Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Gabriëls, Thijssen, Kröger, Kostic en Teunissen over de Joint Letter of Intent met Tata Steel, de fors hogere uitstoot van Tata Steel, staalslakken en de forse salarisverhogingen van directieleden bij Tata Steel
Vragen van de leden Gabriëls, Thijssen, Kröger (allen GroenLinks-PvdA), Kostić en Teunissen (beiden PvdD) aan Minister van Klimaat en Groene Groei en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat over de Joint Letter of Intent met Tata Steel, de fors hogere uitstoot van Tata Steel, staalslakken en de forse salarisverhogingen van directieleden bij Tata Steel (ingezonden 24 oktober 2025).
Antwoord van Minister Hermans (Klimaat en Groene Groei) en van Staatssecretaris Aartsen
(Infrastructuur en Waterstaat) (ontvangen 9 december 2025). Zie ook Aanhangsel Handelingen,
vergaderjaar 2025–2026, nr. 357.
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht «Omgevingsdienst ziet fors hogere uitstoot Tata Steel
in 2024»1?
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Wat vindt u ervan dat Tata Steel Nederland (TSN) vorig jaar van meerdere stoffen significant
meer heeft uitgestoten dan de jaren ervoor? Wat verklaart exact de toename van de
uitstoot van benzeen, lood, nikkel en zink?
Antwoord 2
Tata Steel Nederland (TSN) rapporteert een hogere uitstoot voor een aantal stoffen
in het Milieujaarverslag (e-MJV) 2024 dan in voorgaande jaren is gerapporteerd. Hiervoor
zijn meerdere oorzaken mogelijk.
De Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (OD NZKG) is vaker eigen metingen gaan uitvoeren
en heeft daarmee meer inzicht gekregen in de emissies van het bedrijf. Zo heeft de
OD NZKG in 2024 stoffen gemeten die niet eerder door TSN zijn gemeten of gerapporteerd.
Ook meet de OD NZKG op meerdere plaatsen op andere manieren dan het staalbedrijf dat
zelf eerder heeft gedaan. TSN heeft deze nieuwe metingen op verzoek van de OD NZKG
meegenomen in het e-MJV over 2024. Er kunnen ook andere oorzaken zijn voor verschillen
tussen uitstootgegevens, bijvoorbeeld wijzigingen in de productie- of procesomstandigheden
van de fabriek. De OD NZKG heeft TSN om een verklaring gevraagd voor de gerapporteerde
toenames. Wij wachten deze verklaring van de gerapporteerde toenames, net als de OD
NZKG, af.
Vraag 3
In hoeverre is deze hogere uitstoot te wijten aan het feit dat de uitstootmeting van
beide kooksgasfabrieken is meegenomen in 2024?
Antwoord 3
Zie ook het antwoord op vraag 2 waarin wordt toegelicht dat hogere uitstoot meerdere
oorzaken kan hebben.
Bij het opstellen van een e-MJV moeten representatieve gegevens worden gebruikt. Met
de metingen die zijn uitgevoerd door de OD NZKG zijn nieuwe inzichten ontstaan over
de emissie die daadwerkelijk uit de schoorsteen komt. Deze uitgevoerde emissiemetingen
zijn vervolgens verwerkt in het e-MJV, waardoor de jaarvrachten van een aantal stoffen
hoger uitvalt.
Vraag 4
Wat betekenen deze resultaten voor de aanzeggingsprocedure van de provincie? Klopt
de aanname dat de overtredingen bij de Kooksgasfabriek 2 niet zijn beëindigd en dat
intrekking van de vergunning een stap dichterbij is gekomen?
Antwoord 4
Dat is op dit moment nog niet te zeggen. De besluiten op dit onderwerp zijn aan het
bevoegd gezag, de provincie Noord-Holland en de door haar gemandateerde OD NZKG. De
aanzeggingsprocedure bij de Kooksgasfabriek 2 is in 2024 door de OD NZKG in gang gezet.
TSN heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. In het vierde kwartaal van 2025 verwacht
de Provincie Noord-Holland een besluit op bezwaar te nemen. Wanneer dit besluit op
bezwaar zal worden gepubliceerd, zal ook bekend worden welke feiten en omstandigheden
aan het besluit ten grondslag zijn gelegd.
Vraag 5
Wat betekent de grotere uitstoot van grotendeels zeer zorgwekkende stoffen voor de
gezondheid van omwonenden?
Antwoord 5
Het is nu nog niet mogelijk om met zekerheid te zeggen wat de hogere gerapporteerde
uitstoot voor effect heeft, onder andere omdat de oorzaken van de hoger gerapporteerde
uitstoot nog niet bekend zijn (zie ook antwoord op vraag 2). Wel is duidelijk dat
de door de jaren heen gemeten luchtkwaliteit in de leefomgeving niet is veranderd
door de hogere gerapporteerde emissie in 20242.
In de IJmond staat een vast luchtmeetnet waarmee de luchtkwaliteit in de leefomgeving
(de immissie) wordt gemeten. De immissie betreft de concentratie op leefniveau, in
de lucht die wij inademen en is daarmee relevant voor de mate waarin de leefomgeving
gezond is. Uit de immissiemetingen blijkt dat in 2024 op alle meetlocaties wordt voldaan
aan de wettelijke EU-grenswaarden voor de luchtkwaliteit. Het luchtmeetnet meet de
actuele luchtkwaliteit en staat los van wat er met de emissiemetingen door de OD NZKG
is geconstateerd en wat er in het e-MJV 2024 is gerapporteerd.
Vraag 6
Waren deze cijfers al bekend toen de Joint Letter of Intent (JLoI) met TSN werd ondertekend?
Antwoord 6
Deze getallen zijn voorafgaand aan publicatie vertrouwelijk en onder embargo van openbaarmaking
gedeeld met de Rijksoverheid.
In de JLoI worden afspraken gemaakt over maximale emissies in 2030. De maximale emissies
voor 2030 die in artikel 3, lid 2 van de JLoI zijn opgenomen, zijn geverifieerd en
gevalideerd door een technische adviseur van de staat. Daarnaast bevat de JLoI een
bepaling (artikel 11, lid 12) waarin is opgenomen dat de maximale emissies geactualiseerd
kunnen worden als er nieuwe inzichten zijn.
Vraag 7
Wat is er met het advies «Geef meer duidelijkheid over de effecten van de transitie
op emissie van de zeer zorgwekkende stoffen en neem de doelstellingen in het advies
van de Expertgroep over» van de Expertgroep Gezondheid IJmond gedaan?
Antwoord 7
In artikel 6.12 van de JLoI is hier meer over opgenomen. Zie hieronder het artikel
(geparafraseerd uit het Engels):
«12. Partijen nemen kennis van het advies van de Adviescommissie ten aanzien van de
emissiedoelstellingen.
a. TSN zal aangeven hoe de door de Projecten gerealiseerde reducties en de verwachte
reducties van Groen Staal Fase 2 van de transitie zich verhouden tot de door de Adviescommissie
aangegeven emissiedoelstellingen.
b. TSN blijft haar bedrijfsvoering verder ontwikkelen en optimaliseren, teneinde de uitstoot
meer te beperken dan vermeld in artikel 3, lid 2, rekening houdend met technische
en operationele haalbaarheid en kostenoverwegingen.».
Zoals ook in de begeleidende Kamerbrief bij de JLoI aangegeven, zijn niet alle doelstellingen
van de Expertgroep met de maatwerkafspraak haalbaar. Dat vraagt om meer maatregelen,
meer middelen en meer tijd. De Expertgroep geeft advies over de doelstellingen uitsluitend
kijkend naar de beoogde gezondheidswaarden. De Expertgroep geeft zelf in haar advies
aan dat om de door hen voorgestelde waarden te behalen het onder andere nodig is om
de sinterfabriek en de hoogovens te sluiten3. Dat vraagt dus de sluiting van een additionele hoogoven en de gehele sinterfabriek.
Dit zou gaan om grote ingrepen bovenop de voorziene sluiting van Hoogoven 7 en Kooksgasfabriek
2, die vervangen worden door de Direct Reduction Plant en de Electric Arc Furnace
(de «DRP-EAF») in het kader van de eerste fase van de vergroening waarop de maatwerkafspraak ziet.
