Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden : Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden
36 850 XVI Wijziging van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2025 (wijziging samenhangende met de Najaarsnota)
Nr. 3
VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 15 december 2025
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, belast met het voorbereidend
onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm
van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.
De vragen zijn op 8 december 2025 voorgelegd aan de Minister en de Staatssecretarissen
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Bij brief van 12 december 2025 zijn ze door
de Minister en de Staatssecretarissen van Volksgezondheid, Welzijn en Sport beantwoord.
Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van
het wetsvoorstel voldoende voorbereid.
De fungerend voorzitter van de commissie, Mohandis
Adjunct-griffier van de commissie, Sjerp
Vragen en antwoorden
Vraag 1
Hoeveel mensen zijn op dit moment in Nederland onverzekerd? Welke groepen zijn hierin
te onderscheiden en hoe groot zijn deze groepen?
Antwoord
Het is niet met zekerheid te zeggen hoeveel onverzekerde personen er in Nederland
zijn. De groep onverzekerde mensen bestaat uit verschillende deelgroepen.
Het gaat bij de «subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden» (SOV)
kortweg om personen die rechtmatig in Nederland verblijven en die wel of niet verzekeringsplichtig
zijn. De verzekeringsplicht bestaat alleen voor ingezetenen van Nederland en mensen
die in Nederland aan loonbelasting zijn onderworpen. Zij hebben toegang tot de volksverzekeringen
en moeten zich verzekeren voor de Zorgverzekeringswet (Zvw). De groepen die zich in
beginsel kunnen (en moeten) verzekeren voor de Zvw zijn onverzekerde dak- en thuisloze
ingezetenen van Nederland en werkende arbeidsmigranten. Mensen die zich niet kunnen
verzekeren voor de Zvw zijn rechtmatig in Nederland verblijvende migranten die niet
aan loonbelasting onderworpen zijn, toeristen en buitenlandse studenten.
Bij de regeling onverzekerbare vreemdelingen gaat het om onrechtmatig verblijvende
vreemdelingen of vreemdelingen die in afwachting zijn van de beslissing op een aanvraag,
bezwaarschrift of een beroepschrift tot het verlenen van de verblijfsvergunning (en
uitzetting achterwege moet blijven).
De volgende gegevens zijn wel bekend. Het CAK stelt dat ongeveer 30% van de zorgkosten
van de SOV wordt gemaakt voor mensen met een Nederlandse nationaliteit, ruim 38% van
de SOV-kosten wordt gemaakt door mensen vanuit EU-landen, en het overige deel (32%)
van de declaraties betreft volgens het CAK mensen van buiten de EU of mensen waarvan
het onbekend is waar zij vandaan komen.
Vraag 2
Wat is de laatste stand van zaken rondom de bezuiniging op de subsidieregeling voor
onverzekerden? Hoe zal deze worden ingevuld?
Antwoord
In de brief van 3 juli 2025 (Kamerstuk 36 600 XVI, nr. 197) heeft mijn voorganger aangegeven te onderzoeken welke impact bestaande programma’s,
zoals het plan van aanpak dakloze EU-burgers, hebben op het verminderen van onverzekerdheid
en daarmee op de kosten van de «subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden»
(SOV). Ook verken ik welke mogelijke aanvullende maatregelen er zijn. Daarnaast wordt
er gewerkt aan korte- en lange termijn maatregelen om de fraude met de SOV aan te
pakken. Tot slot is de verwachting dat de nog uit te werken Wet zorgkosten onverzekerden
die de SOV en de regeling onverzekerbare vreemdelingen zal vervangen, zal leiden tot
een doelmatigere uitvoering. Over de verdere voortgang informeer ik u zoals toegezegd
in de tweede voortgangsrapportage die uw Kamer in het eerste kwartaal van 2026 ontvangt.
Vraag 3
Hoeveel onverzekerde mensen maken er naar schatting geen gebruik van zorg, terwijl
dit wel nodig is?
Antwoord
Het is niet met zekerheid te zeggen hoeveel onverzekerde personen er in Nederland
zijn. De groep onverzekerde mensen bestaat uit verschillende deelgroepen. Ik constateer
de laatste jaren een sterke stijging van de zorgkosten die ten laste worden gebracht
van de subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden en de regeling
onverzekerbare vreemdelingen. Dit duidt ook er ook op dat veel onverzekerde mensen
gebruikmaken van de zorg en regelingen steeds meer bekendheid krijgen onder zorgverleners.
Tegelijk krijg ik signalen dat onverzekerde mensen terughoudend zijn met het vragen
van zorg of dat er om verschillende redenen een drempel tot de zorg is of wordt ervaren.
Dit kan soms toch te maken hebben met onbekendheid van de regelingen bij zorgaanbieders,
maar ook zeker met de omstandigheden waar onverzekerden mensen soms mee te maken hebben,
zoals een taalbarrière en psychische problematiek. De hiervoor genoemde redenen in
combinatie met de reeds bestaande druk op de zorg maakt dat de toegang tot de zorg
voor onverzekerde mensen soms lastig is.
Vraag 4
Zijn er bezuinigingen verwerkt in deze Najaarsnota en zo ja, welke zijn dit?
Antwoord
De Najaarsnota (en ook de 2e suppletoire begroting van VWS) bevat uitsluitend mee- en tegenvallers. Er zijn geen
bezuinigingen in verwerkt.
Vraag 5
Hoe verhoudt deze onderschrijding zich tot de (overgenomen) aanbevelingen uit het
onderzoek naar de onderschrijdingen in de wijkverpleging, waar het ministerie de Kamer
in juli over informeerde?
Antwoord
Zoals aangegeven in de betreffende brief (Kamerstuk
23 235, nr. 244) van de Staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg, zijn er verschillende
oorzaken van de onderschrijding in het budgettair kader wijkverpleging. Ondanks deze
onderschrijding is de wijkverpleging over het algemeen goed toegankelijk. Binnen het
integraal zorgakkoord, aanvullend zorg- en welzijnsakkoord en het hoofdlijnenakkoord
ouderenzorg werkt de Staatssecretaris samen met partijen aan een betere organisatie
van de wijkverpleging zodat de zorg goed toegankelijk is en blijft voor de mensen
die deze nodig hebben. Het budgettair kader wijkverpleging biedt daarvoor voldoende
ruimte.
Vraag 6
Hoe verhouden de onderbestedingen in de wijkverpleging zich tot de vraag naar zorg
die er wel degelijk is (bijvoorbeeld naar casemanagers dementie) en waarin onvoldoende
wordt voorzien?
Antwoord
Casemanagement dementie valt onder de Zorgverzekeringswet en kan al worden ingezet
vanaf de «niet-pluisfase» van dementie. Uit recent onderzoek van PwC blijkt dat casemanagement
niet altijd (tijdig) wordt ingezet.1
De Staatssecretaris LMZ heeft op 9 december jl. uw Kamer een brief gestuurd over de
wijze waarop casemanagement voor iedereen die het nodig heeft beter kan worden georganiseerd
Kamerstuknummer is nog niet bekend, zie ook.2 Het budgettair kader wijkverpleging biedt daarvoor voldoende ruimte.
Vraag 7
Waarom vloeien er IZA gelden naar de Rijksoverheid?
Antwoord
Hiermee wordt gedoeld op de middelen vanuit de Regeling specifieke uitkering IZA-doelen
2023–20263. Voor deze Regeling is voor de jaren 2023 tot en met 2025 jaarlijks een budget beschikbaar
voor gemeenten van maximaal € 150 miljoen. Middelen kunnen niet worden meegenomen
naar het volgende jaar. Bij vaststelling van de SPUK IZA 2023 bleken minder middelen
nodig dan eerder geraamd (€ 25,5 miljoen). Deze middelen vloeien terug naar het Ministerie
van VWS als ontvangst.
Vraag 8
Komen meevallers op de begroting VWS, altijd eerst ten gunste van tegenvallers elders
op de begroting VWS (de zogenaamde vereveningsregeling) alvorens ze naar andere departementen
verdwijnen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord
De begrotingsregels schrijven voor dat elke Minister eerst op zijn eigen begroting
meevallers mag inzetten om tegenvallers te dekken. Dit geldt ook voor de Minister
van VWS. Een eventuele per saldo meevaller die hierna resteert kan worden ingezet
voor problematiek op begrotingen van andere ministeries of vloeit terug naar de schatkist.
De Najaarsnota biedt inzicht in dit totaalbeeld van de Rijksbegroting.
Vraag 9
Kan worden toegelicht of de vrijgevallen Covid-middelen worden ingezet voor onderzoek
naar long Covid? Zo nee, welke mogelijkheden zijn er om dit alsnog te realiseren?
Antwoord
De covidpandemie is in het verleden gefinancierd met generale middelen. Daarvoor geldt,
dat niet bestede middelen dienen terug te vloeien naar de staatskas. De eenmalige
vrijval van covid-middelen kan daarom niet voor extra onderzoek in 2026 worden ingezet.
Vraag 10
Kan nader worden toegelicht hoe het kan dat gelden van de «subsidieregeling medisch
noodzakelijke zorg aan onverzekerden» (SOV gelden) voor het CAK lager zijn uitgevallen
dan verwacht?
Antwoord
Er zijn twee redenen voor de lagere uitgaven SOV dan verwacht. De eerste reden is
dat het CAK meer declaraties niet heeft uitbetaald in verband met vermoedens van fraude.
Sinds het rapport van de Nederlandse Arbeidsinspectie en de Inspectie Gezondheidszorg
en Jeugd is de aanpak fraude in de uitvoering bij het CAK opgeschroefd. Daarnaast
is het sinds dit jaar voor veel zorgaanbieders mogelijk om digitaal te declareren
bij het CAK via het gebruikelijke declaratiesysteem in de zorg (Vecozo). Dit vraagt
bij een deel van de zorgaanbieders nog aanpassingen in de ICT. Zij houden daarom hun
declaraties aan in afwachting van de mogelijkheid om bij hen digitaal te declareren.
Vraag 11
Kan nader worden toegelicht waarom er € 27,5 miljoen vrijkomt op de post Covidrechtszaken?
Antwoord
Het betreft verschillende reserveringen voor covidverplichtingen uit het verleden.
Deze reserveringen leiden dit jaar niet meer tot betalingen waardoor de middelen bij
najaarsnota vrijvallen.
Vraag 12
Uit de vaststelling van SPUK IZA 2023 volgen meer ontvangsten, dit betreft € 25,5
miljoen. Kan er een inhoudelijke toelichting gegeven worden op deze meer ontvangsten?
Antwoord
In de Regeling specifieke uitkering IZA-doelen 2023–20264 is opgenomen dat de mandaatgemeenten maximaal € 150 miljoen per jaar te besteden
hebben en geen middelen mogen meenemen naar het volgend kalenderjaar. Gemeenten hebben
in 2023 regiobeelden en regioplannen opgesteld en op grond van genoemde SPUK-regeling
budget aangevraagd. Daarbij is niet het volledige budget uitgeput. Derhalve is € 25,5 miljoen
teruggevorderd door het Ministerie van VWS.
Vraag 13
Hoeveel geld is opgehaald door belastingheffing op gezonde lunches bij werkgevers?
Antwoord
Er is geen data beschikbaar over lunches, al dan niet gezond, verstrekt door werkgevers.
Er valt daarom geen inschatting te geven over de opgehaalde belasting.
Vraag 14
Welke ZonMw-onderzoeken zijn vertraagd?
Antwoord
Het gaat hier om meerdere onderzoeken bij ZonMw voor het genoemde totaalbedrag. Dit
is niet precies te relateren aan specifieke programma’s. Het gaat hier om de algehele
financiering van ZonMw die op voorhand hoger werd ingeschat dan de daadwerkelijke
uitgaven die we nu zien. Het betreft hier daarmee de aansluiting van de VWS-begroting
op de ZonMw onderzoeken. In bijlage 3 van de jaarrekening ZonMw5 staat beschreven wat de toekenningen, begrote betalingen en gerealiseerde betalingen
zijn per programma.
