Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over het Fiche: Maatregelen ter bescherming EU staalsector tegen wereldwijde overcapaciteit (Kamerstuk 22112-4213)
22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie
Nr. 4220
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 10 december 2025
De vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp heeft een aantal
vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken over
de brief van 21 november 2025 over het fiche: Maatregelen ter bescherming EU staalsector
tegen wereldwijde overcapaciteit (Kamerstuk 22 112, nr. 4213).
De vragen en opmerkingen zijn op 2 december 2025 aan de Staatssecretaris van Buitenlandse
Zaken voorgelegd. Bij brief van 10 december 2025 zijn de vragen beantwoord.
De fungerend voorzitter van de commissie, Boswijk
De griffier van de commissie, Prenger
Inhoudsopgave
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon
Inbreng VVD-fractie
Inbreng GroenLinks-PvdA-fractie
Inbreng CDA-fractie
Inbreng BBB-fractie
Inbreng PvdD-fractie
Inbreng SP-fractie
II. Volledige agenda
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon
Inbreng leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het Fiche: Maatregelen
ter bescherming EU staalsector tegen wereldwijde overcapaciteit en hebben hier enkele
vragen over.
Allereerst verwelkomen de leden het standpunt van het kabinet ten aanzien van het
Fiche. De leden delen de zorgen die worden geuit over de handhaafbaarheid van de maatregelen.
Op welke manier heeft de Europese Commissie het totale invoerquotum tegen de verlaagde
heffing vastgesteld? De leden zijn hiernaar benieuwd aangezien het een vermindering
van 47% is ten opzichte van de voorheen geldende vrijwaringsmaatregelen.
1. Antwoord van het kabinet:
Het doel van de Europese Commissie (hierna: Commissie) is om de negatieve effecten
van de wereldwijde staalovercapaciteit op de Europese staalmarkt te beperken. Voor
het vaststellen van nieuwe invoerquota heeft de Commissie gekeken naar de situatie
op de Europese staalmarkt in 2013. Dit jaar is gekozen als referentiejaar, omdat dit
het laatste jaar was waarin de staalmarkt nog niet werd beïnvloed door wereldwijde
overcapaciteit. Het nieuwe totale invoerquotum is berekend aan de hand van de invoercijfers
en marktaandelen in dat jaar, en aan de hand van het totale verbruik op de staalmarkt
van de Unie in 2024 (het laatste jaar waarvoor alle benodigde gegevens beschikbaar
zijn). Andere relevante ontwikkelingen in de staalmarkt sinds 2013, zoals handelsmaatregelen
door derde landen, zijn ook meegenomen, evenals de uitkomsten van de publieke consultatie.
Onderaan de streep resulteert dit inderdaad in een verlaging van de tariefvrije volumes
in de invoerquota met 47% ten opzichte van de quota onder de huidige vrijwaringsmaatregelen.
Kan de Staatssecretaris tevens toelichten waar de heffing van 50% op is gebaseerd?
2. Antwoord van het kabinet:
De Commissie heeft voor het vaststellen van de heffing van 50 procent onder meer gekeken
naar het niveau van tarieven in de staalsector op andere belangrijke markten. Zowel
de Verenigde Staten (VS) als Canada hebben een invoertarief ingesteld van 50 procent.
De Commissie acht het passend en effectief om een tarief van 50 procent voor invoer
buiten de quota in te voeren, onder meer om het risico van verlegging van het handelsverkeer
tot een minimum te beperken. De Commissie heeft hierin ook de uitkomsten van de publieke
consultatie meegewogen, waarin een meerderheid van deelnemers een tarief van 50 procent
steunde. Voorts heeft de Commissie in een analytisch werkdocument1 een economische analyse gemaakt van de gevolgen voor de Europese staalproductie onder
verschillende scenario’s om de meest effectieve maatregel te bepalen.
Daarnaast vragen de leden van de VVD-fractie aan de Staatssecretaris om een korte
toelichting hoe deze maatregelen mogelijk effect kunnen hebben op de handelsrelatie
met de Verenigde Staten. Op welke manier weegt de Commissie lopende onderhandelingen
over handelsverdragen bij het vaststellen van deze maatregelen?
3. Antwoord van het kabinet:
De maatregelen gelden naar hun aard in principe voor alle derde landen, inclusief
de Verenigde Staten, die zelf ook een invoertarief van 50% op staal hanteren. Wat
de effecten zullen zijn op handelsrelaties met derde landen zal per betreffend land
verschillen. Voor wat betreft de VS geldt dat het Joint Statement tussen de Europese Unie (EU) en de VS d.d. 21 augustus jl. verwijst naar mogelijke
samenwerking om de staalmarkten in zowel de EU als de VS te beschermen tegen wereldwijde
overcapaciteit, inclusief door middel van tariefcontingenten. De voorstellen van de
Commissie kunnen worden gezien als een stap die samenwerking in deze richting mogelijk
maakt.
De Commissie heeft aangegeven dat de voorgestelde maatregelen ook onderwerp van discussie
kunnen worden in lopende onderhandelingen met andere derde landen over handelsverdragen.
De Commissie heeft toegezegd in het verloop van de onderhandelingen met World Trade Organisation (WTO) partners onder art. 28 van de General Agreement on Tariffs and Trade (GATT) nadrukkelijk rekening te houden met lopende onderhandelingen over handelsverdragen.
Eén van de elementen in het voorstel van de Commissie om de landen-specifieke quotaverdeling
te bepalen, is het al dan niet bestaan van een handelsverdrag met het betreffende
land.
De leden van de VVD-fractie missen een nadere analyse hoe de heffingen invloed kunnen
hebben op de gehele waardeketen. Is de Staatssecretaris van plan in Europees verband
te pleiten voor een analyse voordat de maatregelen in werking treden? Zo ja, dan vragen
de leden of deze analyse specifiek aandacht kan hebben voor disproportionele kosten
of nieuwe regelgeving voor het midden- en kleinbedrijf (mkb).
4. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet pleit in Europees verband voor een nadere analyse van de invloed van de
voorgestelde maatregelen op de gehele waardeketen. Het kabinet onderstreept daarbij
voortdurend het belang van een gebalanceerde en proportionele maatregel, met oog voor
de gevolgen voor niet alleen staalproducenten, maar de gehele waardeketen. De Commissie
geeft aan deze belangen te onderkennen. Volgens de Commissie zou het uitvoeren van
een volwaardige impactanalyse, en de tijd die dit kost, het serieuze risico met zich
meebrengen dat er een gat ontstaat tussen het einde van de huidige vrijwaringsmaatregelen
en de toepassing van het nieuwe voorstel. De Commissie wijst in dit kader op de analyses
die wel gedaan zijn. Zo heeft de Commissie in een werkdocument een economische analyse
gemaakt aan de hand van verschillende scenario’s, en heeft deze op werkniveau ook
nader toegelicht aan de lidstaten. Daarbij is ook gekeken naar de mogelijke effecten
van de maatregelen op staalprijzen en op de output, import en export in verschillende
sectoren. Tevens heeft de Commissie in de zomer van 2025 een publieke consultatie
uitgezet voor belanghebbenden. Naast staalproducenten hebben ook andere partijen in
de waardeketen hieraan deelgenomen, zoals gebruikers en importeurs, ook het midden-
en kleinbedrijf. Het voorstel van de Commissie bevat een herzieningsclausule om reikwijdte
van de maatregelen regelmatig te herzien, en het gehele instrument te evalueren. Het
kabinet zet zich ervoor in om in deze clausules ook nadrukkelijk de (mogelijk negatieve)
effecten van de maatregelen in de gehele waardeketen mee te wegen en hier gedegen
nadere analyses van te maken.
De leden lezen dat het kabinet het van belang acht dat wordt meegenomen of soortgelijke
bescherming ook met lichtere maatregelen kan worden bereikt. Heeft het kabinet een
eigen analyse gemaakt van lichtere maatregelen?
5. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet heeft geen eigen analyse gemaakt van mogelijk lichtere maatregelen. Wel
onderstreept het kabinet het belang van proportionaliteit van de maatregelen, en gedegen
onderbouwing van de voorgestelde maatregelen. De Commissie heeft in het analytisch
werkdocument een economische analyse gemaakt van verschillende scenario’s, waaronder
een lichtere maatregel zoals een 25 procent invoerheffing. Uit deze analyse blijkt
dit onvoldoende voor de benodigde bescherming van de Europese staalproductie.
Verder lezen de leden van de VVD-fractie dat in de onderhandelingen de WTO tarieven
op andere producten en sectoren kunnen worden aangepast ter compensatie voor de verhoogde
tarieven op staal. Aan welke producten en sectoren wordt gedacht bij een verlaging?
6. Antwoord van het kabinet:
Voor de onderhandelingen in WTO-verband heeft de Commissie aangegeven dat het niet
zou gaan om een verlaging van tarieven van de EU op andere producten en sectoren,
maar dat het mogelijk wel kan leiden tot een verhoging van tarieven van derde landen
in reactie op de verhoogde EU tarieven op staal. De Commissie heeft aangegeven slechts
een beperkte reactie in deze vorm te verwachten van derde landen.
Kan de Staatssecretaris zich inzetten dat een mogelijke uitkomst zo gunstig mogelijk
voor de Nederlandse economie uitpakt?
7. Antwoord van het kabinet:
Ja, het kabinet zet zich hiervoor in.
Allerlaatst maken de leden zich zorgen over de mogelijke extra regeldruk die de maatregelen
met zich meenemen. De leden lezen dat een definitief oordeel over de voorgestelde
melted and poured maatregel afhankelijk is van een goed zicht op de regeldrukeffecten.
Wanneer wordt deze analyse gemaakt door de Commissie? Kan de Staatssecretaris deze
uitkomsten delen met de Kamer?
8. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet steunt de doelstelling achter de voorgestelde melted and poured maatregel, die kan bijdragen aan het in kaart brengen van mogelijke omzeiling van
de maatregelen. Deze maatregel wordt in EU-verband momenteel nader uitgewerkt. In
lijn met het actieprogramma Minder Druk Met Regels en de nieuwe aanpak regeldruk voor
ondernemers2, zal het kabinet zich inzetten om de mogelijke effecten ten aanzien van regeldruk
te verduidelijken, en pleiten voor werkbare en proportionele regels. Het kabinet heeft
daarom bij de Commissie reeds aangedrongen op een analyse van de effecten. Ook de
Commissie erkent het belang van het beperken van de regeldruk, en zal op korte termijn
betrokken partijen consulteren. Het kabinet zal de Kamer op de hoogte houden van de
ontwikkelingen.
Daarnaast vragen de leden of het kabinet de Kamer kan informeren over de precieze
quota-allocatie per land.
9. Antwoord van het kabinet:
De landen-specifieke quota-allocatie staat nog niet vast, en zal bepaald worden in
onderhandelingen tussen de Commissie en derde landen. Na afronding van deze onderhandelingen
zal het kabinet uw Kamer informeren over de voorgestelde precieze quota-allocatie
per land.
Inbreng leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de Europese voorstellen
om de staalindustrie te beschermen en de positie van het kabinet hierover. Zij staan
in beginsel positief tegenover dit voorstel en hebben enkele vragen en opmerkingen
over de positie van het kabinet.
De leden van deze fractie zijn positief over deze maatregelen. De leden achten de
maatregelen bevorderlijk voor het voortzetten van modernisering en verduurzaming door
Europese staalproducenten, voor het versterken van onze eigen Europese economie, maar
vooral ook in het kader van onze strategische autonomie en afhankelijkheden in een
onrustige wereld. Bovendien zien de leden dat- waar leiders als Trump de regels en
multilaterale orde aan hun laars lappen – de Europese Commissie kiest voor conformiteit
met de regels die we in de WTO met elkaar hebben afgesproken, en gepaste actie. Het
is om deze reden dat de terughoudende houding van het kabinet over het Commissievoorstel
deze leden verrast.
Wel zou, wat betreft de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie, het voorstel van de
Commissie op een aantal punten nog verbeterd of versterkt kunnen worden.
Zo lijkt het deze leden goed om de Commissie juist meer bevoegdheden te geven om de
reikwijdte van producten te verbreden, als dat nodig is. In een snel veranderende
en onrustige wereld is het goed als Europa kan inspelen op veranderingen. De leden
vragen het kabinet daarom of zij in Europees verband willen pleiten voor het sneller
kunnen uitbreiden van de lijst producten als dat nodig is. Dit kan onmiddellijk na
het inwerkingtreden van de wet, maar moet in ieder geval binnen een jaar. Ook lijkt
het de leden verstandig als de Commissie elk jaar beoordeelt of verbreding nodig is.
10. Antwoord van het kabinet:
Zoals in het BNC-fiche aangegeven, verwelkomt het kabinet de doelstelling van het
Commissievoorstel en onderschrijft het kabinet het strategische belang van de EU-staalsector.
De grondhouding van het kabinet is derhalve positief; wel heeft het kabinet verschillende
kanttekeningen bij het voorstel geplaatst, die zien op vorm, inhoud en impact van
het voorstel, met name voor de verwerkende industrie.
