Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van het nader verslag
36 744 Wijziging van de Werkloosheidswet en enige andere wetten vanwege aanpassing van de Regeling dienstverlening aan huis (Wet aanpassing Regeling dienstverlening aan huis)
Nr. 17
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET NADER VERSLAG
Ontvangen 10 december 2025
De regering is de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid erkentelijk
voor de aandacht die zij aan het onderhavige wetsvoorstel heeft geschonken en voor
de door haar daarover gestelde vragen.
Inhoudsopgave
I
Algemeen
1
1.
Inleiding
1
2.
Hoofdlijnen van het voorstel
6
3.
Verhouding tot ander recht
13
4.
Gevolgen voor de werknemer, werkgever, arbeidsmarkt, regeldruk, en Caribisch Nederland
13
5.
Financiële gevolgen voor het Rijk
33
6.
Consultatie, adviezen en uitvoering
34
7.
Evaluatie
37
II
Artikelsgewijze toelichting
37
I Algemeen
1. Inleiding
De leden van de D66-fractie constateren dat verschillende uitvoeringsorganisaties hun ICT-systemen inmiddels
al volledig hebben ingericht op inwerkingtreding van het wetsvoorstel per 1 januari
2026, waardoor de parlementaire behandeling feitelijk onder grote druk komt te staan.
Deze leden vragen de regering hoe dit zich verhoudt tot de rol van het parlement.
Welke afwegingsruimte bestaat er in de praktijk nog als systemen al zijn dichtgetimmerd
voordat de Kamer haar werk kan afronden? Deze leden vinden het onwenselijk indien
uitvoeringsproblemen bij de overheid op het gebied van ICT zwaarder zouden wegen dan
uitvoeringsproblemen bij de mensen zelf die te maken hebben met deze wet in hun dagelijks
leven. Graag horen deze leden hoe de regering deze zorgen wegneemt.
Vanwege de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep dat er met betrekking tot de
werknemersverzekeringen sprake is van indirecte discriminatie en strijd met Europees
recht, is het noodzakelijk om dit wetsvoorstel zo snel als mogelijk in te laten gaan.
Vorig jaar werd uit de uitvoeringstoetsen duidelijk dat 1 januari 2026 de kortst mogelijke
inwerkingtredingsdatum was, mede vanwege de grootschalige systeemaanpassingen, en
de noodzaak om budgethouders zo goed mogelijk te informeren en tijd te geven zich
aan te passen. Mede vanwege het verloop van de behandeling van het wetsvoorstel is
er helaas minder tijd voor de parlementaire behandeling. Tegelijkertijd staat de regering
ervoor open om eventuele aandachtspunten van de zijde van de Kamer mee te nemen en
mogelijkerwijs een plek te geven in deze nieuwe wet.
Tegelijkertijd benadrukt de regering dat de basis van dit wetsvoorstel het schrappen
van indirecte discriminatie voor pgb-zorgverleners betreft, hetgeen noodzakelijk is
vanuit een rechterlijke uitspraak in hoogste instantie. Daarbij is juist gekozen voor
een snelle aanpassing van de ICT-systemen om de betrokken budgethouders juist zo goed
mogelijk te ondersteunen in de nieuwe taken die eraan komen. Over de wijzigingen zijn
budgethouders, waar nodig persoonlijk, ook sinds afgelopen zomer geïnformeerd.
De regering erkent daarbij dat een volledige parlementaire behandeling voor 1 januari
2026 zeer krap is. Daarom, ook om zekerheid te bieden aan de betrokken burgers en
uitvoerders en ruimte te bieden in het parlementair proces, heeft de regering tevens
besloten om terugwerkende kracht aan het wetsvoorstel toe te voegen. Op deze manier
wordt ook voorkomen dat burgers en uitvoeringsinstanties in allerijl alle gedane wijzigingen
terug moeten draaien. Zoals aangegeven is dit ook in veel gevallen niet meer mogelijk.
Daarbij realiseert de regering zich dat dit niet de schoonheidsprijs verdient.
De leden van de VVD-fractie hebben vragen naar de aanleiding van dit wetsvoorstel. Er wordt verwezen naar één
specifieke uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Kan de regering aangeven
in hoeverre dit een structureel probleem betreft? Welk percentage van de werknemers
ervaart de huidige rechtspositie als problematisch? Is hierover (representatief) onderzoek
verricht?
Uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat de uitzondering voor de
verzekeringsplicht voor de werknemersverzekeringen in strijd is met Europees recht.
De uitspraak is gedaan in een rechtszaak van een werkneemster die tegen de afwijzing
van haar ww-uitkering in beroep kwam. Dit betekent dat er sprake is van een structurele
strijdigheid met het Europees recht. In hoeverre veel of weinig zorgverleners de huidige
rechtspositie als problematisch ervaren is niet relevant voor dat oordeel.
De leden van de CDA-fractie constateren dat de uitspraak van de CRvB, die de aanleiding is voor dit wetsvoorstel,
gaat over gelijke behandeling van vrouwen. Deze leden maken zich echter zorgen over
gevolgen voor mensen met een chronische ziekte of handicap, voor wie het instrument
pgb essentieel is om deel te kunnen nemen aan de samenleving. Deze leden vragen om
een reflectie van de regering op hoe dit wetsvoorstel zich verhoudt tot het Verenigde
Naties (VN-)verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. In hoeverre kan
Nederland daaraan voldoen aan het verdrag als dit wetsvoorstel doorgang vindt? Ziet
de regering net zoals deze leden dat de verhoogde werkgeverslasten, die als gevolg
van dit wetsvoorstel zullen optreden, op gespannen voet staan met het waarborgen van
het voortbestaan van het instrument pgb als volwaardig alternatief voor zorg in natura?
Kern van het pgb is dat budgethouders zelf, op eigen voorwaarden, zorgverleners kunnen
aanstellen. In voorkomende gevallen ontstaat hierbij tussen budgethouder en zorgverlener
een arbeidsovereenkomst. Op dit moment kent deze arbeidsovereenkomst twee varianten:
met toepassing van de Rdah en zonder toepassing hiervan. In deze laatste categorie
geldt, ook op dit moment al, onverkort het volledige arbeidsrecht en socialezekerheidsrecht.
Om budgethouders zo goed mogelijk te helpen met deze verantwoordelijkheid, heeft de
SVB voor het merendeel van de budgethouders de wettelijke taak om te ondersteunen
bij de taken die behoren bij het werkgeverschap. Dit doen zij in alle gevallen (bij
de groep Zvw-budgethouders is dit echter een keuze die budgethouders zelf kunnen maken).
De regering is van mening dat, met deze ondersteuning, pgb een volwaardig alternatief
is voor zorg in natura en dat budgethouders zelf onder eigen regie zorg kunnen blijven
inkopen.
De leden van de CDA-fractie vragen eveneens om een reflectie van de regering op hoe
dit wetsvoorstel zich verhoudt tot het VN-verdrag inzake de rechten van personen met
een handicap. In hoeverre kan Nederland daaraan voldoen aan het verdrag als dit wetsvoorstel
doorgang vindt?
Uit het VN-Gehandicaptenverdrag vloeit voort dat er bij een wetsvoorstel dat de positie
van gehandicapten raakt een analyse moet worden gemaakt van de wijze waarop deze breed
gedefinieerde groep geraakt zal worden door het voorstel. De positie van gehandicapten-
waaronder onder meer langdurig zieken vallen – dient ingevolge het verdrag in principe
er op vooruit te gaan. Als de kans is dat ze er juist op achteruit gaan dient nadere
onderbouwing te worden geleverd.
Dit wetsvoorstel heeft tot doel het verbeteren van de positie van de zorgverleners
die op minder dan vier dagen zorg verlenen aan budgethouders op basis van een arbeidsovereenkomst.
Hun rechtspositie wordt verbeterd omdat de Centrale Raad van Beroep geoordeeld heeft
dat de huidige regeling dienstverlening aan huis in strijd is met artikel 4 van de
Derde Richtlijn (met betrekking tot de gelijke behandeling van mannen en vrouwen op
het gebied van de sociale zekerheid). Met het wetsvoorstel wordt wettelijk vastgelegd
dat de zorgverleners verzekerd zijn voor de WW en ZW en wordt hun rechtspositie gelijkgesteld
met die van andere werknemers.
Na inwerkingtreding van het wetsvoorstel krijgen de zorgverleners die minder dan vier
dagen werken voor een budgethouder dezelfde rechten als andere werknemers waaronder
andere zorgverleners die vier dagen of meer zorg verlenen aan een budgethouder op
basis van een arbeidsovereenkomst. De wijziging van de rechten van de zorgverlener
heeft ook gevolgen voor de positie van de budgethouder die nu gebruik kan maken van
de regeling dienstverlening aan huis omdat minder dan vier dagen zorg wordt verleend.
De positie van deze budgethouders, die nu minder werkgeverslasten en taken hebben,
wordt hetzelfde als de positie van budgethouders die op vier of meer dagen zorg krijgen
die zij betalen uit een pgb, Deze budgethouders hebben die uitgebreidere werkgeverslasten
en taken nu al. De budgethouders worden daarbij in de meeste gevallen ondersteund
door de Sociale verzekeringsbank. De budgethouders die door dit wetsvoorstel er lasten
en taken bijkrijgen zullen diezelfde ondersteuning ook (kunnen) krijgen.
De leden van de CDA-fractie merken op dat bij de opzet van dit wetsvoorstel gekozen is om alle uitzonderingen
uit de Rdah voor pgb-zorgverleners die minder dan vier dagen per week werken te laten
vervallen, terwijl de uitspraak van de CRvB een beperktere strekking heeft, die ziet
slechts op de uitzondering voor de werknemersverzekeringsplicht. Deze leden vragen
een uitgebreidere onderbouwing waarom de regering heeft geopteerd om alle uitzonderingen
te schrappen.
De Centrale Raad van Beroep heeft geoordeeld dat de uitsluiting van de WW-verzekering
van pgb-zorgverleners indirecte discriminatie oplevert. Het uitsluiten van deze groep
levert indirecte discriminatie van vrouwen op, omdat de uitzonderingsbepaling een
aanzienlijk hoger percentage vrouwen dan mannen treft. De uitzonderingsbepaling is
daarmee in strijd met Europees recht. Naast de verzekeringsplicht en premie-inning
voor de werknemersverzekeringen is het eveneens van belang om de overige uitzonderingen
van de Rdah, die gelden voor pgb-zorgverleners die doorgaans op minder dan vier dagen
per week werken op basis van een arbeidsovereenkomst, te laten vervallen. Het is aannemelijk
dat deze arbeidsrechtelijke uitzonderingen voor pgb-zorgverleners eveneens indirect
discriminerend worden geacht, zonder dat daar een rechtvaardiging voor bestaat. Het
risico dat de wetgeving op dat punt dus ook discriminerend is, is te groot om in stand
te laten. Om deze onduidelijkheid weg te nemen en mogelijke rechtszaken met en alle
daaropvolgende noodzakelijke reparatiewetgeving van dien voor te zijn, is besloten
om alle uitzonderingen te schrappen voor pgb-zorgverleners.
De leden van de CDA-fractie vragen in hoeverre budgethouders met financiering uit
de Zorgverzekeringswet (Zvw) gebruik maken van de mogelijkheid om salarisadministratie
uit te laten voeren door de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Wat is hierbij de verhouding
tussen wel- en niet-gebruik van deze mogelijkheid? En om hoeveel budgethouders gaat
dit?
Op dit moment zijn er ongeveer 15.000 budgethouders die zorg hebben met een persoonsgebonden
budget in de Zvw. Deze Zvw-pgb budgethouders kunnen er zelf voor kiezen om zich door
de SVB te laten ondersteunen. Ongeveer 5.000 budgethouders maken gebruik van de salarisadministratie
van de SVB. Voorts is bekend dat bij de SVB minder dan 500 budgethouders gebruik maken
van Rdah overeenkomsten. In het totaal gaat het daarbij om ongeveer 1.000 overeenkomsten.
De leden van de SGP-fractie vragen naar de voorgenomen inwerkingtredingsdatum van 1 januari 2026. Deze leden
zijn van mening dat het uitvoeringstechnisch niet realistisch is deze wijzigingen
per 1 januari 2026 in te laten gaan. Gelet op de zorgen bij de doelgroep is het raadzaam
nu duidelijkheid te verschaffen over de inwerkingtreding. Daarom vragen deze leden
de inwerkingtreding voorlopig uit te stellen tot 1 juli 2026, zodat er een gedegen
wetsbehandeling en voorbereiding van de inwerkingtreding kan plaatsvinden waarin deze
zorgen worden geadresseerd. Is de regering hiertoe bereid? Zo nee, waarom niet?
De regering hecht aan zorgvuldige behandeling van het wetsvoorstel. In het belang
van pgb-zorgverleners, pgb-houders en een goede uitvoering is het echter van belang
dat dit wetsvoorstel op 1 januari 2026 in werking kan treden, zoals ook in de nota
naar aanleiding van het verslag met uw Kamer is gedeeld. Om voor 1 januari 2026 klaar
te zijn voor de nieuwe situatie, bereiden pgb-uitvoerders en verstrekkers zich daarom
al geruime tijd voor op de voorgenomen wetswijziging. Hiervoor hebben rond de zomer
verreweg de meeste budgethouders die bekend zijn bij de overheid een brief ontvangen
om hen (nogmaals) te informeren. Het wetsvoorstel leidt tot een flinke aanpassing
van de werkwijze voor de SVB. Daarom is men tijdig begonnen met het inregelen van
de wijziging, zoals gebruikelijk is bij dergelijke grote ICT-wijzigingen. Ook zorgkantoren,
gemeenten en zorgverzekeraars hebben maatregelen genomen, werkwijzen aangepast en
budgethouders uitvoerig geïnformeerd. Budgethouders passen, met hulp van o.a. de SVB,
zorgovereenkomsten aan en hebben waar nodig gegevens aangeleverd. Budgethouders met
eventuele vragen hierover kunnen zich ook melden bij de SVB of de andere ketenpartners.
