik heb volgens
mij net ook uitgelegd dat we wel degelijk een afweging maken. Als er echt evident
sprake is van onrechtmatig handelen bij de overheid, dan gaan we dus niet in hoger
beroep. Dat kun je ook een afwegingskader noemen. Je kunt dan zeggen dat je een apart
afwegingskader wilt over wanneer er evident sprake is van onrechtmatig handelen. Dat
zit nu niet zozeer in een kader, maar dan doen we het niet. Het gaat inderdaad om
die tussencategorie. Daar heb je gewoon wat ruimte nodig om te kunnen wikken en wegen:
doe ik het wel of niet? Daarbij is het absoluut een belangrijk criterium om rekening
te houden met de impact van het hoger beroep op burgers. Dat doen we ook. U vraagt
eigenlijk om dat nog een keer nader te specificeren: wat is dan «impact» en hoe weegt
u dat et cetera? Ik ben daar wat terughoudend in. Ik denk dus dat uw uitwerking wat
verder reikt dan wat ik op dit moment wil toezeggen.
De voorzitter:
Oké. Dan kan het in tweede termijn. Nu we het hierover hebben, permitteer ik mezelf
even een vraag. Ik was ook vier jaar lang advocaat. Ik zeg tegen de Staatssecretaris
dat ik me wel eens verwonderd heb over iets waar ik nog steeds signalen over krijg.
Hoe zeg ik het? Je kunt je terecht op een juridisch leerstuk beroepen, maar de proceshouding
maakt ook nogal veel uit. Ten aanzien van de toeslagenaffaire is daar natuurlijk ook
het een en ander over geschreven, ook in de reflectierapporten. Ik vond het tamelijk
schokkend dat rechters zeiden: een dag voor de zitting krijg je dan nog een heel pak
verweer. Ik herken dit uit mijn eigen praktijk. Ik zou de Staatssecretaris willen
vragen of hij blijvende aandacht heeft voor dit onderwerp; ik hoop dat hij dat doet.
Uiteraard mag de Staat een gemachtigde hebben, iemand naar de zitting sturen; dat
is allemaal logisch. Ik krijg nog steeds wel bepaalde signalen, zeker ook van gemeentelijk
niveau waar het echt enorm kan verschillen. Ik hoorde laatst ook weer wat van een
oud-collega. Die vertelde mij iets wat ik hier niet kan vertellen. Toen dacht ik:
dit is niet fatsoenlijk. Zo ga je gewoon niet met elkaar om. Je moet die stukken gewoon
op tijd indienen. Je moet even contact opnemen met de andere partij. Je moet ook even
je best doen. Dit onderwerp is de afgelopen tijd een beetje weggezakt, maar ik hoop
wel dat ook de proceshouding – zo noem ik het maar – blijvende aandacht heeft van
het kabinet.
Staatssecretaris Rutte:
Dat is ook het geval. Dat is echt het geval. Die proceshouding maakt onderdeel uit
van het kader, dat we ook delen met andere overheden. Dat is een heel terecht punt.
We hebben natuurlijk veel geleerd van wat er mis is gegaan. Dat hebben we ons als
overheid ook aan te trekken om dingen anders te doen in hoe we ons als procespartij
opstellen. De vraag is alleen hoever je kunt gaan met het inkaderen daarvan, dus normatief
dingen meegeven om dingen op tijd te doen en dat soort zaken. Die zaken zijn echt
relevant, zodat je je als burger ook goed kunt verweren tegen de overheid. Het is
echt evident dat we dat moeten doen. Dan is de vraag hoever je doorgaat in je instructie
en in je afwegingskader. Dan kom je op het punt dat je je af moet vragen welke belangen
je tegen elkaar afweegt, wanneer het nog redelijk is om in hoger beroep te gaan en
wanneer niet, en hoe we dat doen. Daar kom ik zo meteen nog wel over te spreken. Daar
kom ik zo dus op terug.
De heer Sneller zei dat in de brief wordt aangegeven dat de Staat als procespartij
alleen in hoger beroep gaat als dat in het algemeen belang is, maar dat er in voetnoot
14 een hele trits aan uitzonderingen staat. De heer Sneller heeft ze allemaal gelezen
en dacht: als je dingen in een voetnoot zet, dan ontstaat niet het gevoel dat we als
Staat nu een nette positie innemen. In het afwegingskader hoger beroep dat wordt ontwikkeld,
wordt ingegaan op verschillende vormen van algemeen belang, zoals rechtseenheid en
rechtsgelijkheid. Er kunnen gegronde redenen zijn voor de overheid om in hoger beroep
te gaan, maar deze moeten dan altijd goed afgewogen worden tegen de belangen van de
individuele burger. De twee uitzonderingen in voetnoot 14 zien op een wezenlijk andere
situatie. In een arbeidsrelatie heeft de overheid een andere rol ten opzichte van
een burger. Bij incidenteel hoger beroep wordt de overheid door de burger meegenomen
in hoger beroep. Dan kunnen er gegronde redenen zijn om hogerberoepsgronden aan te
voeren. Ik verwacht het afwegingskader in de eerste helft van 2026 naar uw Kamer te
kunnen sturen. De voetnoot verwijst dus naar een specifieke situatie en niet naar
het algehele afwegingskader.
De heer Sneller (D66):
Het signaalwoord in de voetnoot was «bijvoorbeeld», maar ik ga het afwegingskader
bestuderen.
Staatssecretaris Rutte:
Ja, laten we dat inderdaad doen. Als het nog steeds op de voetnoot lijkt, dan is er
iets misgegaan. Laten we het daarop houden.
De voorzitter:
Oké. Gaat u verder.
Staatssecretaris Rutte:
Dan kom ik bij een vraag die wat ruimer is, maar wel van belang. Wat is nou «het algemeen
belang»? Dat vraagt de heer Van Dijk. Wie bepaalt dat? Ik zal een poging doen die
vragen te beantwoorden. Het algemeen belang gaat over de consequenties voor de samenleving,
bijvoorbeeld financieel, beleidsmatig of vanwege rechtseenheid of rechtsgelijkheid.