Het kabinet volgt de Europese Commissie (hier: Commissie) in de redenering dat een
herziening van de product-reikwijdte na een kortere periode dan twee jaar niet zinvol
is, omdat er dan nog onvoldoende data beschikbaar zijn over de gevolgen en (uit)werking
van het nieuwe instrument. Bovendien komt een al te snelle herziening de voor het
bedrijfsleven relevante voorspelbaarheid van de nieuwe maatregel niet ten goede. Wel
zet het kabinet zich in voor een eerdere evaluatie van het gehele instrument dan de
door de Commissie voorgestelde vijf jaar. Deze inzet lijkt op steun van meerdere lidstaten
te kunnen rekenen. De Commissie is bevoegd om voorstellen te doen voor verbreding
van de reikwijdte, echter het kabinet acht het van belang dat ook de EU-lidstaten
hier invloed op behouden.
Verder vinden de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie het van groot belang dat we
alle mogelijke extra maatregelen tegen Rusland blijven nemen gezien de Russische agressie
in Oekraïne. Hier komt, constateren deze leden, het belang van bescherming van de
Europese staalindustrie nog eens als argument bij. Zij vragen de Staatssecretaris
daarom of zij in Europees verband wil pleiten voor een snellere uitfasering van de
import van Russisch staal en het dichten van «loopholes». De leden stellen de Staatssecretaris
voor om aansluiting te zoeken bij de andere Europese staten die hiervoor pleiten,
waaronder Duitsland.
11. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet staat positief tegenover voorstellen voor verdere maatregelen om Russische
producten, waaronder staal, versneld van de Europese markt te weren, zolang deze voorstellen
zijn gebaseerd op een gedegen impactanalyse. Deze voorstellen vallen buiten de scope
van de staalmaatregel, die erop is gericht om de staalindustrie in de Europese Unie
(EU) te beschermen tegen de gevolgen van wereldwijde staalovercapaciteit, door een
algemene verhoging van het EU buitentarief en vervolgens de allocatie van landen-specifieke
quota. Separaat daarvan kijkt het kabinet naar nieuwe sanctionerende voorstellen gericht
op Rusland.
Tot slot vragen de leden zich af of er binnen de voorgestelde tarieven nog zou kunnen
worden gedifferentieerd tussen groen staal en grijs staal?
12. Antwoord van het kabinet:
Het voorstel betreft de verhoging van het buitentarief en de allocatie van tariefcontingenten.
Daarbij kunnen de quota worden onderverdeeld naar land en productcategorie, met voor
invoer boven die quota één en hetzelfde heffingspercentage. Differentiatie aan de
hand van productiewijze is niet voorzien. Ook acht het kabinet dat onwenselijk, omdat
het de maatregel aanzienlijk complexer zou maken, de invoering zou vertragen en de
regeldruk voor het bedrijfsleven vergroten.
Als we de import van staal van buiten Europa gaan verminderen, zou het volgens deze
leden bevorderlijk zijn om te zorgen dat het staal dat we wél nog importeren, eerder
groen dan grijs staal is. Dit zou het voorstel volgens deze leden ook meer in lijn
brengen met onze nationale en Europese inspanningen om staalproductie te verduurzamen.
Inbreng leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het fiche met betrekking tot
het voorstel van de Europese Commissie over maatregelen ter bescherming van de EU-staalsector
tegen wereldwijde overcapaciteit. Deze leden hebben hier enkele vragen bij.
De leden van de CDA-fractie lezen dat het kabinet zal pleiten voor een gedegen impactanalyse
van de maatregelen op het concurrentievermogen van verschillende onderdelen in de
waardeketen (waaronder halffabricaten), en specifiek een nadere onderbouwing van het
gekozen tarief, het importquotum en de verwachte quota allocatie. Deze leden vragen
het kabinet naar een inschatting hoeveel tijd een dergelijke gedegen impactanalyse
zal kosten en of de doelstelling van het Deense voorzitterschap, namelijk een definitieve
Raadspositie vóór het einde van het jaar, daarmee onmogelijk zou worden gemaakt.
13. Antwoord van het kabinet:
Zoals ook in het antwoord op vraag 4 aangegeven, is het volgens de Europese Commissie
(hierna: Commissie) niet haalbaar om een volwaardige impactanalyse uit te voeren.
Dat zou een serieus risico met zich meebrengen dat er een gat ontstaat tussen het
einde van de huidige vrijwaringsmaatregel en de toepassing van het nieuwe voorstel.
In overeenstemming met de richtsnoeren voor betere regelgeving van de Commissie3 is derhalve gekozen voor het opstellen van een analytisch werkdocument4 van de Commissie, waarin het feitenmateriaal achter het voorstel wordt gepresenteerd
en de gevolgen van de verschillende opties voor de producenten en de verwerkers (de
downstream sectors) zijn uitgewerkt. Daarnaast liep er van 18 juli tot en met 18 augustus een consultatieperiode,
waarop 516 respondenten hebben gereageerd; dit betrof met name EU-bedrijven die onderdeel
zijn van de toeleveringsketen voor staal. Vanuit Nederland werden tien reacties ontvangen.
Het voorstel van de Commissie bevat een herzieningsclausule om de reikwijdte van de
maatregelen regelmatig te herzien, en het gehele instrument te evalueren. Het kabinet
zet zich ervoor in om in deze clausules ook nadrukkelijk de (mogelijk negatieve) effecten
van de maatregelen in de gehele waardeketen mee te wegen en hier gedegen nadere analyses
van te maken.
Deze leden vragen tevens of het kabinet kan aangeven waarom het Deense voorzitterschap
op zo’n korte termijn al een definitieve Raadspositie wil innemen.
14. Antwoord van het kabinet:
In lijn met de argumentatie van de Commissie ten aanzien van een volwaardige impact
analyse, wijst ook het Deense voorzitterschap van de Europese Unie (EU) op de urgentie
en korte tijdslijn voor deze maatregel. Het Deens voorzitterschap wil voorkomen dat
er een gat valt tussen het aflopen van de huidige vrijwaringsmaatregel per 1 juli
2026 en de inwerkingtreding van een nieuwe maatregel. Het voorstel van de Commissie
volgt de gewone wetgevingsprocedure, inclusief een triloog met het Europees Parlement.
Omdat ook dit triloogproces de nodige tijd zal kosten, zet het Deens voorzitterschap
in op een definitieve Raadspositie voor het einde van het jaar.
Daarnaast vragen de leden zich af of het kabinet een inschatting kan maken van het
risico op een tegenreactie.
15. Antwoord van het kabinet:
De Commissie zal conform artikel 28 van de General Agreement on Tariffs and Trade (GATT) onderhandelingen voeren met World Trade Organisation (WTO)-partners die geraakt worden door de maatregelen. In dit onderhandelingsproces
is het mogelijk dat landen compenserende maatregelen treffen. De Commissie erkent
de mogelijkheid van een tegenreactie, maar heeft geen concrete signalen dat landen
dit nu al overwegen. De Commissie wijst daarbij op het feit dat onder de huidige vrijwaringsmaatregel
tegenreacties door derde landen ook mogelijk waren, maar dat dit is uitgebleven. Ook
wijst de Commissie op het feit dat de staalovercapaciteit een wereldwijd probleem
is dat veel landen erkennen, en dat verschillende landen al eigen (handels)maatregelen
hebben getroffen om zich hiertegen te beschermen.