Dat zijn grote projecten die niet binnen de scope van deze maatwerkafspraak vallen.
In het advies van de Adviescommissie Maatwerk Verduurzaming Industrie, samen met de
Expertgroep Gezondheid, is in de conclusie ook aangegeven dat er zonder maatwerkafspraak
geen vooruitgang in de gezondheid optreedt en dat stoppen met een maatwerkafspraak
daarom niet gewenst is.
Vraag 8
Waarom is het advies van de Expertgroep Gezondheid IJmond om een reductie van 90%
voor Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK’s), benzeen en een selectie aan
metalen op te nemen niet opgenomen in de JLoI, terwijl dit volgens de expertgroep
zorgt voor een grote verlaging van gezondheidsrisico’s? Kunt u deze keuze onderbouwen
zonder dat de gezondheidseffectrapportage is afgerond?
Antwoord 8
Een reductie van 90% van PAK's is zoals de Expertgroep zelf ook toelicht in haar advies
alleen mogelijk als naast Kooksgasfabriek 2, ook Kooksgasfabriek 1 sluit4.
De beide Kooksgasfabrieken zijn de start van het productieproces bij TSN. Als beide
tegelijk sluiten zonder dat daarvoor vervangende installaties, zoals een Direct Reduced
Plant (de «DRP»), worden gebouwd zal het productievermogen van de fabriek dusdanig worden aangetast
dat verdere financiering van de transitie zeer uitdagend wordt. Daarom wordt door
TSN een gefaseerde transitie beoogd, waarbij eerst de helft wordt vervangen (KGF2
en HO7) en in een tweede fase de resterende helft (KGF1 en HO6). De maatwerkafspraak
heeft betrekking en budget voor de eerste fase, de tweede fase zal het bedrijf zelfstandig
moeten financieren. Met de maatwerkafspraak kan niet in één keer de volledige transitie
worden behaald, dat vraagt meer maatregelen, meer middelen en meer tijd. Wel wordt
met de maatwerkafspraak een significante stap gezet richting de beoogde reductiepercentages
van de Expertgroep.
Vraag 9
Bent u bekend met het artikel «Salaris van Tata-directie verdubbeld, terwijl medewerkers
geen kerstpakket meer krijgen?»5
Antwoord 9
Ja.
Vraag 10
Wat vindt u van dit nieuws?
Antwoord 10
Het kabinet snapt dat dit artikel en deze kop vragen oproepen. Ondanks het feit dat
het beloningsbeleid van een private onderneming in principe de verantwoordelijkheid
van de onderneming zelf is, wil de staat in de maatwerkafspraak met Tata Steel afspraken
maken over het beloningsbeleid. De maatwerkafspraak geeft hier gezien de aard en omvang
ook de reden en mogelijkheid voor. Daarom is in artikel 10 van de JLoI opgenomen dat
TSN een passend, redelijk en uitlegbaar beloningsbeleid moet implementeren. De daadwerkelijke
invulling hiervan is onderdeel van de uitwerking van de JLoI in een maatwerkovereenkomst.
Vraag 11
Vindt u het eerlijk dat de salarissen van de directie van TSN omhoog zijn gegaan terwijl
er op de werkvloer op kerstpakketten, overwerkmaaltijden en koffie wordt bezuinigd?
Antwoord 11
Zie het antwoord op vraag 10. Het besluit over het beloningsbeleid van een private
onderneming is in principe aan de onderneming zelf. Bij de uitwerking van de JLoI
in een maatwerkovereenkomst worden afspraken geïmplementeerd over een passend, redelijk
en uitlegbaar beloningsbeleid.
Vraag 12
Wat vindt u ervan dat de directie hogere salarissen krijgen, terwijl eerder dit jaar
diezelfde directieplannen bekend maakte om één op de vijf werknemers te ontslaan?
Antwoord 12
TSN heeft aangekondigd een reorganisatie door te voeren om de concurrentiepositie
en winstgevendheid te herstellen. Bij deze reorganisatie zullen naar verwachting 1200
fulltimebanen verdwijnen. Voor degenen die dit betreft is dit uiteraard ingrijpend.
Om de transitie naar groen en schoon staal te kunnen maken moet TSN een winstgevend
bedrijf zijn. Het kabinet vindt het belangrijk dat het bedrijf een schone en duurzame
toekomst heeft en een economisch levensvatbaar bedrijf wordt en blijft. Dat is een
prioriteit voor zowel de Nederlandse staat als voor het bedrijf zelf. Het is aan het
bedrijf om hier invulling aan te geven.
In deze fase zijn eventuele besluiten over het beloningsbeleid in principe aan de
onderneming zelf, zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 10.
Vraag 13
Wat ziet u als een gepaste beloning voor de bedijfsleiding, zoals dat in de JLoI is
geformuleerd, en vallen de huidige bonussen in die range?
Antwoord 13
In de JLoI is in artikel 10.1 opgenomen dat TSN in de maatwerkafspraak het beleid
inzake de salarissen en bonussen voor de top van TSN vastlegt door middel van: «een redelijk, gepast en uitlegbaar beloningsbeleid voor haar raad van bestuur vast
te stellen en daaraan uitvoering te geven, waarbij eventuele wijzigingen in het huidige
bonusbeleid (zoals beoordeeld door de Staat) worden vastgesteld na redelijk overleg
met de Staat».
De verdere invulling van dit artikel en de definitie van «redelijk, gepast en uitlegbaar» wat betreft het beleid van de salarissen en bonussen van de Board of Management vindt
plaats in de maatwerkafspraak en is onderdeel van de verdere onderhandelingen.
Vraag 14
Bent u bekend met het bericht «Staalslakken op veel meer plekken gevonden: aantal
locaties bijna verdubbeld»6?
Antwoord 14
Ja.
Vraag 15
Klopt het dat op zeker 216 plekken in Nederland staalslakken zijn gebruikt? Was u
bekend met elk van deze gevallen? Hoeveel locaties verwacht u dat er nog meer boven
water komen? Bent u dit volledig in kaart aan het brengen?
Antwoord 15
Het is bekend dat staalslakken al jaren als secundaire bouwstof worden toegepast.
Publieke inventarisaties groeien sinds dit onderwerp in het nieuws is, maar een landelijk
totaaloverzicht ontbreekt omdat er geen landelijke meld- en informatieplicht bestond
voor deze toepassingen. Daarom zijn deze locaties niet allemaal bekend. We werken
aan een meldplicht om het zicht voor bevoegde gezagen te verbeteren.
Om een beeld te krijgen van de aard en omvang van de problematiek is er behoefte aan
regie vanuit de overheid om locaties en type toepassing scherper te krijgen, daarom
is een Taskforce Bestaande Toepassingen Staalslak opgericht die moet komen tot een
gezamenlijke aanpak met als doel:
– het inventariseren van bestaande toepassingen van staalslak. Deze inventarisatie wordt
risicogericht opgepakt, in lijn met de tijdelijke regeling. Daar waar sprake is van
evident risicovolle toepassingen voor mens en milieu worden passende maatregelen genomen;
– zich gezamenlijk in te spannen om relevante kennis over toepassing van staalslak en
eventuele risico’s beschikbaar te stellen aan burgers en bedrijven.
De Taskforce is een samenwerking tussen het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat,
Vereniging Nederlandse gemeente, Interprovinciaal Overleg en Unie van Waterschappen,
met deelname van Omgevingsdienst NL en GGD GHOR Nederland, onder leiding van een onafhankelijk
voorzitter.
Zoals aangegeven in de signaalrapportage heeft ILT nog aanvullend onderzoek gedaan
naar andere locaties waar LD-staalslakken grootschalig zijn toegepast. Dit rapport
bevindt zich in de afrondende fase en zal voor het eind van dit jaar openbaar worden
gemaakt. ILT kan al wel aangeven dat 7 van de onderzochte locaties niet voorkomen
op de kaart van Nu.nl en Investico d.d. 8 oktober 2025. Deze resultaten zullen worden
betrokken bij de inventarisatie die wordt uitgevoerd onder regie van de Taskforce.