Bij dit alles heeft de regering toegewerkt naar het zo snel als mogelijk wegnemen
van de huidige onrechtmatige en onzekere situatie, rekening houdend met budgethouders,
zorgverleners en uitvoerders. Daarom is mede op basis van de uitvoeringstoets van
de SVB en UWV van vorig jaar oktober ingezet op een inwerkingtredingsdatum van 1 januari
2026.
Tegelijkertijd heeft de regering begrip voor de zorgen van de leden van de SGP-fractie
ten aanzien van de groep Zvw-budgethouders die niet ondersteund worden door de SVB.
Daarom is ook in de aanbiedingsbrief bij deze antwoorden aangegeven dat wordt voorgesteld
voor hen wel de inwerkingtreding uit te stellen tot een nadere latere datum, afhankelijk
van de voortgang van dit wetsvoorstel.
De leden van de ChristenUnie-fractie begrijpen dat de aanleiding voor het wetsvoorstel een uitspraak van de Centrale Raad
van Beroep is over de vraag of zorgverleners met een arbeidsovereenkomst die betaald
worden uit een pgb, verplicht verzekerd moeten zijn voor de Werkloosheidswet (WW).
Volgens de CRvB is dit het geval. Deze leden merken vervolgens in het wetsvoorstel
op dat niet alleen de bepalingen rond de WW worden gewijzigd, maar ook aangaande andere
socialezekerheidswetten zoals de Ziektewet, Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen
(WIA) en verlofregelingen conform de Wet arbeid en zorg (WAZO). Kan de regering nader
toelichten waarom bij deze codificatie van jurisprudentie gekozen is voor een ruimere
invulling? Deze leden stellen deze vraag nadrukkelijk ook gezien het feit dat de CRvB
in het verleden over vergelijkbare casuïstiek anders geoordeeld heeft.
De regering ziet op basis van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van maart
2023 geen mogelijkheid een verlicht regime in stand te houden. In de memorie van toelichting
bij dit wetsvoorstel en in de nota naar aanleiding van het verslag is dit nader toegelicht.
De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep brengt naar mening van de regering met
zich mee dat pgb-zorgverleners op een arbeidsovereenkomst voor minder dan vier dagen
per week niet minder rechten hebben dan de pgb-zorgverleners met een arbeidsovereenkomst voor vier of meer dagen per week. Dit zou strijdigheid
met Europees recht opleveren. Hoewel de Centrale Raad van Beroep strikt genomen alleen
uitspraak heeft gedaan over de strijdigheid van de uitzondering in de werknemersverzekeringen,
acht de regering de kans niet voldoende aanwezig dat de andere uitzonderingen in het
arbeidsrecht op de rechtspositie van de zorgverleners wel voldoende gerechtvaardigd
kunnen worden om langer dan nodig in stand te laten, omdat hiervoor dezelfde Europese
toets geldt, en ook dezelfde overwegingen aan ten grondslag liggen.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om een helder overzicht te geven van de huidige werkgeversverplichtingen
van pgb-budgethouders en de toekomstige werkgeversverplichtingen van pgb-budgethouders
conform voorliggend wetsvoorstel. Acht de regering deze werkgeversverplichtingen passend
en proportioneel bij de rol, positie en verantwoordelijkheid van pgb-budgethouders?
Voor budgethouders die nu gebruik maken van overeenkomsten onder de Rdah, komen er
een aantal verplichtingen bij: premieplicht voor werknemersverzekeringen, loondoorbetaling
bij ziekte voor 104 in plaats van 6 weken, scholingsplicht en een minder soepel ontslagrecht.
Dit zijn in het pgb echter geen nieuwe verplichtingen. In voorkomende gevallen wordt
op dit moment namelijk ook gebruik gemaakt van zorgovereenkomsten die onder het volledige
arbeidsrecht vallen. Dit zijn arbeidsovereenkomsten waarbij een zorgverlener voor
vier of meer dagen per week werkt bij een budgethouder. Met inachtneming van de uitgebreide
ondersteuning die de SVB biedt bij het werkgeverschap voor budgethouders, vindt de
regering de toepassing van het arbeidsrecht passend en proportioneel. Temeer omdat
het pgb hiermee een volwaardig alternatief is voor zorgverleners, waar gewerkt kan
worden onder gelijkwaardige rechten. Deze gelijke rechten blijken ook noodzakelijk
vanwege de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om de tegenstrijdige uitspraken van de CRvB op dit punt nader
te duiden. Zijn wetgeving of verdragen waar door de appelanten een beroep op wordt
gedaan in de tussentijd gewijzigd waardoor de CRvB tot een ander oordeel is gekomen?
Met zijn uitspraak van maart 2023 komt de Centrale Raad van Beroep, zoals de leden
van de ChristenUnie correct constateren, tot een ander oordeel dan in zijn uitspraak
uit 1996 voor werknemers die uit een pgb worden betaald. Dit zoals ook toegelicht
in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel. Destijds was de Raad van oordeel
dat voor wat betreft het uitsluiten van de verplichte werknemersverzekering kan worden
gesproken van legitieme doelstellingen (zware administratieve lasten voor werkgevers,
uitstoot van arbeid verricht in een huishouding en/of een «vlucht in het zwarte circuit»),
alsmede van een geschikt en noodzakelijk middel. Daarbij nam de Centrale Raad van
Beroep tevens mee dat geen sprake is van uitsluiting van de publiekrechtelijke werkloosheidsverzekering,
omdat daartegenover nog de mogelijkheid bestond om je vrijwillig te verzekeren. Dat
standpunt wordt in voornoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep uit 2023 losgelaten.
Zowel de rechtbank als de Centrale Raad van Beroep oordelen dat weliswaar sprake is
van legitieme doelstellingen, maar dat het middel geschikt noch noodzakelijk is voor
personen die worden betaald uit een pgb. Ten aanzien van de vrijwillige verzekering
wordt opgemerkt dat de wetgever heeft voorzien in de mogelijkheid van een vrijwillige
verzekering, maar dat doet hieraan niets af. Aan die vrijwillige verzekering zijn
immers in de regel administratieve lasten en kosten verbonden die verplicht verzekerde
werknemers doorgaans niet in dezelfde mate hebben. Daarom is de Centrale Raad in 2023
tot het oordeel gekomen dat de uitzondering voor de verzekeringsplicht voor de werknemersverzekeringen
in strijd is met Europees recht. De regering heeft deze uitspraak van de hoogste rechter
in sociale zekerheidszaken te volgen.
2. Hoofdlijnen van het voorstel
De leden van de VVD-fractie constateren dat dit wetsvoorstel voorziet in een verplichte
afdracht van premies uit het pgb-budget. Wat is de verwachte opbrengst aan premie-inkomsten
als gevolg van dit wetsvoorstel? Kan de regering tevens inzicht geven in het budget
dat beschikbaar is om deze extra kosten te compenseren?
Met het wetsvoorstel wordt geregeld dat voor deze groep werknemers vanaf de datum
inwerkingtreding premies voor de werknemersverzekeringen worden afgedragen. De werkgeverspremies
bestaan uit premie voor het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf), de Werkhervattingskas
(Whk) en het Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof). De geraamde premie-inkomsten van werknemersverzekeringen
als gevolg van dit wetsvoorstel bedragen € 12,6 miljoen.
Daarnaast wordt in dit wetsvoorstel voorgesteld om de loonbelasting en premie volksverzekeringen
die deze groep werknemers verschuldigd is niet pas via een aanslag inkomstenbelasting
te heffen, maar deze reeds via de loonaangifte in te houden en af te dragen. Het verleggen
van de afdrachten leidt echter niet tot extra inkomsten voor het Rijk, omdat de werknemer
nu al gehouden is inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen te betalen.
Verder wordt de budgethouder inhoudingsplichtig voor de loonbelasting en gaat de budgethouder
een werkgeversbijdrage Zvw afdragen over het loon. Dit voorliggende wijzigingsvoorstel
houdt dus in dat de bijdrage Zvw wordt verlegd van de zorgverlener naar de budgethouder.
De inkomensafhankelijke bijdrage (IAB) Zvw voor 2026 bedraagt 6,10%. Voor onder andere
gepensioneerden en zelfstandigen is een verlaagd tarief van 4,85% van toepassing.
Voor de betreffende PGB-doelgroep verandert met voorliggend voorstel het af te dragen
IAB-percentage van 4,85% naar 6,10% daar degene die verzorgd wordt de premie moet
afdragen (in plaats van de verzorger). Daardoor nemen de kosten voor deze specifieke
groep toe, waarbij rekening is gehouden met circa € 10 miljoen hogere kosten die vanuit
de PGB’s betaald moeten worden. De IAB-percentages zijn afhankelijk van de totale
Zvw-zorguitgaven. In de Zvw is vastgelegd dat 50% van de totale Zvw-zorguitgaven middels
de IAB-premie wordt gefinancierd. Doordat een relatief kleine groep nu een hoger IAB-percentage
gaat betalen, zou het IAB-percentage in totaliteit marginaal kunnen dalen. Echter,
omdat het bedrag van 10 miljoen wegvalt in de totale Zvw-zorguitgaven valt deze daling
weg in de afronding.
De premieplicht en inhoudingsplicht betekenen voor werkgevers een gemiddelde verhoging
van 20% werkgeverslasten. Daarnaast wordt de periode van loondoorbetalingsverplichting
verlengd. In geval van arbeidsongeschiktheid wordt het pgb verhoogd met een bedrag
dat door de budgethouder is verschuldigd op basis van de loondoorbetalingsverplichting
ingeval van ziekte.
VWS heeft in het voorjaar van 2025 compensatiemiddelen beschikbaar gesteld indien
het pgb budget hiertoe ontoereikend is. In totaal is er vanaf 2026 € 17,2 miljoen
structureel vrijgemaakt over de verschillende wetten. Dit bedrag is gebaseerd op uitvoeringstoetsen
van de VNG en de SVB. Aan de begroting voor de Wlz-uitgaven is € 10,8 miljoen structureel
toegevoegd en het beheerskostenbudget voor de SVB wordt met € 4,6 miljoen structureel
verhoogd. Gemeenten (Jeugdwet en Wmo) zijn tot slot in afstemming met de VNG gecompenseerd
via een storting van € 1,8 miljoen structureel in het Gemeentefonds.
Bedragen in € mln.
2024
2025
2026
2027
2028
2029
Struc.
Extra financiering t.b.v. werkgeverslasten en loondoorbetalingsperiode bij ziekte
0
0
10,8
10,8
10,8
10,8
10,8
De leden van de CDA-fractie constateren dat de regering herhaaldelijk naar de SVB verwijst voor ondersteuning
van budgethouders bij hun nieuwe in dit wetsvoorstel voorziene rol als volledig werkgever.
Deze leden vragen om een nadere toelichting bij wie budgethouders terecht kunnen met
flankerende vragen rondom hun nieuwe rol als volwaardig werkgever. Wordt dit volledig
bij de SVB belegd, of zijn er ook andere opties (bijvoorbeeld gemeenten) voorzien?
En zo ja, hoe worden andere partijen daarin ondersteund?
Om de budgethouders zo veel en zo goed mogelijk te helpen, heeft de SVB de wettelijke
taak gekregen om budgethouders in hun werkgeverstaken te ondersteunen. Dit geldt op
dit moment voor alle werkgevers, met en zonder gebruik van Rdah. Deze ondersteuning
gaat van het volledig voeren van de salarisadministratie tot uitgebreide verzuimbegeleiding
en het compenseren van het doorbetalen van loon bij ziekte. Door de ondersteuning
van de SVB wordt het pgb niet minder bereikbaar voor potentiële en bestaande budgethouders.
Pgb-verstrekkers zoals gemeenten hebben geen formele rol in het ondersteunen bij de
werkgeverstaken. Zij hebben wel nauw contact met de SVB waarbij budgethouders worden
doorverwezen.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering inschat dat de betekenis van het vervallen van de uitzondering
rondom scholing beperkt is. Deze leden lezen dat scholing in sommige gevallen betaald
zou kunnen worden uit het pgb. Deze leden vragen of er gevallen te voorzien zijn waarin
de scholing niet uit het pgb betaald zou kunnen worden en voor rekening zal komen
van de pgb-houder. Kunnen daar voorbeelden van gegeven worden, zo vragen deze leden.
Ook vragen deze leden of de pgb-houder verplicht wordt om de voor de scholing benodigde
tijd te vergoeden als ware het een gewerkte dag betreft.
Inderdaad worden in sommige gevallen (noodzakelijke) scholingstrajecten vanuit het
budget betaald, bijvoorbeeld in het geval dat sprake is van scholing als bedoeld in
de vastgestelde vergoedingenlijst voor pgb of indien scholing wordt gevolgd in het
kader van een tweede spoortraject ingeval van ziekte. Deze ondersteuning biedt de
SVB reeds aan de groep budgethouders en pgb-zorgverleners die nu al volledig onder
de regels over scholingskosten uit het Burgerlijk Wetboek vallen. Indien de scholing
noodzakelijk is voor de pgb-taken wordt scholingstijd aangemerkt als arbeidstijd.
Er kan ook sprake zijn van een scholingsverzoek vanuit een budgethouders of vanuit
een zorgverlener die niet noodzakelijk is voor de pgb-taken. In dat geval moeten budgethouder
en zorgverleners zelf afspraken maken hoe deze scholing gefinancierd moet worden.
Welke typen van scholing uit het pgb betaald morgen worden is afhankelijk van het
beleid van de verschillende verstrekkers. Gemeenten en zorgkantoren beoordelen de
aanvragen op individuele basis. Daarnaast kunnen zorgkantoren voor de beoordeling
gebruik maken van de «Vergoedingenlijst pgb Wlz». Vanuit een budget van de Zvw wordt
scholing niet vergoed.
