Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over o.a. Nieuw financieringsstelsel kinderopvang (Kamerstuk 31322-571)
2025D51627 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
In de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid bestond bij enkele fracties
de behoefte een aantal vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de volgende brieven:
• Toelichting op verhoging vergoedingspercentages kinderopvangtoeslag in 2026 (Kamerstuk
31 322, nr. 562);
• Herziene versie «Overzicht dossiers vertrouwensinspectie Kinderopvang 2022 – 2024
(Kamerstuk 31 322, nr. 563);
• Toegankelijkheid en doelmatigheid in het nieuwe financieringsstelsel kinderopvang
(Kamerstuk 31 322, nr. 569);
• Verzamelbrief Kinderopvang (Kamerstuk 31 322, nr. 570);
• Nieuw financieringsstelsel kinderopvang (Kamerstuk 31 322, nr. 571);
• Regeldruk en toezicht kinderopvang (Kamerstuk 31 322, nr. 572).
De fungerend voorzitter van de commissie,
Van der Burg
Adjunct-griffier van de commissie,
Van den Broek
Inhoudsopgave
I
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de FvD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
II
Antwoord/Reactie van de Staatssecretaris
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de stukken op de
agenda voor het schriftelijk overleg over kinderopvang. Bijna gratis kinderopvang
geeft duidelijkheid aan ouders, na jaren van onzekerheid over toeslagen. Daarom willen
deze leden graag deze herziening voortvarend doorzetten. Zij hebben enkele vragen
ten aanzien van de stelselwijziging en de toegankelijkheid.
De leden van de D66-fractie steunen de koers van de Staatssecretaris om de stelselherziening
door te zetten, met oog voor toegankelijkheid van het stelsel en rechtmatige en doelmatige
besteding van overheidsgeld. Bovendien achten zij het noodzakelijk om de situatie
te voorkomen waarbij er ongeoorloofde staatssteun wordt gegeven. Deze leden vinden
het terecht om maatregelen te nemen ten behoeve van doelmatige besteding, gezien het
risico op tariefstijgingen en de bijna complete publieke financiering van de dienst.
Wel hebben zij enkele vragen over de praktische uitvoering. Deze leden vragen hoe
de Staatssecretaris de besluitvorming over de Dienst van Algemeen en Economische Belang
(DAEB-)aanwijzing voor ogen ziet. Zij vragen daarbij hoe hij gaat voorkomen dat extra
activiteiten die nu worden aangeboden door kinderopvangorganisaties ten behoeve van
de ontwikkeling van kinderen niet buiten de definitie van de omschreven werkzaamheden
gaat vallen. Ook vragen deze leden hoe de Staatssecretaris ervoor gaat zorgen dat
administratieve lasten zo laag mogelijk zijn voor kinderopvangorganisaties.
De leden van de D66-fractie zijn enthousiast over de manier waarop het nieuwe stelsel
wordt uitgewerkt, waarbij er nauwere samenwerking is tussen beleid en uitvoering.
Deze leden vragen daarbij of daar al lessen uit te trekken zijn voor andere hervormingen,
met name op het gebied van de (interne) ontwikkeling van ICT-functionaliteiten en
de ontwikkeling van prototypes. Ook vragen deze leden hoe ouders en kinderopvangorganisaties
betrokken worden bij het verdere proces en ontwikkeling van het systeem.
De leden van de D66-fractie steunen de lijn om gemeenten meer mogelijkheden te geven
om de eigen bijdrage van ouders te vergoeden, maar vragen daarbij wel aandacht voor
uniformiteit tussen gemeenten. Deze leden zijn blij dat de handreiking Sociaal Medische
Indicatie (SMI) in januari 2026 gepresenteerd wordt, naar aanleiding van vragen van
deze leden. Zij vinden het onwenselijk dat onrechtvaardige verschillen zijn in de
uitvoering van SMI. Ook zijn zij blij met de toename in middelen in 2025 en 2029 in
het gemeentefonds voor het verstrekken van maatwerk via SMI. Wel vragen zij in hoeverre
de Staatssecretaris zicht blijft houden op het effect van de handreiking en modeldocumenten.
Op welke wijze monitort de Staatssecretaris om te zien of de handreiking ook daadwerkelijk
het beoogde effect heeft? Daarbij vragen deze leden hoe de extra middelen voor gemeenten
om maatwerk te leveren voor ouders met een SMI zich verhouden tot voor- en vroegschoolse
educatie, of dat deze enkel bestemd zijn voor de reguliere kinderopvang.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de stukken
over de kinderopvang. Deze leden hebben nog een aantal vragen en opmerkingen.
Allereerst zijn de leden van de PVV-fractie benieuwd of er reeds een concreet ingroeipad
is vastgesteld voor de situatie in 2028 en, zo ja, hoe dit pad er precies uitziet.
De leden van de PVV-fractie zijn benieuwd of en welke maatregelen de Staatssecretaris
in gedachten heeft indien de wachtlijsten in 2029 te lang worden door de grote instroom
van nieuwe kinderen.
De leden van de PVV-fractie vragen wat de Staatssecretaris gaat doen om de administratieve
lasten van de DAEB te beperken.
De leden van de PVV-fractie vragen waarom er, naast de DAEB, niet voor is gekozen
om andere alternatieven verder uit te werken.
De leden van de PVV-fractie zijn benieuwd wat de Staatssecretaris beschouwt als een
redelijk rendement voor kinderopvangorganisaties.
De leden van de PVV-fractie zijn benieuwd hoeveel procent van de kinderopvangorganisaties
volgens de verwachting boven de maximum uurprijs (MUP) zal uitkomen.
De leden van de PVV-fractie vragen hoe de Staatssecretaris de forse stijging verklaart
van het aantal dossiers over fysiek geweld bij de vertrouwensinspecteurs kinderopvang:
van 103 in 2022 naar 200 in 2024, een toename van bijna 100%.
De leden van de PVV-fractie vragen of de Staatssecretaris een overzicht kan geven
van de gemeenten waarin deze 200 meldingen over fysiek geweld in 2024 hebben plaatsgevonden.