Vraag 16
Wat vindt u ervan dat sommige gemeenten, zoals Muiden, Amstelveen, Texel, Den Haag
en Heusden, al proactief staalslakken hebben verwijderd, bijvoorbeeld bij paden of
hofjes in woonwijken of in de buurt van speelplaatsen en scholen? Stimuleert u andere
gemeenten om in dergelijke gevallen hetzelfde te doen? Hoe moeten gemeenten dit bekostigen?
Antwoord 16
De toepassing van niet-vormgegeven bouwstoffen met meer dan 20 massaprocent staalslak
in situaties waarin direct contact mogelijk is (zoals bij speelplaatsen of paden)
is inmiddels verboden op grond van de tijdelijke regeling staalslakken. De verantwoordelijkheid
voor toezicht en eventuele maatregelen ligt bij het lokale bevoegd gezag. Om een beeld
te krijgen van de aard en omvang van de problematiek is er behoefte aan regie vanuit
de overheid om locaties en type toepassing scherper te krijgen, daarom wordt een Taskforce
Bestaande Toepassingen Staalslak opgericht die moet komen tot een gezamenlijke aanpak
voor de bestaande toepassingen staalslak.
Vraag 17
Bent u voornemens om een saneringsplan op te stellen voor de plaatsen waar staalslakken
het meest acute gevaar vormen? Bent u in gesprek met provincies en gemeenten die al
maatregelen aan het nemen zijn?
Antwoord 17
Er komt geen landelijk saneringsplan. Het beoordelen en eventueel treffen van maatregelen
is een taak van het lokale bevoegd gezag, dat op basis van de zorgplicht kan optreden
wanneer sprake is van risico’s voor mens of milieu. Om een beeld te krijgen van de
aard en omvang van de problematiek is er behoefte aan regie vanuit de overheid om
locaties en type toepassing scherper te krijgen, daarom wordt een Taskforce Bestaande
Toepassingen Staalslak opgericht met als doel een gezamenlijke aanpak voor de bestaande
toepassingen staalslak.
Vraag 18
Wanneer is het onderzoek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
naar de veilige toepassingen van staalslakken afgerond? Deelt u de opvatting dat,
gezien de schaal van dit probleem, er eerst onomstotelijk moet zijn vastgesteld dat
de toepassingen veilig zijn en dat daarom een tijdelijk totaalverbod vanuit het voorzorgsprincipe
de juiste weg is?
Antwoord 18
Het RIVM voert momenteel aanvullend onderzoek uit naar de risico’s van het toepassen
van staalslakken, onder meer op basis van vragen van de Europese Commissie en ter
voorbereiding van een structurele regelgeving. Deze onderzoeken lopen mee met de looptijd
van de tijdelijke regeling en worden aan het eind van het voorjaar 2026 afgerond,
zodat de resultaten kunnen worden gebruikt voor het beleid dat volgt op de tijdelijke
regeling.
De tijdelijke regeling past het voorzorgsbeginsel toe door de meest risicovolle toepassingen
te verbieden. Voor toepassingen waarbij direct contact met de omgeving kan optreden
of waarin staalslakken in lagen dikker dan een halve meter worden toegepast, geldt
een verbod. Voor overige toepassingen geldt een vergunningplicht, zodat het bevoegd
gezag per geval kan toetsen of de toepassing veilig is. Een generiek totaalverbod
acht het kabinet op dit moment niet effectief en uitvoerbaar, is niet wetenschappelijk
onderbouwd, niet proportioneel en juridisch niet houdbaar.
Vraag 19
Wat gebeurt er met de staalslakken die naar de Baltische Staten geëxporteerd worden?
Hoe worden ze daar toegepast?
Antwoord 19
Staalslakken worden binnen de Europese Unie verhandeld of vervoerd afhankelijk van
de kwalificatie als afvalstof of bijproduct. Bij export als afvalstof gelden de regels
van de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA).
Het ministerie beschikt niet over een volledig overzicht van de eindbestemmingen en
toepassingen in het buitenland. De toepassingsvoorwaarden worden bepaald door de bevoegde
autoriteiten van het ontvangende land.
Vraag 20
Bent u bekend met het artikel «Waar komen verwijderde staalslakken terecht? Geen zicht
op»7?
Antwoord 20
Ja. Ik ben bekend met dit artikel en de daarin geschetste zorgen over het zicht op
de afvoer en verwerking van verwijderde staalslakken.
Vraag 21
Klopt het dat er geen zicht op is waar verwijderde staalslakken terechtkomen?
Antwoord 21
Wanneer staalslakken worden verwijderd omdat men zich daarvan ontdoet, worden zij
als afvalstof beschouwd. De verwerking daarvan valt onder het Landelijk Afvalbeheerplan
(LAP3, sectorplan 29), waarin recycling de minimumnorm is. Er bestaat geen centraal
overzicht van alle afgevoerde hoeveelheden en eindbestemmingen. Wel wordt toezicht
gehouden via de bestaande afvalstoffenregelgeving.
Na verwijdering kunnen staalslakken ook een nieuwe toepassing krijgen, zowel binnen
Nederland als in andere lidstaten, mits wordt voldaan aan de geldende milieuregels
en de toepasselijke Europese en nationale voorschriften.
Vraag 22
Gaat u dit inzichtelijk brengen om te voorkomen dat de problemen steeds verplaatst
worden?
Antwoord 22
Ja. Met de voorgenomen meldplicht voor toepassingen van staalslakken (beoogde inwerkingtreding
voorjaar 2026) ontstaat structureel beter zicht op nieuwe toepassingen. De meldplicht
ziet uitsluitend op toepassingen binnen Nederland.
Om een beeld te krijgen van de aard en omvang van de problematiek is er behoefte aan
regie vanuit de overheid om locaties en type toepassing scherper te krijgen, daarom
is een Taskforce Bestaande Toepassingen Staalslak opgericht die moet komen tot een
gezamenlijke aanpak voor de bestaande toepassingen staalslak.
Vraag 23
Kunt u nogmaals uiteenzetten hoe het precies zit met de ontbindende voorwaarden die
in de JLoI over staalslakken zijn opgenomen? Waarom zei u tijdens het commissiedebat
Leefomgeving en externe veiligheid dat deze voorwaarden er niet toe leidt het kabinet
zich terughoudend zal opstellen ten opzichte van staalslakken?
Antwoord 23
In de JLoI zijn geen ontbindende voorwaarden opgenomen, maar opzeggronden. De specifieke
opzeggrond rondom staalslak staat in artikel 15, vierde lid onder c: Het nationale
beleid of de nationale beleidsmaatregelen met betrekking tot staalslakken veranderen
op een zodanige wijze dat dit een aanzienlijk negatief effect heeft op de activiteiten,
projecten, bedrijfsvoering of financiële positie van TSN. De opzeggrond over staalslakken
heeft dus alleen betrekking op wijzigingen in nationaal beleid rondom staalslakken
die de business case van TSN aanzienlijk negatief beïnvloeden. Het is expliciet niet
zo dat het bedrijf dat bij elke wijziging van beleid zou kunnen doen. Deze opzeggrond
staat niet in de weg bij het maken of aanpassen van nationaal beleid rondom staalslakken,
maar biedt TSN in het geval dat dergelijk beleid de business case van TSN aanzienlijk
negatief beïnvloedt de mogelijkheid de JLoI – de inspanningsverplichting om te komen
tot bindende afspraken – op te zeggen.
De maatwerkafspraak vraagt om een grote investering van het bedrijf en het moederbedrijf,
naast een subsidiebijdrage van de staat. Het bedrijf is in haar businesscase voor
deze investering uitgegaan van de bestaande wet- en regelgeving en beleid met betrekking
tot staalslakken. Indien er wijzigingen in het nationale beleid komen die aanzienlijk
negatieve invloed hebben op de businesscase van TSN, is het bedrijf mogelijk niet
meer in staat om de benodigde investering voor de maatwerkafspraak te doen. In dat
geval zijn de verplichtingen uit de JLoI om zich in te spannen om een maatwerkafspraak
te maken niet meer na te komen voor het bedrijf. Daarom is deze mogelijkheid opgenomen.
Vraag 24
Kunt u toelichten wat artikel 15, vierde lid, van de JLoI over de CO2-heffing en staalslakken precies betekent voor toekomstig beleid op deze terreinen?