Vraag 15
Wat is er precies vertraagd bij ZonMw?
Antwoord
Voorafgaand aan de start van een programma wordt een inschatting van de verwachte
uitgaven gemaakt. Hierop wordt de uitbetaling van VWS aan ZonMw gebaseerd. Tijdens
de uitvoeringsfase van programma’s kan het zo zijn dat de uitgaven later dan gepland
worden gerealiseerd. Dit kan allerlei oorzaken hebben. Bijvoorbeeld het nog niet openstellen
omdat het veld niet volledig inschrijft op een ronde. Dit gebeurt veelal in de opstartfase
van een programma.
Vraag 16
Wat gebeurt er met de financiële middelen die niet zijn uitgegeven door vertraging
bij ZonMw?
Antwoord
De middelen die per 2de suppletoire begroting zijn vrijgevallen komen ten goede aan de Rijksbegroting.
Vraag 17
Wat gebeurt er met de ontvangsten omtrent Covid van € 157,4 miljoen?
Antwoord
De covidpandemie is in het verleden gefinancierd met generale middelen. Niet bestede
middelen vloeien weer terug naar de staatskas.
Vraag 18
Hoeveel kinderen zijn er momenteel met achondroplasie in de leeftijd van 0–15 jaar?
Antwoord
Het Achondroplasie Expertisenetwerk6 geeft aan dat ongeveer 1 op de 25.000–30.000 kinderen in Nederland achondroplasie
heeft. Het CBS7 stelt dat in 2025 circa 2.900.000 kinderen in Nederland leven in de leeftijd van
0 tot 15 jaar. Dat betekent dat er naar schatting tussen de 95 en 116 kinderen met achondroplasie zijn in deze leeftijdsgroep.
Vraag 19
Hoeveel ouders overwegen inmiddels emigratie naar een ander land omdat er in Nederland
geen perspectief is op een medicijn dat de groei bij kinderen met achondroplasie positief
beïnvloedt en in andere Europese landen wel? Zijn er al ouders uit Nederland vertrokken?
Antwoord
De Minister van VWS heeft hierover geen informatie. De Minister betreurt het dat de
leverancier nog geen dossier heeft ingediend en ouders overwegen naar het buitenland
te verhuizen. Zoals eerder vermeld8 heeft het Zorginstituut inmiddels gesproken met de leverancier. Het is de vraag of
het geneesmiddel op dit moment voldoet aan het wettelijke criterium voor pakkettoelating,
de Stand van de Wetenschap en Praktijk (SWP), oftewel of het voldoende bewezen effectief
is. Het Zorginstituut heeft de leverancier geïnformeerd over de mogelijkheid van een
voorwaardelijke toelating (VT). De VT is bedoeld om middelen die niet voldoen aan
SWP, maar wel voorzien in een onvervulde behandelbehoefte, tijdelijk toe te laten
tot het pakket, onder voorwaarde van aanvullend onderzoek. Overigens is ook een voorwaarde
van de VT dat de leverancier het middel aanbiedt voor een sterk verlaagde prijs. Het
Zorginstituut heeft laten weten bereid te zijn om samen met de leverancier, patiënten
en de beroepsgroep hierover in overleg te gaan. Mochten partijen concluderen dat een
VT inderdaad een mogelijkheid is, is het aan de leverancier om een VT-dossier in te
dienen. Onderzoek naar de kosteneffectiviteit maakt hier geen onderdeel van uit.9
Vraag 20
Wat moet er in Nederland gebeuren om het goedgekeurde EMA-dossier voor Voxzogo te
gebruiken als zogenaamd proefdossier?
Antwoord
Het EMA dossier kan hiervoor niet worden gebruikt. De informatie die nodig is voor
vergoeding is niet te vinden in het EMA dossier omdat het EMA niet kijkt naar relatieve
effectiviteit (de informatie die nodig is voor vergoeding: hoe goed werkt het middel
in verhouding tot de standaardbehandeling in Nederland voor deze patiëntengroep).
Het EMA kijkt naar werkzaamheid (ook wel absolute effectiviteit genoemd: heeft het
middel een effect, is het middel veilig, en staan de risico’s zoals bijwerkingen in
verhouding tot de baten).
Vraag 21
Door vertraging in de uitvoering komen de middelen gereserveerd in 2025 voor de sluitende
aanpak voor personen met verward gedrag niet geheel tot besteding. Hierdoor valt € 8,1
miljoen op dit budget vrij. Waar zit de vertraging in de uitvoering precies in, wat
zijn hier de oorzaken van?
Antwoord
Vanuit de aanpak personen verward/onbegrepen gedrag is geld beschikbaar gesteld voor
het programma grip op onbegrip (AGO) van Zonmw. Dit programma is gestart in coronatijd
en dit heeft ervoor gezorgd dat er vertraging is opgetreden bij de initiatieven om
subsidie aan te vragen. Daarnaast bleken regio’s meer tijd nodig te hebben om plannen
te maken en geld aan te vragen en zijn de middelen via de actielijnen niet in één
keer toegekend maar in kleinere subsidies. Het programma is budgetneutraal verlengd
met een jaar, tot en met 2027. De vertraging zorgt op deze wijze niet dat er minder
geld beschikbaar is voor het programma.
Vraag 22
Wat zijn de juridische mogelijkheden voor Nederland om Voxzogo toe te laten onder
Verordening (EG) 726/2004 (artikel 83) of een nationaal cohortprogramma?
Antwoord
Dit artikel betreft het zogenaamde compassionate use programma. Dit programma maakt het mogelijk om geneesmiddelen beschikbaar te stellen
die nog niet zijn geregistreerd in Nederland. Dat is niet van toepassing op Voxzogo
omdat dit geneesmiddel al is toegelaten tot de gehele Europese markt. Het compassionate use programma is bovendien niet gericht op vergoeding van geneesmiddelen vanuit het basispakket.
Binnen een compassionate use programma is het gebruikelijk dat de leverancier de kosten van het geneesmiddel op
zich neemt.
Vraag 23
In hoeverre kan een arts via artikel 3.17 van de Geneesmiddelenwet de levering, het
gebruik en/of de vergoeding van Voxzogo voorschrijven voor één individuele patiënt?
En voor een specifiek cohort?
Antwoord
Dit betreft de zogenaamde artsenverklaring. De artsenverklaring maakt het mogelijk
om een in Nederland ongeregistreerd geneesmiddel te leveren voor een individuele patiënt.
Dit is hier niet van toepassing omdat Voxzogo wel geregistreerd is in Nederland. Bovendien
staat levering op artsenverklaring los van de vergoeding van het geneesmiddel.
Vraag 24
Wat zijn de mogelijkheden voor het Wilhelmina Kinderziekenhuis (WKZ) om via parallelimport
uit een ander EU-land Voxzogo in te kopen?
Antwoord
Parallelimport van een Europees geregistreerd product moet worden goedgekeurd door
het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA). Dit moet worden aangevraagd door de partij
die het wil importeren. Hiervoor moet deze partij beschikken over de juiste fabrikantenvergunning.
Daarmee draagt deze partij ook de bijkomende verantwoordelijkheden voor het geïmporteerde
product. Dit betekent nog niet dat het wordt vergoed in Nederland.
Vraag 25
Het doel van de SOV is het vergoeden van zorgkosten die aanbieders maken voor het
verstrekken van medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerde (verwarde) personen. Uit
de meest recente prognose van het CAK voor de SOV-regeling blijkt dat er € 11,6 miljoen
minder nodig is dan vooraf verwacht. Welke oorzaak geeft de prognose van het CAK voor
het feit dat er minder mensen gebruik van maken?
Antwoord
Er zijn twee redenen voor de lagere uitgaven SOV dan verwacht. De eerste reden is
dat het CAK meer declaraties niet heeft uitbetaald in verband met vermoedens van fraude.
Sinds het rapport van de Nederlandse Arbeidsinspectie en de Inspectie Gezondheidszorg
en Jeugd is de aanpak fraude in de uitvoering bij het CAK aangepakt. Daarnaast is
het sinds dit jaar voor veel zorgaanbieders mogelijk om digitaal te declareren bij
het CAK via het gebruikelijke declaratiesysteem in de zorg (Vecozo). Dit vraagt bij
een deel van de zorgaanbieders nog aanpassingen in de ICT. Zij houden daarom hun declaraties
aan in afwachting van de mogelijkheid om bij hen digitaal te declareren.
Vraag 26
Wat wordt gefinancierd van de € 9,3 miljoen voor de Leefstijl Coalitie die is overgeheveld
naar de begroting van het Ministerie van EZ?
Antwoord
In het Integraal Zorgakkoord (IZA) zijn afspraken gemaakt over de inzet op gezond
leven en preventie in en vanuit de zorg. Zvw-partijen hebben afgesproken om leefstijl
integraal onderdeel te maken van de reguliere zorg voor mensen met een gezondheidsklacht,
aandoening of ziekte, naast medicijnen, technologie en andere behandelingen. Om uitvoering
te geven aan deze afspraken, en als aanjager van verandering, is een tijdelijke samenwerking
van partijen opgericht: de Coalitie Leefstijl in de Zorg. Conform IZA-afspraak heeft
VWS middelen vrijgemaakt om bij te dragen aan deze ambitie. In 2025 heeft VWS € 9.3
miljoen beschikbaar gesteld voor de Coalitie Leefstijl in de Zorg.
De Coalitie Leefstijl in de Zorg wordt gecoördineerd door TNO, in nauwe samenwerking
met onder andere Patiëntenfederatie Nederland, Universitaire Medische Centra Nederland
en Arts en Leefstijl. De Coalitie Leefstijl in de Zorg brengt partijen in korte tijd
samen om leefstijlinterventies in de zorg te bevorderen en inzichtelijk te maken.
Dit doen zij onder andere door het delen van kennis, het ontwikkelen van tools, en
het vergroten van bewustwording bij zowel zorgprofessionals als patiënten. De Coalitie
helpt zorgprofessionals en patiënten om daadwerkelijk met leefstijl aan de slag te
gaan.
Vraag 27
Welke beleidsmatige oorzaken zijn er voor de verplaatsing van € 73,9 miljoen voor
Pallas van het instrument leningen naar het instrument vermogensverschaffing/-onttrekking?
Antwoord
Deze verplaatsing heeft plaatsgevonden om de verhouding tussen eigen vermogen en vreemd
vermogen in overeenstemming te brengen met de financieringsbehoefte van NRG PALLAS
B.V.
De financieringsverhouding is zo gekozen dat er een balans is tussen de financiële
robuustheid van NRG PALLAS en de financiële belangen van de Staat (zie ook pagina
22 van de achtergrondanalyse ten behoeve van de besluitvorming over de PALLAS reactor,
Kamerstuk 33 626, nr. 16).
Vraag 28
Wat is het prijseffect voor een fabrikant zoals BioMarin wanneer deze een zogenaamd
proefdossier (onderzoeksgeneesmiddel/niet-regulier dossier) indient in plaats van
een normale markttoelatingsprocedure?
Antwoord
Het indienen van een proefdossier kan een eerste stap zijn in de vergoedingsprocedure.
Uiteindelijk moet de reguliere procedure worden doorlopen. Voor de duidelijkheid,
Voxzogo is al toegelaten tot de markt, het wordt alleen niet vergoed vanuit het basispakket.
Vraag 29
Heeft het Ministerie van VWS contact met fabrikanten die binnenkort een concurrerend
medicijn op de markt brengen? Zijn deze fabrikanten wel bereid een proefdossier in
te dienen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord
Nee, het Ministerie van VWS heeft geen contact met concurrerende leveranciers. Voor
zover het ministerie weet zijn er nog geen concurrerende geneesmiddelen toegelaten
tot de markt.
Vraag 30
Wat is de rol van de Autoriteit Consument & Markt (ACM) bij het beoordelen van marktmacht
door een fabrikant?