Zoals in het kader is beschreven, kunnen er goede redenen zijn voor de Staat om in
hoger beroep te gaan. Het belang dat een burger heeft in een procedure, komt helaas
niet altijd overeen met het collectieve belang. Uiteindelijk bepaalt de verantwoordelijke
bewindspersoon of er in hoger beroep wordt gegaan in het algemeen belang. De Kamer
kan de verantwoordelijke bewindspersoon zo nodig ter verantwoording roepen. Dat is
de algemene titel.
De heer Van Dijk haalde ook dingen aan die hij helemaal niet in het algemeen belang
vond en waardoor burgers vermorzeld zouden worden. Het kan zijn dat de afweging niet
altijd de afweging is die de heer Van Dijk zou maken. Ik geef ook een voorbeeld van
een situatie waarin individuele burgers wel degelijk ook met een hoger beroep kunnen
worden geconfronteerd, bijvoorbeeld als er bezwaar wordt aangetekend tegen woningbouw
op een bepaalde locatie. Dat kan echt ingaan tegen het individuele belang van een
burger die daar al woont, maar er kan een heel groot algemeen belang zijn bij het
verschijnen van 10 tot 25 of misschien nog meer woningen op een bepaalde locatie.
Ik kan me voorstellen dat in dat soort gevallen een gemeente toch in hoger beroep
gaat omdat zij in het algemene belang het hoofd moet bieden aan woningnood. Daar doet
die gemeente het dan voor. Daartussenin hebben wij met dingen te maken.
Er waren nog meer vragen over het afwegingskader hoger beroep. Mevrouw Bikker vroeg
waarom er is gekozen voor een niet-bindend afwegingskader en of de omvang van de problemen
de stevige inzet rechtvaardigt. Ik heb zelf geen signalen ontvangen dat een bindend
kader noodzakelijk is. Wanneer het komt tot een juridische procedure in het civiele
bestuursrecht, is de Rijksoverheid in de meeste gevallen de verwerende partij. De
Rijksoverheid entameert zelden zelf procedures tegen burgers, strafrecht uitgezonderd.
Overheden moeten in zijn algemeenheid terughoudend zijn in het instellen van een hoger
beroep tegen burgers, maar er kunnen gegronde redenen zijn om toch in hoger beroep
te gaan, zoals rechtseenheid, rechtsgelijkheid en hele grote belangen. Daar hebben
we het net over gehad. Het afwegingskader is bedoeld om overheden te ondersteunen
bij de belangenafweging tussen deze algemene belangen en de individuele belangen van
de betrokken burger. Overheden zijn erg divers van aard en hebben te maken met verschillende
doelgroepen, omstandigheden en context. Het afwegingskader geeft een basis voor de
belangenafweging en is voor de bestuursorganen aan te vullen naar de eigen organisatie
en context.
Ik laat in 2026 een WODC-analyse uitvoeren en opstellen van het aantal bestuursrechtelijke
procedures in beroep en hoger beroep. Waar mogelijk worden cijfers voorzien van een
kwalitatieve duiding. Ze doen al nader onderzoek naar hoe dit in de praktijk uitpakt.
De analyse zal naar verwachting een actueel inzicht geven in het procedeergedrag van
de overheid. Mochten daar bijzonderheden uit voortkomen, dan kunnen we altijd kijken
of dat nog vraagt om beleidsmatig meer te doen. Men denkt zelf dat het kader nu voldoende
basis biedt om ook eigen individuele afwegingen te kunnen maken. Wij doen daar nader
onderzoek naar.
Er werd gevraagd wanneer dat afwegingskader opgesteld is. Ik verwacht dat in de eerste
helft van 2026 naar de Kamer te kunnen sturen. Dat zal niet in het tweede deel van
de eerste helft zijn, maar meer aan de voorkant van de eerste helft.
Dan het vraagstuk van de dwangsommen. Ik kan me voorstellen dat de heer Sneller denkt:
«De overheid en dwangsommen, dat is toch raar? De overheid moet gewoon vonnissen uitvoeren.
Daar zijn wij van.» Ik weet niet of het steeds vaker voorkomt. Volgens mij ken ik
uit de pers één voorbeeld. Volgens mij denken wij aan hetzelfde voorbeeld. Ik weet
dus niet of het vaker voorkomt; dat kan ik niet zeggen. Maar laat het duidelijk zijn
dat de overheid zich gewoon aan de wet moet houden. Dat betekent ook dat de overheid
zich moet houden aan uitspraken. Ik kan het niet beknopter zeggen dan dat.
Dan datzelfde afwegingskader nog één keer. Gaan we daar toezicht op houden? Het kader
is niet bindend, dus ik kan er geen toezicht op houden. Het blijft de verantwoordelijkheid
van de overheidsinstanties zelf om dat te doen. Maar ik ga het dus wel nader onderzoeken.
Als blijkt dat het niet goed uitpakt, dan hebben wij alsnog wat te doen.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Een korte vraag, voorzitter. De Staatssecretaris geeft aan dat het WODC hier inzicht
in gaat geven, als ik het goed begrijp. Is dat terugkerend? Dit lijkt me nou typisch
een terrein waar je de trend wil zien en niet alleen een momentopname.
Staatssecretaris Rutte:
Dat weet ik niet helemaal zeker. Ik zou de eerste keer willen afwachten en kijken
wat daaruit komt. Als dat aanleiding geeft om het vaker te doen, dan zullen we op
dat moment daarover van gedachten moeten wisselen. Ik wil niet vooruitlopen op de
uitspraken. Ik snap de gedachtegang wel. Het moet daarna inderdaad niet alsnog gaan
escaleren. Laten we eerst kijken naar de eerste analyse. Als die het gevoel geeft
dat we nog maar net op weg zijn, dan kan ik me voorstellen dat je de vinger aan de
pols wilt houden. Dat wil ik dus even afwachten.
