Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Van Brenk en Struijs over het artikel 'Schrijnend beeld: gepensioneerden zien inkomen al jaren achterblijven ten opzichte van anderen'
Vragen van de leden Van Brenk en Struijs (beiden 50PLUS) aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over het artikel «Schrijnend beeld: gepensioneerden zien inkomen al jaren achterblijven ten opzichte van anderen» (ingezonden 19 november 2025).
Antwoord van Minister Paul (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) (ontvangen 10 december
2025).
Vraag 1
Kunt u bevestigen dat de cijfers zoals weergegeven in de tabellen bij dit artikel
inderdaad correct worden weergegeven en gebaseerd zijn op CBS-data?1
Antwoord 1
De cijfers in dit artikel geven inzicht in hoe de mediane koopkracht van personen
zich van jaar-op-jaar ontwikkelt en zijn afkomstig van het CBS. Alhoewel de cijfers
correct worden weergegeven, zijn er ook nuances bij het artikel te plaatsen (zie het
antwoord op vraag 2).
Vraag 2
Wat vindt u van de in het artikel getoonde koopkrachtontwikkeling van gepensioneerden
versus de koopkrachtontwikkeling van werkenden, zelfstandigen en uitkeringsgerechtigden?
Ziet u hier een «evenwichtig inkomensbeeld» of niet? Graag een toelichting.
Antwoord 2
De cijfers in het artikel laten zien dat gepensioneerden in doorsnee een lagere koopkrachtontwikkeling
hebben gehad dan werknemers, zelfstandigen en uitkeringsgerechtigden sinds 2011. In
onderstaande figuur 1, eveneens afkomstig van het CBS, wordt de koopkrachtontwikkeling
van gepensioneerden sinds 2011 verder uitgesplitst naar hoogte van het aanvullend
pensioen. De figuur toont dat de koopkrachtontwikkeling van gepensioneerden sinds
2011 sterke samenhang vertoont met de hoogte van het aanvullend pensioen: hoe hoger
het aanvullend pensioen, hoe lager de koopkrachtontwikkeling. Dit is voor een belangrijk
deel het gevolg van het niet of beperkt indexeren van aanvullende pensioenen in deze
periode. Voor gepensioneerden met de laagste inkomens geldt dat de AOW een groter
deel van het inkomen uitmaakt, en dat de AOW wel geïndexeerd is in deze periode omdat
deze gekoppeld is aan het minimumloon. Voor de gepensioneerden met de laagste inkomens
is tot en met 2022 dus sprake geweest van een koopkrachtstijging die meer in lijn
is met de koopkrachtontwikkeling van werkenden en uitkeringsgerechtigden tot en met
2022, dan van gepensioneerden met een hoog aanvullend pensioen.
Bij het artikel past ook een aantal kanttekeningen.
Ten eerste suggereren de cijfers in het artikel dat de inkomenspositie van de groep
werknemers als geheel fors verbeterd is ten opzichte van de groep gepensioneerden,
maar dat is niet het geval. De cijfers in het artikel geven de koopkrachtontwikkeling
weer van iemand al sinds 2011 gepensioneerd is of vanaf 2011 tot nu toe heeft gewerkt.
In figuur 2 wordt de ontwikkeling van het absolute inkomen van groepen (gedefinieerd
als het gemiddeld gestandaardiseerd besteedbaar huishoudinkomen) weergegeven tussen
2011 en 2024. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling van het inkomen van gepensioneerden
meer in lijn ligt met dat van werkenden, dan de cijfers in het artikel suggereren.
Dat de ontwikkeling van het absolute gemiddeld inkomen van werkenden en gepensioneerden
meer met elkaar in de pas loopt dan in het artikel, is toe te schrijven aan meerdere
factoren. Zo geldt dat nieuwe gepensioneerden gemiddeld genomen steeds hogere pensioenen
hebben dan oudere gepensioneerden. Verder geldt dat een deel van de koopkrachtstijging
van werkenden in het artikel het gevolg is van de inkomensgroei die werknemers realiseren
tijdens hun carrière, bijvoorbeeld door een hogere salarisschaal of -trede. Binnen
de groep werkenden nemen individuele werknemers ieder jaar een steeds betere positie
in. Maar de inkomenspositie van de groep werkenden verbetert hierdoor niet per se.
