Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Sneller, Van Nispen en Ceder over het Nederlandse beleid inzake strafoverdracht en rechtsbescherming van gedetineerden in het buitenland en meer in het bijzonder de zaak van de heer Singh
Vragen van het lid Sneller (D66), Van Nispen (SP) en Ceder (ChristenUnie) aan de Minister van Justitie en Veiligheid over het Nederlandse beleid inzake strafoverdracht en rechtsbescherming van gedetineerden in het buitenland en meer in het bijzonder de zaak van de heer Singh (ingezonden 11 november 2025).
Antwoord van Staatssecretaris Rutte (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 10 december
2025). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 521.
Vraag 1
Bent u bekend met het interview in de Volkskrant van 4 november 20251 met dr. Rachel Imamkhan over het Nederlandse beleid inzake strafoverdracht?
Antwoord 1
Ja, het interview is mij bekend.
Vraag 2
Bent u bekend met de uitspraak van het gerechtshof Den Haag2 waarin werd geoordeeld dat de detentieomstandigheden van Jaitsen Singh in de Verenigde
Staten leiden tot een «humanitair onwenselijke situatie» en de Nederlandse regering
een verzoekt tot overplaatsing moet indienen?
Antwoord 2
Ja, de uitspraak is mij bekend. Het verzoek tot strafoverdracht is reeds ingediend
bij de Amerikaanse autoriteiten.
Vraag 3
Klopt het dat Nederland pas na maanden en pas op het laatste moment een overbrengingsverzoek
heeft ingediend voor de heer Singh, en dat dit verzoek aanvankelijk summier was geformuleerd
zodat het risico op afwijzing groot was?
Antwoord 3
De brief met het verzoek is op 19 september 2025 verstuurd naar de Amerikaanse autoriteiten.
Dit was binnen de door het gerechtshof gestelde termijn van vier weken. Bij verzoeken
tot strafoverdracht wordt gebruik gemaakt van een standaardbrief. Bij hoge uitzondering
en op hun verzoek, is aan de raadslieden van de heer Singh de mogelijkheid geboden
om hierop mee te lezen, wat tot wijzigingen in de brief heeft geleid. Dit heeft tot
gevolg gehad dat het proces meer tijd in beslag heeft genomen dan wanneer een standaardbrief
zou zijn gebruikt.
Vraag 4
Kunt u toelichten waarom het ministerie in deze zaak niet proactief heeft gehandeld,
ondanks de terminale gezondheidstoestand van betrokkene?
Antwoord 4
De zaak Singh voldoet niet aan de criteria van het WOTS-beleidskader.3 Daarom oordeelde de regering dat hij niet in aanmerking kwam voor strafoverdracht.
Volgens het Hof is de Staat in redelijkheid tot het standpunt gekomen dat hij onvoldoende
binding met Nederland heeft, maar zijn er bij de zaak van dhr. Singh uitzonderlijke
omstandigheden die toch de inzet van strafoverdracht rechtvaardigen.
De regering wijkt in dit specifieke geval, conform het arrest van het Hof, af van
het beleidskader. Ik verwijs u ook graag naar het antwoord op eerder gestelde Kamervragen,
waaruit blijkt dat de Staat zich wel degelijk heeft ingespannen om de heer Singh te
ondersteunen.4 Op dit moment zet ik ook alle diplomatieke middelen in die het proces van positieve
besluitvorming aan de kant van de Verenigde Staten kunnen bespoedigen.
Vraag 5
Hoe vaak heeft Nederland sinds 2010 een overbrengingsverzoek afgewezen op basis van
het criterium «gebrek aan binding met Nederland»? Kunt u dit uitsplitsen naar jaar
en motivering?
Antwoord 5
Onderstaande cijfers zijn van inkomende verzoeken op grond van de Wet overdracht tenuitvoerlegging
strafvonnissen (WOTS). Het gaat om afgesloten dossiers waarin in alle gevallen niet
aan het bindingsvereiste werd voldaan. Andere criteria van het WOTS-beleidskader kunnen
in deze dossiers ook een rol hebben gespeeld.