Antwoord
De ACM houdt toezicht op misbruik van een economische machtspositie op grond van artikel
24 van de Mededingingswet (en de Europese equivalent daarvan: artikel 102 VWEU). Daarbij
geldt dat het hebben van een economische machtspositie in beginsel geen overtreding
is; de ACM houdt toezicht op het misbruik van die economische machtspositie10. Een andere manier om te kijken naar marktmacht is via het concentratietoezicht.
Via het concentratietoezicht ziet de ACM erop toe dat bij de overname of fusie van
twee ondernemingen geen marktmacht ontstaat.
Vraag 31
Voxzogo is op dit moment het enige medicijn dat de groei bij kinderen met achondroplasie
positief beïnvloedt. En het medicijn wordt wel in andere EU landen verkocht. Wat is
de rol van de ACM indien een fabrikant zoals BioMarin van een uniek medicijn zoals
Voxzogo de markt feitelijk afsluit.
Antwoord
De ACM speelt geen rol in de keuze van een leverancier om wel of niet toe te treden
tot de Nederlandse markt. De ACM kan een leverancier niet dwingen om een vergoedingsdossier
in te dienen en zijn geneesmiddel beschikbaar te maken op de Nederlandse markt.
Vraag 32
Een deel van de uitgaven voor 2025 van de Stimuleringsregeling Technologie in Ondersteuning
en Zorg (STOZ) vindt niet plaats. Dit komt voornamelijk doordat subsidieaanvragen
later binnen zijn gekomen en daardoor ook later beschikt worden. Hierdoor wordt een
deel niet in 2025 verleend en valt € 10,5 miljoen vrij. Betekende dit dat aanvragen
uit 2025 dan drukken op het budget van 2026 omdat het pas in het nieuwe jaar afgehandeld
wordt? Zo ja, om welk totaalbedrag gaat dit? Wordt het budget van de stimuleringsregeling
per jaar bepaald?
Antwoord
De STOZ is een meerjarige subsidieregeling waarvan het totale beleidsbudget vooraf
is vastgesteld, namelijk 108 miljoen. Voor tranche 2025 klopt het dat het overgrote
deel van de subsidieaanvragen net voor sluiting van het loket is binnengekomen. Dat
betekent dat slechts een klein deel van de aanvragen verleend kan worden in 2025 en
het grootste gedeelte in 2026. Om zoveel mogelijk financiële sturing te houden worden
daarom regelmatig kasprognoses opgesteld door RVO (uitvoerder regeling). Deze prognoses
dienen als input voor de voorjaarsbesluitvorming, waarin besloten kan worden om kasritmes
te herijken.
Vraag 33
Hoe leidt een resultaat van de jaarrekening van de uitvoeringskosten trekkingsrecht
PGB voor het jaar 2023 tot een verhoging van de ontvangsten in het jaar 2025?
Antwoord
In het kas-verplichtingenstelsel volgt na het moment van vaststelling een verrekening
en dit kan ook leiden tot aanpassing in de begroting. In dit geval heeft het Ministerie
van VWS op 30 juli 2025 de verantwoording 2023 definitief kunnen vaststellen, dit
na overleg met de sociale verzekeringsbank (SVB). Naar aanleiding van deze vaststelling
is er een positief resultaat van € 1,4 miljoen ontstaan in de uitvoering van de SVB
over het jaar 2023. Deze is na het moment van vaststellen budgettair verwerkt op artikel
3 van de VWS begroting als ontvangst.
Vraag 34
Er is minder beroep gedaan op het beschikbare budget voor de subsidieregeling Inrichten
Opleidingsstructuur Helpenden, Verzorgenden en Verpleegkundigen (IOHVV) dan verwacht.
Hierdoor valt in 2025 circa € 19 miljoen vrij. Wat is hiervan de oorzaak?
Antwoord
Voor de subsidieregeling IOHVV staan in 2026 nog twee aanvraagperiodes gepland, waarbij
partijen de mogelijkheid hebben om nog een beroep te doen op deze subsidieregeling.
Daarom is het nu nog niet mogelijk om dit lagere aantal beroepen in 2025 te verklaren.
De regeling komt voort uit de afspraken die zijn gemaakt in het Investeringsakkoord
Opleiden Wijkverpleging (IOW), en heeft als doel om een impuls te geven aan het samen
en anders opleiden in de wijkverpleging. De regeling wordt gefinancierd uit middelen
die incidenteel beschikbaar zijn gesteld voor de afspraken uit het akkoord. Dat er
in de eerste aanvraagronde minder beroep op de regeling is gedaan dan wellicht verwacht
betekent niet een afgenomen noodzaak of urgentie van het opleidingsvraagstuk in de
wijkverpleging.
Naast de incidentele middelen hebben de ondertekenaars van het Investeringsakkoord
Opleiden Wijkverpleging (IOW)aangegeven behoefte te hebben aan een structurele oplossing
voor de werkgeverskosten voor het opleiden in de wijk wijkverpleging. Ook hierover
zijn afspraken gemaakt in het IOW en momenteel werkt VWS aan een tijdelijke subsidieregeling
in afwachting van een structurele financieringswijze. De verwachting is dat deze regeling,
waarmee de werkgeverskosten voor het opleiden zelf vergoed kunnen worden, goed aansluit
bij de behoefte vanuit het veld.
Vraag 35
Is er inzicht in de redenen waarom er minder beroep is gedaan dan verwacht op de subsidieregeling
Inrichten Opleidingsstructuur Helpenden, Verzorgenden en Verpleegkundigen (IOHVV)?
Antwoord
Er staan voor het jaar 2026 nog twee aanvraagperiodes gepland, in maart en in augustus,
waarbij partijen de mogelijkheid hebben om beroep te doen op de IOHVV subsidieregeling.
Na het sluiten van deze aanvraagperiodes kan er een completer beeld geschetst worden
van de aanvragen.
Vraag 36
Het getal van 135 miljoen voor concentratie en sluiting SEH’s acute zorg komt voort
uit een studie van het Centrum voor Innovaties en Publieke Sector Efficiëntie Studies
uit 2013. In hoeverre zijn de getallen, nu meer dan 12 jaar later, nog relevant en
financieel actueel? Is er sinds 2013 nieuw financieel onderzoek gedaan naar kostenbesparing
via concentratie en sluiting? Zo ja, met welke financiële uitkomsten? In hoeverre
zijn het Centrum voor Innovaties en Publieke Sector Efficiëntie Studies en het CPB
nog betrokken bij deze lijst met potentiële ombuigingen?
Antwoord
De maatregel waarnaar wordt verwezen is onderdeel van de Ombuigingslijst. De ombuigingslijst
is een product van het Ministerie van Financiën, waarin technisch is verkend waar
ombuigingen mogelijk zijn. De lijst bevat ombuigingen op een hoog abstractieniveau.
Het CPB en Het Centrum voor Innovaties en Publieke Sector Efficiëntie Studies waren
niet betrokken bij het opstellen van de ombuigingenlijst 2025. Wel is deze maatregel
oorspronkelijk afkomstig uit de CPB publicatie Zorgkeuzes in Kaart 2020. Het is niet
bekend of de gehanteerde aannames nog steeds actueel zijn.
Vraag 37
Wat valt onder «opdrachten» in jeugd tabel 8?
Antwoord
Het betreft diverse opdrachten op het gebied van onder andere de aanpak van kindermishandeling
en huiselijk geweld, professionalisering, vakmanschap, gepaste zorg, kinderrechten
en kennis- en informatiebeleid.
Vraag 38
Kan een overzicht worden gegeven hoeveel van de € 10,7 miljoen in de Algemene uitkering
(AU) van het gemeentefonds dat aan pleegouders is uitgekeerd ter vervanging van de
bso voor pleegouders?
Antwoord
Antwoord: Het Rijk stelt in 2025, 2026 en 2027 jaarlijks € 10,7 miljoen beschikbaar
als tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang en buitenschoolse opvang voor pleegkinderen.
Dit bedrag is gebaseerd op onderzoek dat VWS liet uitvoeren door IPSOS-I&O naar de
kosten die pleegouders zelf maken voor kinderopvang en BSO. Het gebruik en de gemiddelde
kosten voor BSO waren hier onderdeel van. Het is niet mogelijk een uitsplitsing te
maken tussen de kosten van BSO en de kosten van kinderopvang in dit totale bedrag.
Voor 2025 wordt het geld in de decembercirculaire toegevoegd aan het Gemeentefonds
via de Algemene Uitkering. De uitkering sluit op deze manier aan bij bestaande afspraken
over bijzondere kosten, de tegemoetkoming in kosten voor kinderopvang is hier onderdeel
van. Gemeenten zijn geadviseerd om aan te sluiten bij bestaande inkoopstructuren en
-afspraken.
Vraag 39
Recenter en breder onderzoek van de ACM (2014, 2017) en TNO (2022) gaat uit van kwaliteitsverlaging
en kostenstijging door concentratie en schaalvergroting. Welke lessen trekt u uit
deze onderzoeken? Waarom worden deze onderzoeken niet betrokken bij bovenstaande calculatie?
Antwoord
Het is in zijn algemeenheid niet te zeggen wat de optimale schaal voor een ziekenhuis
is, omdat dit afhankelijk is van de precieze context en van tal van factoren. Schaalvergroting
kan zowel positieve als negatieve effecten hebben. Zo kan door concentratie van zorg
de kwaliteit toenemen. Schaalvergroting mag er echter niet toe leiden dat goede en
toegankelijke medisch-specialistische zorg uit regio’s verdwijnt en er te weinig keuzemogelijkheden
voor patiënten overblijven. Uitgangspunt daarbij is dat we de zorg zo dichtbij mogelijk
om de patiënt heen organiseren en dat als het moet, we de complexe zorg afhankelijk
van waar je woont, verder weg moeten organiseren. Concentratie van complexe zorg heeft
als doel de kwaliteit van de zorg te verhogen en de toegang voor patiënten tot de
zorg te garanderen door optimale inzet van schaars personeel en dure infrastructuur.
Door zorg die vaak voorkomt te spreiden, blijft passende zorg voor iedereen dichtbij
beschikbaar.
Daarnaast vraagt u waarom deze onderzoeken niet worden betrokken bij de berekende
effecten van de maatregel concentratie en sluiting SEH’s in de ombuigingslijst. De
ombuigingslijst is een product van het Ministerie van Financiën, waarin technisch
is verkend waar ombuigingen mogelijk zijn. De lijst bevat ombuigingen op een hoog
abstractieniveau.
Vraag 40
Kan worden aangegeven in hoeverre medewerkers bij het (gedeeltelijk) sluiten van een
SEH zoals in Zutphen op een andere SEH aan de slag gaan of juist de (ziekenhuis)zorg
verlaten zoals vermeld in het IZA?
Antwoord
Er zijn geen cijfers beschikbaar over de plekken waar medewerkers terechtkomen bij
een (gedeeltelijke) sluiting van een SEH. De Minister van VWS kan hier dus geen gerichte
uitspraken over doen. Hij benadrukt wel dat de aanpak van personeelstekorten in zorg
en welzijn een belangrijke prioriteit is voor dit kabinet. Wanneer medewerkers na
een (gedeeltelijke) sluiting geen overstap maken naar een andere plek in het ziekenhuis
of een andere SEH, dan is het wenselijk dat ze in ieder geval voor de sector zorg
en welzijn behouden blijven. De Minister van VWS hecht dan ook grote waarde aan de
stappen die dit kabinet met het AZWA zet om een bijdrage te leveren aan de aantrekkelijkheid
van de sector. Zo bevat het AZWA afspraken over het verminderen van de administratieve
lasten, de inzet van arbeidsbesparende technologie en het versterken van de lerende
omgeving. Bij dit laatste punt ligt de focus op opleiding en scholing (leven lang
leren) van professionals. Ook zullen bestaande loopbaaninstrumenten die bijdragen
aan de instroom, doorstroom en behoud van medewerkers geïntegreerd voortgezet worden
en hebben partijen afgesproken om te blijven werken aan een lerende cultuur waarin
zeggenschap een centrale plek krijgt. Met deze inzet zorgt de Minister van VWS er
samen met partijen in het veld voor dat zoveel mogelijk medewerkers behouden blijven
voor de sector.