Wat zou een verhoging van de CO2-heffing (juridisch) betekenen voor de maatwerkafspraken? Wat zou een totaalverbod
op staalslakken betekenen voor de maatwerkafspraken?
Antwoord 24
Artikel 15, vierde lid bevat opzeggronden. Het gaat hier dan om gronden om de JLoI
– wat de inspanningsverplichting is om te komen tot bindende afspraken – op te zeggen.
Wanneer een partij van een opzeggrond gebruik maakt, dan is die partij dus niet meer
verplicht om zich in te spannen om te komen tot een maatwerkafspraak. Op basis van
artikel 15, vierde lid van de JLoI kan TSN de JLoI opzeggen, onder bepaalde voorwaarden.
Dit is wat betreft de CO2-heffing (artikel 15, vierde lid onder d) het geval als deze voor TSN leidt, of naar
verwachting zal leiden, tot aanzienlijke kosten voor TSN.
Wat betreft staalslakken (artikel 15, vierde lid, onder f) geldt dat TSN de JLoI kan
opzeggen als het overheidsbeleid met betrekking tot staalslakken zodanig wijzigt dat
dit de activiteiten, projecten, bedrijfsvoering of financiële positie van TSN aanzienlijk
negatief beïnvloedt. Deze opzeggronden zijn opzettelijk niet verder ingekaderd en
het uitwerken van scenario’s kan de onderhandelingspositie van de staat schaden.
Vraag 25
Klopt het dat er met artikel 15, vierde lid 4, feitelijk afspraken gemaakt worden
die gaan gelden voor alle bedrijven in Nederland? Waarom levert u op deze aspecten
geen maatwerkmaatregelen, bijvoorbeeld op de manier zoals beschreven in de aangenomen
motie-Thijssen (Kamerstuk 29 826, nr. 236)? Bent u het ermee eens dat deze bepaling in artikel 15, vierde lid, betekent dat
bedrijven die bij u hebben aangegeven niet verder te willen praten over verduurzaming
wel dit belastingvoordeel (het afschaffen van de CO2-heffing) krijgen?
Antwoord 25
Artikel 15, vierde lid van de JLoI betreft geen (generieke) afspraak, maar een opzeggrond
voor de intentieverklaring. Op grond van artikel 15, vierde lid kunnen TSN en Tata
Steel Limited (TSL) de JLoI opzeggen. De JLoI is een afspraak tussen TSN, TSL, de
staat en de Provincie Noord-Holland en deze opzegmogelijkheid geldt dan ook enkel
voor ondertekenende partijen; andere partijen (of bedrijven) kunnen dus geen beroep
op deze afspraken en opzeggronden doen. Het kabinet beoogt met het komen tot een maatwerkafspraak
om de verduurzamingsplannen van TSN financieel te ondersteunen. In paragraaf 7.2 van
de JLoI staan daarnaast de inspanningen en handelingen van de staat m.b.t. financiën
en de beoogde steun benoemd. De beoogde steun zal, wanneer de definitieve maatwerkafspraak
is overeengekomen, gegeven worden voor verduurzaming en het schoner en meer circulair
maken van de productie in Nederland.
Het kabinet heeft op 30 juni 2025 aangekondigd8 dat de gesprekken met een aantal bedrijven in de maatwerkaanpak is gestopt. In de
gesprekken met TSN zag, en ziet het kabinet voldoende perspectief om te komen tot
een bindende maatwerkafspraak. In de Kamerbrief over Uitvoering Pakket voor Groene
Groei heeft het kabinet gehoor gegeven aan de brede wens van de Kamer, met de motie
Van Dijk c.s. en motie Flach en Vermeer, welke het kabinet verzocht9 de CO2-heffing zo snel mogelijk af te schaffen. Het kabinet heeft aangekondigd de nationale
CO2-heffing effectief en op verantwoorde wijze buiten werking te stellen. Het kabinet
heeft ook aangekondigd met de industrie en andere stakeholders in overleg te gaan
over borgende maatregelen en verduurzaming op de lange termijn.
Vraag 26
Kunt u exact uiteenzetten welke maatregelen u aanvullend heeft genomen na het advies
van Arbeid, Mens, Verzuim en Inzetbaarheid (AMVI) in samenwerking met de Expertgroep
Gezondheid IJmond en welke adviezen u specifiek niet heeft overgenomen? Kunt u in
een overzicht ingaan op wat u met elk van de adviezen en aanbevelingen uit het AMVI-advies
heeft gedaan?
Antwoord 26
Wij zijn niet bekend met een advies van Arbeid, Mens, Verzuim en Inzetbaarheid. Waarschijnlijk
doelt de vraag op de Adviescommissie Maatwerkafspraken Verduurzaming Industrie (AMVI).
De Kamerbrief over de ondertekening van de JLoI geeft het gevraagde overzicht van
de adviezen van de AMVI en de Expertgroep op hoofdlijnen en geeft ook aan hoe het
kabinet opvolging heeft gegeven of gaat geven aan de adviezen.
Aanvullend hieraan is in artikel 6, lid 11 van de JLoI aangekondigd dat TNO een methode
ontwikkelde om de PM10-bijdrage van TSN te bepalen aan de immissie in de IJmond en
dat het RIVM op dit onderzoek van TNO een second-opinion zou geven. Beide rapporten
zijn inmiddels afgerond10
11. De Expertgroep adviseert «om in de definitieve JLoI reductiedoelen zoveel mogelijk vast te leggen op emissieniveau»12. Onder andere op basis van beide rapporten en het advies van de Expertgroep is gebleken
dat de methode van TNO niet gebruikt kan worden om bindende afspraken te maken. In
de definitieve afspraak zal dus een alternatieve meetmethode vastgelegd moeten worden.
Vraag 27
Wat betekent het maximum subsidiebedrag van twee miljard euro door de Rijksoverheid?
Betekent dit dat de eventuele meerkosten van de uitvoering van de adviezen van de
gezondheidseffectrapportage (GER) per definitie voor de rekening van TSN zijn?
Antwoord 27
Dit betekent dat de specifieke ondersteuning vanuit de staat vanuit de maatwerkaanpak
maximaal 2 miljard euro zal bedragen. Mochten de totale kosten hoger uitvallen, dan
zijn deze aanvullende kosten niet voor rekening van de staat. Zie hiervoor ook artikel 7.1.1.
onder a van de JLoI.
Zoals ook aangegeven in de eerdere beantwoording13 van Kamervragen, staat het TSN vrij om, net als andere bedrijven, in de toekomst
aanspraak te maken op generieke subsidie-instrumenten. Of een subsidie wordt toegekend,
zal dan objectief beoordeeld worden aan de hand van de relevante subsidievoorschriften
en -voorwaarden.
Vraag 28
Waarom is het doel voor TSN om over te zijn op groene waterstof en biomethaan pas
gesteld in 2047? Hoe verhoudt dit zich tot de deadline van de uitgifte van ETS-rechten
die is gesteld in 2040? Hoe verhoudt zich dit tot aangenomen moties (Kamerstukken
29 826, nrs. 186 en 187)?
Antwoord 28
In de JLoI worden afspraken gemaakt over de eerste fase van de verduurzaming van TSN
die moet zijn afgerond in 2037 (en dus niet in 2047 zoals in de vraag lijkt te worden
gesuggereerd). De verplichtingen ten aanzien van het gebruik van waterstof en biomethaan
in de JLoI lopen dan ook tot en met 2037. Om volledig klimaatneutraal te worden moet
TSN nog een tweede fase van de verduurzaming doorvoeren. In de JLoI is vastgelegd
dat er voor deze tweede fase geen maatwerkondersteuning vanuit de staat is voorzien,
zie hiervoor artikel 5 lid 1 sub d van de JLoI. Wel is in de JLoI opgenomen dat TSN
zo snel mogelijk en uiterlijk in 2045 klimaatneutraal moet zijn.
Het EU ETS systeem zorgt er inderdaad voor dat de rechten aflopen in 2040. Het is
echter mogelijk om rechten op te sparen en mee te nemen in de jaren daarna. Er kunnen
in 2040 en kort daarna dus nog rechten in omloop zijn. Daarbij is er de mogelijkheid
tot compensatie via negatieve emissies, wat bij TSN een mogelijkheid is door de combinatie
van CCS en biomethaan.