De leden van de CDA-fractie lezen dat ook de regels ten aanzien van ontslag zullen veranderen. Deze leden lezen
daarbij ook dat wanneer dit uitmondt in een procedure en er daarna nog vergoedingen
verschuldigd zijn, er gekeken wordt of deze redelijkerwijs voor rekening van de budgethouder
kunnen komen en dat dit in de praktijk zoveel mogelijk beperkt wordt. Deze leden vragen
hoe dit in de praktijk zo veel mogelijk beperkt zal worden en wie daar verantwoordelijk
voor is.
De SVB biedt ondersteuning aan budgethouders middels de ingekochte rechtsbijstandverlening,
waar budgethouders ingeval van een ontslagsituatie (of procedure)gebruik van kunnen
maken. Indien er dan toch sprake is van een conflict wordt rechtsbijstand aangeboden.
Veelal leidt dit in de huidige praktijk tot een onderlinge regeling tussen de budgethouder
en pgb-zorgverlener over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Er wordt daarbij
per geval gekeken wat er betaald kan worden uit budgetten en/of daartoe verstrekte
middelen of afgestemde regelingen. In enkele gevallen komt het tot een juridische
procedure. Als er daarna nog vergoedingen verschuldigd zijn, wordt bekeken of deze
redelijkerwijs voor rekening van de budgethouder moeten komen. Dit wordt in de praktijk
zoveel mogelijk beperkt. In het geval dat een budgethouder voor andere onvoorziene
kosten komt te staan, wordt door de SVB maatwerk toegepast. De SVB bekijkt of deze
verschuldigde vergoedingen uit het budget of aangewezen fondsen betaald kunnen worden.
Zowel de SVB als de door de SVB ingehuurde rechtsbijstandverzekering doen er alles
aan om de kosten voor de budgethouder zo beperkt mogelijk te houden. Zoals al in de
memorie van toelichting is aangegeven wordt een door de budgethouder bij ontslag verschuldigde
transitievergoeding door de SVB gecompenseerd. In principe zijn er bij ontslag enkel
aanvullende vergoedingen verschuldigd indien er sprake is van ontbinding op de cumulatiegrond
door de kantonrechter, of wanneer er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of
nalaten van de budgethouder in zijn hoedanigheid als werkgever.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering stelt dat de betekenis van het vervallen van de uitzondering
op de Wet Flexibel Werken vermoedelijk gering is. Deze leden vragen of er ondersteuning
beschikbaar is voor pgb-houders die met verzoeken onder de Wet Flexibel Werken te
maken krijgen en, indien ja, hoe die ondersteuning georganiseerd is. Voorts vragen
deze leden of de regering nader kan onderbouwen waarom het betreffende wetsartikel
volgens de regering van minimale betekenis in de praktijk is.
In de memorie van toelichting is inderdaad aangegeven dat het effect in de praktijk
vermoedelijk gering is. Na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel kan een werknemer
verzoeken om een vorm van arbeid met meer voorspelbare en zekere arbeidsvoorwaarden.
De werkgever kan dit verzoek gemotiveerd afwijzen binnen drie maanden. Het is goed
denkbaar dat hiervoor inhoudelijk goede gronden aan te voeren zijn door de budgethouder.
Onvoorspelbare arbeidstijden zijn immers inherent aan de inzet van zorg uit het pgb.
Indien hier nadere afspraken over gemaakt dienen te worden, ondersteunt de SVB budgethouders
hierbij, door bijvoorbeeld te adviseren over gevolgen van vaste arbeidsvoorwaarden.
Ook kan de SVB budgethouders ondersteunen om gezamenlijk met de zorgverlener goede
afspraken te maken over de arbeidsvoorwaarden en in te zetten op het voorkomen van
geschillen.
De SVB heeft in de praktijk geen signalen ontvangen van budgethouders dat zorgverleners
gebruik willen maken van het recht dat zij hebben zoals vermeld in artikel 2b lid
1 WFW. Ten dele wordt de uitzondering op het recht in dit artikel teniet gedaan door
artikel 7:628a lid 5 BW, wat bij invoering van de WAB in werking is getreden. In enkele
gevallen is door een zorgverlener met terugwerkende kracht de verschuldigde uren gevorderd
als er door een budgethouder geen aanbod is gedaan voor vaste uren, zoals verplicht
in dit artikel. In deze gevallen biedt de SVB ondersteuning en worden nadelige voor
de betreffende budgethouders zoveel mogelijk voorkomen.
De leden van de CDA-fractie constateren dat de inwerkingtreding van het wetsvoorstel voorzien is op 1 januari
2026 en dat de regering heeft verzocht om een spoedige behandeling in de Staten-Generaal.
Deze leden merken daarbij op dat naar oordeel van deze leden dit een bijzonder korte
aanlooptermijn biedt voor een wetsvoorstel dat zeer ingrijpende gevolgen zal hebben
voor pgb-houders. Deze leden vragen een uitgebreide toelichting waarom de regering
streeft naar inwerkingtreding per 1 januari 2026. Deze leden vragen ook waarom er
naar oordeel van de regering niet gewacht kan worden tot bijvoorbeeld 1 januari 2027.
Tot slot vragen deze leden ook hoe de regering kijkt tegen eventueel overgangsrecht.
Vanwege de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep dat er hier sprake is van indirecte
discriminatie en strijd met Europees recht, is het noodzakelijk om dit wetsvoorstel
zo snel als mogelijk in te laten gaan. Vorig jaar werd uit de uitvoeringstoetsen duidelijk
dat 1 januari 2026 de kortst mogelijke inwerkingtredingsdatum was, mede vanwege de
grootschalige systeemaanpassingen, en de noodzaak om budgethouders zo goed mogelijk
te informeren en tijd te geven zich aan te passen. Hiervoor is de communicatie in
de zomer van 2025 gestart, via de SVB, de pgb-verstrekkers, op het PGB-portaal en via de website van de Rijksoverheid in samenwerking
met Per Saldo. Daarnaast heeft de SVB alle bij hen bekende budgethouders met een Rdah-contract
direct, persoonlijk met een brief geïnformeerd. Veel budgethouders hebben hun administratie
bij de SVB al ingesteld op dit wetsvoorstel.
Invoering per 1 januari 2026 is om verschillende redenen noodzakelijk. De Pgb-uitvoering
staat gereed om de wet uit te voeren en veel budgethouders hebben al de stappen gezet
om gereed te zijn per 1 januari 2026.
Indien het wetsvoorstel nog niet in werking is getreden op 1 januari 2026, zijn de
risico’s voor budgethouders, hun zorgverleners en de uitvoering substantieel. Er zijn
hierbij drie scenario’s, maar geen van deze drie leidt tot een uitkomst die voor zowel
uitvoering als budgethouders haalbaar c.q. wenselijk is. Deze scenario’s zijn in de
brief uitgebreid behandeld.
Het kabinet erkent daarbij dat een volledige parlementaire behandeling voor 1 januari
2026 zeer krap is. Daarom, ook om zekerheid te bieden aan de betrokken burgers en
uitvoerders, heeft het kabinet tevens besloten om deels terugwerkende kracht aan het
wetsvoorstel toe te voegen. Op deze manier hoeft niemand op dit moment in allerijl
alle gedane wijzigingen terug te draaien. Zoals aangegeven is dit ook in veel gevallen
niet meer mogelijk. In de brief is aangegeven dat het kabinet zich realiseert dat
dit niet de schoonheidsprijs verdient.
De leden van de JA21-fractie lezen dat de loondoorbetaling bij ziekte als gevolg van dit wetsvoorstel voor alle
pgb-zorgverleners met een arbeidsovereenkomst naar twee jaar gaat, waar dat voor pgb-zorgverleners met een arbeidsovereenkomst van minder dan vier dagen nu nog zes weken is.
In paragraaf 4.2.1 wordt hierop nader ingegaan, evenals in het overzicht van individuele
reacties. Hierbij wordt aangegeven dat budgethouders worden gecompenseerd voor de
loonkosten van uitgevallen pgb-zorgverleners zodat de zorgverlening door een ander
kan worden gecontinueerd. Deze compensatie wordt echter niet verstrekt bij verwijtbaar
handelen van de budgethouder. Kan de regering dit nader toelichten, evenals de gevolgen
hiervan voor de zorgverlening voor de betreffende budgethouder?
Of een budgethouder «verwijtbaar» heeft gehandeld hangt af van de omstandigheden van
het geval en kan per situatie verschillen. Gedacht kan worden aan de situatie waarin
budgethouder, ondanks de adviezen en aansporing van de SVB, zich aantoonbaar niet
houdt aan zijn werkgeversverplichtingen. Bijvoorbeeld als de budgethouder in het kader
van de wet verbetering Poortwachter niet meewerkt aan de re-integratie van zijn zorgverlener,
terwijl de SVB de budgethouder meermaals gewezen heeft op zijn verplichtingen als
werkgever hierin.
In principe ligt de financiële verplichting van een loonsanctie bij de budgethouder.
De budgethouder blijft namelijk als werkgever eindverantwoordelijk en dient zich te
houden aan alle wettelijke verplichtingen die bij het werkgeverschap komen kijken.
De SVB zet zich in om het risico op een loonsanctie zoveel mogelijk te mitigeren door
ondersteuning bij de werkgeverstaken te bieden. Indien er toch een loonsanctie wordt
opgelegd, past de SVB maatwerk toe om de financiële gevolgen voor de budgethouder
te beperken.
In paragraaf 2.1 lezen de leden van de JA21-fractie dat wordt aangegeven dat het doel van het wetsvoorstel tweeledig is: ervoor zorgen
dat er niet langer sprake is van (een risico op) indirecte discriminatie van vrouwen
en het in lijn brengen van wet- en regelgeving met de uitspraak van de CRvB. Hierbij
wordt aangegeven dat de uitspraak van de CRvB weliswaar formeel alleen betrekking
heeft op de WW, maar dat de argumentatie door te trekken is naar alle werknemersverzekeringen
en de overige uitzonderingen in de Rdah. Deze leden vragen of de regering inhoudelijk
onderschrijft dat er momenteel sprake is van (een risico op) indirecte discriminatie
van vrouwen. Daarnaast vinden zij de toelichting op de overwogen alternatieven in
paragraaf 2.3 summier wanneer de aanzienlijke (praktische) gevolgen van dit wetsvoorstel
in ogenschouw worden genomen. Graag vernemen deze leden concreter waarom gekozen is
voor deze reikwijdte van het wetsvoorstel in reactie op de uitspraak van de CRvB (waarvan
de regering zelf aangeeft dat deze verder gaat dan de reikwijdte van de uitspraak),
en of de regering ook andere routes of reacties heeft overwogen in reactie op deze
uitspraak. Zo ja, welke alternatieve stappen en waarom is hier uiteindelijk niet voor
gekozen? En zo nee, waarom niet?
De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep brengt, zoals toegelicht, naar mening
van de regering met zich mee dat pgb-zorgverleners op een arbeidsovereenkomst voor
minder dan vier dagen per week niet minder rechten zouden moeten hebben dan de pgb-zorgverleners
met een arbeidsovereenkomst voor vier of meer dagen per week. Dit zou waarschijnlijk
strijdigheid met Europees recht opleveren. Hoewel de Centrale Raad van Beroep, zoals
de leden van de JA21-fractie juist constateren, strikt genomen alleen uitspraak heeft
gedaan over de strijdigheid van de uitzondering in de werknemersverzekeringen, acht
de regering de kans niet aanwezig dat de andere uitzonderingen voor langere periode
wel voldoende gerechtvaardigd kunnen worden, omdat hiervoor dezelfde Europese toets
geldt, en ook dezelfde overwegingen aan ten grondslag liggen.
De leden van de SGP-fractie vragen de regering of het klopt dat het enkele feit dat er meer vrouwen werkzaam
zijn in de pgb-sfeer betekent dat er sprake zou zijn van indirecte discriminatie.
Hoe beoordeelt de regering deze redenering? En ziet zij dat, geredeneerd vanuit de
oorspronkelijke bedoeling van de wetgever, er sprake is van een legitiem, proportioneel
doel, namelijk het creëren van een verlicht regime voor budgethouders? In hoeverre
is doel en achtergrond van de regeling verdisconteerd in de voorgestelde aanpassing? Graag een reflectie hierop.
Vooropgesteld staat dat de regering de uitspraak van de Centrale Raad uit 2023 respecteert;
de regering dient de uitspraak van de hoogste nationale rechtsprekende instantie in
het sociale zekerheidsrecht te volgen. De Centrale Raad heeft geoordeeld dat er geen
rechtvaardigingsgrond voor de uitzondering voor de werknemersverzekeringen voor pgb-zorgverleners en dus dat er geen sprake is van een legitiem, proportioneel doel die deze
uitzondering voldoende rechtvaardigt. Dit zoals nader toegelicht in onder meer de
memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel en de nota naar aanleiding van het verslag.
Tegelijkertijd heeft het kabinet begrip voor de zorgen van de SGP-fractie ten aanzien
van de lasten van budgethouders. Daarom ondersteunt de SVB de budgethouders waar mogelijk,
en wordt ook op verschillende lasten voor budgethouders compensatie geboden, bijvoorbeeld
ten aanzien van loondoorbetaling bij ziekte, de transitievergoeding bij ontslag en
een gratis rechtsbijstandverzekering.
De leden van de SGP-fractie vragen de regering of ook is verkend hoe een apart lichter
regime voor budgethouders in stand kan worden gehouden. Zo nee, waarom niet? Zo ja,
kunnen de uitkomsten daarvan gedeeld worden met de Kamer inclusief de redenen waarom
hiervoor niet is gekozen?