Vraag 41
In hoeverre kan kleinschaligheid van zorgvoorzieningen bijdragen aan het voorkomen
van acute zorgvragen? Is hier onderzoek naar gedaan? Zo ja, welk?
Antwoord
Er is de Minister van VWS geen onderzoek hierover bekend. In het IZA hebben partijen
afgesproken om het voorkomen van acute zorg een prioriteit te maken in hun beleid.
Dit betreft onder meer het inzetten op goede voorlichting, preventie en vroege signalering,
advanced care planning, het borgen en versterken van goede samenwerking tussen de
eerste lijn inclusief wijkverpleging, ouderenzorg, GGZ, jeugdzorg en sociaal domein.
Om het medisch specialistisch zorglandschap toekomstbestendig in te richten, werken
aanbieders in een regio in netwerken samen, waarbij de ziekenhuizen hun aanbod en
hun huidig en toekomstig portfolio op elkaar afstemmen opdat dit ook in de toekomst
aansluit op de zorgbehoefte in de regio en optimaal gebruik wordt gemaakt van regionaal
beschikbare kennis, capaciteit en infrastructuur. In het AZWA is afgesproken dat de
ROAZ- en regioplannen in 2026 overeenkomstig worden aangevuld en ondersteund. Gezamenlijk
zorgen de aanbieders dat zorg voor mensen dichtbij georganiseerd is waar dat kan met
behoud van goede kwaliteit van de zorg en aansluitend op de regionale behoefte.
Vraag 42
Hoeveel ziekenhuizen/SEH’s zijn er sinds het begin van de studie van het Centrum voor
Innovaties en Publieke Sector Efficiëntie Studies uit 2013 afgeschaald of verdwenen?
Op welke manier beïnvloedt het verdwijnen van deze ziekenhuizen en SEH’s het financiële
plaatje «concentratie en sluiting SEH’s acute zorg» en «sluiting deels in de nacht»
in de ombuigingslijst?
Antwoord
In onderstaande tabel staat het aantal spoedeisende hulp locaties (SEH’s) in Nederland
van 2013 t/m Q1 2025 en staan de namen van gesloten SEH’s. In de periode vóór 2016
is niet systematisch bijgehouden welke SEH’s gesloten zijn. Een kaart met alle actueel
geopende SEH’s is te vinden op Acute zorg | Regionaal | SEH | Volksgezondheid en Zorg (vzinfo.nl).
Het is daarbij belangrijk om te vermelden dat een spoedplein een samenwerking betreft
tussen een SEH, huisartsenspoedpost en vaak ook een dienstapotheek, en niet zozeer
een afschaling van een SEH. Daarnaast zijn er ook spoedpoliklinieken en spoedposten,
hier is echter geen eenduidige definitie voor. Er is daardoor geen overzicht beschikbaar
van welke «gesloten» SEH’s zijn omgevormd tot zo’n verschijningsvorm. Wel zijn er
enkele locaties die zich als spoedpolikliniek of spoedpost profileren na sluiting
van een SEH, die zijn in onderstaande tabel aangegeven.
Wat het effect is van deze sluitingen op het berekende effect in de Ombuigingslijst
is niet bekend. De ombuigingslijst is een product van het Ministerie van Financiën,
waarin technisch is verkend waar ombuigingen mogelijk zijn. De lijst bevat ombuigingen
op een hoog abstractieniveau. Het effect is in de ombuigingslijst niet opnieuw berekend.
Peildatum
Totaal aantal SEH’s (incl. SEH’s die niet 24/7 open zijn)
Aantal SEHs 24/7-uurs openstelling
Naam van gesloten 24/7-uurs SEH
Naam afgeschaalde SEH van 24/7-uurs SEH naar beperkte openingstijden
Naam gesloten/heropende SEH met beperkte openingstijden
2013
94
94
2014
95
91
2015
95
91
2016
94
90
Sluiting (1): Hagaziekenhuis locatie Sportlaan
2017
94
89
Afschaling van 24/7-uurs SEH naar dag/avond (1): Franciscus Gasthuis & Vlietland in
Schiedam
2018
89
86
Sluiting (3): HMC Antoniushove Leidschendam, St Antonius Woerden, ZGT Hengelo
Sluiting van dag/avond SEH (2): Albert Schweitzer Zwijndrecht, Havenziekenhuis Rotterdam
Maart 2019
87
83
Sluiting (2): MC Slotervaart Amsterdam, MC Zuiderzee Lelystad1
Afschaling van 24/7-uurs SEH naar dag/avond (1): ETZ Tweesteden
Maart 2020
83
80
Sluiting (3): HMC Bronovo, Bethesda Hoogeveen1 en Refaja Stadskanaal1
Sluiting van dag/avond SEH (1): ETZ TweeSteden
Maart 2021
82
80
Sluiting van dag/avond SEH (1): Spaarne Haarlem Noord tijdelijk gesloten
Maart 2022
83
80
Heropening (1): Spaarne Haarlem Noord
April 2023
83
80
Geen wijzigingen t.o.v. 2022.
Maart 2024
81
77
Sluiting (1): Tergooi MC Blaricum
Afschaling van 24/7-uurs SEH naar dag/avond (2):
Gelre Ziekenhuizen Zutphen, Amsterdam UMC VUmc
Sluiting van dag/avond SEH (1): Spaarne Haarlem Noord1
Maart 2025
79
76
Sluiting (1): Zuyderland ziekenhuis Sittard-Geleen1
Sluiting van dag/avond SEH (1): Amsterdam UMC locatie VUMC1
X Noot
1
Locaties die zich als spoedpolikliniek of spoedpost profileren.
Vraag 43
Waarom is er voor wat betreft concentratie en sluiting SEH’s acute zorg bij de ombuigingslijst
2025 geen onderscheid gemaakt tussen hoog specialistische zorg en basiszorg? In hoeverre
heeft dit onderscheid effect op de beoogde besparing?
Antwoord
De ombuigingslijst is een product van het Ministerie van Financiën, waarin technisch
is verkend waar ombuigingen mogelijk zijn. De lijst bevat ombuigingen op een hoog
abstractieniveau. Om die reden heeft het onderscheid tussen hoog specialistische zorg
en basiszorg geen rol gespeeld. Het eventuele effect daarvan op de berekende besparing
is niet bekend.
Vraag 44
Hoe en wanneer zijn de extra kosten door extra ambulance inzet bij de ombuigingslijst
2025 door het RIVM berekend? Welke additionele kosten van concentratie en schaalvergroting
zijn er nog meer te verwachten op bijvoorbeeld de bereikbaarheid, het sociaal domein
en de huisartsen? En waar komen die kosten te liggen?
Antwoord
De ombuigingslijst is een product van het Ministerie van Financiën, waarin technisch
is verkend waar ombuigingen mogelijk zijn. De lijst bevat ombuigingen op een hoog
abstractieniveau.
De maatregel in de ombuigingenlijst waarnaar wordt verwezen is oorspronkelijk afkomstig
uit Zorgkeuzes in Kaart (CPB, 2020). Bij het uitwerken van die maatregel heeft destijds
contact plaatsgevonden met het RIVM om een inschatting te maken van de extra inzet
van ambulances. Bij de ombuigingenlijst 2025 heeft geen contact meer plaatsgevonden
met het RIVM. In de ombuigingenlijst is geen rekening gehouden met mogelijke additionele
kosten op de genoemde terreinen.
Vraag 45
Zijn de positieve en negatieve effecten van schaalvergroting op de economie en het
vestigingsklimaat van een centrumgemeente onderzocht? Zo ja, maakt deze conclusie
onderdeel uit van de discussie in het kader van Elke Regio Telt?
Antwoord
Nee, er is geen onderzoek bekend naar positieve en negatieve effecten van schaalvergroting
op de economie en het vestigingsklimaat van een centrumgemeente.
Vraag 46
In hoeverre wordt er bij het scenario «nachtsluiting SEH» rekening gehouden met overloopeffecten
zoals de verschuiving van patiënten in het avondvenster?
Antwoord
De ombuigingslijst is een product van het Ministerie van Financiën, waarin technisch
is verkend waar ombuigingen mogelijk zijn. De lijst bevat ombuigingen op een hoog
abstractieniveau. Bij het scenario nachtsluiting SEH is er onder andere (op hoog abstractieniveau)
rekening mee gehouden dat de sluitingen tot gevolg hebben dat patiënten en capaciteit
verschuiven waardoor de netto besparing lager uitvalt.
Vraag 47
Wat is de optimale schaal voor een ziekenhuis op basis van literatuuronderzoek? Hoe
verhouden Nederlandse ziekenhuizen zich tot deze optimale schaal? Wat is de omvang
van Nederlandse ziekenhuizen in vergelijking met buitenlandse ziekenhuizen? Wat is
de omvang van Nederlandse SEH’s in vergelijking met buitenlandse SEH’s?
Antwoord
Ik ben van mening dat in zijn algemeenheid niet te zeggen is wat de optimale schaal
voor een ziekenhuis is, omdat dit afhankelijk is van de precieze context en tal van
factoren. Schaal van een ziekenhuis kan je ook niet los zien van het brede zorg en
ondersteunings-aanbod in een regio. Schaalvergroting kan zowel positieve als negatieve
effecten hebben. Zo kan door concentratie van zorg de kwaliteit toenemen. Schaalvergroting
mag er echter niet toe leiden dat goede en toegankelijke medisch-specialistische zorg
uit regio’s verdwijnt en er te weinig keuzemogelijkheden voor patiënten overblijven.
In een artikel uit de ESB van 201711 wordt geconcludeerd dat de optimale schaal voor ziekenhuizen ongeveer 320 bedden
is. Dat wil zeggen dat volgens de onderzoekers daarboven waarschijnlijk geen verdere
daling van de gemiddelde operationele kosten door verdere schaalvergroting is te verwachten.
Dit artikel gaat enkel over de optimale schaal ten aanzien van de gemiddelde operationele
kosten en laat de kwaliteit van zorg en andere factoren buiten beschouwing.
Als indicatie voor de omvang van een ziekenhuis is op basis van informatie van Organisation
for Economics Cooperation and Development (OECD) in onderstaand overzicht het gemiddeld
aantal bedden per ziekenhuis aangegeven. Door verschillen in zorgsystemen, kwaliteitseisen,
infrastructuur, demografie en topografie is het lastig om conclusies te trekken uit
deze vergelijking.
Bron: https://data-explorer.oecd.org/
Ik beschik niet over cijfers van een internationale vergelijking van Nederlandse en
buitenlandse SEH’s.
Vraag 48
Welke lessen over schaalvergroting en concentratie in de acute zorg kan er worden
getrokken uit het buitenland, bijvoorbeeld in Ierland, Denemarken en Engeland?
Antwoord
De Minister van VWS is bekend met een viertal onderzoeken over de concentratie van
de acute zorg in Ierland, Denemarken en Engeland. Vanwege de enorme verscheidenheid
aan aspecten (bijvoorbeeld: efficiëntie, kosten van o.a. personeel, kwaliteit van
zorg, toegankelijkheid van zorg) die aan bod komen bij dit soort grote veranderingen,
zijn de onderzoeken schaars, maar ook beperkt te interpreteren. Vergelijkingen met
eerdere situaties of het buitenland zijn ingewikkeld, door verschillen in zorgsystemen
en de omvang van de veranderingen. Daarnaast laten de resultaten geen eenduidig beeld
zien.
Vraag 49
Welke maatregelen zijn er door Rijksoverheid en decentrale overheden genomen naar
aanleiding van diverse onderzoeken van PBL en Rover over de slechte toegang van ziekenhuizen
per OV, zeker ook voor ouderen? Wat zijn de meerkosten voor de Rijksoverheid en decentrale
overheden voor het vergoeden van taxibusjes door slechte bereikbaarheid van ziekenhuizen
per OV?
