Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Westerveld over de uitzending ‘Het therapietrauma’ van Zembla
Vragen van het lid Westerveld (GroenLinks-PvdA) aan de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de uitzending «Het therapietrauma» van Zembla (ingezonden 18 november 2025).
Antwoord van Staatssecretaris Tielen (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) (ontvangen
9 december 2025).
Vraag 1
Bent u bekend met de uitzending «Het therapietrauma» van het televisieprogramma Zembla?1
Antwoord 1
Ja, ik ben bekend met de uitzending.
Vraag 2
Herkent u het beeld dat een deel van de patiënten die snelle hoog-intensieve traumatherapie
volgen om te genezen van posttraumatische stressstoornis (PTSS) hier schade aan ondervinden?
Zo ja, heeft u hier al eerder signalen over ontvangen en wat is daarmee gebeurd?
Antwoord 2
De IGJ heeft in de afgelopen jaren enkele signalen ontvangen over Psytrec via het
Landelijk Meldpunt Zorg (LMZ) van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). Deze
signalen zijn beoordeeld en gaven destijds geen aanleiding om als vervolg daarop toezicht
in te zetten. Na de uitzending van Zembla heeft de IGJ verschillende signalen ontvangen
die de IGJ op dit moment onderzoekt. De Inspectie kan nu nog niet vooruitlopen op
de uitkomsten en consequenties daarvan.
Vraag 3
Bent u bekend met de zorgen2 van verschillende psychiaters en traumatherapeuten over deze manier van behandelen?
Zo ja, heeft u hier al eerder signalen over ontvangen en wat is daarmee gebeurd?
Antwoord 3
Nee, ik ben hier niet mee bekend. In ons zorgsysteem houdt de IGJ toezicht op kwaliteit,
veiligheid en toegankelijkheid van de zorg in Nederland. Zorgprofessionals hebben
de verantwoordelijkheid te bepalen wat onder kwalitatief goede zorg wordt verstaan
en dit te beschrijven in onderdelen van professionele richtlijnen en/of zorgstandaarden.
Vraag 4
Bent u ook bekend met de survey «Snelle interventies, langdurige impact»3, die is uitgevoerd door psychiater Jim van Os en lector GGZ aan de Hogeschool Leiden
Simona Karbouniaris naar aanleiding van deze zorgen? Zo ja, wat is uw reactie op deze
survey?
Antwoord 4
Ik heb kennis genomen van de uitkomsten van de survey. De onderzoekers geven aan dat
de uitkomsten fundamentele vragen oproepen over de effectiviteit en geschiktheid van
deze behandelvorm voor mensen met complexe problematiek. Het is aan de professionals
en beroepsorganisaties (en zorgaanbieders) om te oordelen over de effectiviteit van
behandelingen en op basis daarvan richtlijnen eventueel aan te passen.
Vraag 5
Is bekend hoeveel mensen als gevolg van kortdurende hoogintensieve behandeltrajecten
(op termijn) verergering van klachten ervaren en om die reden juist extra lang een
beroep moeten doen op zorg binnen de specialistische (S)GGZ?
Antwoord 5
Nee, dit is niet bekend. Er zijn in Nederland verschillende ggz-aanbieders die hoogintensieve
traumatherapie (HITT) aanbieden. Het is primair de verantwoordelijkheid van de individuele
behandelaar en de zorginstellingen om de behandelresultaten te monitoren. Het is vervolgens
aan het veld om te bepalen wat onder goede zorg wordt verstaan en op basis daarvan
richtlijnen eventueel aan te passen. Desgevraagd heeft Psytrec aangegeven dat zij
ziet dat bij circa 1,5–2 procent van mensen die intensieve traumabehandeling ondergaat
verslechtering optreedt.
Vraag 6
Op welke manier wordt de veiligheid, kwaliteit en menswaardigheid van hoogintensieve
kortdurende traumabehandelingen (3–14 dagen) gemonitord? Wordt in de gaten gehouden
of deze behandelvormen patiënten niet hertaumatiseert?
Antwoord 6
Zorgprofessionals hebben de primaire zorgplicht en zijn eerstverantwoordelijk voor
kwaliteit in de behandelkamer. Goede zorg wordt omschreven in onderdelen van professionele
richtlijnen en/of zorgstandaarden (zie ook vraag 7). In de zorgstandaard Psychotrauma
Psychotrauma- en stressorgerelateerde stoornissen is bijvoorbeeld aandacht voor het
belang van regelmatige monitoring in de (individuele) behandeling, om zo inzicht te
krijgen in de voortgang van de behandeling en om via de behandeluitkomsten vast te
stellen of de behandeling effectief is.
De vraag over hertraumatisering heb ik geïnterpreteerd als «toename van symptomen/psychische
ontregeling ten gevolge van intensieve traumatherapie». Zoals bij vraag 5 beschreven,
geeft Psytrec aan dat bij circa 1,5–2 procent van mensen die intensieve traumabehandeling
ondergaat verslechtering optreedt. Een landelijk beeld hierover ontbreekt, er zijn
meer aanbieders die hoogintensieve traumatherapie aanbieden.
Iedereen met een klacht over een zorgaanbieder kan een melding doen bij het Landelijk
Meldpunt Zorg (LMZ). Het LMZ is onderdeel van de IGJ. Meldingen kunnen voor de IGJ
aanleiding zijn om verder onderzoek te doen naar de kwaliteit en veiligheid van de
zorgverlening.