De heer Emiel van Dijk (PVV):
Als dit het einde van het blokje was ...
Staatssecretaris Rutte:
Nee, nog twee vragen te gaan. De heer Ellian vroeg: «We hebben het over algemeen belang
en individueel belang. De consequenties voor het individu kunnen heel groot zijn,
ook als de overheid terecht gaat procederen. Hoe wordt daarnaar gekeken en hoe staat
het met het afwegingskader?» Mijn inspanningen zijn erop gericht om overheden te ondersteunen
bij een meer burgergerichte en oplossingsgerichte houding, en bij voorkeur om helemaal
niet te procederen. Je moet goed afwegen of je überhaupt gaat procederen en of je
in hoger beroep gaat. Het afwegingskader is bedoeld om de belangen van de individuele
burger expliciet te maken en te zorgen dat je er niet zomaar overheen stapt. Je moet
het dus echt expliciet maken en beoordelen, zodat je ze ook uitdrukkelijk meeweegt
in de afweging om al dan niet in hoger beroep te gaan. Daar hoort ook bij dat je de
consequenties die een procedure voor individuele burgers kan hebben, meeweegt. Die
afweging en het risico dat de heer Ellian ziet, horen ook echt integraal onderdeel
te zijn van de afweging.
De voorzitter:
Mijn vraag was iets specifieker. Het gaat om die gevallen ... Ik kan me namelijk heel
goed voorstellen dat als de rechter – dat kan in eerste aanleg of zelfs ook nog in
tweede aanleg – een individu gelijk geeft, wat op zich mooi is voor diegene, de Staat
vanuit de weging van het algemeen belang of de beleidsmatige consequenties zegt: «Ho,
wacht even. Als dit het nieuwe normatieve kader is of de realiteit, dan willen we
dat aan de hoogste rechter hebben voorgelegd. Het heeft namelijk nogal wat implicaties.»
Dat is volgens mij een te respecteren afweging. Alleen, bij interlandelijke adoptie
zag je dat de kosten voor zo'n individueel persoon, die al in het gelijk was gesteld,
enorm opliepen. Ik zoek met name naar de mogelijkheid – ik weet dat dat creatief is,
maar dat deel ik met collega Van Nispen – om, zeker als iemand al in het gelijk is
gesteld maar je als Staat toch in cassatie of in hoger beroep gaat, te kunnen zeggen:
wij gaan u helpen met de kosten die u moet maken voor uw rechtsbijstand. Dan snijdt
het mes namelijk aan meerdere kanten. Dan krijg je toch dat rechterlijke oordeel.
Dan is het natuurlijk nog steeds spannend voor het individu, maar zijn niet alle kosten
voor diegene.
Staatssecretaris Rutte:
Naar mijn weten wordt die afweging zo nu en dan ook gemaakt in bepaalde gevallen.
Het zijn wel steeds individuele afwegingen om dat te doen. Het staat me bijvoorbeeld
bij van zaken die Nederland voert voor het Europees Hof. Denk aan zaken op het gebied
van jeugdbescherming. Dat zijn natuurlijk heel ingrijpende zaken. Daarbij kan het
ook van belang zijn. Er zijn dus wel gevallen bekend waar de overheid in is getreden
en dat wel degelijk heeft gedaan.
Dan ga ik door. Als we het toch hebben over ingewikkelde zaken, dan kunnen we het
ook nog wel hebben over het rapport Schade door schande, waar mevrouw Straatman aan
refereerde. Daar kun je eigenlijk een heel debat an sich over houden. Dat gebeurt
ook weleens. Ik doe het nu een beetje hoog over; er valt veel meer over te zeggen
dan wat ik nu vertel. Dat rapport geeft inzicht in de schrijnende praktijk dat moeders
en vaders in het verleden zijn gedwongen om afstand te doen van hun baby's. Ik vind
het ontzettend belangrijk om maatregelen te treffen die het herstel voor de getroffenen
kunnen bevorderen. Ik heb een aantal organisaties en beroepsgroepen uitgenodigd om
op het verleden te reflecteren. Daarnaast reflecteren de Ministeries van JenV en VWS
zelf ook op de onderzoeksbevindingen en de eigen rol. We willen echt leren van wat
er gebeurd is. Daar zijn we op dit moment ook hard mee bezig. Deze reflectietrajecten
zijn nog gaande en kosten enige tijd, maar het duurt ook geen jaren. We zitten er
middenin.
Ik beperk me niet alleen tot de inhoud van het rapport, omdat de behoefte aan herstelmaatregelen
onder getroffenen niet, of in ieder geval niet geheel, aansluit bij de aanbevelingen.
Die zijn daar ook niet helemaal enthousiast over. Daar ben ik dus over in gesprek.
Dat vereist echt een zorgvuldig proces. Bij dat gesprek worden de getroffenen actief
betrokken. In het voorjaar van 2026 verwacht ik uw Kamer nader te kunnen informeren.
Ik heb ook al uitgebreid gesproken met getroffenen. We gaan kijken wat we de komende
tijd voor elkaar kunnen betekenen om echt tot significante stappen te komen waardoor
het gevoelen veel meer is: we hebben een nieuw punt bereikt en nu kunnen we weer een
beetje vooruitkijken. Daar wordt hard aan gewerkt.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik begrijp goed wat u zegt. Het moet een heel zorgvuldig proces zijn. Dat onderschrijf
ik helemaal. Tegelijkertijd zie ik ook dat dit al jaren duurt. Helaas heb ik het ook
vanuit de andere kant mogen meemaken, vanuit de rechtszaal, waar de Staat zei: de
rechtszaal is geen plek om over dit leed te spreken, want er loopt een bestuursrechtelijk
traject. Dat bestuursrechtelijke traject is deze zomer, na heel veel vertragingen
door fouten van de overheid, tot stand gekomen. Nu bereiken mij opnieuw signalen dat
er afspraken zijn gemaakt om maandelijks met betrokkenen om tafel te zitten, maar
dat die afspraken worden vertraagd en ook niet nagekomen worden. Dus ik zou hier nadrukkelijk
aandacht voor willen vragen bij de Staatssecretaris: kom die afspraken na. Het gaat
om mensen op heel hoge leeftijd. Als je het vertrouwen van de burger in de overheid
wilt herstellen, dan wil je natuurlijk ook dat mensen dat nog zelf kunnen meemaken.
