Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Teunissen over de Nederlandse klimaatfinanciering aan ontwikkelingslanden
Vragen van het lid Teunissen (PvdD) aan de Minister van Buitenlandse Zaken en de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken over de Nederlandse klimaatfinanciering aan ontwikkelingslanden (ingezonden 20 november 2025).
Antwoord van Staatssecretaris De Vries (Buitenlandse Zaken) (ontvangen 10 december
2025).
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van recente berichtgeving waaruit blijkt dat Nederland in de
rapportage over internationale klimaatfinanciering projecten meerekent die niet primair
gericht zijn op klimaatmitigatie of -adaptatie, zoals programma’s op het gebied van
gezondheid, cultuur of voedselzekerheid?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Kunt u toelichten welke criteria het kabinet hanteert bij het bepalen of een project
of programma meetelt als klimaatfinanciering, en hoe wordt vastgesteld welk deel van
een projectbudget wordt toegerekend aan klimaatdoelen?
Antwoord 2
De klimaatrelevantie van internationale projecten wordt op drie manieren bepaald:
– Het grootste deel van de klimaatfinanciering wordt vastgesteld op basis van «Rio-markers»
van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Projecten
en programma’s krijgen een marker als het als hoofd- of subdoel het reduceren van
uitstoot (mitigatie) en/of klimaatrisico’s (adaptatie) heeft. Als het hoofddoel klimaat
is, telt het project voor 100% mee. Als het een subdoel is dan telt het voor 40% mee.
Bij het beoordelen van activiteiten moet de toewijzing van de klimaatmarker(s) worden
onderbouwd. Toekenning en onderbouwing worden gecontroleerd door de verantwoordelijke
beleidsdirectie.
– Voor een deel van de activiteiten wordt niet gewerkt met klimaatmarkers maar met klimaatpercentages
die worden vastgesteld door de OESO. Dit betreft bijdragen aan enkele multilaterale
instellingen en fondsen zoals het Green Climate Fund (GCF) en de Global Environment
Facility (GEF). De OESO maakt hiervoor met de betreffende organisaties een precieze
berekening die jaarlijks wordt geactualiseerd.
– Voor de multilaterale instellingen waarvoor de OESO geen klimaatpercentage heeft vastgesteld
en voor grote programma’s waarvoor de percentages behorende bij de markers te grofmazig
worden geacht, maakt het ministerie een inschatting van de klimaatrelevantie, waar
mogelijk in consultatie met de uitvoerder.2
Vraag 3
Erkent u dat het toerekenen van delen van bredere ontwikkelingsprojecten aan klimaatfinanciering
het risico met zich meebrengt dat de werkelijke omvang van de Nederlandse bijdrage
aan klimaatmaatregelen in kwetsbare landen wordt overschat?
Antwoord 3
Nederland zet zich er voor in een realistische inschatting te maken van klimaatrelevantie
van bredere ontwikkelingsprojecten. De Rio-marker systematiek is een internationaal
erkende en op dit moment de meest efficiënte methode om deze inschatting te maken.
Het kabinet erkent dat het meten van klimaatfinanciering op basis van de Rio-markers
op activiteitniveau soms kan leiden tot een wat hogere of lagere schatting van de
gerealiseerde klimaatimpact. De gedachte is dat de over- en onderschatting binnen
het gehele portfolio elkaar in balans houden en de markers zo op portfolioniveau de
best mogelijke weergave geven van de klimaatrelevantie.
Vraag 4
Hoeveel publieke middelen heeft Nederland in het meest recente verslagjaar aangemerkt
als internationale klimaatfinanciering, uitgesplitst naar mitigatie, adaptatie en
gemengde projecten?
Antwoord 4
Van de publieke klimaatfinanciering in 2024 kwam EUR 659 miljoen (62%) ten goede aan
klimaatadaptatie en EUR 352 miljoen (33%) ten goede aan klimaatmitigatie. Van EUR
59 miljoen (5%) is niet gespecificeerd of dit ten goede kwam aan mitigatie of adaptatie
(cross-cutting).3
Vraag 5
In hoeverre bestaan de Nederlandse bijdragen aan klimaatfinanciering uit schenkingen
(giften) dan wel uit leningen of andere financiële instrumenten die moeten worden
terugbetaald?
Antwoord 5
De Nederlandse publieke klimaatfinanciering bestaat bijna volledig uit schenkingen
(giften). Een deel van de bijdragen aan de multilaterale ontwikkelingsbanken of bijvoorbeeld
de staatsfondsen bij de Nederlandse ontwikkelingsbank FMO heeft de vorm van een kapitaalaanvulling
of een revolverende schenking.