De leden van de PVV-fractie willen tevens begrijpen waarom het aantal strafrechtelijke
aangiften naar aanleiding van deze meldingen is gedaald van 28 in 2022 naar 22 in
2024, terwijl het aantal meldingen zelf bijna verdubbelde.
De leden van de PVV-fractie vragen of de Staatssecretaris een verdere stijging dan
wel een daling verwacht van het aantal incidenten met fysiek geweld op het moment
dat kinderopvang vrijwel gratis wordt.
De leden van de PVV-fractie vragen of de Staatssecretaris gevallen bekend zijn waarin
kinderopvangorganisaties genoodzaakt zijn beveiligers in te huren ter bescherming
van kinderen en/of personeel.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met tevredenheid kennisgenomen van de inzet van
de Staatssecretaris om de regeldruk in de kinderopvangsector te verminderen en onder
controle te houden, met name voor kleine ondernemers. Deze leden moedigen hem aan
deze koers onverminderd voort te zetten, en vragen hem of hij zijn ambities en de
reden hierachter nader kan toelichten. Deze leden vragen de Staatssecretaris of hij
een volledig overzicht kan geven van de regels die door de sector op dit moment nog
als knellend of onnodig belastend worden ervaren, maar waarvoor nog geen concrete
stappen zijn gezet richting vereenvoudiging of afschaffing. Indien dergelijke regels
bestaan, vernemen zij graag om welke regels het gaat, welke gevolgen deze hebben voor
met name klein- en middenbedrijven binnen de sector, en of de Staatssecretaris voornemens
is deze te schrappen, te vereenvoudigen of anderszins te verlichten.
De leden van de VVD-fractie onderschrijven de ambitie van de Staatssecretaris om te
komen tot daadwerkelijke deregulering. In Kamerstuk 31 322, nr. 572 geeft de Staatssecretaris aan bij enkele maatregelen nog te zullen bezien hoe en
of tot versoepeling kan worden gekomen. Deze leden verzoeken de Staatssecretaris per
maatregel inzichtelijk te maken welk besluitvormingstraject wordt voorzien, binnen
welke termijn de Kamer een vervolgstap of keuze tegemoet kan zien, en hoe de voortgang
meetbaar en controleerbaar wordt gemaakt. Deze leden wijzen daarbij op de werkwijze
van de Minister van Economische Zaken, waar concrete reductiedoelen voor regeldruk
expliciet worden geformuleerd en periodiek worden gemonitord, en vragen of een dergelijke
systematiek ook hier toegepast kan worden.
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het voornemen van het kabinet
om de formele kinderopvang in Nederland aan te wijzen als DAEB. Deze leden begrijpen
de noodzaak om staatssteunrisico’s te voorkomen, mede gezien het feit dat terugvordering
van miljarden aan financiering een onverantwoord risico zou vormen voor ouders, aanbieders
en overheid. Tegelijkertijd nemen zij zorgen uit de sector serieus, onder andere op
het gebied van investeringsbereidheid en innovatiekracht. Daarom vragen deze leden
naar de stand van zaken m.b.t. de doenvermogentoets. Wat zijn de resultaten hiervan?
Deze leden willen ook weten hoe het kabinet de impact inschat van een sectorbrede
DAEB-aanwijzing op het investeringsklimaat, en in het bijzonder op de beschikbaarheid
van financiering voor uitbreiding, innovatie en kwaliteitsontwikkeling. Hoe lang wordt
er al gesproken met de kinderopvangsector over een mogelijke DAEB-aanwijzing? Kan
de Staatssecretaris ook delen hoeveel medewerkers de kinderopvang in de afgelopen
jaren heeft weten te werven? Deze leden verzoeken de Staatssecretaris tevens toe te
lichten in hoeverre de stabiliteit van een jaarlijkse directe overheidsfinanciering
van circa € 8,6 miljard kan worden gezien als een compenserende zekerheid met een
positief effect op het investeringsperspectief, en in hoeverre dit opweegt tegen mogelijke
beperkingen die voortvloeien uit regels omtrent overcompensatie en normrendement.
De leden van de VVD-fractie vragen de Staatssecretaris daarnaast op welke wijze eerdere
ervaringen met DAEB-aanwijzingen in andere sectoren inzicht geven in financieringsbereidheid
bij banken en institutionele beleggers, en welk beeld uit deze vergelijkingen relevant
is voor de kinderopvangsector. Tevens vragen deze leden het kabinet te verduidelijken
of DAEB, anders dan soms wordt gesuggereerd, niet moet worden gezien als een noodmaatregel
maar als een regulier instrument voor publieke diensten zoals kinderopvang, zorg en
sociale huisvesting, en of de Staatssecretaris deze duiding kan bevestigen.
De leden van de VVD-fractie lezen dat het kabinet van oordeel is dat voor de continuïteit
van kinderopvangorganisaties een redelijk rendement noodzakelijk is. Deze leden vragen
de Staatssecretaris welke bandbreedte hij op voorhand redelijk acht, gegeven de uiteenlopende
kostprijsstructuren in de sector zoals uit het kostprijsonderzoek blijkt, de omvangrijke
investeringsopgave in huisvesting en personeel, en het belang van een aantrekkelijk
ondernemingsklimaat voor aanbieders van iedere omvang. Daarnaast vragen zij welke
informatie het kabinet reeds heeft over de bereidheid van financiers om binnen een
DAEB-kader langjarige investeringen mogelijk te blijven maken. Deze leden vragen tevens
hoe het kabinet voornemens is te borgen dat een normrendement voldoende ruimte laat
voor meerjarige investeringen en voor het opbouwen van reserves die noodzakelijk zijn
voor een gezonde bedrijfsvoering. Daarbij vragen zij in hoeverre het kabinet duidelijke
kaders kan schetsen over de ruimte voor rendement die zij wil bieden, zodat ondernemers
perspectief hebben en diversiteit in het aanbod behouden kan blijven.
Met betrekking tot tariefregulering constateren de leden van de VVD-fractie dat het
kabinet uitgebreid uiteenzet dat tariefregulering risico’s kent voor de reële toegankelijkheid,
de diversiteit van het aanbod en de kwaliteit. Deze leden vragen de Staatssecretaris
te bevestigen dat tariefregulering geen verplicht element is binnen een DAEB-kader
en dus een afzonderlijke politieke keuze betreft, en alleen overwogen zal worden indien
gegarandeerd kan worden dat dit geen negatieve gevolgen heeft voor de beschikbaarheid
van kinderopvangplekken, de groei van het aanbod en de kwaliteit van de opvang.