Dus zorgvuldigheid, ja, maar snelheid is hier ook echt wel op zijn plaats.
Staatssecretaris Rutte:
Mevrouw Straatman heeft gewoon volstrekt gelijk. Dat is mij ook gebleken in de gesprekken
met de slachtoffers waar het hier om gaat. Het duurt al zo lang. Als ik zeg dat het
zorgvuldig moet, zeggen zij: ja, dat zal. Dat snap ik ook. De doelgroep wordt steeds
ouder en maakt straks helemaal niet meer mee dat we nog tot herstelstappen komen.
Dus ik voel mij enorm gemotiveerd om echt met vaart stappen te zetten. Die toezegging
heb ik ook aan de betrokkenen gedaan. Er zijn afspraken gemaakt om echt met vaart
tot significante stappen te komen. Dat hebben we ook gewoon te doen. Als mevrouw Straatman
signalen heeft dat wij bepaalde afspraken niet nakomen, zou ik haar willen vragen
om die echt naar mij door te geleiden, want dat hebben wij gewoon wel te doen.
Goed, dan kom ik tot een nieuw blokje. Maar misschien heeft de heer Van Dijk nog een
vraag hierover.
De heer Emiel van Dijk (PVV):
Ik heb de Staatssecretaris aangehoord om te kijken of er toch iets van duidelijkheid
kwam over wat nou precies het algemeen belang is en welk algemeen belang er nou gediend
wordt met een overheid die zich zo halsstarrig opstelt als het gaat om rechtszaken
en dergelijke tegen de eigen burgers. Het enige wat ik heb gehoord, is: er kunnen
financiële en beleidsmatige belangen zijn die het voor de overheid de moeite maken
om te gaan procederen of de kont tegen de krib te gooien als het gaat om burgers voor
het gerecht. Maar werkt dat collectieve belang dan ook de andere kant op? Op het moment
dat burgers zeggen «nee, wij willen als gemeenschap geen asielzoekerscentrum hier
in het dorp», werkt het dan ook zo? Geldt dat algemene belang dan ook? Is dat dan
ook ineens zo belangrijk? Ik heb het gevoel dat als we overal in Nederland kijken,
juist hier die burger buitenspel wordt gezet. Dat algemene belang geldt dan ineens
niet. Dus in allerlei individuele zaken geldt het algemeen belang als het belang van
de bureaucratie, het belang van de overheid. In zaken waarin juist duidelijk collectief
wordt gezegd «wij believen dit niet, wij willen dit niet» wordt het juist door de
overheid doorgedrukt. Wat is de reflectie van de Staatssecretaris daar dan op? Wil
hij in die reflectie meenemen of hij kan begrijpen dat als dit de houding van de overheid
is, er steeds meer burgers zich van die overheid zullen afkeren en zeggen: die overheid
is er niet voor mij, want er wordt niet naar mij geluisterd?
De voorzitter:
Een reflectie van de Staatssecretaris. We moeten wel enige vaart gaan maken.
Staatssecretaris Rutte:
Ja, dat kan ik doen. De heer Van Dijk vraagt een reflectie op thema's waar je een
hele middag over kunt praten, zoals hoe die balans precies ligt. Hij geeft terechte
voorbeelden aan, bijvoorbeeld het vraagstuk of ergens wel of niet een asielzoekerscentrum
komt. Niet alleen individuele burgers, maar soms ook groepen burgers zeggen dan: dit
wil ik niet. En er is een overheid die zegt: ik heb ook een ander belang, want ik
moet mensen die hier zijn toch een plek geven; ik zoek daarvoor een geschikte plek.
Dat is een belangenafweging. Als je daar niet uitkomt, dan ligt er een rechtsgang
open om daarin een afweging te krijgen van een onafhankelijke rechter. Dat is van
groot belang. Dat is precies wat daar speelt. Het is soms niet eens alleen maar een
individueel belang ten opzichte van het algemeen belang. Het kan ook een collectief
belang ten opzichte van het algemeen belang zijn. Het is ook niet zo dat het individu
of het collectief altijd verliest in een rechtszaak. Rechters geven, gelukkig, burgers
vaak gelijk op het moment dat zij procederen tegen de overheid, want zo werkt een
rechtsstaat. Iedere keer opnieuw moeten we dat weer bezien. Ik vind wel dat de overheid
terughoudend moet zijn met hoger beroep op het moment dat individuen in de knel kunnen
komen. Daar maken we een afwegingskader voor. Dat is ook van belang.
De heer Emiel van Dijk (PVV):
De Staatssecretaris zegt net dat het niet verplicht is om dat afwegingskader te gebruiken.
Dus welke stok achter de deur hebben die burgers die al op 10–0 achterstand staan
als het gaat om al die bestuurslagen die ze tegenover zich krijgen? Welke stok achter
de deur hebben die mensen nu?
Staatssecretaris Rutte:
Het afwegingskader is niet verplicht omdat ik vind dat er ruimte moet zijn voor lokale
overheden om daar invulling aan te geven op een manier die passend is in de lokale
situatie. Dus daarom verplicht ik het niet. Ik geef het mee. We gaan zeker wel kijken
wat de impact daarvan is. Dat heb ik ook al toegezegd. De bedoeling is wel degelijk
dat de overheid zich dit aantrekt en op basis van dit kader een afweging maakt: ga
ik in beroep, ja of nee? Daar kunnen echt heel gerechtvaardigde belangen zitten. Het
is soms ook best wel spannend. Neem nou het volgende vraagstuk. Er is ergens industrie
die heel erg vervuilend is, maar wel heel veel werkgelegenheid biedt. En er is een
individuele burger die daartegen ten strijde trekt. Moet het weg of niet? Dat raakt
aan de ene kant die individuele burger ten opzichte van die fabriek, waarbij de overheid
misschien een vergunning heeft afgegeven. Maar het raakt ook weer de werkgelegenheid
van heel veel anderen. Dat soort belangenafwegingen moet je wel kunnen blijven maken.