De regering ziet op basis van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep geen mogelijkheid
een verlicht regime in stand te houden. In de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel
en in de nota naar aanleiding van het verslag is dit nader toegelicht. De uitspraak
van de Centrale Raad van Beroep brengt naar mening van de regering met zich mee dat
pgb-zorgverleners op een arbeidsovereenkomst voor minder dan vier dagen per week niet
minder rechten hebben dan de pgb-zorgverleners met een arbeidsovereenkomst voor vier of meer dagen per week. Dit zou strijdigheid
met Europees recht opleveren. Hoewel de Centrale Raad van Beroep strikt genomen alleen
uitspraak heeft gedaan over de strijdigheid van de uitzondering in de werknemersverzekeringen,
acht de regering de kans niet aanwezig dat de andere uitzonderingen in het arbeidsrecht
voor langere periode wel voldoende gerechtvaardigd kunnen worden, omdat hiervoor dezelfde
Europese toets geldt, en ook dezelfde overwegingen aan ten grondslag liggen.
De leden van de SGP-fractie vragen de regering waarom er niet voor is gekozen te werken
met een geleidelijke overgang, zoals gesuggereerd door de SVB-Cliëntenraad.
De regering heeft de adviezen van de Cliëntenraad van de SVB gelezen en waar mogelijk
ter harte genomen. Zo heeft de regering vol ingezet op duidelijke en uniforme communicatie
via zo veel mogelijk kanalen. Tegelijkertijd heeft de regering in de memorie van toelichting
aangegeven dat ze de suggestie van de SVB-Cliëntenraad om informele zorgverleners
uit te zonderen van het wetsvoorstel niet overneemt. Indien sprake is van een arbeidsovereenkomst
ziet de regering voor deze groep zorgverleners met een arbeidsovereenkomst onvoldoende
rechtvaardiging om voor langere periode onderscheid te blijven maken met de groep
formele zorgverleners met een arbeidsovereenkomst. Een geleidelijke overgang zoals
de cliëntenraad voorstelt is vormgegeven door de budgethouders met een Wlz-, Wmo-
en Jeugdwet-pgb tijdelijke financiële ondersteuning te bieden. Voor budgethouders
met een Zvw-pgb wordt een dergelijke voorziening ook ontworpen. Daarnaast wil de regering
nogmaals benadrukken dat de SVB voorziet in volledige ondersteuning van alle werkgeverstaken
die budgethouders hebben. Ook in de overgang naar de inwerkingtreding van het wetsvoorstel
aanpassing Rdah ondersteunt de SVB zo veel als mogelijk.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om nadere informatie te verschaffen over de doelgroep die dit
wetsvoorstel (en de uitspraak van de CRvB) raakt. Wat voor kenmerken hebben deze pgb-zorgverleners?
Voor hoeveel van deze zorgverleners is het pgb de belangrijkste bron van inkomen?
Hoeveel van deze pgb-zorgverleners zijn naar verwachting familieleden van de pgb-budgethouder?
Hoe verhoudt de omvang van deze groep zich tot het totaal aantal zorgverleners die
informele of formele zorg verlenen via een pgb? Hoe is de verhouding tussen overeenkomsten
van opdracht en arbeidsovereenkomsten?
Het pgb is vormgegeven met de eigen regie van de budgethouder als uitgangspunt. De
budgethouder bepaalt wie, op welk moment de zorg levert die nodig is. Vanuit dat uitgangspunt
is er geen duidelijk beeld te vormen over de zorgverlener. Elke budgethouder kiest
namelijk zelf de zorgverleners uit die zij willen. Er is daarom ook niet bekend welke
kenmerken deze zorgverleners hebben en in welke gevallen het verlenen van pgb zorg
de belangrijkste inkomstenbron is. Familieleden die via een pgb zorg verlenen werken
doorgaans niet via een arbeidsovereenkomst en worden derhalve ook niet geraakt door
dit wetsvoorstel. Daarbij wordt in het wetsvoorstel geen onderscheid gemaakt tussen
formele en informele zorg. De aanpassing Rdah kan van toepassing zijn op beide vormen
van zorg.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om een nadere beschouwing
op de ontwikkelingen rond het informeel pgb. De afgelopen jaren zijn er (onder meer
door uitspraken van de CRvB) veranderingen geweest waardoor de werknemersrol van informele
pgb-zorgverleners steeds meer is benadrukt. Herkent de regering deze ontwikkeling?
Hoe ziet zij deze ontwikkeling in het licht van het oorspronkelijke doel van het informele
pgb? Ziet de regering het risico dat het verschil tussen een informeel en formeel
pgb steeds meer vervaagt door deze verdere arbeidsrechtelijke ontwikkeling?
De trend die de leden van de ChristenUnie-fractie schetsen wordt door de regering
herkent: (ontwikkelingen in) het werkgeverschap maken de verantwoordelijkheden van
budgethouders en het flexibel kunnen inzetten van zorgverleners steeds complexer.
De SVB heeft hier ook aandacht voor gevraagd in de Stand van de Uitvoering. Het werkgeverschap
speelt echter sinds het ontstaan van het pgb een rol in de verhouding tussen de budgethouder
en de zorgverlener. Daarbij staan de voorwaarden waaronder een zorgverlener een formeel
of informeel tarief ontvangt los van de arbeidsrechtelijke verhouding tussen zorgverlener
en budgethouder. Bij gebruik van formele en informele tarieven kan sprake zijn van
arbeidsrecht. De poging om voor bepaalde budgethouders een verlicht regime van werkgeverschap
te creëren dat gepaard gaat met minder rechten voor pgb-zorgverleners stuit al snel
op Europeesrechtelijke grenzen, gezien de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep.
3. Verhouding tot ander recht
4. Gevolgen voor de werknemer, werkgever, arbeidsmarkt, regeldruk, en Caribisch Nederland
De leden van de D66-fractie hebben met name zorgen over budgethouders in de Zvw die nu al maximaal declareren.
De signalen zijn nu luid en duidelijk: een grote groep budgethouders komt door deze
wijziging in de knel. Aan hen wordt door uitvoerders geadviseerd om de beloning aan
zorgverleners te verlagen, mensen te ontslaan of hen te dwingen om als zelfstandige
zonder personeel (zzp’er) te gaan werken. Deze leden vragen de regering wanneer deze
signalen bij de regering bekend werden en welke actie daarop is ondernomen. Is de
regering bereid een onafhankelijk bureau onderzoek te laten doen naar toereikende
tarieven uitgaande van de collectie arbeidsovereenkomst (cao) met relevante ophogingen
en werkgeverslasten? Daarnaast vragen deze leden of zij deze «oplossingen» acceptabel
acht, aangezien deze feitelijk neerkomen op een verslechtering van de zorgrelatie
en de continuïteit van zorg. In hoeverre weegt de regering hier uitvoerbaarheid voor
de systemen en organisaties zwaarder dan uitvoerbaarheid voor budgethouders en cliënten?
De regering is met de leden van de D66-fractie van mening dat de zorgcontinuïteit
van geen enkele budgethouder in de knel mag komen door dit wetsvoorstel. Daarom zet
de regering in op twee lijnen voor de Zvw-pgb budgethouders. Er wordt gerichte tijdelijke
financiële ondersteuning vormgegeven voor budgethouders die op dit moment bij de SVB
bekend zijn. De regering zorgt ervoor dat deze tijdelijke financiële ondersteuning
in uitvoering is voordat de zorgcontinuïteit in gevaar komt door tekorten op het budget;
dus voor de zomer van 2026.
Tegelijk is er een groep budgethouders in de Zvw die in volledigheid niet bekend is
bij publieke instanties. De regering weet ook niet hoeveel budgethouders in deze groep
gebruikt maakt van de Rdah. Voor deze groep die nu onbekend is bij de publieke instanties
wordt de inwerkingtreding van het wetsvoorstel uitgesteld tot een nader moment, afhankelijk
van het parlementaire proces. Wanneer ook deze groep onder de reikwijdte van het wetsvoorstel
komt, zal de regering zich eveneens inspannen om ook deze budgethouders met Rdah overeenkomsten
tijdelijke financiële ondersteuning te bieden. Wegens deze inzet, is het in de ogen
van de regering nog niet noodzakelijk om een onderzoek te doen naar de tarieven in
het Zvw-pgb. Het is juist van belang om eerst inzet te plegen op tijdelijke compensatie
voor de Zvw-budgethouders die met meerkosten worden geconfronteerd.
De leden van de D66-fractie vragen voorts waarom zo veel budgethouders pas deze maand
zijn geïnformeerd over deze wetswijziging en de grote financiële gevolgen daarvan.
Hoe heeft dit mis kunnen gaan, en hoe wordt voorkomen dat pgb-houders hierdoor voor
een voldongen feit komen te staan?
Vanaf maart 2025 is de regering gestart met de communicatie rondom deze wetswijziging.
Dit gebeurde gefaseerd en in samenwerking en afstemming met alle verstrekkers, ketenpartners
en Per Saldo. Budgethouders met Rdah overeenkomsten zijn vanaf juni per zorgwet persoonlijk
aangeschreven om te informeren over de afschaffing van de Rdah. ZN heeft hun achterban
ook nog extra geïnformeerd via brieven en de VNG via een forum voor gemeenten.
Ook op Rijksoverheid.nl, het PGP Portaal en websites van de SVB en verstrekkers wordt
informatie gegeven over het voorgenomen beleid.
In de Zvw hebben budgethouders de keuze om zich te laten ondersteunen door de SVB.
Een deel van deze budgethouders heeft hier niet voor gekozen en is niet bekend bij
publieke organisaties. Om die groep te bereiken wordt er informatie via (online) platforms
gedeeld door alle ketenpartners en verstrekkers. Daarnaast wordt deze wetswijziging
meegenomen bij huisbezoeken die zorgverzekeraars doen.
Budgethouders die geen Rdah overeenkomsten hebben zijn niet persoonlijk benaderd.
Met algemene communicatie wordt uitgelegd dat deze wijzigingen alleen betrekking hebben
op arbeidsovereenkomsten onder de Rdah.
De leden van de D66-fractie vragen met betrekking tot de Zvw waarom er nog geen oplossing
is ontwikkeld met zorgverzekeraars, terwijl de invoeringsdatum al op zeer korte termijn
ligt. Is de regering bereid een overgangstermijn van één of twee jaar te hanteren,
zodat met verzekeraars kan worden gewerkt aan een structurele oplossing? Kan daarbij
worden bezien of de maximumtarieven van verzekeraars kunnen worden verhoogd richting
het maximumtarief dat het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) zelf
hanteert?
De regering heeft zorgverzekeraars verzocht bij te dragen aan de oplossing voor tijdelijke
financiële compensatie voor de Zvw budgethouders met Rdah arbeidsovereenkomsten. Gezamenlijk
zijn de zorgverzekeraars en de regering het erover eens dat een vorm van compensatie
wordt vormgegeven. Het voorstel wat hierbij is afgestemd, is gelijkend aan de tijdelijke
ondersteuning die budgethouders met een Wlz-pgb ontvangen en betreft een gerichte
compensatie. Dit is een compensatie voor het budget van de betrokken budgethouders
en dus geen verhoging van de tarieven.
Omdat uitvoering hiervan buiten de reguliere werkwijze valt, wordt het voorstel nader
uitgewerkt en zorgt het Ministerie van VWS ervoor dat verzekeraars een compensatie
rechtmatig kunnen uitvoeren en hiervoor een juridische grondslag komt.
Een compensatie is enkel op korte termijn mogelijk voor de budgethouders die gebruik
maken van de dienstverlening van de SVB. Voor de groep budgethouders die geen gebruik
maakt van de dienstverlening van de SVB wil de regering de wet per koninklijk besluit
later laten ingaan, voor deze groep wordt geen terugwerkende kracht voorgesteld. Op
die manier kan de regering, samen met budgethouders en betrokken organisaties voor
hen een passende oplossing vinden.
Voor budgethouders in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) wordt 1,8 miljoen
euro toegevoegd aan het gemeentefonds. De leden van de D66-fractie vragen echter welke
afspraken zijn gemaakt om zeker te stellen dat deze middelen ook daadwerkelijk worden
ingezet om de extra kosten voor budgethouders te dekken. Welke waarborgen heeft de
regering dat dit geld niet opgaat in de algemene financiële problematiek van gemeenten?
De regering werkt samen met de VNG aan instructies en informatie voor betrokken gemeenten.
Uiteindelijke blijven gemeenten zelf verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wmo
en de Jeugdwet en hebben zelf de ruimte om budgethouders op de meest passende manier
financieel bij te staan voor de premieheffingen.
De leden van de D66-fractie vragen of het realistisch en uitvoerbaar is dat het wetsvoorstel
uitgaat van individuele oplossingen voor budgethouders die te maken krijgen met hogere
kosten, nu het om een vrij omvangrijke groep lijkt te gaan. Over hoeveel mensen gaat
het precies? En is hier voldoende budget voor gereserveerd? Zo niet, welke alternatieven
overweegt de regering?
Alle maatregelen die de regering heeft genomen en nog gaat nemen, zijn generieke oplossingen
voor alle budgethouders met Rdah-arbeidsovereenkomsten. Dit zijn ongeveer 15.000 budgethouders. Deze oplossingen zijn of worden
genomen per pgb-wet. Hiervoor is voldoende budget gereserveerd bij de Voorjaarsnota
2025. De regering monitort gedurende 2026 de effectiviteit van de maatregelen en stuurt
bij op het moment dat het nodig blijkt.
De leden van de D66-fractie benadrukken dat pgb en zorg in natura altijd gelijkwaardige
routes dienen te zijn, juist omdat een pgb soms beter passende zorg mogelijk maakt.
Er worden echter al langer drempels opgeworpen die het gebruik van pgb’s ontmoedigen.
Als nu ook de ICT-systemen van uitvoerders niet op orde zijn, vrezen deze leden dat
dit wetsvoorstel in de praktijk de genadeslag wordt voor veel pgb-houders. Hoe borgt
de regering dat budgethouders niet worden weggezet als onvoldoende pgb-vaardig doordat
systemen hen in de steek laten?
De regering hanteert nog steeds het principe dat pgb en zorg in natura gelijkwaardige
leveringsvormen zijn. Daarbij zet de regering nog steeds in op goede ondersteuning
van budgethouders, onder andere door ICT-systemen aan te bieden. Daarbij ontvangt
de regering geen signalen dat deze systemen te kort schieten of onbruikbaar zijn.