Dit komt doordat startende werknemers vaak onder aan het inkomensgebouw beginnen,
en werknemers die met pensioen gaan vaak aanzienlijk hoger zitten in het inkomensgebouw.
Gepensioneerden hebben deze inkomensgroei vaak ook meegemaakt in hun werkverleden.
Een tweede kanttekening bij de cijfers in het artikel is dat het niet of beperkt indexeren
van aanvullende pensioenen ook de (toekomstige) pensioenen van werknemers raakt. Dit
effect is echter niet zichtbaar in de koopkracht- of inkomenscijfers van het CBS,
CPB en het Ministerie van SZW.
Figuur 1
Bron: CBS
Figuur 2: Ontwikkeling gemiddeld reëel gestandaardiseerd besteedbaar huishoudinkomen,
2011–2024, 2011=100
Bron: CBS (onbewerkte cijfers: StatLine - Inkomen van huishoudens; inkomensklassen, huishoudenskenmerken), bewerking Ministerie van SZW
Vraag 3
Klopt de volgende constatering: «Uiteindelijk bleef de koppeling overeind, maar het staafdiagram laat zien dat daar
weinig van overbleef. Het voordeel voor de gepensioneerden werd via fiscale maatregelen
weer afgeroomd?». Indien nee, waarom klopt de constatering niet? En zo ja, kunt u preciseren welke
maatregelen hiervoor verantwoordelijk waren.
Antwoord 3
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 geldt dat de koopkrachtontwikkeling van
gepensioneerden sinds 2011 sterke samenhang vertoont met de hoogte van het aanvullend
pensioen. Voor gepensioneerden met lagere inkomens geldt dat de ontwikkeling van de
AOW, die gekoppeld is aan minimumloon, gezorgd heeft voor een positieve koopkrachtontwikkeling
in de periode 2011–2022. Het kabinet herkent de constatering dat de koppeling overeind
bleef voor deze groepen, maar niet dat deze weer werd afgeroomd. De koppeling zorgde
immers voor koopkrachtstijging voor gepensioneerden met de laagste inkomens (zie figuur
1). Wel geldt dat gepensioneerden inderdaad geen profijt hebben gehad van de lastenverlichting
via de hogere arbeidskorting, die als doel heeft gehad om (meer) werken meer lonend
te maken (zie ook het antwoord op vraag 4). Voor gepensioneerden met hogere aanvullende
pensioenen is de koopkrachtontwikkeling sinds 2011 minder gunstig geweest. Het niet
of beperkt indexeren van aanvullende pensioenen is hiervoor een belangrijke verklaring
geweest.
Vraag 4
Deelt u de conclusie dat de concentratie van lastenverlichting via de arbeidskorting,
ervoor heeft gezorgd dat lastenverlichting relatief minder neerslaat bij AOW’ers?
Erkent u dat de onevenredig harde groei van de arbeidskorting, medeverantwoordelijk
is voor het achterblijven van de koopkracht van gepensioneerden ten opzichte van werkenden
en zelfstandigen? Indien nee, waarom niet?
Antwoord 4
Het klopt dat de maximale arbeidskorting fors is toegenomen sinds de invoering ervan
(zie ook het antwoord op vraag 5). Met name werkenden met een inkomen tussen het minimumloon
en modaal, die een hoge arbeidskorting ontvangen, hebben hiervan profijt gehad. De
hogere arbeidskorting heeft ervoor gezorgd dat (meer) werken meer lonend is geworden.
Gepensioneerden en uitkeringsgerechtigden hebben inderdaad geen profijt gehad van
de hogere arbeidskorting. Voor gepensioneerden geldt ten slotte wel dat de ouderenkorting
is toegenomen sinds 2011, zij het niet in dezelfde mate als de arbeidskorting (zie
het antwoord op vraag 5).