Iedere keer moet je opnieuw wegen: hoe wegen we belangen tegen elkaar af en is het
gerechtvaardigd om door te procederen? Het is breder dan de vraagstukken die de heer
Van Dijk hier schetst.
De Wet Damocles, oftewel artikel 13b van de Opiumwet: dat is het volgende blokje.
De heer Sneller heeft daar vragen over gesteld. Doen we daar regelmatig onderzoek
naar, hoe zit dat nou en is dat wel robuust genoeg? Op 27 juni 2024 heeft de toenmalige
Minister van JenV een beleidsreactie gestuurd op de verkenning van de mogelijkheden
om de gevolgen van de toepassing van artikel 13b van de Opiumwet te monitoren. Het
onderzoek liet zien dat er verschillende bezwaren kleven aan het opzetten en uitvoeren
van een periodieke monitor. De onderzoekers hebben daarom de aanbeveling gedaan om
eenmalig een verdiepend onderzoek te doen. Ze verwachten daarmee hetzelfde inzicht
te kunnen krijgen in de gevolgen van de toepassing van artikel 13b van de Opiumwet.
Die aanbeveling is opgevolgd. De Minister van JenV zal aan het eind van het eerste
kwartaal van 2026 de resultaten hiervan, gecombineerd met de driejaarlijkse monitor
over hoe vaak artikel 13b van de Opiumwet wordt toegepast, met uw Kamer delen. De
beleidsreactie volgt nog voor de zomer.
De heer Sneller vraagt zich af hoe we het beleid kunnen vormgeven als de evaluatie
niet als monitoring kan. Dat is dus precies het punt. We proberen tot een afweging
te komen. Aan de ene kant is er de kwantitatieve analyse die u krijgt. Aan de andere
kant is er daarnaast eenmalig dat verdiepende onderzoek. Dat moet robuust genoeg zijn.
Dat hopen we dan ook. Ik ga er eigenlijk ook wel van uit dat dat zo is. We moeten
op basis daarvan tot de juiste beleidsafwegingen kunnen komen.
Daarmee heb ik dit blokje gehad. We gaan er nu vlot doorheen. Ik kom namelijk bij
de andere belangrijke onderwerpen, oftewel de overige onderwerpen. Ik vis in het mapje.
Ik zie nog twee punten van de heer Sneller. Die punten gaan over de waarborgfunctie
van de Awb. Daar wordt namelijk op gewacht, zegt de heer Sneller. Hij vraagt wanneer
dat wetsvoorstel er komt. Er liep tot in de zomer van 2024 een consultatieronde over
het conceptwetsvoorstel Versterking waarborgfunctie Awb. Daarnaast zijn er ongeveer
60 uitvoeringstoetsen gedaan. Het gaat nogal ergens over. Uit die toetsen blijkt dat
men de doelstelling van het conceptwetsvoorstel weliswaar omarmt, maar dat er zeer
forse uitvoeringsconsequenties en -kosten worden verwacht. Het gaat dan om structureel
ten minste 300 miljoen euro overheidsbreed. In de eerste helft van 2025 zijn er op
ambtelijk niveau gesprekken gevoerd met grote uitvoeringsinstanties, de VNG en de
rechtspraak om het wetsvoorstel mogelijk beter uitvoerbaar en wat minder kostbaar
te maken. De verwachting is echter dat de uitvoeringskosten, en daarmee ook de uitvoeringslast,
ook met de bijstelling overheidsbreed nog steeds zeer aanzienlijk zullen zijn. We
moeten echt even bezien welke gevolgtrekkingen we op basis van deze informatie moeten
verbinden aan dit wetsvoorstel. De impact is zowel financieel als qua uitvoering enorm.
De heer Sneller (D66):
Als er een bedrag bij hoort, dan willen we dat als Kamer natuurlijk graag weten, zeker
als er zo meteen over financiën wordt onderhandeld. We hebben met een aantal Kamerleden,
met wetgevingsambtenaren en met uitvoeringsorganisaties een heel nuttige trialoog
gehad, medegeorganiseerd door de programmadirectie Werk aan Uitvoering. Ik denk niet
dat het helemaal een acceptabel antwoord is om te zeggen dat het geld gaat kosten
en dat we daarom maar moeten bezien of we die wet, nadat we er vijf jaar op hebben
gewacht, überhaupt doorzetten.
Staatssecretaris Rutte:
Het gaat om geld dat ik op dit moment niet heb. Dat is toch wel relevant. Ik deel
dat bij dezen met u. Het kost geld, ook omdat mensen dingen moeten gaan doen. Er zit
een hele grote uitvoeringslast bij. We moeten dat samen met elkaar bezien. Daar zit
het gewoon op. We doen een uitvoeringstoets. De Kamer hamert er ook altijd op dat
dingen uitvoerbaar moeten zijn en goed moeten kunnen. Die uitvoeringstoets is dus
ook gedaan. Daaruit blijkt nu dat de impact heel erg groot is. Ik vind het wel getuigen
van fatsoenlijk bestuur om op basis daarvan te gaan kijken wat dat betekent. Nu we
weten hoe groot de impact is, moeten we eigenlijk opnieuw kijken naar dit voorstel.
Dat is het punt waarop we op dit moment helaas zitten.