Vraag 29
Welke juridische waarborgen zitten er in de maatwerkafspraken om er zeker van te zijn
dat TSN van aardgas over gaat op groene waterstof? Hoe wordt lock-in voorkomen?
Antwoord 29
In de JLoI is vastgelegd dat TSN in de periode 2032–2037 het aardgas in de DRP zal
vervangen door groene waterstof en/of biomethaan. Voor de aankoop van deze groene
energiebronnen verstrekt de staat een lening van 200 miljoen. Indien er in de gehele
periode geen groene waterstof en/of biomethaan wordt gekocht door TSN, moet de lening
inclusief rente en een (eventuele) boete worden terugbetaald. Als de waterstof en/of
biomethaan wel wordt ingekocht, wordt de lening (proportioneel) omgezet in een subsidie.
Zie hiervoor ook artikel 7.2.2. van de JLoI. 7.2.2. Verdere juridische waarborgen
worden de komende tijd uitgewerkt en opgenomen in de maatwerkafspraak. Het voorkomen
van een lock-in op aardgas is ook een van de eisen die volgt uit het relevante staatssteunkader
van de Europese Commissie.
Vraag 30
Waarom wordt er ook ingezet op Carbon Capture & Storage (CCS), naast de overgang van
aardgas op groene waterstof? Is CCS nog nuttig als de fabriek overgaat op groene waterstof?
Zo nee, betekent CCS dan niet een lock-in voor het maken van staal met aardgas?
Antwoord 30
Er wordt CCS toegepast op de DRP om de emissies verder te reduceren tijdens de tussenfase
waarin de DRP op aardgas draait omdat groene waterstof en/of biomethaan in die fase
naar verwachting nog onvoldoende beschikbaar en betaalbaar zijn. De DRP produceert
een zeer zuivere CO2-stroom, waardoor CCS kosteneffectief toe te passen is. Wanneer de overstap op biomethaan
wordt gemaakt, kunnen met CCS negatieve emissies worden gerealiseerd.
Vraag 31
Wat zijn de totale kosten om eerst 15 jaar lang staal te maken met aardgas en CCS
en daarna 15 jaar groen staal te gaan maken (met groene waterstof) in vergelijking
met 30 jaar lang groen staal maken (met groene waterstof)? Kunt u bij dit antwoord
werken met verschillende IEA en PBL-scenario’s voor de CO2-prijs, aardgasprijs, prijs van groene waterstof en prijs van CCS?
Antwoord 31
De nieuwe installaties zijn technisch al voorbereid op het gebruik van waterstof en/of
biomethaan. Hiervoor zijn dus geen aanpassingen nodig. De vraag impliceert een keuze
tussen de transitie naar groene waterstof via aardgas en CCS en de directe transitie
naar groene waterstof. Deze keuze is er niet. Het project kent een noodzakelijke tussenfase
met aardgas en CCS op weg naar een toekomst op basis van groene waterstof en/of biomethaan.
Deze tussenfase is nodig omdat groene energiebronnen naar verwachting nog onvoldoende
beschikbaar zijn op korte termijn. In de uiteindelijke maatwerkafspraak zal een tendermechanisme
komen met daarin afspraken over de prijs die TSN kan bieden voor waterstof en/of biomethaan.
Deze prijs hangt af van onder andere de aardgasprijs, de ETS prijs en de «green steel
premium». Zodra waterstof en/of biomethaan in voldoende mate beschikbaar is tegen
de afgesproken prijs, wordt het aardgas vervangen. Om die reden is als tussenfase
gekozen voor de combinatie van aardgas en CCS. De beschikbaarheid en prijs bepalen
dus hoelang de noodzakelijke tussenfase exact zal duren. Uit het advies van de AMVI
volgt ook dat de inzet van CCS zeer kosteneffectief is.
Vraag 32
Waarom heeft u de aangenomen motie-Thijssen c.s. over de adviezen van de Expertgroep
Gezondheid IJmond (Kamerstuk 28 089, nr. 307) niet als harde voorwaarde opgenomen in de JLoI? Heeft u dit wel besproken met Tata?
Wat was het antwoord van TSN? Wat zijn de kosten om deze adviezen wel op te volgen?
Antwoord 32
De motie-Thijssen verzocht de regering de adviezen van de Expertgroep als harde voorwaarde
in de onderhandelingen op te nemen. Zoals eerder ook is aangegeven in de Kamerbrief
over de JLoI, is dit gebeurd. In de definitieve JLoI zijn veel van deze adviezen overgenomen.
Zo zijn voor alle, door de Expertgroep voorgestelde stoffen, (reductie)doelen opgenomen.
Ook zijn er monitoringsafspraken voor geur en geluid gemaakt en zijn er verschillende
toezeggingen opgenomen over het verschaffen van meer transparantie over metingen.
Een exacte berekening van de kosten van het opvolgen van alle adviezen is niet mogelijk,
omdat de maatregelen die nodig zijn om de doelen te behalen niet altijd helder zijn
en dus geen volledige inschatting gemaakt kan worden van de benodigde kosten.
Zoals ook uit de beantwoording van vraag 7 en 8 naar voren komt, is voor het volledig
behalen van hun adviezen volgens de Expertgroep nodig om naast de beoogde vervanging
van KGF 2 en HO7 met een DRP-EAF onder andere ook sluiting van KGF 1, HO6 en de Sinterfabriek
nodig.
Vraag 33
Wat is de uitstoot van alle schadelijke stoffen op dit moment en op basis van welke
gegevens zijn de afspraken over emissiereductie in 2030 gemaakt? Zijn de metingen
van deze emissies onafhankelijk gedaan? Kan het zijn, zoals in het eerdergenoemde
artikel, dat later blijkt dat emissies toch weer hoger zijn? Zijn de door het RIVM
gemeten deposities buiten het TSN-terrein verklaarbaar met de op dit moment bekende
emissies? Zo nee, waar komt het verschil door?
Antwoord 33
De uitstoot van alle schadelijke stoffen op dit moment is te vinden via het openbaar
milieujaarverslag (e-MJV)14. De emissiereducties van 2030 zijn uiteraard momenteel niet meetbaar omdat deze emissies
pas in de toekomst zullen plaatsvinden. Om de emissiereductiedoelen te bepalen zijn
dus berekeningen uitgevoerd op basis van onder andere de technische documentatie en
modellen met betrekking tot de projecten. Meer details hierover staan in het rapport
van de technische adviseur van de staat15. Dit rapport is met de Kamer gedeeld bij het versturen van de JLoI en kamerbrief.
Het zou kunnen dat gemeten emissies in de toekomst hoger uitvallen omdat meettechnieken
verbeteren. Daarom bevat de JLoI absolute maximale emissiewaarden in plaats van reductiepercentages
als doelen. Hierdoor blijft het einddoel altijd helder en gelijk. Het kan wel zijn
dat de reductieopgave voor TSN in werkelijkheid dus groter is dan nu verwacht. Dit
is een risico dat bij het bedrijf ligt omdat de steun van de staat gemaximaliseerd
is en de doelen, wanneer die finaal in de maatwerkafspraak overeengekomen zijn, vast
zullen staan.
Wat betreft uw vraag over de depositiemetingen: het RIVM meet sinds 2020 in de IJmond
hoeveel polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) en metalen er zitten in grof
stof dat is neergedaald op de bodem. Een belangrijke bron van deze stof is TSN. In
het meest recente onderzoek waren de hoeveelheden PAK, aluminium, lood en zink in
het stof in de meeste dorpen iets lager dan in 2020. Ook de hoeveelheid ijzer is sinds
2020 flink gedaald16. Het is niet duidelijk of de dalingen structureel zijn en wat de oorzaak ervan is.
Dat komt doordat verschillende factoren invloed hebben op de hoeveelheid stof die
in de omgeving neerdaalt. Een daarvan is de hoeveelheid stof die door TSN wordt uitgestoten.
Maar ook de windsterkte en windrichting hebben invloed op de hoeveelheid stof die
neerdaalt. Omdat het weer (wind en neerslag) sterk verschilde in de onderzochte jaren,
is niet duidelijk wat de invloed van deze factoren precies is geweest. Het is dus
niet mogelijk om de depositiemetingen in de IJmond direct te koppelen aan de emissies
van TSN.