Tot slot vragen de leden van de VVD-fractie hoe de Staatssecretaris, in het licht
van de groeiopgave en de DAEB-kaders het ondernemersvertrouwen in de sector actief
borgt en versterkt. Deelt hij de opvatting van deze leden dat ondernemerschap cruciaal
is om deze belangrijke stelselwijziging mogelijk te maken? Deze leden verzoeken de
Staatssecretaris uiteen te zetten welke aanvullende maatregelen overwogen worden om
ervoor te zorgen dat ondernemers, van klein tot groot, daadwerkelijk kunnen blijven
investeren in uitbreiding, innovatie en kwaliteit richting 2029, zodat het nieuwe
stelsel niet alleen eenvoud en zekerheid biedt, maar ook een duurzaam en toekomstbestendig
aanbod van kinderopvang.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de
geagendeerde stukken. Deze leden vinden dat de kinderopvang een publieke voorziening
hoort te zijn, net als scholen. Zij moedigen stappen aan die gratis kinderopvang voor
alle kinderen mogelijk maken. Deze leden constateren echter ook dat het kabinet een
eigen bijdrage in stand houdt, nog geen duidelijkheid geeft in hoeverre de maximumuurprijs
wordt beperkt waardoor kinderopvang juist duurder in plaats van goedkoper wordt voor
minder vermogende ouders, en dat nog steeds complexiteit en ongelijkheid wordt gecreëerd
door het in stand houden van de arbeidseis. Deze keuzes staan haaks op de uitgangspunten
van zekerheid, eenvoud en gelijke kansen. Deze leden hebben daarom verschillende vragen
aan de Staatssecretaris.
Arbeidseis en eigen bijdrage
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat kinderopvang op allerlei vlakken
goed is voor de ontwikkeling van jonge kinderen en ervoor zorgt dat onze kinderen
samen opgroeien. Daarom vinden deze leden het van cruciaal belang dat alle kinderen
toegang krijgen tot kinderopvang, en niet alleen kinderen van werkende ouders. Deze
leden pleiten dan ook voor het loslaten van de zogeheten arbeidseis. Deelt de Staatssecretaris
de opvatting dat kinderopvang meer is dan een arbeidsmarktinstrument? Deelt de Staatssecretaris
de opvatting van deze leden dat investeren in (bijna) gratis kinderopvang voor iedereen
zorgt voor maatschappelijke baten, zoals meer gelijke ontwikkelkansen, minder stress
bij ouders en minder segregatie? Wat zijn de uitvoeringskosten van het in stand houden
van de arbeidseis en van het innen van de 4% eigen bijdrage? Kan de Staatssecretaris
de maatschappelijke baten van (bijna) gratis kinderopvang voor alle kinderen in kaart
brengen samen met andere departementen, waaronder Volksgezondheid, Welzijn en Sport
(VWS) en Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), en deze baten afwegen tegen de kosten
van het in stand houden van de arbeidseis en het innen van de eigen bijdrage van 4%?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat het Toeslagenschandaal een
diep litteken heeft achtergelaten in de samenleving en bij ouders in het bijzonder.
Het vertrouwen in de overheid is diep beschadigd en er leeft angst rondom het gebruikmaken
van overheidsregelingen. Om dit vertrouwen terug te winnen is het belangrijk dat ouders
het gevoel hebben dat de overheid naast hen staat en dat zij laagdrempelig gebruik
kunnen maken van kinderopvang, zonder bewijslast en complexe regelingen. Deze leden
constateren dat het kabinet een belangrijke stap zet in het terugdringen van de complexiteit
door te kiezen voor een inkomensonafhankelijk stelsel. Helaas constateren deze leden
dat met het in stand houden van de arbeidseis en de eigen bijdrage het stelsel onnodig
complex blijft. Hoe verhoudt het voorliggende wetsvoorstel zich volgens de Staatssecretaris
tot de constatering van de Raad van State in een eerder advies dat «werkelijke reductie
van complexiteit alleen [kan] worden bereikt als ingeleverd wordt op de uitgangspunten
van inkomensafhankelijkheid en arbeidsparticipatie»?1 Zijn extra kosten als gevolg van het laten vallen van de arbeidseis (indien kosten
hoger zijn dan baten) niet beter op te lossen in fiscaliteit dan door de ene groep
kinderen te bevoordelen ten opzichte van een andere groep kinderen?
De keuze om de eigen bijdrage in stand te houden houdt het systeem onnodig complex,
constateren de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie. Deze leden vragen hoeveel uitvoeringskosten
er concreet gemoeid zijn met het innen van de 4% eigen bijdrage, en hoe dit zich verhoudt
tot het bedrag dat op wordt gehaald met de eigen bijdrage. Wat is de reden om deze
4% in stand te houden? Deze leden constateren daarnaast dat in het nieuwe stelsel
derden in staat worden gesteld om ouders die de 4% eigen bijdrage niet kunnen opbrengen
financieel te helpen. Te denken valt aan gemeenten, de werkgever of familieleden.
Hoe voorkomt de Staatssecretaris ongelijkheid tussen gemeenten of sectoren op de arbeidsmarkt?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben daarnaast zorgen over de ouders in
de laagste inkomensgroepen. Hoe voorkomt de Staatssecretaris dat zij erop achteruitgaan?
Hun vergoedingspercentage is immers reeds 96%. Er bestaat een reëel risico dat in
het nieuwe stelsel kinderopvanglocaties hun uurtarief verhogen, waardoor deze ouders
meer moeten betalen dan zij nu doen en dus juist de eerste groep zijn die worden verdrongen.
Ouders die werken kunnen vijf dagen bijna gratis kinderopvang afnemen ongeacht hoeveel
zij werken. Wanneer de uurtarieven verhoogd worden in de schaarste die ontstaat, zijn
het de ouders met de laagste inkomens die als eerste verdrongen worden. Hoe voorkomt
de Staatssecretaris dat de ouders met de laagste inkomens als eerste verdrongen worden,
wanneer de uurtarieven verhoogd worden in de schaarste die ontstaat? Is het mogelijk
om in het stelsel te regelen dat ouders toegang hebben tot een aantal dagen zonder
arbeidseis?