De heer Sneller (D66):
Ten slotte. De Staatssecretaris zegt dat we het «met elkaar» moeten bezien. Het is
geenszins «met elkaar». Het is al vier, vijf jaar lang het geval dat het kabinet dingen
doet en afwegingen maakt, zonder dat de Kamer daar op een inhoudelijke manier deelgenoot
van wordt gemaakt waardoor we zouden kunnen meedenken. Ik zie geen MKBA. Ik zie niet
welke onderdelen van die waarborgfunctie deze kosten met zich meebrengen. Ik zou zeggen:
zorg ervoor dat we hier een inhoudelijke discussie over kunnen hebben, voordat de
Staatssecretaris, of het kabinet, hier conclusies over trekt. Een deel van de kosten
zit bijvoorbeeld in de hoorplicht, maar andere beginselen van behoorlijk bestuur die
je zou codificeren in de Awb kosten misschien helemaal niks. Het maakt dus nogal uit
waar die kosten in zitten. Laat ik het voorzichtig formuleren: ik mis hier dus de
dialoog. Ik deel nogmaals mijn verzoek om een kostenpost, als die erbij hoort, zo
snel mogelijk inzichtelijk te maken. Zie hiervoor ook de discussie over DJI die we
in een ander commissiedebat hebben gehad.
Staatssecretaris Rutte:
Als ik de heer Sneller goed hoor, vraagt hij om de Kamer gewoon een nette update te
geven over waar we staan, omdat de Kamer het er dan ook echt over kan hebben. Nu mist
dat, zegt hij, en zit de Kamer in een zwart gat. Ik zal dat samen met de Minister
van Binnenlandse Zaken oppakken. Wij zullen die update geven. Daar zullen wel ongeveer
de contouren in staan van wat u net ook van mij hebt gehoord. Daar hebben we het dan
over. Die voorwaarschuwing heb ik dan alvast gegeven.
Dan komt er nog een stukje college, over een beroep op de overheid op mensenrechten
en het EVRM. De vraag is wat mijn visie is op de twee verschillende rechterlijke opvattingen
die er liggen over de vraag of de overheid zich kan beroepen op bescherming van mensenrechten
uit het EVRM. Nou ben ik gisteren bij het EVRM geweest, maar toen ben ik vergeten
dit te vragen. Dus anders had ik daar nog wat extra body bij kunnen krijgen. Nou,
daar gaan we. De heersende leer is dat overheidsinstanties zich in nationale procedures
níét kunnen beroepen op het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de
mens en de fundamentele vrijheden. Dat sluit aan bij het uitgangspunt van het Europees
Hof voor de Rechten van de Mens – daar was ik dus gisteren – dat overheidsinstanties
geen klacht kunnen indienen bij het Europees Hof. Ik zou nader moeten bestuderen of
de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep aanleiding geeft tot een andere opvatting.
De Centrale Raad van Beroep licht namelijk niet toe waarom hij afwijkt van de heersende
leer. In de kern gaat het om de vraag of het gegeven dat overheidsinstanties uitgesloten
zijn van het indienen van een klacht bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens
ook inhoudt dat zij in een nationale procedure geen beroep kunnen doen op een materieel
recht bij het EVRM. Ik moet dat echt even nader bestuderen. Het college houdt hier
dus op. Het is heel interessant, maar ik weet het dus nog niet. Laat ik het zo zeggen:
mocht ik wat horen, dan laat ik u dat weten. We gaan wel kijken of we kunnen navragen
op basis waarvan dit gedaan is.
Dat brengt mij bij een leeg mapje. Ik ben daarmee klaar met de beantwoording in de
eerste termijn, voorzitter.
De voorzitter:
Dan gaan we kijken of er een tweede termijn nodig is. Wie heeft er behoefte aan een
tweede termijn? Iedereen? Dan begin ik bij mevrouw Straatman.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dank, voorzitter. Dank aan de Staatssecretaris voor de beantwoording van de vragen.
Ik wil toch nog één keer het punt over het procedeergedrag van de overheid benoemen,
want dat punt is denk ik heel belangrijk voor het herstel van het vertrouwen van de
burger in de overheid. Dat is meermaals misgegaan. Collega's noemden al de toeslagenaffaire.
Er is vandaag opnieuw een debat over Groningen. Dat het meermaals is misgegaan, blijkt
ook zeker uit het rapport Schade door schande. Je kunt dan op twee manieren kijken
hoe je met dat vertrouwen omgaat.
De eerste manier is in abstracto. Dat houdt in, zou ik zeggen, om alsnog te kijken
hoe de Staat niet alleen in bestuursrechtelijke zaken omgaat met burgers maar ook
in civielrechtelijke zaken, juist in die verjaringsvraagstukken. Dat is namelijk zo
precair. Burgers hebben dan het gevoel dat het niet meer om de inhoud gaat, maar dat
de Staat zich verschuilt achter een juridisch technisch argument. Ik zou dus opnieuw
de oproep willen doen om in die afweging van belangen inzichtelijk te maken dat de
impact van burgers meeweegt. Zorg dat dat voor de burgers zichtbaar wordt. Een afwegingskader
zou daar heel goed bij kunnen helpen. Ik zou daar – ik kijk ook even naar de voorzitter –
graag een motie over willen indienen en dus een tweeminutendebat willen aanvragen.
Maar het gaat niet alleen over het gedrag van de Staat in abstracto, maar ook in concreto.
De reactie van de Staatssecretaris wat betreft de afstandsmoederzaak doet me goed.
Ik heb echt het gevoel dat hij de ernst van de zaak goed begrijpt en aanvoelt. Tegelijkertijd
leert dit dossier ook dat de moeders té vaak teleurgesteld en van het kastje naar
de muur gestuurd zijn. Ik doe dus nogmaals de oproep: zorgvuldigheid is goed, maar
zorg ook voor snelheid. Zorg dat de afspraken die gemaakt zijn voor het voorjaar van
2026 ook daadwerkelijk worden gehaald. Zorg dat de moeders dit kunnen meemaken, zodat
ze deze zwarte pagina uit de recente geschiedenis van Nederland, zoals ook door het
Hof vastgesteld, en dit boek definitief kunnen sluiten.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Yes. Collega Sneller.