Integendeel; het PGB2.0 portaal krijgt bijvoorbeeld een 8,2 waardering van gebruikers.
De systemen zijn dan ook door de uitvoerders aangepast ter voorbereiding op dit wetsvoorstel
en bieden de gebruikers de benodigde ondersteuning hiervoor. Ook ziet de regering
dat pgb gebruikt wordt om tekorten in Zorg in natura op te vangen. De regering kan
daarom niet garanderen dat alle budgethouders pgb-vaardig zijn, maar zet wel in op
passende ondersteuning.
De leden van de D66-fractie vragen daarnaast op welke wijze budgethouders tijdig en
volledig worden geïnformeerd. Voor Wet langdurige zorg (Wlz) en Zvw lijkt dit nog
enigszins geborgd, maar deze leden maken zich grote zorgen over de informatievoorziening
via gemeenten. Kan de regering aangeven hoe het proces daar wordt ingericht? En wat
is precies de rol van de SVB in deze communicatie, en binnen welk wettelijk kader
handelt de SVB daarbij?
Er is vanaf het voorjaar 2025 gestart met de communicatie rondom deze wetswijziging.
Deze startte met algemene berichtgeving. Daarna werden budgethouders met overeenkomsten
onder de Rdah gefaseerd geïnformeerd met een informatiefolder en een persoonlijke
brief met daarin specifieke informatie over wat deze verandering voor hen betekent
en wat te doen. Deze brieven zijn verstuurd door de SVB in samenwerking/samenspraak
met de verstrekkers ZN en VNG, en na afstemming met SZW en VWS. De eerste brieven
zijn gericht aan budgethouders in de Jeugdwet en Wmo. Daarna volgden de budgethouders
in de Wlz en daarna de Zvw. Daarnaast zijn budgethouders geïnformeerd door belangenvereniging
Per Saldo en via de algemene kanalen van de keten en verstrekkers. U kunt hierbij
denken aan (nieuws)berichten op websites, webpagina’s, nieuwbrieven, via (online)
bijeenkomsten, meldingen in het PGB Portaal, aan de telefoon met verstrekkers en tijdens
huisbezoeken. De informatiestroom vanuit gemeenten wordt gestimuleerd en begeleid
door de VNG. De SVB heeft een wettelijke taak om de budgethouders te ondersteunen
bij hun rol als werkgever en doet dit ook in verreweg de meeste gevallen.
De leden van de D66-fractie constateren tenslotte dat pgb-zorgverleners wel worden
uitgezonderd van de Rdah, maar gastouders en schoonmakers niet. Is het houdbaar om
de Rdah te blijven toepassen op gastouders, zeker nu de kinderopvang stap voor stap
publiek gefinancierd wordt? En is het argument dat de markt voor dienstverlening aan
huis moet worden gestimuleerd nog wel valide in de huidige arbeidsmarkt, waarin vooral
grote tekorten spelen? En indien de regering de zorgen deelt dat dit ook consequenties
zou kunnen hebben voor gastouders, hoe voorkomt de regering dan een aanpassing in
regelgeving die het aanbod van gastouderschap sterk zou kunnen doen afnemen, terwijl
er al tekorten aan kinderopvang zijn?
In het nieuwe financieringsstelsel stijgt de bijdrage van de overheid in de kosten
voor kinderopvang naar 96% voor alle werkende ouders. Er blijft ook in het nieuwe
stelsel sprake van een eigen bijdrage in de kosten door ouders. Er is dus geen sprake
van een volledig publiek gefinancierd stelsel voor kinderopvang.
Zoals in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel toegelicht, werkten er in
2024 ongeveer 3.600 gastouders aan huis onder de RDAH. Gezamenlijk vangen deze gastouders
aan huis 10.000 kinderen op. Gastouderopvang aan huis is een specifieke vorm van gastouderopvang,
die bijzonder geschikt voor specifieke doelgroepen, bijvoorbeeld kwetsbare kinderen
waarvoor een andere vorm van opvang minder passend is. De regering vindt het belangrijk
dat deze specifieke vorm van gastouderopvang mogelijk blijft.
Er is een ambtelijke verkenning uitgevoerd naar de gevolgen van het niet meer van
toepassing zijn van de RDAH voor gastouderopvang aan huis. Voor zowel de vraagouder,
als de gastouder, als het gastouderbureau blijken de gevolgen groot. Zo groot dat
er naar verwachting nauwelijks of geen vraag meer zal zijn naar gastouderopvang aan
huis. De verkenning heeft uitgewezen dat de verwachting is dat vraagouders de verzwaarde
werkgeversverplichtingen niet op zich kunnen en willen nemen. Het verdwijnen van de
vraag naar gastouderopvang aan huis zal ertoe leiden dat ouders minder gaan werken
en/of voor hun kinderen op zoek gaan naar een andere vorm van opvang, mogelijk informele
opvang zonder kwaliteitscontrole.
Een afnemende vraag of wegvallen van de vraag naar gastouderopvang aan huis leidt
ertoe dat diegenen die als gastouder aan huis onder de RDAH werken op zoek moeten
naar ander werk. Hiervoor zijn mogelijkheden in de kinderopvangsector, maar deze zijn
om verschillende redenen niet per definitie haalbaar voor iedereen. Reguliere gastouderopvang
is alleen mogelijk wanneer de gastouder daarvoor een geschikte opvanglocatie beschikbaar
heeft, zoals bijvoorbeeld een eigen woning. Daarnaast is instromen als pedagogisch
medewerker in de dagopvang of buitenschoolse opvang alleen mogelijk op MBO-niveau 3,
terwijl voor gastouderopvang MBO niveau 2 voldoende is. Een risico is ook dat de gastouder
diensten gaat aanbieden in het informele circuit, zonder kwaliteitscontrole voor het
kind en zonder bescherming van de gastouder.
Deze redenen en met het oog op de huidige krapte in de kinderopvangsector is het wenselijk
om de gastouderopvang aan huis als vorm van opvang te behouden. Naar mening van de
regering is dit alleen mogelijk onder de RDAH.
De leden van de D66-fractie zien uit naar een uitgebreide reactie van de regering
op bovenstaande zorgen en verzoeken, zodat kan worden verzekerd dat mensen die zorg
nodig hebben niet juist door dit wetsvoorstel in de knel komen. Alleen met reële invoeringstermijnen,
tijdige communicatie en werkbare tarieven kan worden voorkomen dat zorgrelaties onder
druk komen te staan en dat pgb-houders afhankelijk worden van noodverbanden die kwalitatieve
zorg en keuzevrijheid ondergraven.
De regering erkent de zorgen van de leden van de D66-fractie en hoopt dat met deze
uitgebreide reactie een deel van de zorgen kan worden weggenomen.
De leden van de PVV-fractie vragen of de regering kan garanderen dat iedere budgethouder die in de afgelopen
jaren een zorgverlener betaalde die onder de Rdah viel, een verhoging van het pgb
kan ontvangen van ten minste twintig procent om de nieuwe verplichte werkgeverslasten
te kunnen betalen.
De regering herkent de zorg van de fractie van de PVV en wil voorkomen dat benodigde
zorg onder druk komt te staan door de gerechtelijke uitspraak en daaropvolgend voorliggende
wetsvoorstel. Tegelijkertijd wil de regering benadrukken dat de keuze voor besteding
van het persoonsgebonden budget aan de budgethouder is. Dat betekent dat niet elke
budgethouder met een overeenkomst onder de Rdah, alleen dat soort overeenkomsten gebruikt.
Er kan ook gebruik gemaakt worden van een mix van verschillende overeenkomsten. Daarom
heeft de regering ervoor gekozen om niet alle (relevante) budgetten met 20% op te
hogen en budgethouders die gebruik maken van Rdah overeenkomsten gericht te ondersteunen.
De leden van de PVV-fractie vragen hoeveel geld er in totaal is gereserveerd voor
de stijging van de pgb’s als gevolg van de nu verplichte premies werknemersverzekeringen
en loondoorbetaling bij ziekte. Deze leden vragen voorts waar dit geld precies vandaan
komt en op welke begrotingspost het staat. Tevens vragen zij of de regering van mening
is dat het gereserveerde bedrag toereikend is.
In totaal is er vanaf 2026 € 17,2 miljoen structureel vrijgemaakt over de verschillende
wetten. Deze compensatie is naar het oordeel van de regering toereikend en is gebaseerd
op uitvoeringstoetsen van de VNG en de SVB. De middelen zijn vrijgemaakt binnen de
integrale besluitvorming over de VWS-begroting. Aan de begroting voor de Wlz-uitgaven
is € 10,8 miljoen structureel toegevoegd. Gemeenten (Jeugdwet en Wmo) zijn in afstemming
met de gecompenseerd via een storting van € 1,8 miljoen structureel in het Gemeentefonds.
Tot slot is op de VWS-begroting een bedrag van € 4,6 miljoen structureel opgenomen
als compensatie voor de extra uitvoeringskosten van de SVB.
De leden van de PVV-fractie vragen of de regering erkent dat, indien het gereserveerde
bedrag ontoereikend blijkt, budgethouders feitelijk minder zorguren zullen kunnen
inkopen dan voorheen, omdat een groter deel van het pgb opgaat aan werkgeverslasten.
De regering heeft na de gerechtelijke uitspraak alle opties zorgvuldig met de pgb-keten
afgewogen. Tijdens deze afweging is gebleken dat lang niet alle budgethouders hun
volledige pgb gebruiken om de benodigde zorg in te kopen. Daarbij is het pgb een systeem
waarbij de budgethouder onder eigen regie de zorg naar eigen inzicht kan invullen.
Daarom wil de regering erkennen dat voor de overeenkomsten die nu onder de Rdah vallen,
per ingangsdatum van het voorliggende wetsvoorstel naar verwachting ongeveer 20% meer
beslag leggen op het budget. Of dat daadwerkelijk leidt tot minder ruimte om zorg
in te kopen, is afhankelijk van veel andere variabelen zoals totale budgetbesteding
en invulling van de zorgvraag door de budgethouder.
De leden van de VVD-fractie vragen naar de financiële en organisatorische gevolgen voor de SVB. Wat zijn de geraamde
kosten voor de uitvoering van de extra taken die de SVB op zich zal nemen?
In onderstaande tabel staan de begrootte uitvoeringskosten voor SVB weergegeven.
Uitgaven (€ x mln.)
2024
2025
2026
2027
2028
2029
Structureel
Uitvoeringskosten SVB
0,0
3,4
4,6
4,6
4,6
4,6
4,6
De leden van de VVD-fractie vragen daarnaast welke taken expliciet bij de budgethouder
blijven liggen, ook wanneer de SVB de uitvoering grotendeels overneemt.
De SVB ondersteunt de budgethouder in zijn werkgeverstaken en voert de volledige salarisadministratie
voor de budgethouder uit. De SVB zal namens de budgethouder loonaangifte doen bij
de Belastingdienst en de ingehouden loonheffingen en werkgeverslasten (premies werknemersverzekeringen
en inkomensafhankelijke bijdrage Zvw) afdragen aan de Belastingdienst. Daarmee wordt
voorkomen dat de budgethouder hiermee wordt belast, maar wordt er wel voor gezorgd
dat premies en belasting wordt afgedragen. Daarnaast ondersteunt de SVB de budgethouder
bij het uitvoeren van de Wet verbetering Poortwachter en bij het verkrijgen van een
ontslagvergunning bij eenzijdige opzegging van de arbeidsovereenkomst vanwege bedrijfseconomische
redenen (bijv. bij een verlaging van het budget).
In al deze taken wordt de budgethouder actief ondersteund door de SVB. Ondanks de
ondersteuning van de SVB blijft de budgethouder echter wel zelf verantwoordelijk als
werkgever.
Daarnaast vragen deze leden hoe de regering het verschil beoordeelt in rechtspositie
tussen Rdah-dienstverleners die worden betaald uit publieke middelen en zij die uit
private middelen worden gefinancierd.
Zoals is aangegeven in de nota naar aanleiding van het verslag ziet de uitspraak van
de Centrale Raad op pgb-gefinancierde zorgverlening. De omstandigheden in de privaat
gefinancierde markt van dienstverlening zijn anders. De redenen die de Rdah voor de
private markt noodzakelijk maken, zijn nog steeds aan de orde. De hoge prijs van arbeid
weerhoudt particulieren ervan om schoonmaakwerk en dergelijke uit te besteden op de
formele private markt. De analyse in het rapport van de Commissie Kalsbeek uit 2014,
is in dat kader nog altijd relevant. Als de kosten te hoog worden of de werkgeversverplichtingen
te veel en te ingewikkeld, wijken particulieren uit naar eenvoudige alternatieven.
Bovendien ontstaat er gemakkelijk een informele markt, omdat controle en handhaving
achter de voordeur niet goed mogelijk is. Afschaffing van de Rdah zonder alternatief
levert in de praktijk naar verwachting geen verbetering op van de rechtspositie van
werknemers in de deels publiek gefinancierde en private markt. De regering heeft daarom
het standpunt ingenomen dat de Rdah voor deze groepen werknemers in stand wordt gehouden
De SVB geeft aan dat implementatie «onder voorwaarden» per 1 januari 2026 mogelijk
is en dat andere trajecten verdrongen worden. Kan de regering expliciet maken welke
projecten binnen SVB daardoor vertraagd raken?
De SVB heeft in haar uitvoeringstoets aangegeven dat de implementatie van het wetsvoorstel
een behoorlijke impact zou hebben op de (IT-)ontwikkelcapaciteit en dat indien tot
implementatie van het wetsvoorstel wordt besloten er zich verdringingseffecten voor
zouden doen op andere trajecten. De toenmalige Staatssecretaris van Maatschappelijke
en Langdurige Zorg heeft besloten dit wetsvoorstel met de hoogste prioriteit op te
pakken, omdat de rechtszekerheid van budgethouders en zorgverleners van groot belang
is. Als gevolg daarvan konden er in 2025 geen nieuwe gemeenten aansluiten op het PGB2.0
systeem en was er ook geen ontwikkelcapaciteit meer beschikbaar voor de implementatie
van andere beleidsvoorstellen, zoals bijvoorbeeld de voorgenomen beëindigingsvergoedingen.