FME pleit voor maandelijkse in plaats van kwartaal-quota om marktverstoringen en bevoordeling
van grote importeurs te voorkomen. De leden van de CDA-fractie vragen of de Staatssecretaris
kan aangeven of Nederland bereid is dit punt in te brengen in de Raad. Zo nee, waarom
niet?
16. Antwoord van het kabinet:
Deze optie is uitgezet in de publieke consultatie van de Commissie. Na publicatie
van de voorstellen is het punt ook aan de orde gekomen in gesprekken op werkniveau
met de lidstaten. Bij tariefcontingenten op maandbasis zouden grotere bedrijven nog
steeds een voordeel hebben ten opzichte van kleinere bedrijven, en zouden bovendien
de administratieve lasten voor zowel het bedrijfsleven als de betrokken instanties
navenant toenemen. Het kabinet meent derhalve dat een systeem van tariefcontingenten
op basis van een kwartaalperiode voldoende recht doet aan de belangen van EU staalverwerkers
en -producenten, en tegelijkertijd de nodige flexibiliteit biedt.
Daarnaast pleit FME voor een brede bewijslast ten aanzien van de verplichting voor
importeurs om aan te geven in welk land het staal gegoten en gesmolten is. Dit zou
moeten door explicieter verschillende soorten bewijslasten te accepteren, in lijn
met de uiteindelijke bewijsvereisten onder de CBAM. Deelt het kabinet dit punt en
is het bereid om dit punt in te brengen?
17. Antwoord van het kabinet:
De inzet van het kabinet is erop gericht, juist ook in het belang van het mkb, om
de regeldruk zoveel als mogelijk te beperken. Het kabinet zet zich ten aanzien van
de melted and poured maatregel in voor een beperkte en proportionele extra regeldruk voor het bedrijfsleven,
en duidelijkheid omtrent bewijsvoering. De voorgestelde verordening biedt nadrukkelijk
de mogelijkheid voor verschillende soorten bewijslast. De precieze soorten bewijslast
zijn echter nog onderdeel van de lopende onderhandelingen. Het kabinet zet zich ervoor
om voor de totstandkoming van de bewijsvereisten ook nadrukkelijk de betrokken partijen
zoals importeurs te consulteren, om zo tot een werkbare en proportionele uitvoering
te komen.
De voorgestelde tariefquota zullen gelden voor alle landen, met uitzondering van Noorwegen,
IJsland en Liechtenstein. De leden van de CDA-fractie vragen waarom deze uitzondering
niet ook gaat gelden voor het Verenigd Koninkrijk (VK), aangezien het probleem van
overcapaciteit niet uit het VK lijkt te komen. Deelt het kabinet deze visie? Zo ja,
is het kabinet bereid dit onder de aandacht te brengen bij de Commissie?
18. Antwoord van het kabinet:
Noorwegen, IJsland en Liechtenstein zijn onderdeel van de Europese Economische Ruimte
(EER), en hebben een nauwe en unieke integratie in de EU interne markt. In lijn met
de overeenkomst betreffende de EER kan de invoer vanuit deze genoemde landen worden
uitgesloten van deze staalmaatregel. Hierbij speelt ook mee dat de invoeraandelen
van deze landen vergeleken met andere derde landen, zoals het VK, relatief beperkt
zijn. Hoewel het kabinet het belang van de relatie met belangrijke handelspartners,
waaronder het VK, onderstreept en oog zal blijven houden voor goede afspraken met
hen onder de nieuwe maatregel, volgt het kabinet ook de redenering van de Commissie
dat verdere uitzonderingen de effectiviteit van de algehele maatregel kunnen ondermijnen,
de kans op omzeiling vergroten, en mogelijk leiden tot aanvullende uitzonderingsverzoeken.
Het voorstel voor een verordening voorziet in regelmatige evaluatiemomenten, waaronder
een eerste beoordeling na twee jaar om te bepalen of de productreikwijdte aangepast
moet worden. De leden van de CDA-fractie vragen of het niet beter zou zijn dat hier
direct naar gekeken moet worden, en niet pas na twee jaar, met als doel om omzeilingsrisico's
te beperken. Wat is het standpunt van het kabinet daarin?
19. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet volgt de Commissie in de redenering dat een herziening van de product-reikwijdte
na een kortere periode dan twee jaar niet zinvol is, omdat er dan nog onvoldoende
data beschikbaar zijn over de gevolgen en (uit)werking van het nieuwe instrument.
Bovendien komt een al te snelle herziening de voor het bedrijfsleven relevante voorspelbaarheid
van de nieuwe maatregel niet ten goede. Wel zet het kabinet zich in voor een eerdere
evaluatie van het gehele instrument dan de door de Commissie voorgestelde vijf jaar.
Deze inzet lijkt op steun van meerdere lidstaten te kunnen rekenen.
De leden van de CDA-fractie vragen ten slotte of het kabinet bekend is met het industriestandaarddocument
Mill Test Certificate, dat reeds door staalproducenten wordt gebruikt om de kwaliteit
en oorsprong van producten te verifiëren.
20. Antwoord van het kabinet:
Ja, het kabinet is hiermee bekend. Dit certificaat wordt in de voorgestelde verordening
genoemd als één van de mogelijke vormen van bewijsvoering voor de melted and poured maatregel (artikel 3 lid 2).
Inbreng leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie danken het kabinet voor het fiche en zien uit naar de
vragen van andere fracties en de beantwoording daarvan. Voor deze leden staat voorop
dat Europese maatregelen werkbaar, proportioneel en uitvoerbaar moeten zijn, zonder
onnodige schade aan de brede keten van metaalverwerking en het mkb. Tegelijk hebben
zij enkele punten waar zij graag verduidelijking over ontvangen.
De leden van de BBB-fractie constateren dat het kabinet zelf aangeeft dat de gevolgen
voor downstream industrieën en verwerkers nog onvoldoende in beeld zijn. Kan het kabinet
expliciet uiteenzetten hoe en wanneer een volledige impactanalyse wordt opgeleverd,
inclusief mogelijke alternatieve maatregelen met minder effect op mkb-verwerkers?
21. Antwoord van het kabinet:
De Europese Commissie (hier: Commissie) stelt dat de uitvoering van een volledige
effectbeoordeling, inclusief de mogelijke gevolgen voor de verwerkende industrie –
waaronder het mkb – het risico met zich meebrengt dat er een gat ontstaat tussen het
aflopen van de bestaande vrijwaringsmaatregelen en de toepassing van de nieuwe staalmaatregelen.