Vraag 34
Is er in de afspraken ook rekening gehouden met de waarschuwing van de Expertgroep
Gezondheid IJmond dat de emissies in de bouwfase kunnen toenemen? Kunt u in een tabel
aangeven wat de emissies en andere overlast jaarlijks gaat zijn van nu tot 2032?
Antwoord 34
De bouwfase wordt gereguleerd door bestaande wet- en regelgeving. Zo wordt bijvoorbeeld
ook getoetst aan de geldende geluidsregels. In het milieueffectrapport wordt inzichtelijk
gemaakt welke emissies tijdens de bouw- en transitiefase optreden. Het MER wordt op
dit moment beoordeeld door het bevoegd gezag (de provincie Noord-Holland).
Zie hieronder tabel 5.1 uit het MER Rapport Detailstudie luchtkwaliteit. Hierin staat
de toename in emissies als gevolg van de bouwactiviteiten opgenomen. De tabel is te
vinden op pagina 44 van het rapport.
De toename in fijnstofemissies als gevolg van de bouwactiviteiten is voorzien op 3.9
ton/jr. Dit is volgens TSN een toename van minder dan 1%. Onderstaande tabel geeft
voor fijnstof (PM10) de emissies aan over de verschillende fases zoals beschreven
in het MER. Naast de realisatie van de nieuwe installaties die het MER beschouwt zal
TSN ook aanvullende maatregelen nemen om fijnstof verder te reduceren. Dit betreft
het bouwen van overkappingen en een windbreker bij de grondstofvelden en het treffen
van maatregelen in de verwerking en opslag van staalslakken. Deze volgen een aparte
vergunningsprocedure en zijn daarom geen onderdeel van het MER voor Groen Staal.
Fase
PM10 emissies (ton)1
Bron
Huidig
753
JLoI
Referentie
542
Tabel 4.2 – p 39 MER
Bouwactiviteiten
+3.9
Tabel 5.1 – p 44 MER
Transitiefase
594
Tabel 6.2 – p 48 MER
Operationele fase aardgas
548
Tabel 7.2 – p 56 MER
Operationeel + overkappingen + slak
467
JLoI
X Noot
1
De emissies voor de eerste 4 genoemde fases zijn geschaald naar een productie van
7.23 miljoen ton per jaar van staal, en zullen(?) voor de operationele fase de gereduceerde
productiecapaciteit van 6.8 miljoen ton per jaar reflecteren.
Vraag 35
Waarom gaat TSN verder onderzoek doen naar ultrafijnstof? Waarom is niet afgesproken
dat het RIVM verder onderzoek gaat doen naar de uitstoot van ultrafijnstof? Waarom
wordt de Expertgroep Gezondheid IJmond niet gevraagd om op basis van een eventueel
RIVM-onderzoek naar fijnstof advies te geven over de gezondheidseffecten van fijnstof
en hoe deze effecten te verminderen? Wordt fijnstof meegenomen in de GER?
Antwoord 35
Ter voorkoming van verwarring, fijnstof is de verzamelnaam voor stofdeeltjes kleiner
dan 10 micrometer. Een subcategorie van fijnstof is ultrafijnstof, dan gaat het om
deeltjes kleiner dan 0,1 micrometer17. Over fijnstof is in het algemeen al veel bekend en dit wordt ook al structureel
gemeten en gemonitord door zowel het bedrijf als via het luchtmeetnet, beheerd door
de GGD Amsterdam. Over de subcategorie ultrafijnstof is nog niet zoveel bekend en
zowel de GGD-Amsterdam en TSN meten en monitoren dit ook nog niet structureel in de
omgeving van TSN. De GGD-Amsterdam meet wel al sinds langere tijd structureel ultrafijnstof
in Amsterdam-West nabij Schiphol (op immissieniveau), alleen nog niet nabij TSN. Er
wordt momenteel onderzocht hoe het luchtmeetnet van de GGD Amsterdam in de IJmond
kan worden aangevuld met een permanent meetpunt voor ultrafijnstof. In de maatwerkafspraak
is over ultrafijnstof specifiek het volgende opgenomen:
– Artikel 3, lid 2, onder d: Gezien de bestaande technische moeilijkheden bij het meten
en verminderen van de uitstoot van ultrafijne deeltjes zal TSN i) nader onderzoek
doen naar het meten van de uitstoot en verspreiding van ultrafijne deeltjes en hoe
de uitstoot hiervan kan worden verminderd en ii) al het mogelijke doen om de geïdentificeerde
opties toe te passen om de uitstoot te verminderen, rekening houdend met technische
haalbaarheid en kostenoverwegingen.
– Artikel 10, lid 2, onder c: TSN spant zich in redelijkheid in om – in samenwerking
met de Staat en de Provincie – de komende jaren nader onderzoek te doen naar de vorming
van ultrafijnstof en manieren om deze te beperken. De resultaten worden gepubliceerd
en gebruikt om de bedrijfsvoering en de uitvoering van de projecten te verbeteren,
rekening houdend met technische haalbaarheid en kostenoverwegingen.
TSN gaat dus specifiek onderzoek doen naar hoe zij het beste ultrafijnstofemissie
en -verspreiding kunnen meten en verminderen op hun terrein. Uiteraard wordt er ook
veel onderzoek gedaan naar ultrafijnstof in het algemeen, waaronder door publieke
organisaties zoals het RIVM18. Zowel fijnstof als ultrafijnstof (voor zover mogelijk) zijn onderdeel van de GER.
Ook wordt dus onderzocht hoe het luchtmeetnet van de GGD Amsterdam in de IJmond kan
worden aangevuld met een permanent meetpunt voor ultrafijnstof. Dit meetnet is publiek
gefinancierd. TSN heeft hierin geen rol.
Vraag 36
Wat zijn de gezondheidseffecten van de schadelijke stoffen die nog wel uitgestoten
mogen gaan worden? Wat is het cumulatieve gezondheidseffect van deze emissies? Kunt
u dit weergeven in DALY’s (Disability Adjusted Life Years), zoals ook de Expertgroep
Gezondheid IJmond doet? Hoe vergelijkt dit gezondheidseffect zich met een gemiddelde
stad in Nederland?
Antwoord 36
Er wordt specifiek voor TSN momenteel gewerkt aan de Gezondheidseffectrapportage die
op basis van onder andere de MER-gegevens in beeld zal brengen wat de verwachte gezondheidseffecten
van de maatwerkafspraak ten opzichte van de huidige situatie zal zijn. Hierbij zal
het cumulatieve gezondheidseffect waar mogelijk kwantitatief in beeld worden gebracht,
met behulp van disability-adjusted life-years («DALY's»).
Zoals u kunt lezen in de brief met de kabinetsreactie op het tweede advies van de
Expertgroep Gezondheid IJmond19, heeft het kabinet overwogen of een vergelijking met een gemiddelde stad kan worden
gemaakt. Ondanks dat het in eerste instantie een mooi uitgangspunt en een praktische
invulling lijkt van de vraag wat gezond genoeg is, heeft het veel haken en ogen. De
ene stad scoort beter op het ene aspect, de volgende stad op het andere aspect. Er
zal dus een keuze moeten worden gemaakt tussen relevante gegevens, die zich niet eenvoudig
met elkaar laten vergelijken of afwegen. Ook fluctueren waardes van steden – in de
regel is er sprake van een neerwaartse trend – waardoor hoe dan ook referentiewaarden
zouden moeten worden gehanteerd. Het advies van de Expertgroep bevat weliswaar enkele
rekenvoorbeelden, maar deze zijn op zichzelf onvoldoende om als referentiewaarden
te dienen. Het vaststellen van deze referentiewaarden roept daarnaast weer nieuwe
vragen op, bijvoorbeeld hoe die zich verhouden tot de wettelijke milieukwaliteitswaarden.
Ook is te verwachten dat een dergelijke keuze tot een precedentwerking leidt en dus
weloverwogen moet worden. Het kabinet heeft er voor gekozen om dit niet te doen en
het zal dus ook geen onderdeel zijn van de GER.