De heer Sneller (D66):
Dank, voorzitter. Dank aan de Staatssecretaris voor zijn beantwoording. Ik denk dat
de discussie over het staatsnoodrecht goed is. Er is een mooie toezegging gedaan aan
collega Bikker. Ik denk dat de moties daarover dus even kunnen wachten tot we de voorlichting
van de Raad van State hebben gekregen.
De Staatssecretaris zei over de dwangsommen dat hij er één kent. Ik weet niet of hij
dan de dwangsom van LVVN kent, die van het COA, die van het UWV, of de ambtelijke
voorbereidingen dat ze uit het Klimaatfonds gedekt zouden moeten worden vanwege het
niet naleven van de Urgenda-uitspraak. Kortom, ik zie wel wat meer dwangsommen. Ik
denk dus dat we toch de woorden van de Staatssecretaris moeten blijven onderstrepen
dat de overheid zich houdt aan die uitspraken. De antwoorden over de waarborgfunctie
van de Awb vind ik wel echt teleurstellend. Ik hoop echt dat we meer inzicht kunnen
krijgen in wat daar nou speelt. Ik zou het een zeer teleurstellende uitkomst vinden
als we alleen maar over de achterlijn van deze formatie lopen en dat er erna weer
jarenlange stilstand is, omdat er geen geld wordt gevonden en niet duidelijk is welke
onderdelen precies die kosten opleveren. We hadden namelijk een nuttige trialoog met
de wetgevingsambtenaren van BZK, maar niet met die van JenV. Ik hoop dus dat we daar
snel een reactie op krijgen.
De voorzitter:
Collega Van Dijk.
De heer Emiel van Dijk (PVV):
Dank u wel, voorzitter. De beantwoording van de Staatssecretaris in de eerste termijn
vond ik ietwat teleurstellend als het gaat om het algemeen belang en hoe dat zich
verhoudt tot de individuele belangen dan wel de collectieve belangen van groepen burgers
die zich verzetten tegen overheidsbesluiten. De beantwoording met betrekking tot de
Sustainable Development Goals en hoe die belangrijk zijn binnen het Beleidskompas,
om te voorkomen dat burgers door de overheid worden vermorzeld, vond ik erg onbevredigend.
Ik denk dus na over een aantal moties op die onderwerpen.
De voorzitter:
Mevrouw Bikker.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. Dank aan de Staatssecretaris voor zijn beantwoording en voor
het onderstrepen van de urgentie van het herzien en het moderniseren van het staatsnoodrecht.
Ik dank hem ook voor de twee toezeggingen die hij heeft gedaan.
De allereerste toezegging was om in de brief die volgens gewoonte in het begin van
het nieuwe jaar komt ook heel concreet te maken welke stappen al zijn gezet, welke
nog niet zijn gezet en met welke prioriteiten verder gewerkt zal worden. Zo hebben
we over en weer meer grip op wat er gaat gebeuren. Ik zou de Staatssecretaris nog
om een heel kleine specificatie willen vragen, in het licht van de wisseling die ik
met collega Ellian had ten aanzien van het dreigingsniveau dat we zien. Als we vooruitkijken,
welke zaken pakken we dan als eerste op? Zou hij dat erbij willen betrekken? Zou hij
dat willen toevoegen aan die toezegging?
De tweede toezegging ziet op de adviesaanvraag bij de Raad van State. Ik ben blij
dat de Staatssecretaris dat wil doen. Ik hoop ook dat we dat, gezien het voorbereidend
werk dat de Raad van State op dit terrein heeft verricht, op tijd kunnen krijgen voor
de verdere invulling van de waarborgen. Ik ga daar eigenlijk wel van uit.
De Staatssecretaris heeft ook het nodige gezegd over de procespositie van de Staat.
Ik kan aansluiten bij wat de collega van het CDA hiervoor al zei, waarvoor veel dank.
Ik ben ook benieuwd naar de bevindingen van het WODC. Ik zou de Staatssecretaris willen
vragen wanneer hij die verwacht. Eerlijk gezegd, ik doe nu al enige tijd de portefeuille
Groningen; ik gaf daar niet voor niets een voorbeeld uit. Ik ben iedere keer weer
teleurgesteld omdat ik denk dat we met elkaar hebben afgesproken dat we niet doorprocederen,
maar ik dat vervolgens toch, om allerlei uitzonderlijke redenen, wel weer zie gebeuren.
Dat maakt wel dat ik nu al wil benoemen dat dit niet eenmalig moet zijn en dat we
het daarna weer loslaten. Dat zeg ik ook als ik kijk naar de Staatscommissie rechtsstaat,
die op dit punt juist belangrijke aanbevelingen heeft gedaan.
Voorzitter. Gezien al die toezeggingen vind ik het nu niet nodig om een tweeminutendebat
te voeren. Ik ben gewoon heel benieuwd wat de Staatssecretaris begin 2026 op deze
punten laat zien.
De voorzitter:
Kunnen we meteen door? Heeft de Staatssecretaris vijf minuutjes nodig of kunnen we
meteen door?
Staatssecretaris Rutte:
Kunnen we even één of twee minuten schorsen?
De voorzitter:
Ja, hoor. We schorsen twee minuten.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
De Staatssecretaris.
Staatssecretaris Rutte:
Mevrouw Straatman blijft oproepen, niet alleen abstract maar ook heel concreet, om
goed te kijken naar hoe de overheid zich gedraagt ten opzichte van individuele burgers
en groepen van burgers, maar vooral richting de zaak van de afstandsmoeders: blijf
snelheid maken en maak de afspraken waar. Daar doe ik alles voor, maar ik niet kan
beloven dat hetgeen ik heb toegezegd om te gaan doen in het eerste kwartaal, ook per
definitie tot grote tevredenheid zal leiden. Ik doe er alles aan. Ik hoop dat iedereen
straks denkt: nu zetten we echt een belangrijke streep. Daar zet ik op in. Ik kan
geen garantie geven, maar ik kan wel zeggen dat we, samen met de mensen om wie het
gaat, alles op alles zetten om in ieder geval die termijn na te komen en daadwerkelijk
tot een inhoudelijke invulling te komen waarvan alle partijen zeggen: hiermee kunnen
wij vooruit. Dat vind ik belangrijk.