Daarnaast is de keuze om de arbeidseis in stand te laten volgens de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
een gemiste kans om zowel segregatie als stress bij ouders tegen te gaan. In de kabinetsplannen
blijven kinderen namelijk onder een breed scala aan regelingen vallen afhankelijk
van de (werk)situatie van hun ouders. Een greep uit de opties: een kind met werkende
ouders gaat bijna gratis naar de kinderopvang, een kind wiens ouders niet werken blijft
thuis en een kind wiens ouders niet werken maar waar thuis een andere taal gesproken
wordt gaat naar de voor- en vroegschoolse educatie (vve). Deze kinderen komen elkaar
niet tegen. Welke gevolgen heeft dit op het gebied van segregatie en vindt de Staatssecretaris
dat wenselijk? Daarnaast wordt specifiek op de vve ouderparticipatie verwacht. Hoe
verhoudt dat zich tot de mogelijkheid tot arbeidsparticipatie?
De keuze om de vele verschillende regelingen in stand te houden is daarnaast volgens
de GroenLinks-PvdA-fractie een gemiste kans om stress bij ouders tegen te gaan. We
weten dat het huidige stelsel van kinderopvang veel stress veroorzaakt bij ouders.2 Hoewel het nieuwe stelsel hier op sommige vlakken aan tegemoet komt, blijft er met
de arbeidseis een bron van stress bestaan vanwege alle verschillende regelingen. Hoeveel
verschillende regelingen blijven in stand omdat de arbeidseis blijft bestaan? Een
van de oorzaken van stress en onzekerheid is de tijdelijkheid van toegang, bijvoorbeeld
in geval van een sociaal-medische indicatie (SMI) of gedurende een re-integratietraject.
In hoeverre deelt de Staatssecretaris de opvatting dat het loslaten van de arbeidseis
stress bij ouders kan verminderen? Deze leden hebben daarnaast zorgen over de positie
van ouders die chronisch ziek zijn. De bestaande gemeentelijke regeling bij ziekte
(de SMI) is tijdelijk en dus per definitie niet toereikend voor ouders die chronisch
ziek zijn. Bovendien zijn gemeenten niet verplicht om deze regeling aan te bieden.
Door de arbeidseis in stand te houden, blijft deze groep tussen wal en schip vallen.
Hoe zorgt de Staatssecretaris voor een passende oplossing voor ouders die kampen met
een chronische ziekte? Daarnaast zijn er ouders met onregelmatig werk voor wie het
lastiger is om aan te tonen dat zij werken, bijvoorbeeld seizoenswerkers of flexwerkers.
Kan de Staatssecretaris in kaart brengen voor welk type werkenden het lastiger is
om aan te tonen dat zij voldoen aan de arbeidseis? Hoe voorkomt hij dat deze bewijslast
leidt tot stress en zelfs angst rondom het gebruikmaken van kinderopvang? Hoe voorkomt
de Staatssecretaris dat ouders die (net) werken en dat lastig kunnen aantonen in de
eerste fase zelf de kinderopvang moeten betalen? En in hoeverre kunnen ouders met
terugwerkende kracht de kinderopvang vergoed krijgen, als zij toch aan de arbeidseis
blijken te voldoen? Hoe werkt het voor werkenden die hun baan kwijtraken, of mensen
met flexibele contracten of opdrachten die tussentijds zonder werk zitten?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat er in het wetsvoorstel twee
stelsels blijven bestaan, namelijk de vve en de kinderopvang. Waarom is niet gekozen
om de harmonisatie te volmaken? Hoe werkt het ministerie aan de aansluiting van de
gemeentelijke regelingen op het nieuwe stelsel?
DAEB/uurtarief
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn positief over het voornemen van de Staatssecretaris
om een DAEB te vestigen en over de keuze voor een inkomensafhankelijk stelsel. Hoeveel
middelen worden bespaard in de uitvoering door het stelsel inkomensonafhankelijk te
maken? Op welke manier wordt de kinderopvang betrokken bij de uitwerking van de DAEB
en hoe zorgt de Staatssecretaris dat dit niet tot uitstel leidt? Welke voorbeelden
zijn er uit het buitenland waar kinderopvang in een vergelijkbare structuur is geregeld?
Hoewel het vestigen van een DAEB een positieve stap is, hebben deze leden zorgen over
het feit dat in het wetsvoorstel nog geen wettelijk maximumuurtarief is opgenomen.
Hoe voorkomt de Staatssecretaris dat (commerciële) kinderopvanginstellingen hun uurtarieven
flink verhogen? Wat is het verwachte effect wat betreft kwaliteitsverschillen wanneer
er geen maximumuurtarief wordt ingesteld? Zoals eerder in deze bijdrage omschreven
betekent dit dat juist ouders in de laagste inkomensgroepen meer gaan betalen. Hun
eigen bijdrage is in het huidige stelsel immers al 4%, en door verhoging van de uurprijs
zal het te betalen bedrag hoger worden. Hoe voorkomt de Staatssecretaris dat dit negatieve
gevolgen heeft voor segregatie en kansengelijkheid? Hoe voorkomt de Staatssecretaris
dat ouders in de laagste inkomenscategorie straks geen kinderopvang meer kunnen betalen?
Zijn er voorbeelden van andere sectoren die in vergelijkbare mate gefinancierd worden
met overheidsgeld, waar geen maximumtarieven gelden?
Inwerkingtreding
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien het wetsvoorstel als een belangrijke
stap richting gratis kinderopvang voor alle kinderen. Kan de Staatssecretaris toezeggen
dat invoering per 2029 prioriteit heeft? De kinderopvang en ouders hebben een duidelijke
stip op de horizon nodig en een betrouwbare overheid, en niet voor de derde keer uitstel.
In hoeverre ziet de Staatssecretaris risico voor vertraging en hoe kan hij dit voorkomen?