Antwoord
Daar waar het openbaar vervoer niet toereikend is, wordt gekeken of publieke mobiliteit
een aanvulling kan zijn. De verkenning naar publieke mobiliteit (in opdracht van Financiën,
BZK, OCW, VWS en IenW) heeft als doel de bereikbaarheid van voorzieningen, waaronder
ziekenhuizen, op een inclusieve en toegankelijke wijze bereikbaar te maken. De Eerste
en Tweede Kamer worden binnenkort geïnformeerd over de resultaten van de verkenning
en het vervolg hiervan.
Er bestaan al vervoersvormen die benut worden voor vervoer naar het ziekenhuis. Zo
kunnen mensen vanuit de Zorgverzekeringswet onder voorwaarden gebruik maken van vervoer
naar of van een ziekenhuis (artikel 2.14 Besluit zorgverzekering). Een ander voorbeeld
is Wmo-vervoer. Het bezoeken van ziekenhuizen of andere zorg gerelateerde instellingen
valt onder de leefomgeving van inwoners in het kader van de Wmo 2015. Een voorzichtige
schatting is dat van alle Wmo-vervoersritten zo’n 5–25% naar ziekenhuizen gaat, het
is onduidelijk om welke kosten dit gaat. Ook gebruiken sommige Valys-pashouders de
kilometers die zij krijgen voor vervoer naar ziekenhuizen. Op basis van de ritgegevens
die bekend zijn bij het Ministerie van VWS zijn de kosten voor deze Valys-ritten van
en naar ziekenhuizen rond de € 9,5 miljoen per jaar. Bij zowel Wmo-vervoer als Valys
is het onduidelijk met welk doel mensen naar het ziekenhuis gaan, omdat dit in het
kader van privacy niet wordt uitgevraagd. Ook is onbekend of de beschikbare kilometers
worden ingezet om de onbereikbaarheid van ziekenhuizen met ov te compenseren.
Vraag 50
Welke afspraken heeft Spanje gemaakt met fabrikant BioMarin over de toelating en beschikbaarheid
van het geneesmiddel Voxzogo? Welke procedure wordt hier gevolgd om het medicijn toe
te laten?
Antwoord
De Minister van VWS heeft van de leverancier begrepen dat andere landen afspraken
hebben gemaakt over maximale uitgaven, niet over kosteneffectiviteit. Die is dus niet
beoordeeld. Dat is in Nederland wel nodig, want de maximale uitgaven zijn volgens
de horizonscan geneesmiddelen van het Zorginstituut in totaal meer dan tussen de 1
en 10 miljoen euro én per patiënt meer dan 50.000 euro per jaar (namelijk ongeveer
€ 200.000). Het middel moet jarenlang worden gebruikt.
De Minister wil het belang benadrukken van de reguliere beoordelingsprocedure in Nederland.
Daarbij wordt beoordeeld of de kosten van het geneesmiddel in verhouding staan tot
de effectiviteit.
Vraag 51
Welke afspraken heeft Duitsland gemaakt met fabrikant BioMarin over de toelating en
beschikbaarheid van het geneesmiddel Voxzogo? Welke procedure wordt hier gevolgd om
het medicijn toe te laten?
Antwoord
De Minister van VWS heeft van de leverancier begrepen dat andere landen afspraken
hebben gemaakt over maximale uitgaven, niet over kosteneffectiviteit. Die is dus niet
beoordeeld. Dat is in Nederland wel nodig, want de maximale uitgaven zijn volgens
de horizonscan geneesmiddelen van het Zorginstituut in totaal meer dan tussen de 1
en 10 miljoen euro én per patiënt meer dan 50.000 euro per jaar (namelijk ongeveer
€ 200.000). Het middel moet jarenlang worden gebruikt.
De Minister wil het belang benadrukken van de reguliere beoordelingsprocedure in Nederland.
Daarbij wordt beoordeeld of de kosten van het geneesmiddel in verhouding staan tot
de effectiviteit.
Vraag 52
Welke afspraken heeft Italië gemaakt met fabrikant BioMarin over de toelating en beschikbaarheid
van het geneesmiddel Voxzogo? Welke procedure wordt hier gevolgd om het medicijn toe
te laten?
Antwoord
De Minister van VWS heeft van de leverancier begrepen dat andere landen afspraken
hebben gemaakt over maximale uitgaven, niet over kosteneffectiviteit. Die is dus niet
beoordeeld. Dat is in Nederland wel nodig, want de maximale uitgaven zijn volgens
de horizonscan geneesmiddelen van het Zorginstituut in totaal meer dan tussen de 1
en 10 miljoen euro én per patiënt meer dan 50.000 euro per jaar (namelijk ongeveer
€ 200.000). Het middel moet jarenlang worden gebruikt.
De Minister wil het belang benadrukken van de reguliere beoordelingsprocedure in Nederland.
Daarbij wordt beoordeeld of de kosten van het geneesmiddel in verhouding staan tot
de effectiviteit.
Vraag 53
Welke afspraken heeft Frankrijk gemaakt met fabrikant BioMarin over de toelating en
beschikbaarheid van het geneesmiddel Voxzogo? Welke procedure wordt hier gevolgd om
het medicijn toe te laten?
Antwoord
De Minister van VWS heeft van de leverancier begrepen dat andere landen afspraken
hebben gemaakt over maximale uitgaven, niet over kosteneffectiviteit. Die is dus niet
beoordeeld. Dat is in Nederland wel nodig, want de maximale uitgaven zijn volgens
de horizonscan geneesmiddelen van het Zorginstituut in totaal meer dan tussen de 1
en 10 miljoen euro én per patiënt meer dan 50.000 euro per jaar (namelijk ongeveer
€ 200.000). Het middel moet jarenlang worden gebruikt.
De Minister wil het belang benadrukken van de reguliere beoordelingsprocedure in Nederland.
Daarbij wordt beoordeeld of de kosten van het geneesmiddel in verhouding staan tot
de effectiviteit.
Vraag 54
Malta importeert het geneesmiddel Voxzogo uit een ander (EU) land. Hoe is deze parallelimport
geregeld?
Antwoord
Zoals eerder vermeld staat parallelimport los van de vergoeding van het geneesmiddel.
Vraag 55
Het Integraal Zorgakkoord (IZA) gaat uit van spreiding en concentratie. Op welke manieren
allemaal heeft u regie op concentratie? En op welke manier heeft u regie op spreiding?
Welke instrumenten zet u momenteel in om regie op spreiding te behouden voor specifiek
de SEH en de Acute Verloskunde?
Antwoord
In het Integraal Zorgakkoord (IZA) hebben partijen afgesproken om via regionale samenwerking
te komen tot een toekomstbestendig zorglandschap via spreiding en concentratie van
zorg. Zoals afgesproken in het IZA heeft VWS het Zorginstituut gevraagd om een Ronde
Tafeloverleg in te richten die in overleg met de veldpartijen (FMS, NVZ, NFU, ZN en
ZKN) en in verplichte samenspraak met de desbetreffende patiëntenorganisatie(s) op
een zorgvul-dige wijze komt tot het vaststellen van hogere volumenormen voor zorginterventies.
De beoogde beweging wordt dus door de veldpartijen zelf getrokken. Om tot het vaststellen
van (volume)normen te komen voor de geselecteerde oncologische en vaatchirurgische
interventies is door de Ronde Tafels een uitgebreid en zorgvuldig proces doorlopen.
Momenteel wordt in de regio’s gewerkt aan de implementatie van de vastgestelde normen
en wordt gewerkt aan afspraken over het spreiden van zorg. Vanuit de Ronde Tafels
wordt de beoogde beweging van concentratie en spreiding van zorg nauwlettend gevolgd.
Mocht de spreidingsopgave onvoldoende worden opgepakt dan zullen daar nadere afspraken
over worden gemaakt aan de Ronde Tafels.
Ten aanzien van de SEH’s en de Acute verloskunde zien we dat door een tekort aan personeel
en een toename van de zorgvraag én zorgzwaarte, de toegankelijkheid van de acute zorg
onder druk staat. Het is belangrijk om de oplossingen in de regio zo goed mogelijk
te faciliteren. Daarom wordt vanuit dit kabinet ingezet op de volgende punten. Ten
eerste het invoeren van budgetbekostiging in de acute zorg. Ten tweede het aanscherpen
van de wet- en regelgeving om er zo voor te zorgen dat alle stakeholders tijdig worden
betrokken bij de voorgenomen wijziging van het acute zorgaanbod. En ten derde heb
ik afgelopen jaar een handreiking gepubliceerd, die het gesprek in de regio met alle
belanghebbenden over wijzigingen van het zorgaanbod ondersteunt.
Vraag 56
In hoeverre staat de doelstelling «financieel versterken van regionale ziekenhuizen»
uit de opdrachtbrief aan de NZa nog overeind bij de budgetfinanciering?
Antwoord
De invoering van budgetbekostiging per 2027 is één van de maatregelen om de acute
zorg ook in de toekomst toegankelijk te houden. De invoering van budgetbekostiging
draagt onder andere bij aan meer financiële zekerheid voor ziekenhuizen.
Vraag 57
Wat betekent het voor het «financieel versterken van regionale ziekenhuizen» als de
beschikbaarheidsbijdrage voor SEH’s per 2027 komt te vervallen, gelijktijdig met de
invoering van budgetbekostiging per 2027?
Antwoord
De invoering van budgetbekostiging per 2027 is één van de maatregelen om de acute
zorg ook in de toekomst toegankelijk te houden. Door alle SEH’s te gaan bekostigen
op basis van een vast budget, krijgen ziekenhuizen meer financiële zekerheid. Ook
vermindert de productieprikkel voor de SEH. Dat kan de samenwerking van de SEH met
andere schakels in de acute zorg, zoals de huisartsenposten, versterken. Met de invoering
van budgetbekostiging vervalt de beschikbaarheidbijdrage voor SEH’s die gevoelig zijn
voor de 45-minutennorm. Met de invoering van budgetbekostiging komen alle SEH’s in
aanmerking voor een budget, dat qua hoogte vergelijkbaar is met de beschikbaarheidbijdrage
voor SEH’s.
Vraag 58
De motie Claasen c.s. riep op tot locatiegebonden budgetfinanciering in plaats van
instellingsgebonden budgetfinanciering. Dit omdat locatiegebonden budgetbekostiging
bij voldoende personeel of een goede personeelsverdeling een stimulans geeft voor
heropening van acute zorg en verloskunde in Zuyderland en het open houden van andere
regionale ziekenhuislocaties. Hoe wordt het aspect van de locatiegebondenheid meegenomen
door de NZa en in het groeipad?
Antwoord
Het aspect van locatiegebondenheid is reeds geborgd in de eerste stap van budgetbekostiging,
omdat elke SEH-locatie een budget kan aanvragen indien wordt voldaan aan de geldende
voorwaarden. Daarnaast is uw Kamer eerder toegezegd in het eerste kwartaal van 2026
te worden geïnformeerd over de uitwerking en de uitvoering van het groeipad. Daarbij
worden ook tijdlijnen opgenomen voor de uit te voeren acties.
Vraag 59
Zou het wenselijk zijn dat partijen bij de invoering van budgetbekostiging zelf afspraken
maken over scholing, vergelijkbaar met de werkwijze van de IZA-tafels? Zo ja, hoe
garandeert u dat dit tijdig gebeurt zodat invoering van de budgetfinanciering per
1 januari 2027 haalbaar blijft?
Antwoord
Als ik in de plaats van het woord «scholing» het woord «schoning» mag lezen, kan ik
deze vraag als volgt beantwoorden. Om bij invoering van budgetbekostiging voor de
SEH dubbele bekostiging te voorkomen, zal de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) het
gereguleerde segment schonen en moeten zorgverzekeraars het vrije segment schonen
in de contractering met de ziekenhuizen. Partijen zijn hiervoor zelf aan zet. Zij
zijn ook met elkaar in gesprek om hierover afspraken te maken en houden mij van de
voortgang op de hoogte.
Vraag 60
In hoeverre vindt er momenteel overleg plaats bij de NZa over budgetbekostiging? Wat
is het doel van dit overleg? Worden er in dit overleg stappen gezet in de uitvoering
van het groeipad c.q. het doel om regionale ziekenhuizen te versterken?