2016: 3
2017: 4
2018: 5
2019: 6
2020: 4
2021: 9
2022: 7
2023: 14
2024: 7
2025: 135
De cijfers met betrekking tot reden van afwijzing in de jaren 2010–2015 kunnen niet
worden gegenereerd, omdat dit niet op deze wijze werd geregistreerd en vanwege een
wisseling van het systeem.
Vraag 6
Waarom hanteert Nederland eisen die niet voortvloeien uit internationale verdragen,
zoals de eis dat een gedetineerde niet langer dan vijf jaar uit Nederland mag zijn
vertrokken vóór arrestatie?
Antwoord 6
Op grond van artikel 2 WOTS dient een verdrag ten grondslag te liggen aan de overbrenging
van een gevonniste naar Nederland.6 Uit artikel 10, «general considerations» van het Explanatory Report bij het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste
personen (VOGP) blijkt dat bij het verdrag aangesloten lidstaten zelf de kaders kunnen
invullen met betrekking tot de weigeringsgronden voor een verzoek tot strafoverdracht.
In het Nederlands rechtssysteem is dit ingekleurd door middel van het WOTS beleidskader
en in jurisprudentie. In het beleidskader is opgenomen dat bij het bepalen of er sprake
is van binding, onder meer gekeken wordt naar waar betrokkene feitelijk woonachtig
is (inschrijving in de BRP) en hoe lang, waar hij werkt, waar het gezin verblijft
dan wel de familie en zo meer.7
Dat een gedetineerde niet langer dan vijf jaar uit Nederland mag zijn vertrokken vóór
arrestatie is op zichzelf geen harde voorwaarde. Binding met Nederland is een harde
voorwaarde voor overbrenging. Het doel van de overbrenging van gevonniste personen
is om de kans op resocialisatie van de veroordeelde te vergroten en het risico van
recidive te verkleinen doordat de tenuitvoerlegging van een straf in het land gebeurt
waar de veroordeelde onderdaan is en/of woont en geworteld is. Re-integratie in de
Nederlandse samenleving is zinloos als er geen wezenlijke relatie is met Nederland.
Het Nederlanderschap alleen is daarvoor niet voldoende. Bij het bepalen of er sprake
is van binding, wordt onder meer gekeken naar waar en hoe lang betrokkene feitelijk
woonachtig was. Wanneer betrokkene zijn banden met Nederland heeft verbroken, bijvoorbeeld
door zijn hoofdverblijf naar een ander land te verplaatsen en meer dan vijf jaar buiten
Nederland te wonen, en onvoldoende is gebleken dat hij het doel had zijn hoofdverblijf
in Nederland later weer op te pakken, komt hij niet in aanmerking voor overbrenging.
In een dergelijk geval is het resocialisatiebelang immers niet met een overbrenging
gediend.8
Vraag 7
Hoe verhoudt deze bindingseis zich tot situaties waarin een veroordeelde na veroordeling
wordt uitgezet uit het land van detentie? Is er dan nog sprake van een reële toets
op binding?
Antwoord 7
Voor personen die ongewenst zijn verklaard en na hun invrijheidstelling kunnen worden
uitgezet naar Nederland geldt het bindingsvereiste ook. Er bestaat in het kader van
de WOTS geen internationale verplichting om veroordeelden waarbij dit aan de orde
is, over te nemen.
Vraag 8
Hoe verhoudt het Nederlandse beleid zich tot artikel 3 van het Europees Verdrag voor
de Rechten van de Mens, dat onmenselijke of vernederende behandeling verbiedt, en
tot de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm?