De heer Sneller zei over de dwangsom dat hij nog meer gevallen kent. Hij heeft ongetwijfeld
gelijk. Ik blijf bij mijn woorden: wij moeten ons gewoon aan de uitspraken houden.
Het is best verdrietig dat rechters denken daar een dwangsom voor nodig te hebben.
Dat hoort niet. Wij moeten ons gewoon aan die uitspraken houden, ook als we het niet
leuk vinden. Zo gaan die dingen nou eenmaal.
Ten aanzien van de waarborgfunctie Awb: ik zal zorgen dat u een update krijgt.
Ik heb de heer Van Dijk niet blij gemaakt met mijn uitvoerige uitleg over het algemeen
belang versus het individueel belang. Ik ga niet nog een poging doen. Ik denk dat
de moties toch gaan komen, dus dan gaan we zien hoe anderen daarnaar kijken.
Ik deel met mevrouw Bikker de urgentie om het staatsnoodrecht te moderniseren. Ik
ben absoluut bereid om prioritering op basis van het dreigingsniveau mee te nemen
in de brief; sterker nog, ik begrijp dat dat al gedaan wordt, dus dat nemen we zeker
mee in die brief.
Ik kan me voorstellen dat mevrouw Bikker zorgen blijft houden over de procespositie
van de Staat, zeker als je individuele gevallen kent. Ik kan niet aan individuele
gevallen refereren. Ik vind het vooral van belang dat wij een afweging blijven maken.
Het moet mogelijk zijn voor de Staat – er kunnen echt grote belangen zijn – om te
procederen, maar je mag wel even een fatsoenlijke afweging maken. Ik kan mij persoonlijk
voorstellen dat dat wel een beetje wringt in de voorbeelden die mevrouw Bikker deelde,
maar die besluiten zijn al gevallen. Die kan ik dus niet terugdraaien, maar we gaan
er goed naar kijken.
Mevrouw Bikker vroeg nog wanneer het WODC met de bevindingen komt. Ik dacht dat dat
in het eerste kwartaal van volgend jaar is, maar dat weet ik niet zeker. Ja, eerste
kwartaal 2026. Dan ga ik die delen met de Kamer.
Dan kom ik tot een afronding voor nu.
De voorzitter:
Ik ga de toezeggingen voorlezen.
– De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid zegt toe de Kamer voor het zomerreces
van ’26 te informeren over het onderzoek naar Justid inzake onvolledige informatievoorziening
bij continue screening. Dat is dan om dat ook uit te vragen bij de andere departementen.
– De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid zegt toe de Kamer per brief te informeren
over de verhouding tussen vog-afgifte en beleidsruimte van andere departementen dan
het Ministerie van Justitie en Veiligheid, in het bijzonder over de taxibranche, waarvoor
de Minister van IenW verantwoordelijk is.
Dat is wat we bespraken. Wanneer lukt dit?
Staatssecretaris Rutte:
Dat is een goede vraag. Zo spoedig mogelijk.
De heer Sneller (D66):
Dan al!
Staatssecretaris Rutte:
Ik weet het niet precies. Ik zou zeggen: het eerste kwartaal van 2026, en eerder als
het mogelijk is.
De voorzitter:
Ja, prima.
– De Staatssecretaris zegt toe dat de Kamer begin ’26 een voortgangsbrief ontvangt over
de modernisering van het staatsnoodrecht. Daarin wordt in ieder geval meegenomen welke
stappen al gezet zijn en welke stappen nog genomen moeten worden, de prioriteiten
wat betreft dreigingsniveau daarbij en de in het verleden voorgenomen inzet van noodbevoegdheden
uit de Vreemdelingenwet 2000.
– De Staatssecretaris zegt de Kamer toe de Raad van State om advies te vragen over de
invulling van het begrip «buitengewone omstandigheden» in het kader van waarborgen
rondom het inzetten van het staatsnoodrecht.
– De Staatssecretaris zegt toe de Kamer in de eerste helft van 2026 het afwegingskader
voor hoger beroep in het bestuursrecht toe te sturen.
– De Staatssecretaris zegt toe de Kamer in het voorjaar van ’26 te informeren over de
gesprekken met afstandsmoeders inzake het afstand moeten doen van kinderen in het
verleden en de afspraken die daarbij gemaakt zijn.
– Tot slot. De Staatssecretaris zegt toe de Kamer tezamen met de bewindspersoon van
BZK te informeren over de voortgang betreffende het voorstel voor de Wet versterking
waarborgfunctie Awb.
Kunnen we daar ook «Q1» bij zetten?
Staatssecretaris Rutte:
Dat denk ik wel, ja.
De voorzitter:
Oké, dan doen we dat.
De heer Sneller (D66):
Het hoeft niet in een aparte brief, maar ik zou wel benieuwd zijn naar het antwoord
over artikel 6 EVRM en overheidsorganen. Dat kan gewoon een keer in maakt-niet-uit-wat-voor
brief.
Staatssecretaris Rutte:
Een verzamel-iets bij een maakt-niet-uit-wat-voor brief. Als de heer Ellian dat genoteerd
kan krijgen, dan is het goed.
De voorzitter:
We maken er wat van. Ik dank alle collega's, de Staatssecretaris en zijn ondersteuning
en anderen die dit debat gevolgd hebben, en uiteraard de ondersteuning van de Kamer.
Ik sluit de vergadering.
Sluiting 12.45 uur.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
U. Ellian, voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid -
Mede ondertekenaar
A.M. Brood, griffier