Personeelstekort
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat met de invoering van het
nieuwe financieringsstelsel het personeelstekort in de kinderopvang speciale aandacht
vergt. Op welke manier zijn de in zijn brief genoemde pijlers van de aanpak van het
personeelstekort (nieuw personeel aantrekken, huidig personeel behouden en hen stimuleren
meer uren te werken) uitgewerkt in concreet beleid? Heeft de Staatssecretaris zicht
op de effectiviteit van elke pijler, en ziet hij aanknopingspunten om de pijlers verder
uit te bouwen? Deze leden zijn van mening dat het uitbreiden van het ouderschapsverlof
naast deze pijlers een heilzame weg is. Langer ouderschapsverlof is goed voor ouder
en kind, en ontlast daarnaast de kinderopvang. Dit effect is des te sterker voor de
kleinste kinderen, omdat er voor nuljarigen meer personeel nodig is dan voor oudere
kinderen. Kan de Staatssecretaris in kaart brengen wat het effect is van langer ouderschapsverlof
op de personeelstekorten in de kinderopvang? Is dit element onderdeel van het door
de Staatssecretaris uitgezette onderzoek naar de personeelskrapte, uitgevoerd door
Ipsos I&O en SEO? Zo nee, is de Staatssecretaris bereid dit alsnog te laten onderzoeken?
Daarnaast geloven deze leden dat meer samenwerking met het onderwijs veel baten heeft,
waaronder het feit dat er meer doorlopende leerlijnen en een meer eenduidig pedagogisch
klimaat kan worden gecreëerd. Is de Staatssecretaris bereid om te onderzoeken wat
de baten zijn van een betere samenwerking met het onderwijs, waarbij kinderopvangmedewerkers
zowel op school als in de kinderopvang aan de slag kunnen?
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hechten veel waarde aan het onderwerp kinderopvang, omdat
onze kinderen kwetsbaar, kostbaar en beschermwaardig zijn. Kinderopvang markeert voor
veel gezinnen een belangrijk dagelijks ritueel, namelijk het moment dat je je kind
achterlaat in de goede handen van de kinderopvang of gastouder. Ouders zijn in de
manier waarop zij hun dag en werk inrichten afhankelijk van de beschikbaarheid van
en het vertrouwen in de mensen die de kinderen opvangen. Kinderopvang moet daarom
vanzelfsprekend, beschikbaar en betaalbaar zijn. Vanuit deze uitgangspunten hebben
deze leden een aantal vragen bij de staat van de kinderopvangmarkt en de beweging
naar een nieuw stelsel, omdat zij zorgen hebben dat de beoogde doelen op gespannen
voet staan met elkaar.
Staat van de kinderopvang
De leden van de CDA-fractie merken op dat de huidige discussie over de staat van de
opvangmarkt en het nieuwe stelsel overlappen. In de huidige markt is een tekort van
zo’n 7.000 opvangkrachten en in de meeste gevallen is sprake van wachttijden, vooral
in de grote steden. Onderzoeksuitkomsten laten zien dat met het nieuwe financieringsstelsel
de vraag naar opvang met 20% zal stijgen, terwijl onderzoek van het CBS laat zien
dat sinds 2022 de groei in het aantal opvangplekken afzwakt. Deze leden merken op
dat dit de doelen van betaalbaarheid en toegankelijkheid onder druk zet, zowel in
de huidige situatie met een vraag groter dan het aanbod en vrije prijzen die kinderopvang
voor lagere inkomens duurder maakt, maar ook in de plannen voor een nieuw gereguleerd
subsidiestelsel wat marktwerking drukt. Zij vragen of de Staatssecretaris deze spagaat
herkent en het met deze leden eens is dat links- of rechtsom de druk van de ketel
moet.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de enige oplossing die de Staatssecretaris overweegt
is proberen een groot aantal nieuwe medewerkers aan te trekken, of medewerkers meer
in te zetten. Deze leden vragen of de Staatssecretaris de kans van slagen van deze
aanpak met onderzoek kan onderbouwen. Zij vragen hoe de Staatssecretaris het advies
van de Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) weegt, die een goede afweging van het
voorgenomen stelsel niet mogelijk acht, omdat onvoldoende onderbouwd is hoe aan een
forse stijging van de vraag kan worden voldaan, en dat de gevolgen daarvan voor ouders
onvoldoende transparant zijn. Ook vragen zij of de Staatssecretaris kan ingaan op
de zorgen geuit in de brief van CNV dat de stelselwijziging alleen kans van slagen
heeft als de omstandigheden in de kinderopvang dit mogelijk maken, dus oplossen van
de te hoge werkdruk en meer waardering voor professionals in de kinderopvang.
De CDA-leden lezen dat het kabinet een evaluatie van het arbeidsmarktkraptebeleid
laat uitvoeren, die pas begin 2026 verschijnt. Hoe ziet de Staatssecretaris het voor
zich om «lerenderwijs» beleid te verbeteren, terwijl er vooraf voldoende zekerheid
moet zijn alvorens met een nieuw stelsel kan worden ingestemd dat de krapte mogelijk
vergroot? Wat betekent «lerenderwijs» concreet? Voor deze leden staat vast dat de
kinderopvang juist zekerheid en voorspelbaarheid moet bieden en geen terrein mag zijn
voor experimenten.
De leden van de CDA-fractie lezen dat het kabinet alternatieven heeft overwogen, zoals
beperken van het aantal opvangdagen, of meer verlof in het eerste jaar te geven, maar
hier niet voor kiest. Ook wordt niet meer ruimte gecreëerd voor gastouders. Het versoepelen
leidster-kind ratio is niet overwogen, en inzet van MBO 2 medewerkers ook niet, omdat
dit tot verminderde kwaliteit zou kunnen leiden. Deze leden hebben daarover een aantal
vragen. Zij vragen de Staatssecretaris waarom inzet van MBO 2 geschoolde medewerkers
tot minder kwaliteit zou leiden, terwijl de eis voor gastouders ook MBO2 is, met een
aanvullende pedagogische module. Waar zit dan het verschil? Ook vragen zij waarom
niet verder verkend wordt of meer verlof voor ouders in het eerste levensjaar kan
helpen de druk in het eerste jaar naar beneden te brengen, als juist de leidster-kind
ratio het hoogst is. Ook vragen deze leden waarom niet juist meer wordt geïnvesteerd
in gastouderopvang, als bekend is dat het aantal gastouders afgelopen jaren een dalende
trend laat zien, terwijl zij juist veel flexibel aanbod kunnen creëren. Waarom zoekt
de Staatssecretaris hiervoor geen ruimte, als hij juist in zijn brief schrijft dat
de kosten van gastouders hoger liggen dan hun maximumuurprijs? Deze leden zijn van
mening dat hier juist mee aan de slag moet worden gegaan om de druk op opvanglocaties
te verminderen. Zij vragen of de Staatssecretaris de mening deelt dat goedkope kinderopvang
voor ouders geen meerwaarde biedt, als deze niet beschikbaar is, waar de kwaliteit
en aandacht voor kinderen onder te leiden heeft.