In overeenstemming met de richtsnoeren voor betere regelgeving van de Commissie5 is derhalve gekozen voor het opstellen van een analytisch werkdocument van de Commissie6, waarin het feitenmateriaal achter het voorstel wordt gepresenteerd en de gevolgen
van de verschillende opties voor de producenten en de verwerkers (de downstream sectors) zijn uitgewerkt. Daarnaast liep er van 18 juli tot en met 18 augustus een consultatieperiode,
waarop 516 respondenten hebben gereageerd; dit betrof met name EU-bedrijven die onderdeel
zijn van de toeleveringsketen voor staal. Vanuit Nederland werden tien reacties ontvangen.
Het aantal reacties vanuit derde landen was zeer beperkt.
Het voorstel van de Commissie bevat een herzieningsclausule om reikwijdte van de maatregelen
regelmatig te herzien, en het gehele instrument te evalueren. Het kabinet zet zich
ervoor in om in deze clausules ook nadrukkelijk de (mogelijk negatieve) effecten van
de maatregelen in de gehele waardeketen mee te wegen en hier gedegen nadere analyses
van te maken.
De leden van de BBB-fractie constateren voorts dat het erop lijkt dat de nieuwe oorsprongseis,
zoals in het fiche staat, potentieel complexe controle en extra regeldruk veroorzaken.
Kan het kabinet aangeven welke scenario’s worden verkend om deze lasten te minimaliseren,
en of het denkbaar is dat dit onderdeel wordt aangepast of gefaseerd ingevoerd, en
of het passend is in de ambitie van het kabinet om sectorale regeldrukreductie te
bewerkstelligen?
22. Antwoord van het kabinet:
De inzet van het kabinet is erop gericht om de regeldruk en aanvullende administratieve
lasten voor het bedrijfsleven zo veel als mogelijk te beperken. Hetzelfde punt kwam
naar voren in de reacties op de hierboven genoemde consultatie. Tegelijkertijd werd
daarin opgemerkt dat een dergelijke melted & poured oorsprongseis noodzakelijk is om omzeiling van de maatregelen te voorkomen. De Commissie
is zich derhalve zeer bewust van de noodzakelijke balans daartussen, en verkent inderdaad
ook de optie van een gefaseerde invoering van deze eis.
De leden van de BBB-fractie constateren dat het systeem met kwartaalcontingenten staalimporteurs
ertoe aanzet om producten op te slaan en pas aan het begin van een nieuw kwartaal
in te klaren, zodat zij onder het quotum vallen en de heffing van 50 procent vermijden.
Kleine staalimporteurs hebben die opslagruimte en financiële marge vaak niet en vallen
daardoor relatief vaker buiten het quotum. Dit leidt tot een ongelijk speelveld, zeker
nu de heffing buiten de quota wordt verhoogd van 25 naar 50 procent. Daarom vragen
de leden of het kabinet bereid is in Europa te pleiten voor tariefcontingenten op
maandbasis, zodat kleinere spelers een eerlijkere kans krijgen.
23. Antwoord van het kabinet:
Deze optie is uitgezet in de publieke consultatie van de Commissie. Na publicatie
van de voorstellen is het punt ook aan de orde gekomen in gesprekken op werkniveau
met de lidstaten. Bij tariefcontingenten op maandbasis zouden grotere bedrijven nog
steeds een voordeel hebben ten opzichte van kleinere bedrijven, en zouden bovendien
de administratieve lasten voor zowel het bedrijfsleven als de betrokken instanties
navenant toenemen. Het kabinet meent derhalve dat een systeem van tariefcontingenten
op basis van een kwartaalperiode voldoende recht doet aan de belangen van de EU staalverwerkers
en -producenten, en tevens de nodige flexibiliteit biedt.
De leden van de BBB-fractie zien dat steeds vaker wordt geconstateerd dat staal van
buiten de EU eerst wordt bewerkt en na bewerking naar de EU wordt geëxporteerd om
de heffingen op staal te omzeilen. Daarnaast zullen door de Amerikaanse invoerheffing
van 50% meer staal-intensieve producten op de Europese markt belanden. Is het kabinet
bereid zich ervoor in te spannen dat direct na de invoering van de staalbeschermingsmaatregelen
al wordt beoordeeld of uitbreiding van de reikwijdte noodzakelijk is, en niet pas
na twee jaar?
24. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet volgt de Commissie in de redenering dat een herziening van de product-reikwijdte
na een kortere periode dan twee jaar niet zinvol is, omdat er dan nog onvoldoende
data beschikbaar zijn over de gevolgen en (uit)werking van het nieuwe instrument.
Bovendien komt een al te snelle herziening de voor het bedrijfsleven relevante voorspelbaarheid
van de nieuwe maatregel niet ten goede. Wel zet het kabinet zich in voor een eerdere
evaluatie van het gehele instrument dan de door de Commissie voorgestelde vijf jaar.
Deze inzet lijkt op steun van meerdere lidstaten te kunnen rekenen.
Tot slot hebben de leden van de BBB-fractie nog een vraag over de voorgestelde «melted
and poured rule». De voorgestelde «melted and poured rule» helpt om omzeiling van
de heffingen tegen te gaan. Het Commissievoorstel is echter onduidelijk over de eisen
aan de bewijslast, wat leidt onzekerheid bij importeurs. Daarnaast is deze regel ook
van toepassing op importeurs die verwaarloosbare hoeveelheden staal importeren. Is
het kabinet bereid om ervoor te pleiten dat in de verordening zelf al duidelijkheid
wordt gecreëerd over de bewijslast en niet in onderliggende regelgeving?
25. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet pleit bij de behandeling van het voorstel in de EU voor duidelijkheid
op het gehele melted & poured onderdeel van de regeling, inclusief de bewijslast voor bedrijven.
En is het kabinet bereid zich ervoor in te zetten om kleine importeurs die maximaal
50 ton aan gewicht per jaar importeren uit te sluiten van de «melted and poured rule»,
aansluitend bij de vrijstellingsgrens die vanaf 1 januari 2026 ook geldt voor CBAM?
26. Antwoord van het kabinet:
De inzet van het kabinet is erop gericht, juist ook in het belang van het mkb, om
de regeldruk zoveel als mogelijk te beperken, onder andere door de bewijslast voor
de melted & poured maatregel zo flexibel als mogelijk te maken. Ook zal het kabinet bij de evaluatie
van het instrument oog houden specifiek voor de impact op het mkb. Het doel van de
melted and poured regel van het voorstel is evenwel om omzeiling van de beschermende maatregelen tegen
te gaan. Met deze maatregel wordt immers inzichtelijk gemaakt waar het staal dat de
EU importeert daadwerkelijk gesmolten en gegoten is, en wordt voorkomen dat staal
vanuit andere landen dan het land van productie in de EU wordt geïmporteerd onder
de landenspecifieke quota. Het uitzonderen van kleine importeurs zou afbreuk doen
aan die doelstelling, omdat dan alsnog staal uit andere landen dan het land van productie
naar de EU kan worden geëxporteerd. Het kabinet zet zich ervoor in de regeldruk en
aanvullende administratieve lasten voor het bedrijfsleven, en met name kleinere bedrijven,
op andere manieren zo veel als mogelijk te beperken, onder andere door werkbare en
proportionele regels ten aanzien van de bewijslast.