Vraag 5
Kan een overzicht worden gegeven van de ontwikkeling van de maximale hoogte van de
arbeidskorting, de ouderenkorting en de zelfstandigenaftrek, per jaar sinds 2010?
Kan daarbij tevens per jaar het budgettaire beslag van deze regelingen worden getoond?
Antwoord 5
Onderstaande tabel toont de maximale hoogte en het budgettair beslag van de arbeidskorting,
de ouderenkorting en de zelfstandigenaftrek sinds 2010.
Tabel 1: Hoogte en budgettair belang diverse heffingskortingen, 2010–2025
Arbeidskorting
Ouderenkorting
Zelfstandigenaftrek
Max hoogte
Budgettair
belang (in mln)
Max hoogte
Budgettair
belang (in mln)
Max hoogte
Budgettair
belang (in mln)
2010
1.489
9.721
684
1.386
9.427
1.672
2011
1.574
10.230
739
1.530
9.484
1.760
2012
1.611
10.005
762
1.628
7.280
1.647
2013
1.723
9.694
1.032
2.419
7.280
1.733
2014
2.097
11.742
1.032
2.434
7.280
1.660
2015
2.220
12.968
1.042
2.484
7.280
1.645
2016
3.1031
17.276
1.187
2.756
7.280
1.652
2017
3.2231
18.564
1.292
3.008
7.280
1.769
2018
3.2491
19.755
1.418
3.506
7.280
1.882
2019
3.3991
19.522
1.596
4.017
7.280
1.860
2020
3.8191
21.968
1.622
4.168
7.030
1.752
2021
4.2051
25.447
1.703
4.360
6.670
1.692
2022
4.2601
26.374
1.726
4.459
6.310
1.743
2023
5.0521
32.110
1.835
4.701
5.030
1.343
2024
5.5321
36.016
2.010
5.269
3.750
1.022
2025
5.5991
36.921
2.035
5.439
2.470
645
X Noot
1
voor hogere inkomens wordt de arbeidskorting afgebouwd naar nul in deze jaren
Vraag 6
Erkent u, dat het inkomensbeeld van Nederlandse gepensioneerden zoals getoond in het
artikel, veel gunstiger zou zijn geweest als de Nederlandse aanvullende pensioenen
sinds 2010 zouden zijn verhoogd met hetzelfde percentage als de aanvullende pensioenen
in andere EU-landen, of met hetzelfde percentage als de staatspensioenen in andere
EU-landen?
Antwoord 6
Zie ook het antwoord op vraag 9. De indexatie van aanvullende pensioenen en staatspensioenen
in EU-landen zijn niet zonder meer vergelijkbaar. Figuur 1 laat voor Nederland in
ieder geval zien dat de AOW sinds 2011 wel geïndexeerd is geweest, vanwege de koppeling
aan het minimumloon. Hier zijn gepensioneerden waarvan de AOW een groter deel van
het inkomen uitmaakt, er meer op vooruitgegaan zijn dan gepensioneerden bij wie het
aanvullend pensioen een groter deel van het inkomen uitmaakt. Verder geldt dat Nederlandse
pensioengerechtigden één van de hoogste pensioenuitkeringen in Europa ontvangen (zie
het antwoord op vraag 12).
Vraag 7
Kunt u een tabeloverzicht geven, per jaar vanaf 2010, met in de eerste kolom de gemiddelde
jaarlijkse verhoging van de Nederlandse aanvullende pensioenen, in de tweede kolom
de gemiddelde jaarlijkse verhoging van de aanvullende pensioenen in andere EU-landen
en in de derde kolom de gemiddelde jaarlijkse verhoging van de staatspensioenen in
andere EU-landen?
Antwoord 7
Het is niet mogelijk om op basis van publiek toegankelijke data de gevraagde informatie
te verstrekken.
Vraag 8
Kunt u tevens een landen specifiek overzicht geven vanaf 2010, met in de eerste kolom
de gemiddelde jaarlijkse verhoging van de staatspensioenen in Frankrijk en daarnaast
respectievelijk ook van Italië, Spanje en Duitsland?