Vraag 37
Wanneer verwacht u dat de GER af zal zijn? Waarom vraagt u geen advies van de Expertgroep
Gezondheid IJmond naar aanleiding van de GER? Hoe gaat de GER invloed hebben op de
bindende afspraken die u wilt maken met TSN? Wanneer vindt u de uitkomsten van de
GER op de maatwerkafspraken voldoende?
Antwoord 37
De GER is een nieuw instrument, dat zal laten zien wat de geschatte gezondheidseffecten
van de beoogde maatwerkafspraak met Tata Steel zullen zijn. Zoals ook in eerdere debatten
en het schriftelijk overleg is gemeld, wordt een GER-TSN momenteel opgesteld door
een werkgroep samengesteld met experts van het RIVM, de GGD Kennemerland, en het Institute for Risk Assessment Sciences (IRAS) van de Universiteit Utrecht onder voorzitterschap van ABDTOPConsult.
Deze werkgroep heeft aangegeven dat een GER idealiter wordt opgesteld op basis van
een definitieve MER, die ook beoordeeld is door de Commissie mer en het bevoegd gezag,
omdat de data dan volledig gevalideerd zijn. Deze versie van het MER is nu nog niet
beschikbaar. Tegelijkertijd vraagt de Kamer om zo spoedig mogelijk een GER op te stellen.
Daarom wordt er een balans gezocht tussen nauwkeurigheid en snelheid. Doordat de GER
voor het eerst wordt uitgevoerd en de uitvoering afhankelijk is van de m.e.r.-procedure,
is de exacte duur van de verdere uitvoering niet geheel te voorspellen, maar alle
betrokken partijen zijn zich bewust van de wens van de Kamer tot snelheid en zetten
zich daarvoor in. Ook is de Expertgroep Gezondheid IJmond betrokken bij het proces.
Zowel bij het opstellen van de methodiek als nu bij de uitvoering denken ze mee.
De GER zal geen oordeel bevatten over de vraag of de voorgenomen maatregelen voldoende
of onvoldoende zijn om de gezondheid van werknemers en omwonenden te borgen; het is
een instrument om de gezondheidseffecten in kaart te brengen. Of de effecten voldoende
zijn is een politieke afweging die het kabinet en de Tweede Kamer zullen moeten maken,
op het moment dat de uitkomsten beschikbaar zijn.
Het kabinet heeft besloten niet te wachten op een GER met het tekenen van de JLoI,
omdat het tekenen van de JLoI een tussenstap is richting het komen tot een definitieve
maatwerkafspraak. Het advies van de AMVI, samen met de Expertgroep, heeft het kabinet
gesteund in de lijn om in te zetten op het zo snel mogelijk komen tot een JLoI (en
daarna maatwerkafspraak). In de conclusie van het advies wordt ook het belang erkend
om zo spoedig mogelijk tot resultaten te komen op het gebied van gezondheid en klimaat.
Er zijn nog een aantal stappen te zetten om tot een maatwerkafspraak te komen en daar
zal ook nog enige tijd voor nodig zijn. (Tussentijdse) inzichten die worden opgedaan
bij de uitvoering van de GER-TSN zullen zoveel mogelijk worden betrokken bij de onderhandelingen
over de maatwerkafspraak. Daarnaast is in de JLoI de afspraak opgenomen dat de uitkomsten
van de GER worden betrokken bij het vaststellen van o.a. de maximale emissies (zie
artikel 11, lid 12 onder d).
Vraag 38
Wat zegt u tegen omwonenden die de afgelopen jaren meerdere RIVM-rapporten hebben
gelezen over hun leefomgeving die stellen dat de lucht rond TSN ongezond is? Welke
concrete gezondheidswinst kunt u garanderen aan de omwonenden?
Antwoord 38
Om doelen voor de (bovenwettelijke) verbetering van de gezondheid te kunnen behalen,
werkt het kabinet aan het zo snel mogelijk sluiten van een maatwerkafspraak waarin
garanties worden opgenomen voor de gezondheidswinst. Zoals ook naar voren komt in
de beantwoording van de voorliggende Kamervragen, bestaat aan de ene kant de wens
om heel nauwkeurig te zijn en aan de andere kant de wens om grote snelheid te maken.
Ook speelt de vraag wanneer er voldoende gezondheidswinst geboekt wordt en hoe dit
op een betrouwbare manier gemeten en gemonitord kan worden. De nauwkeurigheid en de
snelheid zijn op sommige punten moeilijker te verenigen. Hierin wordt gezocht naar
een goede balans.
Vraag 39
Is de toename van het hergebruik van staal tot 30% in 2030 in lijn met de aangenomen
motie-Kröger/Thijssen over de circulariteitsdoelen (Kamerstuk 29 826, nr. 186)?
Antwoord 39
Ja. Daar waar kansen liggen om, bovenop het generieke beleid, via de maatwerkaanpak
extra bij te dragen aan de circulariteitsdoelen, wordt dit meegenomen in de maatwerkaanpak.
Hiermee wordt invulling gegeven aan de genoemde motie, zoals reeds aan uw Kamer gemeld20.
Vraag 40
Is in de JLoI afgesproken dat alle grondstofvelden worden verkapt?
Antwoord 40
Als onderdeel van de additionele milieumaatregelen zullen bij Mengveld 2 (MV2), Ertsopslag
2 (EO2) en Schrootopslagplaats 3 (SOP3) overkappingen worden gerealiseerd en wordt
bij Mengveld 1 (MV1) een windscherm geplaatst. Daarnaast zullen, als onderdeel van
het DRP-EAF project, de transportbanden worden overkapt en ook de nieuw te bouwen
schrootopslagen zullen volledig worden overkapt. Zie ook artikel 6 en Annex II van
de JLoI. Dit betekent dat niet alle grondstofvelden worden overkapt. Het volledig
overkappen van grondstofvelden brengt aanzienlijke kosten met zich mee. Daarom is
ervoor gekozen om maatregelen te treffen die kostenefficiënt én doelgericht zijn in
het zo veel mogelijk verminderen van stofverspreiding. De gekozen aanpak biedt een
evenwichtige balans tussen effectiviteit, kosten en de transitie naar een duurzamere
productie.
Ter verdere achtergrond, in 2020 hebben TSN en Harsco een hal in gebruik genomen voor
de behandeling van de slakken afkomstig uit de Ruwijzerontzwavelingsinstallaties (ROZA)
slak om zo de verspreiding van grafiet houdend stof naar de omgeving te elimineren.
Ook heeft TSN in 2024 een windscherm van circa één kilometer lang en 18 meter hoog
rondom de kolenvelden geplaatst ter vermindering van stofverspreiding. Bovendien zullen
deze kolenvelden op termijn verdwijnen, omdat de productie kolenvrij wordt. Een volledige
overkapping van de kolenvelden zou daarom geen doelmatige besteding zijn.
Vraag 41
Onderschrijft u dat de passage in de JLoI «TSN to do its utmost to ensure that TSN
will continue to generate the cash flow needed to complete the Projects» een financiële
prikkel geeft aan TSN om kosten te reduceren waardoor mogelijk arbeidsvoorwaarden
kunnen verschralen en maatregelen ter bescherming van de omgeving en omwonenden kunnen
verminderen? Als TSde aangekondigde reorganisatie van afgelopen april niet doorzet,
vindt u dan dat TSN voldoet aan dit stuk van de JLoI? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom
niet?
Antwoord 41
TSN moet concurrerend en winstgevend blijven om de noodzakelijke investeringen te
kunnen doen voor de transitie naar groener en schoner staal. Deze transitie is in
het belang van het bedrijf, de staat en de maatschappij. Het economisch levensvatbaar
blijven dient ook het belang van de werknemers, de omgeving en de omwonenden. Zonder
die randvoorwaarde kan de transitie namelijk geen doorgang vinden. Dat is dan ook
de reden dat dit in de JLoI is opgenomen. Hoe een private onderneming zorgt dat het
de benodigde investeringen kan doen, is binnen de grenzen van de wet- en regelgeving,
aan de onderneming zelf. Het belang van goedwerkgeverschap is ook opgenomen in de
JLoI en dient dus meegenomen te worden in de afweging die Tata Steel maakt (zie onder
andere artikel 10, lid 1 van de JLoI).