De leden van de BBB-fractie zien uit naar een nadere toelichting en een zorgvuldig
vervolgproces.
Inbreng leden van de PvdD-fractie
De leden van de PvdD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het fiche
«Maatregelen ter bescherming EU-staalsector tegen wereldwijde overcapaciteit», rondom
Europese voorstellen voor importquota en importheffingen op staal. In beginsel onderschrijven
zij het idee van importheffingen, mits ze er aantoonbaar voor zorgen dat het milieu,
klimaat, natuur en gezondheid van mensen en dieren beter wordt beschermd. Dat past
binnen de noodzaak om regeneratieve productie te verankeren in Europa, die de natuur
niet uitput, en uiteindelijk gebeurt zonder CO2-uitstoot en zonder schade aan milieu en gezondheid. Kan het kabinet uitgebreid toelichten
hoe importheffingen ten goede gaan komen aan bescherming van milieu, klimaat, natuur
én gezondheid (graag met cijfers en bronnen bijgevoegd waar mogelijk)? Welke potentie
zit daar om aan te boren?
27. Antwoord van het kabinet:
De maatregel zal volgens de Europese Commissie, naast bescherming van de EU staalindustrie,
de staalsector ruimte bieden om te investeren in verduurzaming. In die zin draagt
de maatregel bij aan klimaatdoeleinden.
De opbrengsten uit importheffingen komen grotendeels ten goede aan de Europese begroting.
De Europese begrotingssystematiek kent, net als de Nederlandse, een scheiding tussen
inkomsten en uitgaven. Er kan dus geen koppeling worden gemaakt tussen extra opbrengsten
uit douanerechten en de uitgaven van de EU-begroting voor bepaalde beleidsdoeleinden,
zoals de transitie naar een ander type staal of de bescherming van klimaat, milieu,
natuur, en gezondheid. Extra opbrengsten uit douaneheffingen betekenen ook niet dat
er op EU-niveau meer uitgavenruimte ontstaat. In de systematiek van de financiering
van de EU-begroting geldt dat de omvang van het Meerjarig Financieel Kader (MFK) de
maximale uitgaven bepaalt. Indien er meer douane-opbrengsten zijn, dan verlaagt dit
de benodigde bruto nationaal inkomen (bni) afdrachten van de lidstaten. Het doel van
de maatregel is bovendien niet om in extra inkomsten te voorzien maar om de Europese
staalindustrie op proportionele wijze te beschermen tegen mondiale overcapaciteit.
Tegelijkertijd vragen deze leden het kabinet om eerlijk te zijn over het feit dat
zolang we nieuw staal blijven produceren in Europa, we ijzererts buiten Europa zullen
moeten blijven aanvoeren en dat dat geen duurzaam en volhoudbaar scenario is. Kan
het kabinet dat erkennen? Zo nee, waar denkt het kabinet dan duurzaam, sociaal en
ecologisch ijzererts vandaan te gaan blijven slepen voor de korte en voor de lange
termijn?
28. Antwoord van het kabinet:
De import van ijzererts is cruciaal voor de Europese staalproductie. Europese staalproducenten
zijn in principe zelf verantwoordelijk voor de inkoop van ijzererts. IJzererts wordt
momenteel door de Europese Commissie niet gezien als een kritieke grondstof, omdat
het in veel verschillende landen gewonnen en verwerkt wordt en het aanbod dus gediversifieerd
is. Wel hecht het kabinet aan weerbare, duurzame en schone grondstofwaardeketens.
Het kabinet werkt hieraan via de Nationale Grondstoffenstrategie en via de Europese
Critical Raw Materials Act. Ook draagt het kabinet het belang hiervan regelmatig uit in Brussel of in bilaterale
gesprekken.
In algemene zin verwacht het kabinet van alle Nederlandse bedrijven die internationaal
opereren dat zij de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO)-richtlijnen
voor multinationale ondernemingen inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen en
de United Nations Guiding Principles on Business and Human Rights toepassen. Daarbij wordt het bedrijfsleven ondersteund middels een mix van maatregelen.
De leden van de PvdD-fractie wijzen erop dat het daarom extra belangrijk is voor Europese
strategische autonomie om zo snel mogelijk stappen te maken naar een volledig circulaire
economie waarbij we a) staal volledig circulair maken met volledig hergebruik van
staal (schroot) en geen nieuw staal meer maken en b) de transitie inzetten naar nieuwe,
natuurlijke materialen die staal op termijn duurzaam kunnen vervangen. Kan het kabinet
uitleggen hoe zij dit gaat realiseren en welke acties daarbij horen?
29. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet onderschrijft het belang van een circulaire economie voor de strategische
autonomie. Een duurzaam en circulair bedrijfsmodel vergroot het lange termijn verdienvermogen,
verkleint afhankelijkheden van derde landen en vermindert schadelijke gevolgen voor
de leefomgeving. Dit vereist zowel het stimuleren en gebruiken van duurzame alternatieven,
als het verminderen van het totaalgebruik, als ook het hergebruik van materialen.
Nederland zet hiervoor nationaal bijvoorbeeld in op het stimuleren van verduurzaming
in de staalketen via het Bouwmaterialenakkoord. Ook wordt met het wetsvoorstel Milieuprestatie-eisen
in de Grond-, Weg-, en Waterbouwsector gestuurd op de vraag naar meer duurzaam en
circulair bouwmateriaal.
Nederland kan de transitie naar een circulaire economie het beste in EU-verband vormgeven.
In de EU zet Nederland daarom ook actief in op versnelde uitrol van de circulaire
economie. Zo bepleit Nederland in Brussel dat via vraagcreatie circulaire normen voor
producten moeten gaan gelden. In een recent gepubliceerd non-paper heeft het kabinet
uiteengezet welke maatregelen Nederland voor ogen heeft voor de staalsector om brede
schone marktcreatie te bevorderen, specifiek in de staal- en chemiesector. Het is
van belang dat dergelijke regelgeving en normering in EU-verband wordt ingevoerd ten
behoeve van een gelijk speelveld tussen lidstaten en dat deze in lijn is met internationale
afspraken, waaronder in World Trade Organisation (WTO)-verband en in bilaterale EU handelsverdragen. Aankomende voorstellen zoals
de Industrial Accelerator Act (Q4 2025) en de Circular Economy Act (Q4 2026) bieden hier aanknopingspunten voor.