Antwoord 8
Het is niet mogelijk om op basis van publiek toegankelijke data de gevraagde informatie
te verstrekken.
Vraag 9
Kunt u weerleggen, dat diverse toonaangevende artificiële intelligentie toepassingen,
waaronder Grok en ChatGPT, bevestigend antwoorden op de vraag of het klopt dat Nederlandse
aanvullende (beroepspensioenen) in de periode 2008–2024 inderdaad minder zijn geïndexeerd
dan aanvullende pensioenen in andere EU-landen, minder dan de staatspensioenen in
andere EU-landen én minder dan het Nederlandse staatspensioen (AOW)? Geven deze toepassingen
een onjuist antwoord? Baseren zij zich op andere data of kunt u erkennen dat het inderdaad
de waarheid is? Deelt u de mening dat dit eigenlijk onaanvaardbaar is?
Antwoord 9
In algemene zin deel ik niet de mening dat eventuele verschillen in indexatie tussen
gepensioneerden in verschillende landen per definitie onaanvaardbaar zijn. De indexatie
van aanvullende pensioenen kan namelijk niet op een gelijkwaardige manier worden vergeleken
met de indexatie van staatspensioenen. Beide vormen van pensioen worden immers op
een andere wijze gefinancierd.
Aanvullende pensioenen zijn kapitaalgedekt en zijn daardoor vooral afhankelijk zijn
van ontwikkelingen op de financiële markten en de rentestanden. Staatspensioenen worden
gefinancierd uit lopende begrotingen en zijn, bijvoorbeeld in het geval van Nederland,
gekoppeld aan de ontwikkeling van het minimumloon. Daarnaast geeft het ook een onvolledig
beeld om louter de indexatie van aanvullende pensioenen van verschillende landen met
elkaar te vergelijken. Dit omdat de doelen en de indexatieregels van aanvullende pensioenen
per land verschillen.
Overigens heeft mijn ministerie dezelfde vraag ook gesteld aan Grok en ChatGPT. Grok
wees naar de Nederlandse indexatieregels van het oude pensioenstelsel als reden voor
waarom de indexatie van Nederlandse pensioenfondsen lager was dan in andere landen.
Als bron wordt verwezen naar «Better Finance»2. In deze publicatie is zichtbaar dat in de verschillende EU-lidstaten verschillende
pensioensystemen worden gehanteerd en dat het netto-rendement van Nederlandse pensioenfondsen
tussen 2014–2023 positief is. ChatGPT stelde dat het een onjuiste of op zijn minst
oncontroleerbare bewering is om met zekerheid te stellen dat Nederlandse aanvullende
pensioenen minder geïndexeerd zijn dan aanvullende pensioenen in de meeste andere
EU-landen omdat daar onvoldoende vergelijkende data voor beschikbaar is.
Bij het gebruik van AI-toepassingen om Kamervragen te beantwoorden is overigens de
nodige voorzichtigheid geboden. De verschillende AI-toepassingen leiden vaak nog niet
tot waterdichte antwoorden en missen vaak belangrijke nuances, zoals in deze specifieke
vraag het punt dat een vergelijking van louter de aanvullende pensioenen van verschillende
landen een onvolledig beeld geeft.
Vraag 10
Welk deel van het voor aanvullend pensioen bestemde kapitaal in de Europese Unie respectievelijk
in de eurozone, kan worden toegerekend aan Nederlandse pensioenfondsen en pensioendeelnemers
en welk deel aan andere lidstaten? Kan het antwoord worden gegeven in percentages
en met aparte cirkeldiagrammen voor de EU en de eurozone?
Antwoord 10
Volgens het «IORPS in Focus Report 2024» van EIOPA3 kan 59% van het totale pensioenkapitaal in de Europese Economische Ruimte toegerekend
worden aan Nederlandse pensioenfondsen, verzekeraars en premiepensioeninstellingen
(ppi). In de onderstaande figuur wordt inzicht gegeven in de verdeling over de lidstaten.