Antwoord
Momenteel vinden gesprekken plaats met verschillende betrokken partijen, waaronder
de NZa, over de technische uitvoering van budgetbekostiging voor de SEH. Ook vinden
er gesprekken plaats over de vormgeving van het groeipad. Ik heb uw Kamer eerder toegezegd
in het eerste kwartaal van 2026, zoals gevraagd, te informeren over de uitwerking
en de uitvoering van het groeipad. Daarbij zal ik ook tijdlijnen opnemen voor de uit
te voeren acties.
Vraag 61
Kan worden aangeven wat het belang is voor kosten, personeelsinzet en kwaliteit van
een SEH-arts en Huisarts/Eerste Lijn die elkaar kennen?
Antwoord
Hier zijn geen cijfers over bekend. De eerste lijn, en daarmee ook huisartsen, zijn
onderdeel van de acute zorgketen. Zoals afgesproken in het IZA, is goede samenwerking
tussen de eerste lijn en de tweede lijn noodzakelijk. Zorgaanbieders en zorgverzekeraars
zetten in op het intensiveren van het gebruik van gezamenlijke acute zorgvoorzieningen
door verschillende partijen in de keten, waardoor de beschikbare (zorg)professionals
slim worden ingezet en samenwerking in de keten wordt gestimuleerd. Denk hierbij aan
intensieve samenwerking en gezamenlijke faciliteiten (balie, triage, personeelsruimte)
op spoedpleinen dan wel integrale spoedposten tussen huisartsenposten, SEH’s, farmaceutische
spoedzorg, ambulancezorg en waar mogelijk onplanbare wijkverpleging en acute ggz.
Deze factoren kunnen bijdragen aan een verlaging van de kosten, efficiënte inzet van
personeel en verhoging van de kwaliteit van zorg.
Vraag 62
Kan worden aangegeven welke deadlines van Zorgverzekeraars, ZN en Ziekenhuizen relevant
zijn voor het doorlopen van het groeipad budgetfinanciering?
Antwoord
Ik heb uw Kamer eerder toegezegd in het eerste kwartaal van 2026, zoals gevraagd,
te informeren over de uitwerking en de uitvoering van het groeipad. Daarbij zal ik
ook tijdlijnen en deadlines opnemen voor de uit te voeren acties.
Vraag 63
Hoe kan het dat zorgverzekeraars voor basiszorg inkopen bij academische ziekenhuizen
terwijl diezelfde zorg in regionale ziekenhuizen goedkoper is?
Antwoord
Een zorgverzekeraar moet voor zijn verzekerden de beste zorg inkopen. Wat de beste
zorg is, wordt niet alleen bepaald door de prijs van de zorg. Ook andere factoren
spelen daarbij een rol. Zo kan de zorgverzekeraar bijvoorbeeld ook kijken naar: de
kwaliteit van de zorg (onder andere de ervaring van medici en verplegend personeel
en de uitkomsten van zorg), de toegankelijkheid (geografische locatie van de zorgaanbieder),
de service die een zorgaanbieder levert aan zijn patiënten (digitale mogelijkheden
voor patiënten) en de samenwerkingsverbanden waarin een zorgaanbieder opereert (belangrijk
voor de nazorg). Al deze factoren laat de zorgverzekeraar meewegen bij de keuze voor
de zorgaanbieder en de inhoud van het contract. Ik juich het toe dat een zorgverzekeraar
een brede afweging maakt en niet alleen naar de prijs kijkt.
Vraag 64
Op welke manier beïnvloedt een stijging van het volume door concentratie, de onderhandelingsmacht
van een zorgverzekeraar?
Antwoord
De inkoopmacht van zorgverzekeraars en het spiegelbeeld daarvan de verkoopmacht van
zorgaanbieders, hangt af van een groot aantal marktomstandigheden. Een daarvan is
het aantal zorgaanbieders dat bepaalde zorg aanbiedt in een bepaald gebied.
Concentratie leidt tot minder zorgaanbieders en vaak tot een volumetoename voor de
zorgaanbieders die nog overblijven. Minder zorgaanbieders betekent minder concurrentie
tussen zorgaanbieders en mogelijk een toename van verkoopmacht bij de overblijvende
zorgaanbieders. Dat betekent dan een vermindering van de inkoopmacht van zorgverzekeraars.
Concentratie kan er ook toe leiden dat de overblijvende zorgaanbieders meer zorg gaan
leveren. Ook hierdoor kan hun verkoopmacht toenemen. Immers, de afhankelijkheid van
zorgverzekeraars van deze volumes neemt toe. Aan de andere kant kunnen de zorgaanbieders
ook meer afhankelijk van de zorgverzekeraars worden. Want, als de zorgverzekeraars
deze zorg niet meer inkopen, valt een groter volume aan zorg weg voor deze zorgaanbieders.
Deze balans kan dus beide kanten uitslaan. Het is aan de partijen om in het onderhandelingsspel
een voor beide partijen bevredigend evenwicht daarin te vinden.
Vraag 65
Kan worden aangegeven waarom de uitgaven aan premiegefinancierde zorg de afgelopen
jaren flink achterblijven bij de ramingen?
Antwoord
De afgelopen jaren zien we flinke onderschrijdingen ontstaan op de premiegefinancierde
zorguitgaven, m.n. bij de wijkverpleging. De uitgavenkaders worden aan het begin van
een nieuw kabinet voor de kabinetsperiode vastgesteld en zijn gebaseerd op een zo
goed mogelijke raming
van het CPB en op wat het kabinet aan volumegroei beschikbaar stelt. Gedurende de
kabinetsjaren kunnen er echter ontwikkelingen bij de zorguitgaven van zorgverzekeraars
en zorgkantoren zijn, waardoor de daadwerkelijke zorguitgaven afwijken van de raming.
Bij de premiegefinancierde zorguitgaven is de afgelopen jaren met name sprake geweest
van structurele onderuitputting in de wijkverpleging. Naar de onderschrijding in de
wijkverpleging zijn de afgelopen jaren verschillende onderzoeken gedaan. Deze onderzoeken
hebben aangetoond dat de oorzaak van de onderschrijdingen een combinatie is van factoren,
waaronder de toegenomen doelmatigheid, de focus op zelfredzaamheid van cliënten en
uitstroom van cliënten richting de Wet langdurige zorg (Wlz). Uit onderzoek blijkt
dat de wijkverpleging, ondanks de onderschrijding, goed toegankelijk is en dat mensen
over het algemeen snel zorg kunnen krijgen wanneer dat nodig is.
Recent, in de loop van 2025, is ook in de Wlz een onderschrijding waar te nemen. In
een eerdere beantwoording van Kamervragen heeft de Staatssecretaris voor Langdurige
en Maatschappelijke Zorg aangegeven dat zij het RIVM gevraagd heeft om onderzoek te
doen naar de verminderde vraag naar ouderenzorg. Het RIVM zal onderzoeken of (en zo
ja, in welke mate) sprake is van vraaguitval, welke verklaringen daarvoor zijn en
of sprake is van tijdelijke of structureel verminderde vraag. De verwachting is dat
het onderzoek voor het zomerreces van 2026 gereed is.
Met verwerken van de meest recente (uitvoerings)informatie sluiten we aan bij de nieuwste
inzichten van de ramingen uitgaven van de premiegefinancierde zorg.
Vraag 66
Tussen 2008 en 2020 is het marktaandeel naar DBC-omzet van umc’s en STZ-ziekenhuizen,
de plaatsen waar in Nederland de duurste, meest complexe zorg wordt geleverd, toegenomen
met 6,2 procent. Over dezelfde periode is het marktaandeel van de kleinere algemene
en categorale ziekenhuizen, samen met dat van de zelfstandige behandelklinieken -plaatsen
waar de medisch-specialistische basiszorg wordt geleverd, afgenomen met diezelfde
6,2 procent. Hoe ontwikkelden deze marktaandelen zich tussen 2020 en 2025?
Antwoord
Het Ministerie van VWS beschikt niet over de exacte cijfers met betrekking tot de
ontwikkeling van de gevraagde marktaandelen tussen 2020–2025. De Minister kan daarom
geen uitspraak doen over het aandeel geopende dbc’s door verschillende typen instellingen
tussen 2020 en 2025 omdat de cijfers van 2025 nog niet beschikbaar zijn. De meest
recente beschikbare definitieve cijfers zijn die tot en met 2021 (zie onderstaand
overzicht).
Wel kan geconcludeerd worden dat in algemene zin de omzet en de zorgkosten in medisch-specialistische
zorg zijn toegenomen en dat UMC’s en topklinische (STZ) ziekenhuizen in absolute termen
zijn gegroeid.
Tussen 2008 en 2021 is het marktaandeel van UMC’s en STZ ziekenhuizen toegenomen met
6,9%. Over dezelfde periode is het marktaandeel van de kleinere algemene en categorale
ziekenhuizen, samen met dat van de zelfstandige behandelklinieken, 6,9% afgenomen.
jaartal
aandeel geopende Diagnose Behandel Combinaties (DBC’s) ten opzichte van totaal aantal
geopende DBC’s (%)
Universitair medische centra (UMC’s)
Alg.ziekenh., topklinisch/specialistisch
Algemene ziekenhuizen overig
Zelfstandige behandelcentra (ZBC’s)
Overige instellingen
2008
10,4%
40,6%
44,7%
3,0%
1,3%
2009
10,5%
39,9%
44,1%
3,5%
2,1%
2010
10,8%
40,7%
42,5%
4,2%
1,9%
2011
10,0%
40,4%
42,8%
4,8%
2,0%
2012
11,0%
42,2%
39,8%
5,0%
2,0%
2013
11,1%
41,2%
40,0%
0,0%
7,7%
2014
11,6%
40,8%
39,8%
0,0%
7,8%
2015
11,4%
43,0%
37,1%
0,0%
8,4%
2016
11,6%
44,2%
35,1%
0,0%
9,1%
2017
11,6%
45,7%
33,1%
0,0%
9,6%
2018
11,4%
45,7%
32,8%
0,0%
10,0%
2019
11,5%
45,9%
32,3%
0,0%
10,4%
2020
11,9%
45,4%
31,7%
0,0%
11,0%
2021
11,7%
46,2%
30,6%
0,0%
11,6%
20221
11,5%
45,7%
30,8%
0,0%
12,0%
20231
11,4%
45,4%
30,8%
0,0%
12,4%
X Noot
1
de cijfers over 2022 en 2023 zijn voorlopige cijfers.
Vraag 67
Welke maatregelen zijn er door de Ministeries van OCW en VWS genomen naar aanleiding
van het advies uit 2019 om meer verpleegkundig specialisten op te leiden?
Antwoord
In 2019 is het aantal opleidingsplaatsen voor verpleegkundig specialisten voor het
eerst geraamd door het Capaciteitsorgaan. Het voorkeursadvies van het Capaciteitsorgaan
was om meer op te leiden met 429 opleidingsplaatsen voor de verpleegkundig specialist
algemene gezondheidszorg (AGZ) en 160 opleidingsplaatsen voor de verpleegkundig specialist
GGZ. In december 2022 kwam er een nieuw advies van het Capaciteitsorgaan uit, de Ministers
van OCW en VWS hebben dit advies in zijn geheel overgenomen en besloten het aantal
opleidingsplaatsen verder op te hogen. Het aantal opleidingsplaatsen voor verpleegkundig
specialisten AGZ is de afgelopen drie jaar naar 474 gestegen. Voor de verpleegkundig
specialist GGZ geldt dat in drie jaar het totaal aantal opleidingsplaatsen is gegroeid
naar 248.
Vraag 68
In welke regio’s wordt er gewerkt met een «flexibele schil» voor de Spoedeisende Hulp
(SEH) zoals dat nu is opgezet in Utrecht?
Antwoord
In regio Utrecht hebben vier ziekenhuizen een intentieovereenkomst getekend om een
regionale flexibele schil van Spoedeisende Hulp (SEH) professionals op te zetten.