Ruimte voor de markt
In de brieven van de Staatssecretaris lezen de leden van de CDA-fractie dat meer investeringen
in de markt nodig zijn, maar zij merken op dat deze nu erg onrustig is vanwege de
plannen voor aanmerken van kinderopvang als DAEB-activiteit. Het kabinet zegt dat
ook onder een kwalificatie van kinderopvang als DAEB-activiteit, een redelijk rendement
boven de netto kostprijs behaald moet kunnen worden, maar voor het vaststellen van
een redelijk rendement zal nader onderzoek worden uitgezet bij een onafhankelijk extern
bureau. Deze leden vragen wie dit onderzoek zal gaan doen en wanneer de Staatssecretaris
de uitvoering van dit onderzoek verwacht. Worden hierbij marktpartijen betrokken?
En op welke wijze wordt hun advies gerapporteerd?
Ook lezen de leden van de CDA-fractie dat in de nadere uitwerking centraal zal staan
dat er vrijheid moet zijn voor ondernemers in de kinderopvang om te ondernemen en
investeren in innovatie, kwaliteit en capaciteit, en dat voor invoering van DAEB een
impactanalyse zal plaatsvinden waarbij ook de effecten op ondernemers en het aanbod
zullen worden onderzocht. Deze leden vragen waarom het kabinet pas tijdens de internetconsultatie
start met dit impact onderzoek, in plaats van voor de internetconsultatie, om minder
onrust te creëren. Zij wijzen hierbij ook op het ATR-advies, dat eveneens zegt dat
de impact eerst in kaart gebracht moet worden. Zij vragen wat de tijdsplanning van
de impactanalyse is. Ook vragen zij waarom DAEB als ultieme middel wordt aangegrepen
om staatssteun te vermijden. Waarom worden geen andere middelen ingezet. Kijk bijvoorbeeld
naar de jeugdzorg ook direct gefinancierd wordt met overheidsmiddelen. Zij vragen
wat hierin het verschil is
De leden van de CDA-fractie lezen verder dat om voldoende aanbod te houden, ruimte
voor ondernemerschap volgens de Staatssecretaris belangrijk is, dus verminderen van
regeldruk. Deze leden vragen of volgens de Staatssecretaris een DAEB-activiteit niet
juist meer regeldruk veroorzaakt en hoe de Staatssecretaris dit wil mitigeren. De
stijging van de regeldruk voor kinderopvang organisaties werd tijdens de technische
briefing duidelijk, waarbij werd aangegeven dat er een marktmeester als toezichthouder
zal functioneren. Deze leden vragen welke organisatie deze rol zal krijgen toebedeeld
en op welke wijze het toezicht wordt vormgegeven.
De leden van de CDA-fractie vinden het tegengaan van spookregelgeving een mooi streven.
Daarbij gaat de Staatssecretaris sectorpartijen vragen om hierbij behulpzaam te zijn.
Deze leden vragen hoe zij dit moeten zien. Krijgen sectorpartijen meer informatie,
of wordt van sectorpartijen verwacht een eigen interpretatie te geven aan regelingen?
Een andere interessante verkenning van de Staatssecretaris om regeldruk te verlagen,
vinden deze leden meer ruimte in het toezicht om af te wijken van regels, maar dit
lijkt tot meer druk op de uitvoering te leiden. Een ontheffingsbevoegdheid voor gemeenten
verhoogt de uitvoeringskosten. En het niet meer noteren van iedere overtreding, maar
alleen naar redelijkheid en proportionaliteit leidt weer tot nieuwe benodigde competenties
op het gebied van oordeelsvorming, waar scholing voor moet worden gevolgd. Deze leden
vragen de Staatssecretaris of hier niet op meer praktische wijze mee kan worden omgegaan
en vanuit vertrouwen op ervaring en onderling overleg van/tussen toezichthouders.
De leden van de CDA-fractie zien ook dat ouders in de grensregio de rechten op financiering
van hun opvangplekken verliezen. Worden deze ouders ondersteund met het vinden van
een volwaardig alternatief?
Uitvoering
De leden van de CDA-fractie hebben voorts een aantal vragen bij de uitvoering van
het nieuwe stelsel, met inkomensonafhankelijk 96% vergoeding. Deze leden lezen dat
de beoogd uitvoerder voor de nieuwe financieringssystematiek Dienst Toeslagen is.
Zij vragen of de Staatssecretaris kan bevestigen dat zij hiermee transformeren van
uitvoerder op het niveau van Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir),
naar een uitvoerder als Subsidient. Klopt het dat dat inhoudt dat zij een andere juridische
en financiële relatie krijgen met de partijen, zowel met de ouders als de kinderopvangorganisaties?
Kan de Staatssecretaris aangeven hoe de transformatie van Awir dienstverlener naar
subsidient plaats moet vinden?