In de Joint Letter of Intent (JLoI) met Tata Steel Nederland wordt ook ingezet op het verhogen van circulariteit.
Tata Steel is van plan om de inzet van schroot te verhogen van 17 naar 30 procent
en zo de afhankelijkheid van primaire grondstoffen te verminderen.
De leden van de PvdD-fractie vragen het kabinet feitelijk in kaart te brengen hoeveel
staalbedrijven en waar precies (binnen en buiten Europa) reeds op groene waterstof
draaien, of bijna zover zijn.
30. Antwoord van het kabinet:
Op dit moment zijn er nog geen commerciële fabrieken waar staal volledig wordt geproduceerd
op basis van groene waterstof. Op basis van de beschikbare informatie kan het volgende
worden gemeld over de verschillende plannen en voornemens tot investeringen. Verschillende
Europese staalfabrieken hebben plannen aangekondigd om over te stappen op de waterstof
direct reduced iron (DRI) productie-route. Ook Tata Steel Nederland zal, na een tussenfase op aardgas
met CCS, overstappen op een direct reduction plant (DRP) op basis van de groene energiebronnen waterstof en biomethaan. Het Stegra project
in Boden (Zweden) zou dit jaar operationeel worden, maar is zover bekend nog steeds
niet operationeel vanwege verschillende tegenslagen, waaronder problemen met de elektriciteitsaansluiting7. Ook elders in Europa kent verduurzaming van de staalproductie uitdagingen. Zo heeft
Arcelor Mittal in Duitsland de plannen om de hoogoven te vervangen door DRI uitgesteld
vanwege hoge elektriciteitsprijzen en onzekerheid over de beschikbaarheid van waterstof.
De enige bekende staalproductie in Europa op basis van groene waterstof is op pilot/demonstratie
schaal: het onderzoeksproject HyBrit in Zweden. Dit project verwacht in 2030 op commerciële
schaal te kunnen produceren.
Ook buiten Europa lopen er verschillende pilots en onderzoeken en worden plannen aangekondigd
voor staalproductie op basis van DRI met groene waterstof. Bijvoorbeeld in Australië
en de Verenigde Arabische Emiraten, maar ook in Namibië is recent een pilot voor groen
staal geopend. In Australië is de bouw aangekondigd van een staalfabriek op groene
waterstof (20308).
De Green Steel Tracker geeft een overzicht van wereldwijd aangekondigde verduurzamingsprojecten in de staal
industrie.9
Welke staalbedrijven hebben de meest moderne installaties en technieken die ervoor
zorgen dat die bedrijven het minste uitstoten aan concreet ZZS en andere schadelijke
en kankerverwekkende stoffen en waar bevinden deze staalbedrijven zich precies?
31. Antwoord van het kabinet:
Er is geen algehele overzichtsstudie beschikbaar die per staalfabriek een beschrijving
geeft van de installaties, technieken en emissies. In algemene zin geldt dat best
beschikbare technieken (BBT) voor emissiereductie worden beschreven in BBT-referentiedocumenten
(BREF's).10 Hierin worden ook een aantal voorbeelden genoemd van staalbedrijven die deze technieken
toepassen. Daarbij merkt het kabinet op dat deze BREF inmiddels is verouderd en komend
jaar zal worden herzien.
In de Joint Letter of Intent met Tata Steel Nederland wordt ook specifiek ingezet op het verminderen van uitstoot
van gevaarlijke stoffen en verbeteren van de leefomgeving.
Welke staalbedrijven en waar precies meest hebben zich het meest toegewijd aan recycling
van staal (schroot) en wat zijn de daarbij behorende cijfers/percentages?
32. Antwoord van het kabinet:
Er is geen algehele overzichtsstudie beschikbaar die per staalfabriek een beschrijving
geeft van de productie en het percentage recycling. Eurofer, de Europese brancheorganisatie
voor ijzer en staal, heeft een overzicht van staalfabrieken in Europa met daarin de
productielocaties met een Electric Arc Furnace (EAF)11. Dit zijn installaties die volledig op schroot kunnen opereren. Of dit feitelijk ook het geval is, is niet bekend: er kunnen bijvoorbeeld
ook halffabricaten worden gebruikt.
Ook primaire producenten van staal gebruiken schroot in het productieproces. Tata
Steel Nederland heeft als doel om de inzet van schroot te verhogen van 17 naar 30
procent.
De leden van de PvdD-fractie verzoeken het kabinet om samen met de Commissie een duidelijke
schatting te maken van de potentiële inkomsten uit de heffingen, uitgesplitst per
jaar en per lidstaat, zodat het debat over nut en noodzaak op basis van feiten kan
worden gevoerd.
33. Antwoord van het kabinet:
Het kabinet en de Europese Commissie beschikken niet over informatie over potentiële
inkomsten uit de voorgestelde heffingen. De toekomstige inkomsten zijn van veel variabelen
afhankelijk, zoals de staalprijs, het invoervolume na invoering van de maatregel,
mogelijke verplaatsing van handelsstromen en de effecten van de maatregel op de EU
staalmarkt, -producenten en -verwerkers. Het doel van de maatregel is bovendien niet
om in extra inkomsten te voorzien maar om de Europese staalindustrie op proportionele
wijze te beschermen tegen mondiale overcapaciteit.
De leden van de PvdD-fractie zijn daarnaast van oordeel dat de opbrengsten uit de
importheffingen gebruikt kunnen worden voor de transitie naar volledig gerecycled
en hergebruikt staal (zonder gebruik van nieuw ijzererts) en om de gezondheid van
milieu, natuur, dieren en burgers beter te beschermen. Kan de Staatssecretaris aangeven
welke kansen ze daartoe concreet ziet?
34. Antwoord van het kabinet:
De opbrengsten uit importheffingen komen grotendeels ten goede aan de Europese begroting.
De Europese begrotingssystematiek kent, net als de Nederlandse, een scheiding tussen
inkomsten en uitgaven. Er kan dus geen koppeling worden gemaakt tussen extra opbrengsten
uit douanerechten en de uitgaven van de EU-begroting voor bepaalde beleidsdoeleinden
zoals de transitie naar een ander type staal of om de gezondheid van milieu, natuur,
dieren en burgers beter te beschermen. Extra opbrengsten uit douaneheffingen betekenen
ook niet dat er op EU-niveau meer uitgavenruimte ontstaat. In de systematiek van de
financiering van de EU-begroting geldt dat de omvang van het Meerjarig Financieel
Kader (MFK) de maximale uitgaven bepaalt. Indien er meer douane-opbrengsten zijn,
dan verlaagt dit de benodigde bruto nationaal inkomen (bni) afdrachten van de lidstaten.