Het doel is om pieken en tekorten in de spoedzorg op te kunnen vangen. Ook biedt dit
zorgprofessionals de kans om meer kennis en nieuwe ervaringen op te doen.
In regio Brabant en in Euregio (Twente, Oost – Achterhoek en de Duitse grensstreek)
lopen soortgelijke pilots.
Vraag 69
Neemt het capaciteitsorgaan voor wat betreft het opleiden van SEH-artsen en verpleegkundigen
mee dat het hier gaat om een relatieve nieuwe beroepsgroep gaat, waar veel mensen
tegelijkertijd met pensioen gaan? Zo ja, hoe dan?
Antwoord
In de ramingen van het Capaciteitsorgaan wordt rekening gehouden met de leeftijdsopbouw
van de beroepsgroep. In relatief nieuwe beroepen, zoals bij de SEH-artsen, ligt de
gemiddelde leeftijd van alle werkzame personen laag. Daardoor is in deze nieuwe beroepen
de uitstroom naar pensioen de komende 20 jaar ook laag. Naarmate de beroepsgroep ouder
wordt, zal op een gegeven moment de uitstroom naar pensioen toenemen. Omdat het Capaciteitsorgaan
20 jaar vooruit kijkt, wordt hier tijdig rekening mee gehouden in toekomstige ramingen.
Vraag 70
Heeft de Minister bevoegdheden om te sturen op de personeelsinzet door ziekenhuizen?
Zo ja, op welke manier kunnen deze bevoegdheden worden ingezet om te voorkomen dat
personeel wordt ingezet op cashcows in plaats van basiszorg conform Guus van Montfort
(2025) en Complex is King (2023)?
Antwoord
De Minister van VWS heeft geen bevoegdheden om te sturen op de personeelsinzet van
individuele ziekenhuizen. Werkgevers – in dit geval ziekenhuizen – gaan over de inzet
van het personeel. Wel stelt het Ministerie van VWS jaarlijks opleidingsplaatsen voor
medisch specialisten, gespecialiseerd verpleegkundigen en medisch ondersteunend personeel
beschikbaar, op basis van de ramingen van het Capaciteitsorgaan. Desalniettemin blijft
het een verantwoordelijkheid van werkgevers hoe zij hun personeel inzetten.
Vraag 71
Welke innovaties op de SEH kunnen niet binnen het huidige kwaliteitskader spoedzorgketen
worden uitgevoerd en behoeven daadwerkelijk een nieuw kwaliteitskader of zogenoemde
differentiatie?
Antwoord
Het Kwaliteitskader Spoedzorgketen is een landelijk kader voor de samenwerking tussen
ketenpartners en beschrijft de minimale vereisten voor de (regionale) organisatie
van de spoedzorg. De Minister van VWS herkent zich niet in de aanname dat het huidige
kwaliteitskader innovaties op de SEH in de weg zit. Wel worden aan de Landelijke Spoedzorgtafel
(LST) afspraken gemaakt over differentiatie van kwaliteitseisen voor verschillend
aanbod van acute zorg in ziekenhuizen. Het doel van de gesprekken aan deze tafel is
niet om innovaties te faciliteren, maar om ervoor te zorgen dat het aanbod van spoedzorg
aansluit bij de zorgvraag in de regio, en dat het aanbod voldoet aan kwaliteitseisen.
Er wordt daarbij onder andere gekeken naar zogenaamde andere verschijningsvormen van
acute zorg. Onlangs zijn er twee notities gepubliceerd met betrekking tot differentiatie
van kwaliteitseisen. De eerste notitie is de inventarisatie van het RIVM van ziekenhuislocaties
waar, en welke vorm van spoedzorg, wordt aangeboden. Deze inventarisatie is gepubliceerd
op de website van het RIVM12. De tweede notitie is van de IGJ en betreft een reflectie ten aanzien van differentiatie
in de acute zorg binnen ziekenhuizen. Deze notitie is te vinden op de website van
de IGJ13. De inventarisatie van RIVM en de notitie van de IGJ zijn beide aangeboden aan de
LST om te gebruiken bij het verder uitwerken van de AZWA-afspraken over differentiatie
van kwaliteitseisen voor het aanbod van acute zorg in ziekenhuizen.
Vraag 72
Valt een bijzondere verschijningsvorm(en) zoals de Acute Zorg Afdeling van het Zuyderland
Ziekenhuis volgens de IGJ onder het kwaliteitskader spoedzorgketen?
Antwoord
Nee. De IGJ heeft onlangs een reflectie ten aanzien van differentiatie in de acute
zorg binnen ziekenhuizen aangeboden aan de Landelijke Spoedzorgtafel (LST).14 De Acute Zorgafdeling van Zuyderland MC wordt hierin ook beschouwd en aangeduid als
een «bijzondere verschijningsvorm». De IGJ geeft in de notitie aan dat zij niet kan
stellen dat bijzondere verschijningsvormen onder de reikwijdte van het Kwaliteitskader
Spoedzorgketen vallen. Dit signaal kan worden betrokken bij het verder uitwerken van
de AZWA-afspraken over differentiatie van kwaliteitseisen voor het aanbod van acute
zorg in ziekenhuizen.
Vraag 73
Valt een bijzondere verschijningsvorm(en) zoals de Acute Zorg Afdeling van het Zuyderland
Ziekenhuis volgens de het Zuyderland onder het kwaliteitskader spoedzorgketen?
Antwoord
Nee. De IGJ heeft onlangs een reflectie ten aanzien van differentiatie in de acute
zorg binnen ziekenhuizen aangeboden aan de Landelijke Spoedzorgtafel (LST).15 De Acute Zorgafdeling van Zuyderland MC wordt hierin ook beschouwd en aangeduid als
een «bijzondere verschijningsvorm». De IGJ geeft in de notitie aan dat zij niet kan
stellen dat bijzondere verschijningsvormen onder de reikwijdte van het Kwaliteitskader
Spoedzorgketen vallen. Dit signaal kan worden betrokken bij het verder uitwerken van
de AZWA-afspraken over differentiatie van kwaliteitseisen voor het aanbod van acute
zorg in ziekenhuizen.
Vraag 74
Valt een bijzondere verschijningsvorm(en) zoals de Acute Zorg Afdeling van het Zuyderland
Ziekenhuis volgens de Minister onder het kwaliteitskader spoedzorgketen?
Antwoord
Nee. De IGJ heeft onlangs een reflectie ten aanzien van differentiatie in de acute
zorg binnen ziekenhuizen aangeboden aan de Landelijke Spoedzorgtafel (LST).16 De Acute Zorgafdeling van Zuyderland MC wordt hierin ook beschouwd en aangeduid als
een «bijzondere verschijningsvorm». De IGJ geeft in de notitie aan dat zij niet kan
stellen dat bijzondere verschijningsvormen onder de reikwijdte van het Kwaliteitskader
Spoedzorgketen vallen. Dit signaal kan worden betrokken bij het verder uitwerken van
de AZWA-afspraken over differentiatie van kwaliteitseisen voor het aanbod van acute
zorg in ziekenhuizen.
Vraag 75
Hoeveel ziekenhuizen nemen inmiddels deel aan de landelijke SEH-kwaliteitsregistratie
NEED?
Antwoord
Onder de scope van de landelijke kwaliteitsregistratie NEED vallen 80 zorgaanbieders
die spoedeisende hulp zorg leveren. Voor zover bekend zijn ongeveer 23 zorgaanbieders
(waaronder 19 ziekenhuizen) aangesloten bij de kwaliteitsregistratie NEED.
Vraag 76
Welke inzichten voor de kwaliteit van integrale SEH-zorg kan een kwaliteitsregistratie
zoals de NEED bieden?
Antwoord
Op dit moment neemt slechts een beperkt aantal zorgaanbieders deel aan de NEED kwaliteitsregistratie.
Met de inwerkingtreding van het wetsvoorstel kwaliteitsregistraties zorg per 1 januari
2026 moeten alle kwaliteitsregistraties door het Zorginstituut worden getoetst. Bij
een positief oordeel wordt een kwaliteitsregistratie opgenomen in het Register voor
kwaliteitsregistraties en krijgt daarmee een grondslag om gepseudonimiseerde patiëntdata
te mogen verwerken. Bij een negatief oordeel moet de dataverwerking door de NEED stoppen.
Omdat de NEED kwaliteitsregistratie vooruitlopend op de inwerkingtreding van het wetsvoorstel
een negatief advies van de Inhouds-governancecommissie (IGC) en de Data-governancecommissie
(DGC) heeft ontvangen, voert het Zorginstituut op dit moment een proeftoetsing uit.
De uitkomst daarvan is nog niet bekend.
Vraag 77
Wat is de verhouding tussen de IZA-tafel, de ROAZ-tafel en de Landelijke Spoedzorgtafel
als het gaat om vraagstukken rondom acute zorg?
Antwoord
Op alle genoemde tafels worden afspraken gemaakt over toekomstbestendige (acute) zorg
op landelijk of regionaal niveau. Er zijn verschillen in welke onderwerpen op de verschillende
tafels worden besproken, met landelijke partijen danwel regionale partijen.
In het Integraal Zorgakkoord (IZA) en het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA)
zijn afspraken gemaakt over het versterken van de regionale samenwerking. Deze landelijke
afspraken worden besproken aan de IZA/AZWA tafel.
Aan de Landelijke Spoedzorgtafel (LST) worden ontwikkelingen rond het Kwaliteitskader
Spoedzorgketen besproken. Hier worden bijvoorbeeld afspraken gemaakt over differentiatie
van kwaliteitseisen voor verschillend aanbod van acute zorg in ziekenhuizen.
Het Regionaal Overleg Acute Zorgketen (ROAZ) is een regionaal overleg waar afspraken
gemaakt worden over de toegankelijkheid van de acute zorg in betreffende regio.
Vraag 78
Welke partijen zitten er aan de ROAZ-tafel? Welke partijen zitten daardoor juist niet
aan tafel als er regioplannen worden gemaakt?
Antwoord
Een traumacentrum organiseert een regionaal overleg acute zorgketen (ROAZ) dat tot
doel heeft te bewerkstelligen dat zorgaanbieders, die behoren tot de in artikel 8A.1
van het Uitvoeringsbesluit Wkkgz17 aangewezen categorieën, afspraken maken met betrekking tot de beschikbaarheid en
bereikbaarheid van de acute zorg in hun regio alsmede de voorbereiding op het verlenen
van die zorg. Dit zijn de volgende categorieën van zorgaanbieders:
a. traumacentra;
b. aanbieders van medisch-specialistische zorg die acute zorg verlenen, anders dan traumacentra;
c. Regionale Ambulancevoorzieningen;
d. aanbieders van huisartsenzorg in huisartsenposten;
e. gemeentelijke gezondheidsdiensten als bedoeld in artikel 14 van de Wet publieke gezondheid;
f. aanbieders van geestelijke gezondheidszorg die acute zorg verlenen;
g. apotheken die in de avond, de nacht en op zondag farmaceutische zorg aanbieden;
h. aanbieders van huisartsenzorg, anders dan in huisartsenposten;
i. aanbieders van geestelijke gezondheidszorg, die geen acute zorg verlenen;
j. aanbieders van medisch-specialistische zorg, anders dan bedoeld in de onderdelen a
en b;
k. apotheken, anders dan bedoeld in onderdeel g;
l. aanbieders van verloskundige zorg;
m. aanbieders van wijkverpleging;
n. aanbieders van eerstelijnsverblijf;
o. aanbieders van Wlz-zorg;
p. aanbieders van geriatrische revalidatiezorg.
Daarnaast nodigt het traumacentrum voor elk regionaal overleg acute zorgketen (ROAZ)
ten minste de zorgverzekeraar uit met het grootste marktaandeel in de regio en de
directeur publieke gezondheid (DPG), als vertegenwoordiger van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst(en)
(GGD) en de Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie(s) in betreffende regio (GHOR).