Vraag 42
Hoe groot vindt u dat de «final instalment» minimaal moet zijn, die wordt overmaakt
als de CGP2 en BF7 gesloten zijn? Wat is de rationale achter dit bedrag?
Antwoord 42
Het proces om te komen tot een maatwerkafspraak kent tussenstappen. In de JLoI staan
enkele concepten opgenomen die nader uitgewerkt moeten worden. Onderdeel daarvan is
ook het concept dat de laatste bevoorschotting pas wordt gedaan op het moment dat
het project ook daadwerkelijk is afgerond. Het is voor de staat van belang dat Tata
Steel met dit concept kon instemmen voordat we verder gaan in het proces. Dit is voor
de staat een randvoorwaarde omdat het meer financiële zekerheid geeft en mogelijkheden
om druk te zetten op het finaliseren van het project. En om de doelen van een maatwerkafspraak
te behalen, moeten de projecten gefinaliseerd worden. De precieze afspraken over te
behalen mijlpalen en bijbehorende subsidievoorwaarden worden uitgewerkt en vastgelegd
in de definitieve maatwerkafspraak. Welk bedrag precies redelijk en noodzakelijk is,
moet nader worden bekeken en zal ook onderdeel zijn van de onderhandelingen. Het is
vanuit dat perspectief voor de positie van de staat niet goed om hier op dit moment
nader op in te gaan.
Vraag 43
Wat is de rekensom achter de 200 miljoen euro die de Staat bereid is te lenen om de
overstap naar biomethaan of groene waterstof mogelijk te maken? Hoe waarschijnlijk
is het dat dit bedrag voldoende is om de lock-in van aardgas te voorkomen? Als TSN
geen gebruik maakt van de lening en niet overgaat op biomethaan of groene waterstof,
wat gebeurt er dan?
Antwoord 43
Bij het bepalen van het steunbedrag voor de lening van waterstof en/of biomethaan
is rekening gehouden met verschillende factoren, waaronder de benodigde hoeveelheden
waterstof en/of biomethaan, de verwachte prijzen van aardgas, ETS, groene waterstof
en biomethaan en het beschikbare budget. Als TSN besluit om gedurende de gehele periode
(2032–2037) geen groene waterstof en/of biomethaan in te kopen, dan moet de lening
inclusief rente en een mogelijke boete (terug)betaald worden aan de staat. De hoogte
van deze sanctie is afhankelijk van de reden waarom TSN geen groene waterstof en/of
biomethaan heeft ingekocht. Het voorkomen van een lock-in op aardgas is ook een van
de eisen die volgt uit het relevante Europese staatssteunkader.
Vraag 44
Onderschrijft u dat, om eventueel gebruik te maken van het genoemde clawback mechanisme,
het nodig is dat de Staat inzicht heeft in de rendementen die gemaakt worden en dus
ook in de geldstromen tussen TSN en Tata Steel Limited (TSL)? Heeft u dit ook besproken
met TSN en TSL? Hoe gaan zijn inzicht geven in de bedrijfsvoering?
Antwoord 44
Een goede monitoring van de afspraken is vereist om vast te stellen of de afgesproken
doelen worden behaald, of de projecten conform afspraken worden uitgevoerd en of bijsturing
nodig is. Ook voor het clawback mechanisme, bedoeld om oversubsidiëring te voorkomen,
is inzicht nodig in de financiële situatie van het bedrijf. De manier waarop deze
monitoring wordt ingericht is onderdeel van de maatwerkafspraak en wordt de komende
periode verder uitgewerkt.
Vraag 45
Hoe is de 600 miljoen euro berekend voor additionele maatregelen voor gezondheids-
en milieuwinst?
Antwoord 45
Op grond van het relevante staatssteunkader van de Europese Commissie mag een staat,
onder voorwaarden, deel van de totale investeringskosten subsidiëren. In het bepalen
van de gezondheids- en milieuwinst is vanuit de staat daarbinnen gezocht naar een
ambitieus, doelmatig en haalbaar pakket van maatregelen. Het kabinet is van mening
dat met het huidige plan en de bijdrage van de staat een zeer forse en kosteneffectieve
verbetering plaatsvindt van de leefomgeving voor omwonenden.
Vraag 46
Welke scenario’s heeft u gezien die aantonen dat met de voorgenomen investeringen
TSN tot de meest concurrerende Europese staalproducenten zal behoren? Welke aannames
zijn daarbij gedaan voor de prijzen van CO2, kolen, ijzererts, gas, wind op zee, groene waterstof, etc.? Hoe verhoudt dit zich
tot de prijs van zonne-energie in Zuid-Europa en Noord-Afrika ofwel kan TSN concurreren
met dergelijke locaties gezien de lage kosten van zonne-energie?
Antwoord 46
Het kabinet maakt bij dit scenario gebruik van de analyse uit het rapport van Wijers/Blom21. Ook de AMVI beschouwt het rapport van Wijers/Blom als onverminderd relevant en heeft
het gebruikt in haar advies.
In heel Europa wordt gewerkt aan de verduurzaming van de staalsector. Wijers/Blom
hebben hierover aangegeven dat staalproductie in landen zoals Zweden en Spanje een
kostenvoordeel oplevert, vanwege de beschikbaarheid van groene energie (zon, wind,
waterkracht). Echter, de opbouw van nieuwe fabrieken kost veel tijd en geld. En elders
in Europa, bijvoorbeeld in Zweden en Spanje, gaat het verduurzamen van de staalsector
ook niet gemakkelijk: er doen zich onder andere problemen voor met elektriciteitsnetwerken
en de beschikbaarheid en betaalbaarheid van waterstof.
Uit het rapport van Wijers/Blom blijkt dat TSN de potentie heeft om binnen Europa
een sterke concurrentiepositie te veroveren als producent van groen staal. Dit komt
met name door haar gunstige ligging aan zee, dichtbij een diepzeehaven en nabij een
aanlandingsplaats voor wind op zee en beperkte afhankelijkheid van binnenlands transport
van goederen, energie en moleculen. Daarbij kan TSN gebruikmaken van bestaande infrastructuur
voor de aan- en afvoer van grondstoffen en producten. Daarnaast leidt de geïntegreerde
site van TSN tot proces- en kostenefficiëntie en heeft TSN een feedstockvoordeel door
de eigen pelletfabriek. Volgens Wijers/Blom kan TSN door haar rol als grote gebruiker
van duurzame energie de ontwikkeling van een duurzaam energiesysteem in Nederland
aanjagen. Ook de AMVI geeft aan dat de transitie van Tata Steel een impuls kan geven
aan de markt voor biomethaan of groene waterstof.
Vraag 47
Wat wordt bedoeld met de potentiële «coal ban»?
Antwoord 47
De potentiële «coal ban» komt voort uit de aangenomen motie-Rooderkerk over het publiekrechtelijk
borgen dat het industrieel gebruik van kolen op termijn wordt beëindigd22.
Het kabinet denkt bij de invulling van deze motie aan het op termijn invoeren van
een verbod op grootschalig gebruik van fossiele kolen. Daardoor kan TSN op termijn
geen staal meer produceren op basis van kolen.
Vraag 48
Kan het huidige stikstofslot ervoor zorgen dat TSN niet kan gaan bouwen aan de nieuwe
fabrieken?
Antwoord 48
In 2022 is de natuurvergunning, die in 2016 aan TSN is verleend, aangescherpt door
het bevoegd gezag (de provincie Noord-Holland en de door haar gemandateerde omgevingsdienst
Noord-Holland Noord). Dat betekent dat de ruimte van TSN voor de uitstoot van stikstof
met ongeveer 8% wordt ingeperkt. Deze ruimte komt ten gunste van de natuur. Het staalbedrijf
behoudt naar verwachting voldoende stikstofruimte om de komende jaren de omschakeling
naar duurzame productie van groen staal mogelijk te maken, maar het is op dit moment
te vroeg om hier een definitieve uitspraak over te doen. In 2026 zal het bevoegd gezag
de natuurvergunning opnieuw actualiseren. Daarbij ligt de beoordeling bij het bevoegd
gezag (de Provincie Noord-Holland).
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
S.T.M. Hermans, minister van Klimaat en Groene Groei -
Mede ondertekenaar
A.A. Aartsen, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.