Voldoen aan wet- en regelgeving heeft in de uitvoering pgb de hoogste prioriteit wanneer
er afwegingen worden gemaakt tussen verschillende trajecten. Dit omdat de rechtszekerheid
van budgethouders en zorgverleners belangrijk is. Daarom heeft de Staatssecretaris
voor Maatschappelijke en Langdurige Zorg besloten, in overleg met de SVB en het Ministerie
van SZW, dit traject met de hoogste prioriteit op te pakken.
De regering schrijft dat een loonsanctie niet wordt gecompenseerd als de budgethouder
«verwijtbaar» heeft gehandeld. Kan de regering exact definiëren wat onder verwijtbaarheid
wordt verstaan in de pgb-context.
Of een budgethouder «verwijtbaar» heeft gehandeld hangt af van de omstandigheden van
het geval en kan per situatie verschillen. Gedacht kan worden aan de situatie waarin
budgethouder, ondanks de adviezen en aansporing van de SVB, zich aantoonbaar niet
houdt aan zijn werkgeversverplichtingen. Bijvoorbeeld als de budgethouder in het kader
van de wet verbetering Poortwachter niet meewerkt aan de re-integratie van zijn zorgverlener,
terwijl de SVB de budgethouder meermaals gewezen heeft op zijn verplichtingen als
werkgever hierin.
De regering stelt dat de SVB kan ondersteunen bij ontslagprocedures, maar niet alle
stappen overneemt. Kan worden verduidelijkt welke taken de budgethouder zelf moet
doen (bijvoorbeeld dossiervorming of verbeterplan) en wat de SVB niet doet?
De SVB ondersteunt de budgethouder met advies, (juridische) vertegenwoordiging en
administratieve betaalverplichtingen. De budgethouder heeft zelf de regie hoe hij
gebruik maakt van deze ondersteuning en moet afwegen in welke situatie hij dat nodig
acht.
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst door vordering bij de rechter komt echter nauwelijks
voor. De meeste arbeidsovereenkomsten worden beëindigd vanwege budgetbeëindiging,
langdurige ziekte of in samenspraak met de zorgverlener.
Tot slot vragen de leden van de VVD-fractie hoe de regering het realiteitsgehalte
beoordeelt dat ernstig zieke of beperkte budgethouders moeten voldoen aan Poortwachter-verplichtingen,
zoals de eerstejaarsevaluatie en het plan van aanpak.
De budgethouder wordt door de SVB en de door de SVB ingeschakelde arbodienst ondersteunt
in de Poortwachter-verplichtingen. Dit ziet onder andere op het informeren van de
budgethouder over de verschillende stappen in het re-integratietraject. Dit doet de
SVB zowel telefonisch als schriftelijk. De SVB monitort daarnaast het ziekteverzuim
proces en houdt zo zicht op het verloop van het traject om de budgethouder zo goed
mogelijk te begeleiden.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de regering kan bevestigen dat pgb-budgethouders gedurende de eerste twee
jaar volledig worden gecompenseerd voor de extra kosten die voortkomen uit de afschaffing
van de Rdah. Zo ja, uit welke middelen wordt deze compensatie precies gefinancierd,
en is deze voldoende om alle extra kosten voor budgethouders te dekken? Zo niet, kan
de regering hierop reflecteren?
De regering heeft bij voorjaarsnota 2025 middelen vrijgemaakt voor budgethouders die
gebruik maken van een pgb in de Wlz, de Wmo en de Jeugdwet. Bij de berekening van
deze middelen is uitgegaan van gemiddeld 20% extra premies die bovenop een Rdah arbeidsovereenkomst
komen. De regering gaat ervanuit dat deze middelen voldoende zijn, maar monitort dit
gedurende 2026. Voor de budgethouders met een Zvw-pgb die bekend zijn bij de publieke
instanties is de regering nu bezig om ook een dergelijke tijdelijke financiële ondersteuning
vorm te geven.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de regering kan aangeven wat er
na afloop van deze twee jaar gebeurt. Betekent dit dat budgethouders vanaf dat moment
geen compensatie meer ontvangen? Zo ja, acht de regering het verantwoord dat deze
kosten structureel bij budgethouders komen te liggen en wat verwacht de regering dat
er gaat gebeuren met het inkomen en werk van de zorgverleners?
Het persoonsgebonden budget wordt vastgesteld op basis van een indicatie. Met dit
budget kunnen budgethouders vervolgens zelf de zorg inkopen die zij nodig achten.
Voor ongeveer 24.500 zorgverleners gebeurt dit via een arbeidsovereenkomst onder de
Rdah, voor ongeveer 121.000 zorgverleners is er sprake van een ander soort overeenkomst.
Heel veel budgethouders maken dus geen gebruik van de Rdah. Structureel budgetten
ophogen van budgethouders die nu gebruik maken van de Rdah, zorgt daarom voor ongelijkheid
met de budgethouders die dat niet doen. Twee budgethouders met eenzelfde indicatie
ontvangen in dat scenario een ander budget. Om deze ongelijkheid tegen te gaan, heeft
de regering gekozen voor een ondersteuning van twee jaar om de overgang voor budgethouders
zo makkelijk als mogelijk te maken.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de regering kan aangeven waarom
ervoor is gekozen om budgethouders uit de ene zorgwet wel te compenseren en budgethouders
uit andere zorgwetten niet. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe de
regering gaat voorkomen dat de groep mensen die geen tijdelijke compensatie ontvangt,
financieel in de knel komt. Welke maatregelen worden overwogen om te voorkomen dat
de lasten ongelijk verdeeld worden tussen verschillende zorgwetten?
De regering herkent dat budgethouders met een Zvw-pgb ook geconfronteerd worden met
uitdagingen rond continuïteit van zorg. Daarom zal de regering uiteindelijk ook budgethouders
uit alle zorgwetten tijdelijk te compenseren en werkt zij op dit moment aan de volgende
twee lijnen:
1. Er wordt gerichte tijdelijke financiële ondersteuning vormgegeven voor budgethouders
die op dit moment bij de SVB bekend zijn. Deze ondersteuning is zoveel als mogelijk
gelijk aan die van de andere pgb wetten en in uitvoering is voordat de zorgcontinuïteit
in gevaar komt door tekorten op het budget; dus voor de zomer van 2026.
2. Voor de groep Zvw-budgethouders die in volledigheid niet bekend is bij publieke instanties
wordt de inwerkingtreding van het wetsvoorstel uitgesteld een bij koninklijk besluit
te bepalen datum. In deze periode zet de regering zich in bij inwerkingtreding om
voor deze budgethouders met Rdah overeenkomsten ook tijdelijke financiële ondersteuning
te bieden.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat de afschaffing van de Rdah
kan leiden tot inkomensverlies of zelfs werkverlies voor zorgverleners, wanneer budgethouders
het uurloon moeten verlagen of minder uren kunnen inkopen. Hoe gaat de regering deze
zorgverleners direct informeren over hun rechten op WW en ondersteunen? Ook vragen
deze leden welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat de continuïteit van
zorg hierdoor in gevaar komt.
Voor de regering is belangrijk dat continuïteit van zorg niet in het gedrang komt.
Daarom heeft zij een compensatie voor de premieplichten voor budgethouders vormgegeven.
Zorgverleners worden tegelijkertijd in algemene zin geïnformeerd over het recht op
werknemersverzekeringen. Dit recht hebben zij sinds de uitspraak van de Centrale Raad
van Beroep van 30 maart 2023.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de regering inzicht heeft in de
totale kosten die ontstaan wanneer zorgverleners door deze maatregel in de WW terechtkomen.
Wegen deze kosten niet zwaarder dan het compenseren van budgethouders voor de extra
werkgeverslasten, waardoor het financieel juist efficiënter zou zijn om compensatie
te bieden in plaats van een toename van WW-uitkeringen te riskeren?
De regering verwacht, mede dankzij de compensatie, niet dat een significant deel van
de pgb-zorgverleners aanspraak zal doen op een WW-uitkering.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen op welke wijze de budgethouders en
hun belangenbehartigers, zoals Per Saldo, meegenomen zijn in het besluit voor het
wijzigen van de Rdah.
De regering voert regelmatig overleg met Per Saldo over de ontwikkelingen in het pgb.
Na de uitspraak van de CRvB heeft de regering Per Saldo ook geïnformeerd over de impact
van de uitspraak en de manier waarop de regering de uitspraak in wetgeving verwerkt.
Ook de financiële ondersteuning voor budgethouders is op verschillende momenten met
Per Saldo besproken. Per Saldo heeft daarbij ook gebruik gemaakt van de mogelijkheid
opmerkingen te plaatsen bij het wetsvoorstel tijdens de internetconsultatie.
De leden van de CDA-fractie lezen dat wanneer in de loop van 2026 blijkt dat budgetten ontoereikend (dreigen)
te worden, er op individuele basis wordt gekeken hoe ervoor kan worden gezorgd dat
toch voldoende kwalitatieve zorg kan worden ingekocht. Deze leden vragen wie daarvoor
verantwoordelijk is en of, gezien de verwachting van het SVB dat in de helft van de
gevallen het pgb ontoereikend zal zijn, of de regering ervan overtuigd is dat deze
organisatie over voldoende capaciteit beschikt om op individuele basis daarnaar te
kijken.
De regering heeft het signaal van de SVB ter harte genomen en voor Wlz, Wmo en Jeugdwet
een compensatie vormgegeven. Voor budgethouders met een Zvw-pgb is de regering dit
aan het vormgeven. Omdat deze doelgroep niet bekend is bij publieke instanties is
dit lastiger en wordt daarom gewerkt aan gerichte en tijdelijke ondersteuning die
in 2 stappen kan plaatsvinden, zoals hierboven ook geschetst. Daarmee verwacht de
regering dat budgetten toereikend zullen zijn gedurende 2026.
De leden van de CDA-fractie maken zich ernstig zorgen dat door ontoereikende budgetten
het instrument pgb onbereikbaar wordt. Is de regering het met deze leden eens dat
het pgb geborgd moet blijven als volwaardig alternatief voor de zorg in natura?
De regering is het met de leden van de CDA-fractie eens dat het pgb voor mensen een
volwaardig alternatief voor zorg in natura kan zijn.
In verschillende paragrafen in de memorie van toelichting lezen de leden van de JA21-fractie dat wordt ingegaan op de ondersteuning vanuit de SVB voor budgethouders. Toch blijft
de toenemende regeldruk voor werkgevers, in de praktijk de pgb-budgethouders, als
gevolg van dit wetsvoorstel een grote bron van zorg. Kan de regering heel concreet
en praktisch aangeven wat de praktische gevolgen van dit wetsvoorstel zijn voor de
verplichtingen waarmee budgethouders geconfronteerd zullen worden, zowel voor pgb’s
op grond van de Wlz, Wmo-2015 en de Jeugdwet (Jw) als op grond van de Zvw, welke stappen
in alle gevallen van de budgethouders zelf worden verwacht, welke stappen vanuit de
SVB ondernomen zullen worden en hoe zij hierin meegenomen zullen worden?
Voor alle budgethouders, ongeacht welke zorgwet, die nu gebruik maken van overeenkomsten
onder de Rdah, komen er een aantal plichten bij: premieplicht voor werknemersverzekeringen,
loondoorbetaling bij ziekte voor 104 in plaats van 6 weken, scholingsplicht en een
aantal wijzigingen in het ontslagrecht. Dit zijn in het pgb echter geen nieuwe verplichtingen.
In voorkomende gevallen wordt op dit moment namelijk ook gebruik gemaakt van zorgovereenkomsten
die onder het volledige arbeidsrecht vallen. Dit zijn overeenkomsten waarbij een zorgverlener
voor vier of meer dagen per week op een arbeidsovereenkomst werkt bij een budgethouder.
De SVB biedt een brede ondersteuning voor alle verantwoordelijkheden die bij het werkgeverschap
komen kijken. Dat gaat van het uitvoeren van de volledige salarisadministratie tot
het stap voor stap begeleiden bij verzuim; budgethouders worden waar mogelijk ontlast.
De leden van de BBB-fractie constateren dat onrust onder pgb-houders mede lijkt te zijn ontstaan door gebrekkige
communicatie en onduidelijkheid over de gevolgen van de wetswijziging. Veel mensen
zijn overvallen door de harde toon van de informatievoorziening en de onzekerheid
over hun positie. Kan de regering toelichten hoe de communicatie richting pgb-houders
is verlopen? Hoe is de afstemming tussen het Ministerie van VWS en Sociale Zaken en
Werkgelegenheid (SZW) geweest over dit onderwerp? Hoe reflecteert de regering op het
feit dat zoveel onrust is ontstaan? Heeft de tijdsdruk, vanwege de beoogde inwerkingtreding
per 1 januari 2026, hierbij een rol gespeeld? Had deze onrust voorkomen kunnen worden
met meer tijd en betere communicatie? Hoe zijn gemeenten en instanties zoals de SVB
betrokken in het wetgevingsproces?
De regering betreurt de ontstane onrust ten zeerste. Of deze onrust voorkomen had
kunnen worden met meer tijd en betere communicatie is lastig te zeggen gezien de complexiteit
van dit wetsvoorstel. Belangrijk is om nu te bekijken waar die onrust precies in zit
en hoe we deze mensen kunnen ondersteunen, samen met de keten, om deze onrust weg
te nemen. Daar zet de regering nu vooral op in. Vanaf maart 2025 is de regering gestart
met de communicatie rondom deze wetswijziging. Dit gebeurde gefaseerd en in samenwerking
en afstemming met alle verstrekkers, ketenpartners en Per Saldo. Budgethouders met
Rdah overeenkomsten zijn vanaf juni per zorgwet persoonlijk aangeschreven om te informeren
over de afschaffing van de Rdah. ZN heeft hun achterban ook nog extra geïnformeerd
via brieven en de VNG via een forum voor gemeenten.