Indien een onderwerp geagendeerd staat dat naar het oordeel van het traumacentrum
een gemeente, een patiëntenorganisatie, een Wlz-uitvoerder, de politie of een andere
organisatie aangaat, nodigt het ook deze organisatie uit. De samenstelling van de
partijen die aan tafel zitten in het ROAZ kan dus verschillen.
In het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord (AZWA) is de afspraak gemaakt dat de twee
grootste zorgverzekeraars in iedere regio het voortouw nemen om de consistentie tussen
ROAZ- en regioplannen te borgen. Hiermee wordt beoogd dat er uitwisseling plaatsvindt
tussen de ROAZ en de regioplannen.
Vraag 79
Kunt u per ROAZ aangeven in hoeverre Spoedeisende Hulpartsen deelnemen aan de ROAZ-tafel
en betrokken zijn als het gaat om acute zorg?
Antwoord
Ik kan niet per ROAZ regio aangeven hoe de Spoedeisende Hulpartsen deelnemen aan het
Regionaal Overleg Acute zorgketen (ROAZ). Het is per ROAZ-regio verschillend hoe de
governancestructuur is opgebouwd. In de regio’s worden professionals betrokken bij
het ROAZ via diverse focus-/expertgroepen of in het tactisch ROAZ, onder de structuur
van betreffende ROAZ. Daarnaast is in het Integraal Zorgakkoord de afspraak opgenomen
dat het opstellen van de ROAZ plannen gebeurt in gezamenlijkheid met relevante zorgprofessionals.
Vraag 80
Aangezien het voorzitterschap voor de ROAZ-tafel bij het traumacentrum/UMC ligt, hoe
borgt u dat de regionale ziekenhuizen voldoende zijn aangehaakt bij de regioplannen
en andere belangrijke beslissingen van het ROAZ?
Antwoord
Conform het Uitvoeringsbesluit Wkkgz is de organisatie van het Regionaal Overleg Acute
zorgketen (ROAZ) belegd bij het traumacentrum van de betreffende regio. Het is per
ROAZ-regio verschillend hoe de governancestructuur is opgebouwd. In het ROAZ worden
afspraken gemaakt over vertegenwoordiging en mandaat in de verschillende overleggen
die gekoppeld zijn aan het ROAZ onder de structuur van betreffende ROAZ. De regionale
ziekenhuizen worden volgens deze regionale structuur vertegenwoordigd op operationeel,
tactisch en strategisch niveau. De ROAZ-plannen en de uitvoering daarvan is een gezamenlijke
verantwoordelijkheid van de deelnemende partijen. Daarnaast is in het Aanvullend Zorg
en Welzijnsakkoord (AZWA) de afspraak gemaakt om de medisch-specialistische zorg –
voor zover dat nog niet het geval is – onderdeel uit te maken van de ROAZ- en regioplannen.
In de ROAZ en Regioplannen worden de afspraken beschreven die in de regio zijn gemaakt
over de transformatie binnen het zorglandschap en op hoofdlijnen wie welke zorg levert.
Vraag 81
Aangezien het voorzitterschap voor de ROAZ-tafel ligt bij traumacentrum/UMC ligt, hoe borgt u dat de spoedeisende hulp artsen voldoende zijn aangehaakt
bij regioplannen en andere belangrijke beslissingen van het ROAZ?
Antwoord
Conform het Uitvoeringsbesluit Wkkgz is de organisatie van het Regionaal Overleg Acute
zorgketen (ROAZ) belegd bij het traumacentrum van de betreffende regio. Het is per
ROAZ-regio verschillend hoe de governancestructuur is opgebouwd. In de regio’s worden
professionals betrokken bij het ROAZ via diverse focus-/expertgroepen of in het tactisch
ROAZ, onder de structuur van betreffende ROAZ. Daarnaast is in het Integraal Zorgakkoord
de afspraak opgenomen dat het opstellen van de ROAZ plannen gebeurt in gezamenlijkheid
met relevante zorgprofessionals. Voor Spoedeisendehulp artsen is dit veelal geborgd
via een focusgroep SEH of multitraumazorg.
Vraag 82
Aangezien het voorzitterschap voor de ROAZ-tafel ligt bij traumacentrum/UMC ligt, hoe borgt u dat de verloskundigen voldoende zijn aangehaakt bij
regioplannen en andere belangrijke beslissingen van het ROAZ?
Antwoord
De organisatie van het Regionaal Overleg Acute zorgketen (ROAZ) is, conform het Uitvoeringsbesluit
Wkkgz, belegd bij het traumacentrum van de betreffende regio. In het IZA zijn afspraken
gemaakt om professionals te betrekken bij het opstellen van de ROAZ- en regioplannen.
Het is per ROAZ-regio verschillend hoe de governancestructuur is opgebouwd. In de
regio’s worden professionals betrokken bij het ROAZ via diverse focus-/expertgroepen
of in het tactisch ROAZ, onder de structuur van betreffende ROAZ. Daarnaast is in
het Integraal Zorgakkoord de afspraak opgenomen dat het opstellen van de ROAZ plannen
gebeurt in gezamenlijkheid met relevante zorgprofessionals. Veelal is dit voor verloskundigen
geborgd via de focusgroep geboortezorg.
Vraag 83
Kunt u uiteenzetten hoe de meevaller bij «Apotheekzorg en hulpmiddelen» van € 49,3 miljoen
is opgebouwd, uitgesplitst naar uitgaven voor geneesmiddelen en uitgaven voor apotheekhoudende
zorg respectievelijk apotheken?
Antwoord
Deze meevaller betreft voor € 45,3 miljoen de apotheekzorg en voor € 4,0 miljoen de
sector hulpmiddelen. Binnen de apotheekzorg kan er geen onderscheid worden gemaakt
tussen geneesmiddelen en apotheekhoudende zorg respectievelijk apotheken omdat deze
twee onderdelen niet afzonderlijk worden geraamd.
Vraag 84
Kan worden toegelicht welk deel van de neerwaartse bijstelling van € 49,3 miljoen
bij «Apotheekzorg en hulpmiddelen» het gevolg is van volumemutaties en welk deel van
prijsontwikkelingen, waaronder de in het budgettaire kader verwerkte loon en prijscompensatie?
Antwoord
Deze informatie is niet beschikbaar omdat de realisatiecijfers die het Ministerie
van VWS ontvangt van het Zorginstituut uitsluitend zijn gebaseerd op de daadwerkelijke
uitgaven. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt naar volumemutaties en prijsontwikkelingen
ten opzichte van de raming.
Vraag 85
Is het juist dat de onderschrijding bij apotheekzorg in belangrijke mate is/wordt
veroorzaakt doordat de vooraf in het budgettaire kader opgenomen loon en prijscompensatie
niet (volledig) is gerealiseerd, zoals in eerdere jaren ook het geval was bij onderdelen
van de Zvw uitgaven? Kan dit per jaar vanaf 2020 kwantitatief worden onderbouwd?
Antwoord
Omdat er in de realisatiecijfers geen onderscheid gemaakt kan worden tussen volumemutaties
en prijsontwikkelingen is het niet mogelijk om de onderschrijding in de apotheekzorg
op deze manier kwantitatief te onderbouwen. Het is echter wel aannemelijk dat de vooraf
in het budgettaire kader opgenomen loon- en prijscompensatie de belangrijkste verklaring
is, omdat dit de grootste component in de verwachte groei van de uitgaven is, zeker
in de jaren 2023 en 2024.
Vraag 86
Wordt de neerwaartse bijstelling van € 49,3 miljoen voor «Apotheekzorg en hulpmiddelen»
gezien als incidenteel in 2025 of wordt deze geheel of gedeeltelijk structureel verwerkt
in de meerjarenramingen voor apotheekzorg en hulpmiddelen binnen de Zvw?
Antwoord
Deze neerwaartse bijstelling wordt incidenteel verwerkt in de raming voor 2025.
Vraag 87
Welke aannames hebben Zorginstituut Nederland en de Nederlandse Zorgautoriteit gebruikt
bij de actualisatie van de raming voor «Apotheekzorg en hulpmiddelen», bijvoorbeeld
ten aanzien van contractering, volumeontwikkeling, generieke substitutie en preferentiebeleid?
Antwoord
Het Zorginstituut Nederland heeft geen aannames gebruikt bij de actualisatie van de
raming voor «Apotheekzorg en hulpmiddelen», maar de door verzekeraars verwachte uitgaven
aan deze sectoren bij elkaar opgeteld.
Vraag 88
Hoe is bij de kwalificatie van de onderschrijding bij «Apotheekzorg en hulpmiddelen»
als meevaller rekening gehouden met de arbeidsmarktsituatie in de openbare farmacie,
zoals beschreven in het recente TNO rapport over apothekersassistenten en het in oktober
gepubliceerde brancherapport?
Antwoord
Bij deze kwalificatie is geen rekening gehouden met de arbeidsmarktsituatie zoals
beschreven in het genoemde rapport.
Vraag 89
Uit Tabel 19 blijkt dat er bij Najaarsnota 2025 een onderbesteding is van € 22 miljoen
in de wijkverpleging. Wat is de reden voor deze onderbesteding?
Antwoord
Zoals aangegeven in de brief (Kamerstukken II 2024/25, 23 235, nr. 244) van de Staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg, zijn er verschillende
oorzaken van de onderschrijding in het budgettair kader wijkverpleging.
Specifiek ten aanzien van de € 22 miljoen geldt het volgende: De zorgverzekeraars
kunnen, naarmate het jaar vordert, een steeds nauwkeurigere raming maken van de verwachte
uitgaven wijkverpleging. Dit heeft in dit geval geleid tot een relatief geringe bijstelling
van de eerdere raming van de onderschrijding 2025 in de ontwerpbegroting 2026.
Vraag 90
In de begroting voor 2026 VWS is de post wijkverpleging al naar beneden bijgesteld
conform het AZWA (p.171, Kamerstuk 36 800 XVI). Wat is de reden dat er nu bij de Najaarsnota toch nog een aanvullende onderschrijding
heeft plaatsgevonden?
Antwoord
De onderschrijding van € 22,0 miljoen (0,7% bij een stand van € 3.243 miljoen) komt
bovenop de in de VWS-begroting 2026 verwachte onderbesteding voor 2025 in de wijkverpleging
van € 406,7 miljoen. Deze extra onderschrijding volgt uit de derde kwartaalrapportage
van het Zorginstituut.
De verwachte uitgaven in de kwartaalrapportages van het Zorginstituut zijn gebaseerd
op de ramingen van alle zorgverzekeraars. De zorgverzekeraars kunnen naarmate het
jaar vordert een steeds nauwkeurigere raming maken van de zorguitgaven op basis van
onder andere de kenmerken van hun verzekerdenpopulatie, de gemaakte inkoopafspraken
en de reeds ontvangen declaraties. De derdekwartaalcijfers van de wijkverpleging zijn
bijvoorbeeld gebaseerd op circa 67% van de te ontvangen declaraties in 2025, terwijl
de tweedekwartaalcijfers waren gebaseerd op circa 42% van de te ontvangen declaraties.
De VWS-begroting 2026 was gebaseerd op de tweedekwartaalcijfers. Door de derde kwartaalrapportage
over te nemen sluiten we aan bij de actuele ramingen.
Vraag 91
Hoe verhouden deze onderbestedingen zich tot de vraag naar zorg die er wel degelijk
is (bijvoorbeeld naar casemanagers dementie) en waarin onvoldoende wordt voorzien?
Antwoord
Casemanagement dementie valt onder de Zorgverzekeringswet en kan al worden ingezet
vanaf de «niet-pluisfase» van dementie. Uit recent onderzoek van PwC blijkt dat casemanagement
niet altijd (tijdig) wordt ingezet.18
De Staatssecretaris LMZ heeft op 9 december jl. uw Kamer een brief gestuurd over de
wijze waarop casemanagement voor iedereen die het nodig heeft beter kan worden georganiseerd
Kamerstuknummer is nog niet bekend, zie ook.19 Het budgettair kader wijkverpleging biedt daarvoor voldoende ruimte.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
E.M. Sjerp, adjunct-griffier
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.