Bij de privaat gemobiliseerde klimaatfinanciering is sprake van meer diversiteit in
de financieringsvorm. Van de privaat gemobiliseerde klimaatfinanciering in 2024 (exclusief
de financiering vanuit de multilaterale ontwikkelingsbanken) betreft 40% een lening,
25% een garantie, 17% een schenking en 18% is een restcategorie. De gedetailleerde
uitsplitsing kunt u vinden op pagina 61 van de Nederlandse private mobilisatie rapportage
in 2024.4
Vraag 6
Hoe verklaart het kabinet dat Nederland achterblijft bij andere ontwikkelde landen
in het leveren van klimaatfinanciering aan armere landen, terwijl juist de rijkste
landen hiervoor verantwoordelijk zijn?5
Antwoord 6
Het klopt niet dat Nederland achterblijft bij andere ontwikkelde landen in het leveren
van klimaatfinanciering. Binnen de EU is Nederland, na Duitsland, Frankrijk en Spanje,
in absolute cijfers de vierde donor als het gaat om het verstrekken van publieke klimaatfinanciering.6 Ook het Overseas Development Institute (ODI) constateerde in 2025 dat Nederland zijn bijdrage aan internationale klimaatfinanciering
levert en plaatst Nederland als 7e op een ranglijst van in totaal 23 landen.7
Vraag 7
Welke stappen onderneemt Nederland om ervoor te zorgen dat klimaatfinanciering daadwerkelijk
ten goede komt aan de landen en gemeenschappen die het meest kwetsbaar zijn voor de
gevolgen van klimaatverandering
Antwoord 7
Nederland zet zich actief in om de kwetsbaarheid van landen en gemeenschappen voor
de gevolgen van klimaatverandering te verminderen. In 2024 kwam dan ook 62% van de
publieke Nederlandse klimaatfinanciering ten goede aan adaptatie. Naar verwachting
zal zowel het aandeel als het bedrag voor klimaatadaptatie binnen de Nederlandse publieke
klimaatfinanciering verder groeien door groeiende klimaatrelevantie van de inzet op
vooral water en voedselzekerheid. Nederland sluit hiermee goed aan op de uitkomst
van de 30e Conferentie van Partijen (COP30) bij het Klimaatverdrag, in Belém, Brazilië, waarin
wordt opgeroepen tot versterkte inzet op adaptatiefinanciering. Dit past ook bij de
bredere aanmoediging van deze COP om gezamenlijk toe te werken naar een verdriedubbeling
van de totale financiering voor adaptatie in 2035 binnen de kaders van het afgesproken
klimaatfinancieringsdoel.
Uit een onderzoek van de Directie Internationaal Onderzoek en Beleidsevaluatie (IOB)
in de deelstudie «Financiële toezeggingen in transitie» (Nederlandse klimaatfinanciering
voor ontwikkeling 2016–2019, Kamerstuk 32 813, nr. 811) blijkt dat 60% van de publieke klimaatfinanciering ten goede komt aan lage inkomenslanden
en, met een gedeeltelijke overlap, 25% aan fragiele landen. Het kabinet heeft geen
reden om aan te nemen dat deze percentages sindsdien sterk zijn gewijzigd.
Vraag 8
In hoeverre is de door Nederland gerapporteerde klimaatfinanciering additioneel ten
opzichte van de reguliere middelen voor ontwikkelingssamenwerking, en hoe wordt deze
additionaliteit gecontroleerd en verantwoord?
Antwoord 8
De discussie over de betekenis van nieuw en additioneel heeft nooit geleid tot een
internationaal geaccepteerde definitie. Ontwikkeling die geen rekening houdt met het
klimaat is geen bestendige ontwikkeling; en zonder klimaatbeleid wordt ontwikkeling
tenietgedaan. De rapportage van de Nederlandse klimaatfinanciering is transparant
en volgt zoveel mogelijk de internationaal (in OESO-verband) afgesproken methodes.
Doordat de Nederlandse publieke klimaatfinanciering bijna volledig uit giften bestaat
en zich voor een groot deel op adaptatie richt, wordt deze over het algemeen positief
beoordeeld. De review van het eerste Biennial Transparency Report (BTR) van Nederland onder het Akkoord van Parijs is tijdens COP30 in Bélem succesvol
afgesloten. De transparantie van de rapportage laat de ruimte aan ontvangende landen
om de Nederlandse bijdrage kritisch te beoordelen.
Vraag 9
Hoe beoordeelt het kabinet de constatering dat Nederland in vergelijking met andere
Europese landen relatief weinig publieke klimaatfinanciering bijdraagt aan ontwikkelingslanden,
gemeten naar nationale welvaart en historische uitstoot?
Antwoord 9
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 6, is deze constatering onjuist. In vergelijking
met andere Europese landen levert Nederland relatief veel publieke klimaatfinanciering.
Vraag 10
Bent u bereid de Kamer een overzicht te sturen van alle door Nederland als klimaatfinanciering
opgevoerde projecten over de afgelopen drie jaar, inclusief de onderliggende motivering
voor hun klimaatdoelstelling en de gehanteerde verdeelsleutel per project?
Antwoord 10
Ik verwijs u graag naar het online klimaatdashboard.8 Deze openbare database geeft inzicht in de Nederlandse publieke klimaatfinanciering
en alle onderliggende programma’s in 2024 en de voorgaande jaren (vanaf 2020). Daarbij
is zichtbaar gemaakt welke klimaatrelevantie is meegegeven aan de programma’s (inclusief
verdeling adaptatie en mitigatie) en kan worden doorgeklikt naar onderliggende documentatie,
zoals de beoordeling die aan de goedkeuring van de activiteit ten grondslag heeft
gelegen.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
A. de Vries, staatssecretaris van Buitenlandse Zaken
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.