Daarnaast geeft Per Saldo, in samenwerking met VWS, diverse webinars en bijeenkomsten
over de wetswijziging. Ook op Rijksoverheid.nl, het PGP Portaal en websites van de
SVB en verstrekkers wordt informatie gegeven over het voorgenomen beleid.
In de Zvw hebben budgethouders de keuze om zich te laten ondersteunen door de SVB.
Een deel van deze budgethouders heeft hier niet voor gekozen en is niet bekend bij
publieke organisaties. Het is van die groep dus ook niet bekend in hoeverre daar mensen
te maken krijgen met de consequenties van deze wetswijziging. Voor de Zvw-budgethouders
die ondersteuning krijgen van de SVB is dit wel bekend. Om die groep te bereiken wordt
er informatie via (online) platforms gedeeld door alle ketenpartners en verstrekkers.
Daarnaast wordt deze wetswijziging meegenomen bij huisbezoeken die zorgverzekeraars
doen.
Budgethouders die geen Rdah overeenkomsten hebben zijn niet persoonlijk benaderd.
Met algemene communicatie wordt uitgelegd dat deze wijzigingen alleen betrekking hebben
op arbeidsovereenkomsten onder de Rdah.
De regering is in nauw overleg met alle betrokken uitvoeringsorganisaties, waaronder
de SVB en UWV. Gemeenten zijn via de VNG betrokken bij het wetgevingsproces. De betrokken
ketenpartners hebben onder meer in de uitgebrachte uitvoeringstoetsen aangegeven dat
het wetsvoorstel per 1 januari 2026 uitvoerbaar is. In de Uitvoeringstoets Decentrale
Overheden heeft de VNG aangeven dat dat de gevolgen van het wetsvoorstel voor gemeenten
beperkt en uitvoerbaar zijn. De SVB heeft in de uitgebrachte uitvoeringstoets eveneens
aangegeven dat het wetsvoorstel, onder voorwaarden, uitvoerbaar is.
Verder blijkt uit de ontvangen signalen door de leden van de BBB-fractie dat pgb-houders
geconfronteerd worden met hogere werkgeverslasten, terwijl de maximale uurvergoeding
niet is aangepast. Hierdoor ontstaat een onwerkbare situatie: pgb-houders kunnen hun
zorgverleners niet langer het minimumloon betalen zonder het budget te overschrijden.
Waarom is ervoor gekozen om de maximale uurvergoeding voor pgb-houders niet te verhogen,
terwijl de werkgeverslasten fors stijgen? Is de regering bereid om alsnog de tarieven
te indexeren, zodat pgb-houders hun zorgverleners een eerlijk loon kunnen blijven
betalen? Hoe voorkomt de regering dat pgb-houders hierdoor zorgverleners verliezen
of contracten moeten aanpassen ten koste van de kwaliteit en continuïteit van zorg?
De regering is het met de leden van de BBB-fractie eens dat continuïteit van zorg
voorop staat. Daarom zijn of worden per wet compensatie vormgegeven die budgethouders
de ruimte bieden om het loon te blijven doorbetalen. Er is gekozen voor gerichte compensatie
en niet voor een generieke indexatie omdat niet alle zorgverleners onder een Rdah
overeenkomst werken. Het gaat om ongeveer 24.500 zorgverleners die onder de Rdah vallen
terwijl op ongeveer 121.000 zorgverleners de Rdah niet van toepassing is.
Ook constateren de leden van de BBB-fractie dat veel pgb-houders langdurige, op vertrouwen
gebaseerde arbeidsrelaties hebben met hun zorgverleners. Door de wetswijziging dreigen
deze relaties onder druk te komen staan, met alle gevolgen van dien voor kwetsbare
cliënten. Hoe waarborgt de regering dat bestaande arbeidsovereenkomsten gerespecteerd
kunnen blijven worden? Wat betekent deze wetswijziging voor cliënten die afhankelijk
zijn van informele zorgverleners, zoals familieleden of studenten? Hoe voorkomt de
regering dat juist deze kwetsbare groep extra wordt geraakt?
In bovenstaand antwoord heeft de regering uiteengezet waarom zij voor een compensatie
heeft gekozen. Dat moet er ook toe leiden dat de relatie tussen budgethouders en hun
zorgverleners goed blijven. De wetswijziging is daarbij van toepassing op alle zorgverleners
die onder een Rdah overeenkomst werken. Dat staat los van of er sprake is van formele
of informele zorg. Een arbeidsrelatie kan onder beide ontstaan. Familieleden maken
in de regel geen gebruik van arbeidsrecht wanneer zij zorg leveren via een pgb veelal
niet gewerkt wordt op basis van een arbeidsovereenkomst onder gezag.
Daarnaast constateren de leden van de BBB-fractie dat er onduidelijkheid is over de
wijze waarop de extra kosten in de verschillende domeinen (Wlz, Wmo, Zvw) worden opgevangen.
Voor de Wlz is een tijdelijke oplossing, voor de Wmo wordt eraan gewerkt, maar voor
de Zvw is nog niets geregeld. Waarom is er voor pgb-houders in de Zvw nog geen oplossing
voor de extra werkgeverslasten? Wanneer komt er duidelijkheid voor deze groep? Is
de regering bereid om te zorgen voor een overgangsregeling of structurele oplossing
voor álle pgb-houders, ongeacht het domein waaruit hun budget wordt verstrekt?
De regering is met de leden van de BBB-fractie van mening dat de zorgcontinuïteit
voor geen enkele budgethouder in de knel mag komen door dit wetsvoorstel; ongeacht
de wet waaronder de zorg ontvangen wordt. Voor de Wlz, Wmo en Jeugdwet heeft de regering
al maatregelen voor tijdelijke compensatie genomen. Ook zet de regering in op twee
lijnen voor de Zvw-pgb budgethouders:
1. Er wordt gerichte tijdelijke financiële ondersteuning vormgegeven voor budgethouders
die op dit moment bij de SVB bekend zijn. Deze ondersteuning is zoveel als mogelijk
gelijk aan die van de andere pgb wetten en in uitvoering is voordat de zorgcontinuïteit
in gevaar komt door tekorten op het budget; dus voor de zomer van 2026.
2. Voor de groep Zvw-budgethouders die in volledigheid niet bekend is bij publieke instanties
wordt de inwerkingtreding van het wetsvoorstel uitgesteld een bij koninklijk besluit
te bepalen datum. In deze periode zet de regering zich in bij inwerkingtreding om
voor deze budgethouders met Rdah overeenkomsten ook tijdelijke financiële ondersteuning
te bieden.
Tot slot constateren de leden van de BBB-fractie dat pgb-houders van hun zorgverzekeraar
te horen krijgen dat er geen compensatie komt voor de extra kosten, terwijl zij wel
geacht worden een goed werkgever te zijn en hun medewerkers een eerlijk loon te betalen.
Waarom verhogen zorgverzekeraars hun tarieven voor pgb-houders niet, ondanks de stijgende
werkgeverslasten? Welke afspraken zijn hierover gemaakt met zorgverzekeraars? Hoe
voorkomt de regering dat pgb-houders en hun zorgverleners de dupe worden van deze
situatie? Is de regering bereid om zorgverzekeraars aan te spreken op hun verantwoordelijkheid?
Het is aan zorgverzekeraars zelf om de maximale hoogte van informele tarieven in het
Zvw-pgb vast te stellen. Budgethouders hebben daarbij ook de keuze om hun zorgverlener
te contracteren voor een bedrag onder dat vastgestelde tarief. Deze keuzevrijheid
voor verzekeraars en budgethouders is wettelijk vastgelegd in de Zvw. Om deze groep
specifiek te helpen, zet de regering in op gerichte financiële ondersteuning zoals
ook in eerdere antwoorden is toegelicht.
De leden van de SGP-fractie zijn van mening dat de regering vooraf helderheid moet verschaffen over structurele
financiering van de extra kosten, oplopend tot 23 procent extra loonkosten, die gepaard
gaan met deze aanpassing van de regeling, terwijl tot nu toe vooral wordt verwezen
naar zorgkantoren, gemeenten en zorgverzekeraars ten aanzien van het verstrekken van
toereikende budgetten. Deze leden vragen daarom naar de meest actuele informatie ten
aanzien van de budgettaire consequenties voor de Wlz, Wmo, Jw en Zvw. In hoeverre
is de compensatie van de extra kosten dekkend? Is de regering bereid hierin de regie
te pakken? Gaat zij daarnaast bij zorgverzekeraars aandringen op compensatie van de
extra kosten? Er zijn intussen signalen dat zorgverzekeraars hiertoe niet bereid zouden
zijn en pgb-houders daarmee in de kou komen te staan.
De verwachting is dat de compensatie van de extra kosten voor een groot deel van de
betrokken budgethouders voldoende ruimte geeft om de zorgvraag op de juiste manier
in te vullen. VWS en de pgb-uitvoerders hebben nauw contact over de uitwerking van
het wetsvoorstel en hebben afgesproken om samen te zoeken naar oplossingen wanneer
dat nodig blijkt. Daarnaast wordt voor de Zvw onderzocht of en hoe voor deze groep
budgethouders compensatie geregeld kan worden. De regering zet daarbij in op de volgende
twee lijnen:
1. Er wordt gerichte tijdelijke financiële ondersteuning vormgegeven voor budgethouders
die op dit moment bij de SVB bekend zijn. Deze ondersteuning is zoveel als mogelijk
gelijk aan die van de andere pgb wetten en in uitvoering is voordat de zorgcontinuïteit
in gevaar komt door tekorten op het budget; dus voor de zomer van 2026.
2. Voor de groep Zvw-budgethouders die in volledigheid niet bekend is bij publieke instanties
wordt de inwerkingtreding van het wetsvoorstel uitgesteld een bij koninklijk besluit
te bepalen datum. In deze periode zet de regering zich in bij inwerkingtreding om
voor deze budgethouders met Rdah overeenkomsten ook tijdelijke financiële ondersteuning
te bieden.
De leden van de SGP-fractie vragen in hoeverre en in welke gevallen het risico bestaat
dat budgethouders kosten moeten voorschieten of zelfs helemaal zelf moeten opdraaien
voor betaling van de premies en werkgeverslasten. Deze leden achten dit onwenselijk.
De regering is het eens met de leden van de SGP-fractie en wil voorkomen dat budgethouders
zelf, uit eigen middelen, werkgeverskosten die uit het pgb voorvloeien moeten voorschieten
– of zelf moeten betalen. De regering wil met compensatie voorkomen dat dit risico
zich voordoet.
De leden van de SGP-fractie vragen in hoeverre in de vaststelling van de maximumuurtarieven
voor pgb van verstrekkers rekening wordt gehouden met deze aanpassing van regeling
dienstverlening aan huis en de bijbehorende kostencomponenten. Wordt dit ook een-op-een
doorvertaald? Is de regering bereid de pgb-tarieven voor overeenkomsten die vallen
onder deze regeling en waar nu het maximale tarief wordt toegepast, op te hogen met
een bedrag ter hoogte van de premies en werkgeverslasten die er nu bij komen als gevolg
van deze aanpassing?
De tariefstructuur die de leden van de SGP-fractie noemen, verschilt per wet. daarvoor
is gekozen om zo veel als mogelijk recht te doen aan de kenmerken en eigenschappen
binnen de respectievelijke wetten. De tarieven gelden voor alle zorgverleners in het
pgb, die met een arbeidsovereenkomst (ongeveer 24.500) en zonder een arbeidsovereenkomst
(ongeveer 121.000). De regering wil gericht de budgethouders helpen die geconfronteerd
worden met de premieplichten die volgen uit de wetswijziging. Daarom kiest zij ervoor
om niet generiek de tarieven te verhogen.
De leden van de SGP-fractie vragen naar de uitvoering van de motie-Diederik van Dijk/Bikker
over redelijke pgb-tarieven (Kamerstuk 25 657, nr. 373). Deze leden hebben vernomen dat er een gesprek heeft plaatsgevonden, maar dat er
geen actie wordt ondernomen op dit punt. Welke aanvullende stappen gaat de regering
zetten om toch tot redelijke tariefstelling te komen? Is zij bereid een onafhankelijk
onderzoek hiernaar in te stellen?
De beantwoording van de genoemde motie wordt meegenomen in de jaarlijkse stand-van-Zakenbrief
pgb en wordt binnenkort met uw Kamer gedeeld. In algemene zin zijn er geen signalen bij
zorgverzekeraars bekend dat Zvw-pgb budgethouders niet uitkomen met het door hen vastgestelde
informele tarief. Dat geldt ook voor de budgethouders die al langer onder het reguliere
arbeidsrecht vallen. Wel constateren we dat de overgang naar het reguliere arbeidsrecht
gevolgen heeft voor de groep budgethouders die voorheen onder de uitzondering vielen.
Voor deze specifieke groep wordt momenteel bezien welke opties er zijn voor passende
compensatie, zoals ook aangegeven in beantwoording op de eerdere vraag van de leden
van de SGP-fractie. Deze verkenning staat voor de regering los van een bredere discussie
over de hoogte van het tarief. Een eventuele heroverweging van de hoogte van het informele
tarief in algemene zin achten wij passend voor een volgend kabinet.
De leden van de SGP-fractie ontvangen graag inzicht in het aantal budgethouders per
zorgwet dat door deze regeling in de problemen komt als zij het vastgelegde uurloon
met hun zorgverlener handhaven en hierdoor het door de verstrekker vastgelegde maximumuurtarief
overschrijden wanneer zij daar bovenop nog werkgeverlasten moeten betalen.