Antwoord 8
Uit het beleidskader blijkt dat de WOTS een penitentiair instrument is. Het is dus
niet humanitair van aard. Het doel is resocialisatie van de gedetineerde. In de WOTS
is vastgelegd dat de overbrenging van een strafvonnis naar Nederland uitsluitend kan
plaatsvinden op basis van een verdrag. Dit heeft twee redenen. Ten eerste is Nederland
niet bereid strafvonnissen ten uitvoer te leggen die in strijd met fundamentele beginselen
van een behoorlijke strafprocedure tot stand zijn gekomen. Een tweede reden voor het
eisen van een verdragsbasis is dat een verdrag het juridisch kader biedt voor de staat
van veroordeling en de staat van tenuitvoerlegging voor elke overbrenging.9 Op deze wijze wordt gewaarborgd dat zorgvuldig en rechtvaardig wordt omgegaan met
de overdracht van een persoon naar een ander land, waarbij de rechten van de betrokkene,
zoals recht op een eerlijk proces en bescherming tegen onmenselijke of vernederende
behandeling, worden gewaarborgd.
Een gestelde schending van het verbod op folteringen of onmenselijke of vernederende
behandelingen of bestraffingen zoals neergelegd in artikel 3 van het Europees Verdrag
voor de Rechten van de Mens zal primair in het land van veroordeling aan de orde moeten
worden gesteld voor zover het ziet op detentie.
Vraag 9
Bent u bereid om het beleid inzake strafoverdracht te herzien, zodat humanitaire omstandigheden
zoals leeftijd, ziekte, familiebanden en detentieomstandigheden kunnen worden meegewogen
en het beleid daarmee in overeenstemming wordt gebracht met internationale verdragen?
Zo nee, waarom niet?
Antwoord 9
De WOTS en de WOTS-verdragen zijn penitentiaire instrumenten. Om die reden ben ik
niet bereid om het beleid inzake strafoverdracht te herzien, zodat humanitaire omstandigheden
kunnen worden meegewogen.
Ik heb op 25 november 2025 cassatieberoep aangetekend tegen het arrest van het hof
Den Haag in de zaak Singh. Ik acht het van zaaksoverstijgend belang om enkele cassatiegronden
voor te leggen aan de Hoge Raad. Ik zal mij, hangende deze cassatieprocedure, onverminderd
blijven inzetten voor de naleving van het door het hof uitgesproken gebod.
Ik wil niet vooruitlopen op het arrest van de Hoge Raad. Zodra duidelijk is wat de
Hoge Raad heeft geoordeeld, zal ik uw Kamer hierover informeren en de afweging maken
of dit aanleiding geeft tot een eventuele aanpassing van het WOTS-beleidskader.
Vraag 10
Hoe waarborgt u dat beslissingen over strafoverdracht transparant en toetsbaar zijn,
en dat gedetineerden rechtsbescherming genieten bij afwijzing van hun verzoek?
Antwoord 10
Bij een verzoek tot strafoverdracht vanuit het buitenland, wordt de gedetineerde,
dan wel door Nederland, dan wel door het land van veroordeling, op de hoogte gesteld
van een eventuele afwijzing. Het verstrekken van inlichtingen is een gedeelde verantwoordelijkheid,
zoals opgenomen in artikel 4 VOGP. De autoriteiten in het land van veroordeling ontvangen
vanuit Nederland een brief met daarin de redenen voor afwijzing. Het staat de gedetineerde
vrij om aanvullende stukken aan te dragen op grond waarvan het standpunt kan worden
heroverwogen. De betrokkene kan zich tot de civiele rechter wenden indien hij/zij
het niet eens is met de beslissing tot afwijzing.
Gedetineerden met de Nederlandse nationaliteit die in het buitenland vastzitten, krijgen
daarnaast consulaire bijstand van Buitenlandse Zaken.