Het «PensionsEurope Report 2024»4 geeft aan dat in het vierde kwartaal van 2024 53,37% van het totale pensioenvermogen
in de eurozone Nederlands pensioenvermogen betrof.
Figuur 3: Pensioenvermogen in beheer in de EER in miljoenen euro’s.
Bron: EIOPA (2025), IORPS in Focus Report 2024
Vraag 11
Wat was het cumulatieve rendement van Nederlandse pensioenfondsen over de periode
2008–2020 in procenten? Wat was over dezelfde periode het cumulatieve rendement van
niet-Nederlandse pensioenfondsen in de EU? Geeft het verschil in rendement onderbouwing
voor het verschil in indexatie in de periode?
Antwoord 11
Bij het Ministerie van SZW is geen data bekend om deze vraag te kunnen beantwoorden.
Daarbij wil ik opmerken dat de gevraagde vergelijking van Nederlandse pensioenfondsen
met buitenlandse pensioenfondsen op louter het cumulatieve rendement beperkte inzichten
geeft. Ten eerste behoort het behaalde rendement altijd in samenhang met het bijbehorende
risico te worden bekeken. Daarnaast keren Nederlandse pensioenfondsen geen vermogen
uit maar een levenslange uitkering. Om dit te kunnen bieden, moeten Nederlandse pensioenfondsen
onder andere risico’s zoals de rentevolatiliteit afdekken, iets wat voor buitenlandse
pensioenfondsen anders kan zijn, gelet op de verschillende doelen en indexatieregels
voor aanvullende pensioenen per land.
Vraag 12
Begrijpt u dat Nederlandse gepensioneerden zich ernstig benadeeld voelen als zij op
afstand de grootste pensioenpot van Europa bij elkaar hebben gespaard, maar tegelijkertijd
moeten aanzien dat zowel staatspensioenen als aanvullende pensioenen in andere EU-landen
veel harder zijn gestegen. Indien nee, graag een toelichting.
Antwoord 12
Voor de ervaren welvaart, is de hoogte van het pensioen een belangrijke indicator.
Uit de onderstaande tabel, met data uit 2022, kan worden opgemaakt dat Nederlandse
pensioengerechtigden één van de hoogste pensioenuitkeringen in Europa ontvangen, ook
wanneer er rekening wordt gehouden met de verschillen in koopkracht tussen de landen
(de kolom «in PPS»). Daarnaast verwijs ik naar de eerdere antwoorden, waarin ik kanttekeningen
plaats bij de vergelijking van de (jaarlijkse) stijging van kapitaalgedekte pensioenen
met de stijging van begrotingsgefinancierde pensioenen.
Tabel 2: Gemiddelde pensioenuitgaven per ontvanger van het ouderdomspensioen, Eurostat
(2022)
(in €)
(in PPS)
EU1
16.138
16.138
Austria
24.349
21.162
Luxembourg
31.835
20.784
Denmark12
30.211
20.587
Netherlands
24.092
20.185
Italy1
19.589
19.470
Spain
18.100
19.371
Belgium
22.577
18.885
France12
18.855
17.217
Sweden1
22.436
17.204
Germany12
17.926
16.456
Finland
21.085
16.353
Ireland
21.766
15.324
Greece1
12.286
14.558
Portugal
11.286
13.240
Cyprus
12.484
13.085
Poland
6.905
11.688
Malta
10.613
11.412
Slovenia
8.930
10.175
Czechia
8.375
10.142
Romania
5.094
9.577
Hungary
4.958
8.015
Estonia
7.329
7.779
Latvia
5.684
7.425
Croatia2
4.940
7.212
Lithuania
5.323
7.145
Bulgaria
3.611
6.644
Slovakia
4.753
5.978
Opmerking: exclusief verwachte en gedeeltelijke pensioenen.