Vraag 7
Is deze manier van hoogintensieve kortdurende traumabehandeling wetenschappelijk bewezen?
Klopt het dat Nederland met deze kortdurende hoogintensieve traumaconfrontatie internationaal
gezien afwijkt van de maatstaf?
Antwoord 7
De Multidisciplinaire Richtlijn (MDR) PTSS van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie
(NVvP) bevat de meest actuele en uitgebreide beoordeling van het wetenschappelijke
bewijs voor traumabehandeling, inclusief intensieve behandelvormen. Deze richtlijn
is onlangs herzien (zie: Startpagina - PTSS - Richtlijn - Richtlijnendatabase). De zorgstandaard Psychotrauma van Akwa GGZ wordt in 2026 herzien, onder andere
om deze weer in lijn te brengen met de nieuwe MDR.
In de huidige zorgstandaard Psychotrauma en stressorgerelateerde stoornissen (uit
2020) staat dat een hoogintensieve traumagerichte behandeling (meerdere sessies per
week, vaak in kortdurend traject) kan worden aanbevolen, vooral wanneer eerdere psychologische
behandelingen onvoldoende resultaat hebben opgeleverd. Deze intensievere dosering
blijkt vaak effectief en kan zowel ambulant als klinisch worden toegepast.4 In de huidige zorgstandaard wordt niet specifiek ingegaan op mogelijke verschillen
tussen de Nederlandse aanpak van kortdurende, hoogintensieve traumabehandeling en
internationale richtlijnen. Wel staat erin dat de Nederlandse aanbevelingen voor traumagerichte
behandeling zijn gebaseerd op internationale richtlijnen en recente onderzoeken.
In landen als de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Australië zijn eveneens
intensieve PTSS-programma’s onderzocht, waarin intensieve traumatherapie niet onderdoet
in vergelijking tot lagere frequentie traumatherapie (Foa et al. 2018).5
Vraag 8
Is er voldoende specialisme en zijn er voldoende adequate behandelingen ten aanzien
van vroegkinderlijk trauma, dissociatie en complex trauma? Zo nee, wat wordt er gedaan
om te zorgen voor voldoende deskundigheid en het aanpakken van de wachttijden voor
mensen met dit soort trauma? Hoe lang zijn die wachttijden momenteel?
Antwoord 8
Binnen het huidige zorgstelsel dragen zowel de zorgaanbieders als zorgverzekeraars
de verantwoordelijkheid voor de totstandkoming van het passend (specialistisch) zorgaanbod.
Het is aan wetenschappelijke verenigingen en de beroepsorganisaties om te bepalen
wat onder goede zorg wordt verstaan en dit vast te leggen in richtlijnen en kwaliteitsstandaarden,
alsmede te zorgen voor deskundigheidsbevordering.
Zorgverzekeraars hebben de plicht om voldoende aanbod in te kopen voor hun verzekerden.
Dat geldt ook ten aanzien van adequate behandelingen voor vroegkinderlijk-, dissociatie-
en complextrauma.
Uit de meest recente wachttijdcijfers van de NZa (oktober 2024) blijkt dat de landelijk
gemiddelde totale wachttijd voor de hoofddiagnosegroep «trauma» op dit moment 24 weken
bedraagt.6
Specifiek voor de groep mensen met vroegkinderlijk, dissociatie en complex trauma
wordt breed erkend dat de capaciteit beperkt is en dat wachttijden regelmatig oplopen.
Dit wordt ook binnen het GGZ Netwerk Dissociatieve Stoornissen (zie: Dissociatieve stoornissen - GGZ Netwerken) onderkend. Dit netwerk, waarin gespecialiseerde aanbieders zijn vertegenwoordigd,
verkent zelf welke stappen mogelijk zijn om wachttijden te verminderen, bijvoorbeeld
door regionale samenwerking en netwerkvorming te versterken. Deze inspanningen zijn
waardevol, maar zullen naar verwachting niet voldoende zijn om het totale capaciteitsprobleem
op te lossen.
Daarnaast zijn in het kader van het AZWA afspraken gemaakt om verdere stijging van
de wachtlijsten in de ggz te voorkomen en wachttijden binnen de daarvoor geldende
normen te brengen. Insteek is dat er meer behandelcapaciteit komt voor mensen met
een ggz-vraag, specifiek voor patiënten met een complexe zorgvraag. Het gaat daarbij
ook om (een deel van) de mensen met vroegkinderlijk-, dissociatie- en complextrauma.
Om dit te bereiken zijn afspraken vastgelegd ten aanzien van o.a. herijking van de
behandelduur en -vorm, het afschaffen van exclusiecriteria en het verder versterken
van samenwerking tussen zorg en sociaal domein.
Vraag 9
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) heeft verschillende meldingen gehad na
de uitzending van Zembla7, wat gaat de IGJ doen naar aanleiding van deze meldingen?
Antwoord 9
Het klopt dat de IGJ na de uitzending van Zembla verschillende meldingen heeft ontvangen.
Als onafhankelijke toezichthouder handelt de IGJ op basis van eigen bevindingen en
meldingen. De IGJ onderzoekt de ontvangen meldingen op dit moment en kan nog geen
uitspraken doen over een eventueel vervolg.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.