Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Van Hijum, Wingelaar en Saris over het gebruik en de bescherming van Nedersaksisch en Limburgs als streektalen
Vragen van de leden Van Hijum, Wingelaar en Saris (allen Nieuw Sociaal Contract) aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over het gebruik en de bescherming van Nedersaksisch en Limburgs als streektalen (ingezonden 27 oktober 2025).
Antwoord van Minister Rijkaart (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) (ontvangen
10 december 2025). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 423.
Vraag 1
Heeft u kennis genomen van het bericht «Friese taal wordt beter doorgegeven dan het
Nedersaksisch», over het promotieonderzoek van Raoul Buurke naar het gebruik en het
behoud van deze beide streektalen in de afgelopen decennia?1
Antwoord 1
Ja. Ik heb kennisgenomen van het bericht over het onderzoek van dr. Buurke.
Vraag 2
In hoeverre worden de verschillen in de mate waarin het Fries en Nedersaksisch als
streektaal worden gebruikt, vermengd met Nederlands en doorgegeven aan jongeren naar
uw mening veroorzaakt door de hardnekkige weigering van de regering om het Nedersaksisch
(evenals het Limburgs) te erkennen onder deel III van het Europees Handvest voor regionale
talen of talen van minderheden, dat door Nederland in 1996 is geratificeerd?
Antwoord 2
De verschillen in gebruik tussen het Fries en het Nedersaksisch zijn niet uitsluitend
het gevolg van de erkenning onder het Europees Handvest. Demografische en sociale
factoren, zoals het aantal sprekers, de mate van verstedelijking, het gebruik in gezinnen
en de aanwezigheid in onderwijs en media, spelen hierbij eveneens een belangrijke
rol. De verschillen in vitaliteit tussen beide talen kunnen dus niet enkel worden
toegeschreven aan het ontbreken van een erkenning onder deel III. Bovendien brengt
erkenning onder deel III juridisch bindende verplichtingen met zich mee, die een zorgvuldige
afweging vereisen. Daarnaast biedt erkenning onder deel II voldoende ruimte om het
Nedersaksisch en het Limburgs te beschermen, aangezien dit deel ook verplichtingen
bevat om het gebruik van deze talen te beschermen en bevorderen.
Vraag 3
Deelt u de mening dat het belangrijk is om het Nedersaksisch en Limburgs als streektalen
te behouden, als onderdeel van de identiteit en het culturele erfgoed, en dat dit
belang een erkenning van het Nedersaksisch en Limburgs onder deel III van het Handvest
rechtvaardigt?
Antwoord 3
Het behoud van het Nedersaksisch en het Limburgs is belangrijk voor de regionale identiteit
en het cultureel erfgoed. Dit uitgangspunt ligt ook aan de basis van de bestaande
erkenning onder deel II van het Handvest en de convenanten. Of uitbreiding naar deel
III passend is, vraagt een nadere analyse van uitvoerbaarheid en middelen en gaat
in samenspraak met de betrokken regionale overheden.
Vraag 4
Kunt u concreet toelichten hoe de huidige erkenning van beide streektalen onder deel
II concreet uitwerking heeft gekregen in «beleid, wetgeving en praktijk ten aanzien
van regionale talen», waartoe het Handvest de regering verplicht? Deelt u onze mening
dat de inzet van het Rijk in de afgelopen decennia ontoereikend is geweest om de achteruitgang
in het gebruik van streektalen te stoppen?
Antwoord 4
De erkenning onder deel II is concreet uitgewerkt via convenanten met de betrokken
provincies en gemeenten. Daarmee is invulling gegeven aan de verplichtingen inzake
samenwerking, beleid en kennisbevordering. Tegelijk is erkend dat het gebruik van
streektalen onder druk staat zoals het onderzoek van Buurke aangeeft. Dit vraagt om
blijvende inzet vanuit het Rijk en regionale overheden.
Vraag 5
Kunt u toelichten wat de regering concreet heeft gedaan om de streektalen te behouden
sinds het afsluiten van de convenanten met de verantwoordelijke provincies Groningen,
Drenthe, Overijssel, Gelderland en Friesland en de gemeenten Oost- en West-Stellingwerf
(in 2018) en Limburg (in 2019)? Welke concrete initiatieven heeft de regering genomen
om het gebruik van streektalen in diverse domeinen (zoals regionaal en lokaal bestuur,
cultuur, media, onderwijs en kennis) te stimuleren? Welke belemmeringen zijn weggenomen?