De leden van de CDA-fractie lezen dat de Staatssecretaris aangeeft dat de uitvoering
voor zowel ouders als houders stapsgewijs gaat. Het nieuwe systeem gaat pas in per
1 januari 2029. Dat betekent dat het ingroeipad tot 2029 met verhoging van het vergoedingspercentages
en de verruiming van de groep die in aanmerking komt (al dan niet via de gemeente)
nog volgens de bestaande regeling «ingroeit». De risico’s en de nadelen zoals de Staatssecretaris
schetst van het huidige systeem, blijven dan aanwezig. Deze leden vragen aan de Staatssecretaris
om dit helder te communiceren, is de Staatssecretaris daartoe bereid? Het ingroeiscenario
wordt gezien als mitigerend voor de zorgen die leven op de o.a. markteffecten. De
Staatssecretaris gebruikt de komende periode om aan knoppen te draaien indien er ongewenste
effecten zich voordoen. Deze leden vragen hoe verantwoord het is om aan de knoppen
te draaien en het ministerie te laten bijsturen op onderdelen, terwijl de risico’s
voor de ouders blijven bestaan. Hoe weegt het Staatssecretaris deze risico’s? En welk
mandaat is er nodig om aan die knoppen te mogen draaien binnen de bestaande Awir constellatie?
Verder vragen zij wat dit betekent voor de risico’s van te hoge bijdragen en terugvorderingen
voor ouders.
Tijdens de technische briefing van 9 december 2026 werd aangegeven dat ten behoeve
van de technische uitvoering door Dienst Toeslagen in week 13 van 2026 een go-no go
moment is gepland. De leden van de CDA-fractie vragen wat de criteria zijn waarop
deze weging plaatsvindt. Deze leden vragen wie weegt of een go verantwoord is, of
een no go logisch is, en hoe de Kamer hierbij betrokken wordt.
De leden van de CDA-fractie zijn voorstander van een makkelijker pakket van kindregelingen
binnen één gezinsbudget, dat wil zeggen voor het samenvoegen van kinderbijslag, kindgebonden
budget en kinderopvangtoeslag binnen één kader. Deze leden vragen of de nieuwe definities
voor ouder en gezin getest zijn op ruimere toepasbaarheid voor kindregelingen en exporteerbaarheid
van regelingen, voor Nederlanders die op grond van internationaal recht een toeslag
mag meenemen bij een verhuizing of lager verblijf in het buitenland.
De leden van de CDA-fractie merken op dat de rol van subsidient een nieuwe rol is
voor de uitvoerder, en dat de dienstverlening ook aanzienlijk wijzigt. De Staatssecretaris
geeft aan dat er sprake zal zijn van een responsieve en proactieve dienstverlening,
voor zowel de ouders als de houders. Gebruikelijke subsidie beschikkingstermijnen
van 8 weken worden ingekort tot 5 dagen. Bij onduidelijkheden worden klanten gebeld.
Deze leden vragen of de uitvoerder in staat is om een ingroei scenario op te pakken.
Zij vragen of in de overgangsperiode twee stelsels naast elkaar blijven bestaan, en
zo ja, wie dan bepaalt welke ouder en houder overgaat naar het nieuwe stelsel en wie
blijft in het oude stelsel, en op basis van welke criteria.
De leden van de CDA-fractie willen los van de complexe route naar een stelselherziening,
graag ook op korte termijn aanpassen wat het meest urgent en mogelijk is. Zij vragen
of het klopt dat uit de uitvoeringsgegevens van de Dienst Toeslagen blijkt dat de
grootste oorzaak van terugvorderingen niet de hoogte van het inkomen, maar verkeerd
doorgeven van het aantal opvanguren is. Zij vragen of dit niet eenvoudig kan worden
opgelost, door het doorgeven van uren bij ouders weg te halen, omdat kinderopvanginstellingen
dit toch al maandelijks moeten doorgeven. Ook merken zij op dat het inkomen vooral
een probleem is bij financieel kwetsbare inkomens, die vaak ook onregelmatig inkomen
hebben. Zij vragen of verhogen van de 96% tot een dubbelmodaal inkomen niet al veel
druk en onzekerheid van gezinnen kan wegnemen, omdat juist de combinatie van terugvorderingen
en lage inkomens kwetsbaar is.
De leden van de CDA-fractie vinden dat tot nu toe het voorstel voor een nieuw financieringsstelsel
op onderdelen niet voldoende uitgewerkt is. Deze leden willen evenals het kabinet
graag een oplossing voor de financiering van de kinderopvang. Zij zijn tegelijkertijd
voorstander om samen met de sector een realistisch langetermijnplan te maken, waarin
de doelen van toegankelijkheid en betaalbaarheid worden ingepast, zodat zekerheid
bestaat ouders en de sector. Deze leden twijfelen of er überhaupt zekerheid te bieden
is, omdat het budget er wel is, maar de markt er niet klaar voor is. Zij willen voorkomen
dat er een deuk in het precaire vertrouwen in het kinderopvangstelsel komt, als er
iets wordt aangeboden dat in praktijk niet werkt.
Vragen en opmerkingen van de leden van de FvD-fractie
De leden van de FvD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de brief van 27 november
2025 over het voorgestelde nieuwe financieringsstelsel kinderopvang. Deze leden onderschrijven
de ambitie van het kabinet om het financieringsstelsel eenvoudiger te maken, zeker
gezien de problemen in het verleden met het terugvorderen van toeslagen. Het voorgestelde
nieuwe financieringsstelsel maakt het voor ouders inderdaad makkelijker en het risico
op grote terugvorderingen verdwijnt grotendeels. Dat is een goede zaak.
Toch zijn de leden van de FvD-fractie bezorgd omdat het erop lijkt dat de risico’s
en de regeldruk niet zozeer verdwijnen uit het nieuwe stelsel maar verplaatst worden
naar de kinderopvangorganisaties (en gastouders) die in het nieuwe stelsel grotendeels
verantwoordelijk worden voor het financieringsstelsel en waar allerlei eisen aan zullen
(moeten) worden opgelegd. Eisen waar kinderopvangorganisaties niet blij mee zijn.
Al met al vragen deze leden of het stelsel hierdoor eenvoudiger en beter gaat worden.
In het nieuwe stelsel zal de kinderopvangsector worden aangewezen als een DAEB, lezen
de leden van de FvD-fractie. Dit brengt veel extra regelgeving met zich mee en beperkt
de ondernemingsvrijheid. De sector spreekt in een brief zelfs over «een complete ontregeling
van een stelsel dat internationaal juist als voorbeeld geldt» en beschouwt het als
een «feitelijke nationalisatie» van de kinderopvang waardoor innovatie wordt belemmerd
en investeringen in de sector zullen gaan afnemen. Hoe kijkt de Staatssecretaris hiernaar?