Bron: Eurostat3
3 https://ec.europa.eu/eurostat/statistics-explained/index.php?title=Soci…
X Noot
1
Voorlopig
X Noot
2
Raming
Vraag 13
Begrijpt u dat het voor veel Nederlanders onbestaanbaar is, dat andere EU-lidstaten
die hun ongedekte staatspensioenen fors hebben verhoogd, straks aankloppen bij Nederland
en/of bij de EU voor financiële steun via eurobonds of anderszins?
Antwoord 13
In de EU zijn afspraken gemaakt over de coördinatie van het economisch en begrotingsbeleid
van lidstaten. In dat verband krijgen lidstaten jaarlijks landspecifieke aanbevelingen
van de Raad, die ook betrekking hebben op de houdbaarheid van pensioenstelsels. Daarnaast
worden lidstaten geacht zich te houden aan de begrotingsregels. In dat verband moeten
lidstaten zich houden aan een maximale uitgavengroei, die ervoor moet zorgen dat hun
tekort en schuld op middellange termijn onder de 3% en 60% bbp komt of blijft. Bij
de berekening van de maximale uitgavengroei wordt rekening gehouden met de kosten
van vergrijzing, waaronder die van pensioenen. Deze afspraken moeten bijdragen aan
de houdbaarheid van pensioenstelsels en bijdragen aan de financiële stabiliteit van
de EU. Voorstellen om aan te kloppen bij andere landen of bij de EU voor financiële
steun zijn daarbij niet aan de orde.
Vraag 14
Wat gaat u doen om de koopkrachtresultaten van Nederlandse gepensioneerden op een
meer evenwichtig groeipad te krijgen, in vergelijking met werkenden, zelfstandigen
en uitkeringsgerechtigden?
Antwoord 14
De AOW en de bijstand zijn gekoppeld aan het wettelijk minimumloon, wat een evenwichtige
koopkrachtontwikkeling stimuleert. Het feit dat gepensioneerden met een aanvullend
pensioen zijn achtergebleven in koopkrachtontwikkeling is voornamelijk gevolg van
de beperkte aanvullende pensioenindexatie in het oude pensioenstelsel tot 2022. Daarnaast
is er ieder jaar tijdens de augustusbesluitvorming aandacht voor een evenwichtig koopkrachtbeeld.
Hierbij wordt ook gekeken naar de verschillen tussen de koopkrachtontwikkeling van
werkenden, uitkeringsgerechtigden en gepensioneerden. Voor komend jaar is een evenwichtig
koopkrachtbeeld geraamd waar gepensioneerden er in doorsnee 1,5% op vooruitgaan. Dit
komt voor een groot deel door het nieuwe pensioenstelsel, waardoor aanvullende pensioenen
meer kunnen worden verhoogd wanneer het goed gaat op de financiële markten. In deze
raming wordt uitgegaan van een indexatie van aanvullende pensioenen volgend jaar met
gemiddeld met 4%. Werkenden en uitkeringsgerechtigden gaan er in doorsnee 1,3% op
vooruit.
Vraag 15
Deelt u de mening dat hier sprake is van fiscale leeftijdsdiscriminatie?
Antwoord 15
Het kabinet deelt de mening niet dat er sprake is van leeftijdsdiscriminatie. Het
verschil in de koopkrachtonwikkeling tussen werkenden en gepensioneerden wordt voor
een belangrijk deel veroorzaakt door de beperkte indexatie van de aanvullende pensioenen
in het oude pensioenstelsel tot 2022. Het Nederlandse pensioenstelsel is deels kapitaalgedekt
(aanvullend pensioen) en deels omslagstelsel (AOW). Door ze gezamenlijk te gebruiken,
kunnen risico’s zoals inflatie en vergrijzing beter worden gespreid. Terwijl het omslagstelsel
direct wordt gefinancierd door middel van de lopende begroting, zijn bij het kapitaalgedekte
stelsel de individuele bijdrage en de ontwikkelingen op de financiële markten van
belang. Hier hoort bij dat de overheid dan ook niet de marktuitkomsten van het kapitaalgedekte
deel gaat compenseren.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M.L.J. Paul, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.