Het doel van de maatregel is bovendien niet om in extra inkomsten te voorzien maar
om de Europese staalindustrie op proportionele wijze te beschermen tegen mondiale
overcapaciteit.
Deze leden verzoeken het kabinet om zich in Europa in te zetten om de opbrengsten
uit de importheffingen onder te brengen in een Europees fonds voor circulair staal.
Vanuit dat fonds zou de Commissie onderzoek kunnen financieren naar bredere toepasbaarheid
van gerecycled staal, ook voor hoogwaardige toepassingen waar dit nu niet mogelijk
is. Daarnaast zou vanuit dat fonds ook meer kunnen worden ingezet in betere bescherming
van natuur, milieu en omwonenden. Kan het kabinet zich vinden in de noodzaak om deze
kwetsbare belangen goed te beschermen?
35. Antwoord van het kabinet:
Zie het antwoord op vraag 34. In de onderhandelingen voor het nieuwe MFK dat loopt
van 2028 – 2034 zet het kabinet in op modernisering van de budgettaire architectuur.
Dit houdt onder andere in dat het MFK wordt vereenvoudigd door bijvoorbeeld het aantal
fondsen en programma’s te verminderen waar sprake is van overlap door fondsen en programma’s
in gedeeld beheer samen te voegen in bredere landenenveloppen, en door vereenvoudiging
van de programma’s zelf. Een nieuw fonds past hier volgens het kabinet niet bij. In
het nieuwe MFK wordt een minimaal bestedingspercentage voorgesteld van 35 procent
voor klimaat en milieu. Het kabinet12 onderstreept het belang van investeringen in de groene transitie. Ook dient het nieuwe
MFK de klimaat- en energietransitie en decarbonisatie van de industrie te ondersteunen,
aangezien deze een belangrijk fundament zijn voor het bredere Europese concurrentievermogen
en onze weerbaarheid.
Met zo'n fonds ontstaat dan niet alleen een eerlijker speelveld ten opzichte van vervuilend
geïmporteerd staal, maar wordt ook de noodzakelijke transitie naar CO2-arme, duurzame staalproductie binnen Europa – waarin gezondheid van natuur, milieu,
mens en dier centraal staat – concreet ondersteund. Ziet het kabinet deze kansen ook
en hoe reflecteert het kabinet hierop?
36. Antwoord van het kabinet:
Zie het antwoord op vraag 35 hierboven.
De leden van de PvdD-fractie roepen het kabinet op om bij verdere behandeling van
het dossier in Brussel en de Kamer deze route te verkennen.
Inbreng leden van de SP-fractie
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het BNC-Fiche: Maatregelen ter
bescherming EU staalsector tegen wereldwijde overcapaciteit. Hierin hebben eerdergenoemde
leden aanleiding gevonden enkele opmerkingen te delen.
De leden van de SP-fractie zien het beschermen van de Nederlandse en daarmee Europese
staalsector van groot belang, zowel voor behoud van werkgelegenheid als van het grote
strategische belang achter staal. Het is belangrijk dat we niet van anderen afhankelijk
zijn voor een grondstof die bij vrijwel ieder belangrijk proces in onze samenleving
van groot belang is, zoals bij woningbouw en de energietransitie.
De maatregelen die de Commissie voorstelt om de Europese staalsector te beschermen
met een systeem van tarifaire importquota kunnen dan ook op steun van de leden van
de SP-fractie rekenen. De eerdergenoemde leden zien dit in lijn met de eerder aangekondigde
steun aan Tata-steel. De leden van de SP-fractie zien wel een groot probleem in de
manier waarop dit kabinet omgaat met strategische sectoren. Het kabinet lijkt wel
bereid te zijn de portemonnee te trekken, maar daar staat geen publieke zeggenschap
tegenover. De leden van de SP-fractie kwalificeren dit als kortzichtig en ideologisch
ingestoken vanuit het kabinet.
Wat de leden van de SP-fractie betreft krijgen wij meer publieke zeggenschap in bedrijfssectoren
van groot strategisch belang. Als een sector zo essentieel is dat publieke investeringen
gerechtvaardigd zijn, moet daar ook democratische controle over worden uitgevoerd.
Voor de staalsector lijken zowel het kabinet als de Europese Commissie bereid te zijn
hun ideologisch dogma van mondiale vrijhandel los te laten. Waarom lijken zij nog
niet bereid hun ideologisch dogma tegen publieke zeggenschap in bedrijven los te laten?
Dat zou ons pas echt vooruit helpen.
37. Antwoord van het kabinet:
In de nota Deelnemingenbeleid 2022 rijksoverheid (hierna: de Nota) heeft het kabinet
toegelicht hoe de staat via publiek aandeelhouderschap invloed uit oefent op de koers
van ondernemingen. Daarbij is het uitgangspunt dat het kabinet terughoudend is bij
het aangaan van nieuwe deelnemingen. Op basis van het afwegingskader voor het aangaan
van een deelneming uit de Nota wordt er alleen een nieuwe deelneming overwogen als
er sprake is van een publiek belang én wanneer andere instrumenten en wet- en regelgeving,
waaronder normen, heffingen en subsidies, onvoldoende effectief zijn om dat belang
te borgen. Hiermee wordt ongewenste verstoring van concurrentie en innovatie voorkomen,
en worden financiële risico’s voor de Staat beperkt.
Het kabinet lijkt in haar reactie nog in een ontkennende fase te zitten wat betreft
het feit dat het tijdperk van mondiale vrijhandel ten einde loopt. Wat de leden van
de SP-fractie betreft heeft ongecontroleerde vrijhandel nooit de belangen van de werkende
klasse gediend. Integendeel: het heeft werknemers internationaal laten concurreren,
zodat sociale verworvenheden onder ernstige druk zijn komen te staan, het heeft de
macht van bedrijven over nationale democratieën vergroot tot gevaarlijke proporties,
het heeft geleid tot een levensbedreigende ecologische crisis en het heeft Europa
doen de-industrialiseren, met grote strategische risico’s. Uitsluitend uit geopolitieke
overwegingen lijkt de Commissie nu enige beperkende maatregelen te nemen op de vrije
wereldmarkt. Wat de leden van de SP-fractie betreft trekken we deze lijn door en nemen
we de democratische controle over onze economie terug zodat deze in het belang van
iedereen functioneert.
II. Volledige agenda
Fiche: [MFK] Maatregelen ter bescherming EU staalsector tegen wereldwijde overcapaciteit
– Brief regering d.d. 21-11-2025 Minister van Buitenlandse Zaken, D.M. van Weel (Kamerstuk
22 112, nr. 4213).
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
D.G. Boswijk, voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp -
Mede ondertekenaar
M. Prenger, griffier