Vooral kleine aanbieders, is de verwachting, zullen hierdoor zwaar getroffen worden
met als gevolg verdere schaalvergroting in de sector, minder diversiteit in aanbod
en meer marktmacht bij enkele grote partijen. Deelt het kabinet deze zorg?
Er komen onder andere, begrijpen de leden van de FvD-fractie, «kostprijsonderzoeken»,
toezicht door een «marktmeester», er wordt gecontroleerd op «overcompensatie» en er
zal, onvermijdelijk, in het nieuwe stelsel moeten worden gekeken of winsten in de
sector «redelijk» zijn. Maar hoe gaat de Staatssecretaris bepalen wat een «redelijke
winst» is? Wat betekent dit voor innovatie en investeringen in de kinderopvang? Welke
prikkel heeft een ondernemer nog om de kwaliteit te verbeteren of de kosten te verlagen
als de hogere winsten, die hiervan het gevolg zijn, straks afgeroomd gaan worden omdat
ze volgens de Staatssecretaris« niet redelijk» zijn? Is dit niet de logica van een
planeconomie die nog nooit ergens heeft gewerkt? Welke juridische risico’s loopt de
staat wanneer kinderopvangaanbieders gaan procederen omdat de DAEB-aanwijzing wordt
beschouwd als een de facto (onrechtmatige) nationalisatie van de sector? Deze leden
maken zich over dit alles grote zorgen.
Een ander punt van zorg voor de leden van de FvD-fractie is de arbeidseis. Deze eis
maakt het stelsel complexer. Bovendien wordt hiermee een zo goed als volledig publiek
gefinancierde voorziening geïntroduceerd die niet voor iedereen toegankelijk is. Is
het correct dat, in het nieuwe stelsel, ouders die, vanwege een beperking of chronische
ziekte en bijkomende mantelzorgtaken niet kúnnen werken, ook geen aanspraak maken
op de bijna gratis kinderopvang? Betekent dit niet dat met de arbeidseis van (twee)
werkende ouders het stelsel ouders benadeelt die vanwege een beperking of chronische
ziekte of vanwege de zorg voor een kind of naaste niet kunnen werken. Hoe kijkt de
Staatssecretaris hiernaar? Zou het wellicht al met al niet beter zijn om de arbeidseis
daarom maar te laten vallen? En stel dat ouders er bewust voor kiezen één partner
niet te laten werken zodat er altijd één ouder is die thuis voor de kinderen kan zorgen,
gezinnen met een traditioneel waardenpatroon bijvoorbeeld, maar die het wel fijn zouden
vinden als hun zoon of dochter, bijvoorbeeld vanwege de sociale ontwikkeling of het
leren van het Nederlands (in een gezin waar kinderen bijvoorbeeld tweetalig worden
opgevoed) één of twee dagen per week naar de kinderopvang gaat, is het correct dat
dit gezin wél het volle pond moet betalen (omdat aan de arbeidseis niet wordt voldaan)?
Met andere woorden, is het correct dat (traditionele) gezinnen met één kostwinner
(bewust?) worden uitgesloten van deze regeling vanwege deze arbeidseis, gezinnen die
bovendien al relatief veel inkomstenbelasting betalen, ten koste van (progressieve)
gezinnen waar beide partners willen werken? Wat vindt de Staatssecretaris hiervan?
Is dit voor de Staatssecretaris een ongewenst negatief bijeffect of juist een gewenst
effect, bijvoorbeeld omdat dit kabinet graag de arbeidsparticipatie vergroot en daarom
een voorkeur heeft voor gezinnen waarin beide partners (moeten) werken ten opzichte
van het (traditionele) kostwinnersgezin?
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de brieven over kinderopvang.
Deze leden hebben de volgende vragen aan de Staatssecretaris.
De leden van de BBB-fractie lezen dat de wachttijdenmonitor laat zien dat vooral in
grote steden en bij jonge kinderen wachttijden oplopen. Hoe zorgt de Staatssecretaris
ervoor dat ook in krimpregio’s en op het platteland voldoende aanbod blijft? Kan de
Staatssecretaris toezeggen dat toekomstige beleidswijzigingen altijd vooraf worden
getoetst op hun impact op betaalbaarheid, toegankelijkheid en kwaliteit, inclusief
effecten op commerciële en regionale aanbieders?
Daarnaast constateren de leden van de BBB-fractie dat een DAEB-status kan leiden tot
beperkingen op ondernemerschap en innovatie in de kinderopvangsector. Hoe borgt de
Staatssecretaris dat kleinschalige en agrarische kinderopvanginitiatieven niet worden
weggedrukt door extra regels en lagere winstmarges? Kan de Staatssecretaris toezeggen
dat er ruimte blijft voor ondernemerschap en diversiteit in het aanbod?
Verder maken de leden van de BBB-fractie zich zorgen over het voornemen om de financiering
van grensoverschrijdende kinderopvang te beëindigen. Deze opvang voorziet al decennialang
in een behoefte van Nederlandse ouders die in Nederland wonen en werken, maar gebruikmaken
van kinderopvanglocaties net over de grens, bijvoorbeeld in Duitsland of België, omdat
dit praktisch en efficiënt is in hun woon- en werksituatie. Hoe rechtvaardigt de Staatssecretaris
deze beleidswijziging, gezien het vertrouwen van ouders en ondernemers? Komt er een
overgangsregeling of maatwerk voor grensregio’s om te voorkomen dat ouders en kleinschalige
voorzieningen plotseling in de problemen komen? Zo nee, waarom niet en kan de Staatssecretaris
dit alsnog toezeggen?
Tot slot draagt volgens de leden van de BBB-fractie agrarische kinderopvang bij aan
boer-burger verbinding en biedt unieke voordelen zoals meer buitenruimte en rust.
Hoe waarborgt de Staatssecretaris dat deze vorm van opvang niet verdwijnt door strengere
regels en lagere marges? Komt er een uitzonderingspositie of maatwerk voor agrarische
kinderopvang?
II Antwoord/Reactie van de Staatssecretaris
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
E. van der Burg, voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid -
Mede ondertekenaar
E.E. van den Broek, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.