Antwoord 5
Sinds het sluiten van de convenanten met de betrokken provincies en gemeenten in 2018
(voor het Nedersaksisch) en 2019 (voor het Limburgs) heeft de regering ingezet op
versterking van samenwerking en kennisuitwisseling tussen Rijk en regio. Dit gebeurt
onder meer via projecten op het gebied van onderwijs, cultuur, media en taalbevordering.
Zo heeft het Rijk eind 2023 € 75.000 ter beschikking gesteld aan het provinciefonds,
bestemd voor ’t Hoes veur ’t Limburgs. Daarnaast heeft het Rijk € 75.000 aan de gemeente
Weststellingwerf verstrekt voor de bevordering en bescherming van het Nedersaksisch
ten behoeve van alle partners in het convenant Nedersaksisch.
Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties organiseert daarnaast
periodiek een Erkende Talen Symposium gericht op het delen van kennis, het bevorderen van samenwerking en het vergroten
van bewustwording over de positie van regionale talen. Tevens onderhoudt het ministerie
structureel ambtelijk contact met vertegenwoordigers van de betrokken provincies en
gemeenten, om uitvoering van de convenanten te volgen en te ondersteunen. Tegelijkertijd
blijft structurele borging in beleid, financiering en onderwijs een gezamenlijke uitdaging.
Het behoud en de versterking van de streektalen vragen blijvende inzet van zowel het
Rijk als de decentrale overheden.
Vraag 6
Deelt u de mening dat het wenselijk is dat het Rijk provincies en gemeenten te hulp
schiet bij hun inspanningen om het Nedersaksisch en Limburgs te behouden en dat het
erkennen van de streektalen onder deel III helpt om de inzet van het Rijk te concretiseren?
Antwoord 6
Het Rijk acht samenwerking met provincies en gemeenten essentieel, aangezien de verantwoordelijkheid
voor taalbeleid bij meerdere bestuurslagen ligt. Het is wenselijk dat het Rijk deze
overheden ondersteunt bij hun inspanningen om het Nedersaksisch en Limburgs te behouden.
Erkenning onder deel II en het convenant bieden ook voldoende ruimte om de talen te
beschermen en te versterken, doordat dit deel al voorziet in verplichtingen tot bescherming.
De effectiviteit hangt vooral af van de gezamenlijke inzet en samenwerking tussen
Rijk, provincies en taalorganisaties.
Vraag 7
Bent u ervan op de hoogte dat het Nedersaksisch in de meeste Noord-Duitse deelstaten,
waaronder Nedersaksen, erkend is onder deel III van het Handvest? Bent u bereid zich
te verdiepen in de praktijk bij onze Duitse buren en te bezien wat we van hen kunnen
leren?
Antwoord 7
Ik ben hiervan niet op de hoogte. Desalniettemin sta ik open om die situatie verder
te bestuderen en te bezien welke elementen passend zouden kunnen zijn voor de Nederlandse
context, rekening houdend met ons bestuurlijke stelsel.
Vraag 8
Wat is uw reactie op het concrete voorstel dat is uitgewerkt door het wetenschappelijk
bureau van NSC voor erkenning van het Nedersaksisch en Limburgs onder deel III, dat
is gebaseerd op de praktijk in Nedersaksen? Kunt u aangeven welke onderdelen van dit
voorstel u niet uitvoerbaar of haalbaar acht en waarom niet?2
Antwoord 8
Ik heb het voorstel van NSC niet officieel ontvangen. Toch onderschrijf ik nogmaals
het belang van het behoud en de versterking van regionale talen. Op het moment evalueren
de convenantpartners het convenant Nedersaksisch. Het voorstel van NSC kan daarbij
worden meegenomen, in overleg met de betrokken provincies en taalorganisaties. De
evaluatie zal waardevolle inzichten bieden om te bepalen hoe de samenwerking tussen
Rijk en regio verder kan worden versterkt en welke maatregelen het meest effectief
bijdragen aan het behoud van de taal.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
F. Rijkaart, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.