Vraag 11
Bent u bereid te bezien of de beoordeling van overbrengingsverzoeken ondergebracht
kunnen worden bij een onafhankelijke rechter in plaats van bij de Minister, om politieke
beïnvloeding te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 11
Ik ben niet bereid te bezien of beoordeling van overbrengingsverzoeken ondergebracht
kunnen worden bij een onafhankelijke rechter. Ik zie geen reden om het huidige proces
omtrent de beoordeling van overbrengingsverzoeken aan te passen. De rechten van de
betrokkenen worden op een deugdelijke wijze gewaarborgd. Ik verwijs u verder naar
het antwoord bij vragen 12 en 13 hieronder.
Vraag 12 en 13
Erkent u dat er momenteel geen effectieve rechtsbescherming bestaat voor Nederlandse
gedetineerden in het buitenland bij de beoordeling van strafoverdrachtsverzoeken?
Deelt u de bevinding uit het proefschrift van dr. Imamkhan10 dat veroordeelden geen toegang hebben tot een transparante, toetsbare procedure en
dat besluiten tot afwijzing niet gemotiveerd hoeven te worden?
Antwoord 12 en 13
Dit erken en deel ik niet. Vooropgesteld wordt dat aan de WOTS geen recht op overbrenging
kan worden ontleend. De WOTS voorziet niet in een rechtsmiddel voor een gedetineerde
tegen een besluit van de Minister om de tenuitvoerlegging van een buitenlands vonnis
niet over te nemen.
Een dergelijke rechtsgang past niet in het systeem van de wet omdat dat zou veronderstellen
dat de gedetineerde een afdwingbaar recht heeft te opteren waar hij een aan hem opgelegde
sanctie ten uitvoer gelegd wenst te zien.11 Nederlandse gedetineerden in het buitenland genieten desalniettemin effectieve rechtsbescherming
bij de beoordeling van strafoverdrachtsverzoeken. Ten eerste wordt de beoordeling
van dergelijke verzoeken geregeld door de WOTS, die waarborgen biedt voor een zorgvuldige
procedure. Zoals ik heb aangegeven in het antwoord op vraag 10, ontvangen de autoriteiten
in het land van veroordeling in voorkomende gevallen een brief met daarin de reden
voor afwijzing van het verzoek tot strafoverdracht. Ten tweede heeft Nederland mechanismen
om ervoor te zorgen dat de rechten van gedetineerden ook buiten de landsgrenzen gewaarborgd
blijven, bijvoorbeeld door de mogelijkheid tot het starten van een kort geding bij
de nationale rechter, al dan niet gevolgd door een bodemprocedure, hoger beroep en
cassatieberoep.
Ook kan de gedetineerde zich wenden tot het Europese Hof voor de Rechten van de Mens
in geval van het vermoeden van schending van fundamentele rechten.
Vraag 14
Bent u bereid om de voorwaarde uit artikel 2 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging
strafvonnissen (WOTS) – waarin wordt geëist dat Nederland alleen verdragen sluit met
landen waarin voldoende vertrouwen bestaat in het rechtsstelsel – te heroverwegen
en op korte termijn een wijziging voor te stellen?
Antwoord 14
Deze eis volgt niet uit artikel 2 van de WOTS. Dit artikel bepaalt alleen dat tenuitvoerlegging
in Nederland van buitenlandse rechterlijke beslissingen niet geschiedt anders dan
krachtens een verdrag.12
Gelet op het voornoemde houd ik vast aan de voorwaarde uit artikelrtikel2 WOTS en
zie ik geen reden om deze te heroverwegen of een wijziging voor te stellen.
Vraag 15
Deelt u de opvatting dat deze verdragsvoorwaarde Nederland belemmert in het bieden
van humanitaire bescherming aan gedetineerden?
Antwoord 15
Ik deel deze opvatting niet. Zoals gezegd is de WOTS een penitentiair instrument.
Het bieden van humanitaire bescherming is geen doel van de WOTS. Dit laat onverlet
dat gedetineerden met de Nederlandse nationaliteit die in het buitenland zitten, altijd
bijstand vanuit Buitenlandse Zaken (consulaire bijstand) kunnen krijgen.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
A.C.L. Rutte, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.