Alleen binnen de Zvw mag het bedrag dat de budgethouder moet betalen aan loonkosten
en werkgeverspremies niet hoger zijn dan het maximumuurtarief van de zorgverzekeraar.
Voor de Wmo. Jeugdwet en Wlz geldt een andere systematiek waarin de werkgeverslasten
niet aan het maximumuurtarief is gekoppeld.
Bij de SVB zijn 512 budgethouders met een Zvw-budget bekend waarvoor het wetsvoorstel
aanpassing Rdah van toepassing is. Deze budgethouders kunnen in de problemen komen
indien op dit moment het vastgestelde uurloon met hun zorgverlener tussen de 80% en
100% ligt van het maximumuurtarief dat de verzekeraar heeft vastgesteld.
De omvang van de groep budgethouders met een Zvw-budget, die zich niet hebben aangemeld
bij de SVB, is niet bekend. Het aantal budgethouders dat in de problemen kan komen,
zal dan ook hoger liggen.
De leden van de SGP-fractie vragen de regering op hoeveel budgethouders en zorgverleners
deze voorgestelde wijzigingen betrekking hebben, uitgesplitst naar de verschillende
wettelijke regimes en typen zorgovereenkomsten.
Het wetsvoorstel aanpassing Rdah is alleen van toepassing op arbeidsovereenkomsten.
In onderstaande tabel is per wet aangegeven hoeveel budgethouders en zorgverleners
nu een arbeidsovereenkomst hebben die onder de Rdah valt. Dit betreffen aantallen
over 2024.
Telling 2024
Jeugdwet
Wlz
Wmo
Zvw
Totaal
Unieke budgethouders1
696
8.281
5.063
456
14.496
Unieke zorgverleners
1.034
16.572
5.863
1.000
24.469
Unieke zorgovereenkomsten
1.130
18.069
6.528
1.043
26.770
X Noot
1
Dit zijn alleen de cijfers voor de groep budgethouders die vrijwillig hun salarisadministratie
bij SVB hebben ondergebracht.
De leden van de SGP-fractie vernemen graag de totale kosten voor compensatie van alle
budgethouders die door afdracht van werkgeverslasten niet uitkomen en hun afgesproken
uurloon willen compenseren.
Het pgb wordt door budgethouders zelf ingekocht op basis van de zorgvraag. Daarbij
wordt bijvoorbeeld veel gebruik gemaakt van flexibele arbeidsovereenkomsten om flexibiliteit
in de zorgvraag op te vangen. Met dat gegeven is op voorhand niet te zeggen of en
hoeveel budgethouders niet binnen het budget uitkomen door de premieplichten. Daarom
heeft de regering gekozen voor generieke compensatie op basis van cijfers uit eerdere
jaren. In totaal is er vanaf 2026 € 17,2 miljoen structureel vrijgemaakt over de verschillende
wetten voor alle budgethouders met Rdah overeenkomsten. Hier komt de nieuw vorm te
geven compensatie voor Zvw-pgb budgethouders bij.
De leden van de SGP-fractie vinden de gang van zaken ten aanzien van dit wetsvoorstel
niet deugdelijk. Vanuit het Ministerie van SZW en SVB wordt richting budgethouders
gecommuniceerd alsof de wetswijziging reeds een voldongen feit is, terwijl het parlement
zich nog niet heeft uitgesproken over het voorstel. De regering zet de Kamer onder
druk middels een brief waarin wordt benadrukt dat er «geen pauzeknop is», de systemen
al zijn ingericht en er voor 1 januari niets meer kan worden teruggedraaid. Hoe reflecteert
de regering op deze gang van zaken? Waarom is niet meer tijd genomen voor de implementatie
van de uitvoering ná aanvaarding van het wetsvoorstel? Het is immers mogelijk dat
de wet nog wijzigt door amendering.
Zoals hiervoor is aangeven hecht de regering aan zorgvuldige behandeling van het wetsvoorstel.
In het belang van pgb-zorgverleners, pgb-houders en een goede uitvoering is het echter
van belang dat dit wetsvoorstel op 1 januari 2026 in werking kan treden, zoals ook
in de nota naar aanleiding van het verslag met uw Kamer is gedeeld en per Kamerbrief
op 6 november 2025 aan uw Kamer is toegelicht en in bijgaande aanbiedingsbrief nog
nader is onderbouwd.
De leden van de SGP-fractie vragen de regering puntsgewijs in te gaan op de stand
van zaken ten aanzien van de drie genoemde knelpunten binnen de pgb in de Stand van
de Uitvoering 2025 van de SVB: 1) administratieve last door werkgeverschap, 2) conflicterende
(arbeids)wetgeving en 3) de verschillende uitwerking van de vier zorgwetten waarbinnen
pgb mogelijk is. Wat is de ambitie van de regering op deze punten, en welke stappen
worden hiertoe momenteel concreet gezet?
De Staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg is verantwoordelijk voor de
goede uitvoering van het pgb. De Staatssecretaris richt zich binnen deze verantwoordelijkheid
onder andere op het wegnemen van de administratieve last die budgethouders ervaren
bij het werkgeverschap in het pgb. Daarbij is het doel om de eerste twee knelpunten
die de SVB beschrijft (zo veel als mogelijk) weg te nemen. Bij de uitwerking van mogelijke
oplossingen is, naast andere belanghebbenden, ook de SVB betrokken. De oplossingsrichting
die de SVB voorstelt, wordt in dit traject betrokken. Dit is ook toegelicht in de
Kamerbrief verzonden door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 3 juni
2025.1
De leden van de SGP-fractie lezen dat ervoor is gekozen in het verlengde van de rechterlijke
uitspraak over de verzekeringsplicht voor werknemersverzekeringen ook andere werkgeversverplichtingen
aan pgb-houders op te leggen, waardoor pgb-houders ook verantwoordelijk worden voor
de Wet flexibel werken, verlof, scholing, loondoorbetaling bij ziekte en ontslag.
Ook worden zij verplicht een salarisadministratie te voeren. De consequenties voor
budgethouders zijn daarmee verstrekkend, terwijl de regeling oorspronkelijk bedoeld
was om de administratieve lasten voor werkgevers te beperken. Waarom is hiervoor gekozen,
en wat verzet zich ertegen enkel de rechterlijke uitspraak ten aanzien van de verzekeringsplicht
op te volgen en de overige werkgeversverplichtingen achterwege te laten?
Het wetsvoorstel brengt de rechten van pgb-zorgverleners werkzaam op basis van een
arbeidsovereenkomst op doorgaans minder dan vier dagen per week in lijn met de rechten
van werknemers die niet onder de Rdah vallen, zowel in het kader van de sociale zekerheid
als in het kader van de overige rechten (te weten: loondoorbetaling ingeval van ziekte,
verlofregelingen, scholing, ontslag en de Wet flexibel werken (Wfw)) die in de Rdah
worden beperkt. Hoewel de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ziet op de uitzonderingsbepalingen
in de werknemersverzekeringen, zijn de argumenten uit de uitspraak naar de mening
van het kabinet eveneens van toepassing op de bepalingen uit de Rdah in het arbeidsrecht
waaronder die over het ontslagrecht en loondoorbetaling bij ziekte. Ook bij deze uitzonderingen
kan gesteld worden dat sprake is van ongeoorloofde discriminatie zonder geldige rechtvaardigingsgrond
in geval van pgb-zorgverlening op basis van een arbeidsovereenkomst van minder dan
vier dagen per week.
Het zou naar het oordeel van de regering juridisch niet goed uitlegbaar zijn om de
bepalingen uitzonderingen in het arbeidsrecht zoals ten aanzien van het ontslagrecht
en de loondoorbetalingsperiode bij ziekte te handhaven. Zo lopen ten aanzien van de
loondoorbetalingsperiode bij ziekte al ingewikkelde rechtszaken waarbij de huidige
periode van 6 weken die in het Burgerlijk Wetboek staat opgenomen ter discussie wordt
gesteld. Dit risico op rechtszaken zal ook ontstaan indien de uitzondering in het
ontslagrecht voor de pgb-zorgverleners onder de Rdah in stand blijft.
De leden van de SGP-fractie vragen waarom er niet voor is gekozen de oplossing voor
de rechterlijke uitspraak te zoeken aan de kant van de werknemers, bijvoorbeeld door
te kiezen voor een opt-in-systeem waarbij werknemers zelf kunnen kiezen of zij aanspraak
willen maken op werknemersrechten met bijbehorend aangepast uurtarief of niet.
De pgb-zorgverleners onder de Rdah zijn reeds werknemer. Dat wordt met dit wetsvoorstel
niet gewijzigd. Het wetsvoorstel schrapt enkel de specifieke uitzonderingen binnen
het arbeidsrecht, socialezekerheidsrecht en fiscaal recht die voor deze groep werknemers
gelden. Op grond van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep is een keuzeregime
waarschijnlijk niet toegestaan, omdat een uitzondering op de verzekeringsplicht voor
de werknemersverzekeringen voor deze groep werknemers niet is toegestaan. Daarom zorgen
de wijzigingen in het wetsvoorstel ervoor dat alle werknemers betaald uit een pgb
gelijk behandeld worden en recht op sociale zekerheid hebben.
De leden van de SGP-fractie maken zich zorgen over de toepassing van het reguliere
ontslagrecht op pgb-zorgverleners, aangezien het hier gaat om personen die persoonlijke
zorg verlenen aan de werkgever. Wat betekent dit concreet voor de keuzevrijheid en
eigen regie van de zorgvrager? In hoeverre blijft de mogelijkheid voor de budgethouder
eenzijdig een (arbeids)overeenkomst tussentijds te beëindigen op basis van het feit
dat er geen sprake is van een «klik» of om andere persoonlijke redenen? Als zorgvrager
ben je immers volledig afhankelijk van deze persoon. Daarnaast komen zorgverleners
ook vaak in de privésfeer van een budgethouder.
Zoals hiervoor is toegelicht wordt door het wetsvoorstel ook het ontslagrecht aangepast.
Het is voor budgethouders nu ook alleen toegestaan om een arbeidsovereenkomst te beëindigen
met een geldige (wettelijke) reden. Die reden kan bijvoorbeeld gelegen zijn in een
(ernstig en duurzaam) verstoorde arbeidsrelatie. De verandering is dat voor opzegging
van de arbeidsovereenkomst toestemming van UWV of instemming van een werknemer vereist
is en ontbinding via de kantonrechter verloopt. De mogelijkheid om een arbeidsovereenkomst
beëindigen met wederzijds goedvinden bestaat voor het wetsvoorstel al en blijft bestaan.
Deze nieuwe regels gelden overigens al voor pgb-zorgverleners met een arbeidsovereenkomst die doorgaans vier of meer dagen per week werken.
Tegelijkertijd is er begrip dat dit voor budgethouders wel voelt als een grote verandering.
De SVB biedt ondersteuning aan budgethouders middels de ingekochte rechtsbijstandverlening,
waar budgethouders ingeval van ontslag gebruik van kunnen maken. In de praktijk wordt
gekeken welke situatie ten grondslag ligt aan de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
Door de persoonlijke relatie wordt in de praktijk veelal volstaan met opzegging met
instemming van de zorgverlener. Indien er dan toch sprake is van een conflict wordt
rechtsbijstand aangeboden. Veelal leidt dit in de huidige praktijk tot een onderlinge
regeling.
Daarbij is het van belang op te merken dat de overwegingen die de leden van de SGP-fractie
meegeven ook meespelen in de rechtspraak. Door rechters wordt bij huidige rechtszaken
over ontslagen bij budgethouders ook meegewogen dat er niet enkel sprake is van een
arbeidsovereenkomst, maar ook van een zorgovereenkomst; namelijk dat de arbeid plaatsvindt
in de privéomgeving van de werkgever en dat de arbeid de persoonlijke zorg voor de
werkgever betreft.2 Rechters houden daar ook rekening mee bij de beoordeling of er sprake is van een
redelijke grond.3
De leden van de SGP-fractie vernemen dat een heel aantal personen nog niet op de hoogte
is van de aanpassing van de regeling. Hoe worden deze budgethouders op korte termijn
benaderd en geïnformeerd?
Vanaf het voorjaar 2025 is de regering gestart met de communicatie rondom deze wetswijziging.
Dit gebeurde gefaseerd en in samenwerking en afstemming met alle verstrekkers, ketenpartners
en Per Saldo. Budgethouders met Rdah overeenkomsten zijn vanaf juni per zorgwet persoonlijk
aangeschreven om te informeren over de afschaffing van de Rdah. ZN heeft hun achterban
ook nog extra geïnformeerd via brieven en de VNG via een forum voor gemeenten.
Daarnaast geeft Per Saldo, in samenwerking met VWS, diverse webinars en bijeenkomsten
over de wetswijziging. Ook op Rijksoverheid.nl, het PGP Portaal en websites van de
SVB en verstrekkers wordt informatie gegeven over het voorgenomen beleid.
In de Zvw hebben budgethouders de keuze om zich te laten ondersteunen door de SVB.
Een deel van deze budgethouders heeft hier niet voor gekozen en is niet bekend bij
publieke organisaties. Om die groep te bereiken wordt er informatie via (online) platforms
gedeeld door alle ketenpartners en verstrekkers. Daarnaast wordt deze wetswijziging
meegenomen bij huisbezoeken die zorgverzekeraars doen.
Budgethouders die geen Rdah overeenkomsten hebben zijn niet persoonlijk benaderd.
Met algemene communicatie wordt uitgelegd dat deze wijzigingen alleen betrekking hebben
op arbeidsovereenkomsten onder de Rdah.
De Nederlandse Zorgautoriteit (NZA) heeft aangegeven zich zorgen te maken over de
continuïteit van zorg voor budgethouders en het in het gedrang komen daarvan als zorgverleners
geen lager loon accepteren en ontslag nemen als gevolg van deze regeling. Wat is de
reactie van de regering op deze zorgen van de zorgautoriteit? Deze leden van de SGP-fractie
verzoeken de regering de NZA om een uitgebreide reactie te vragen op de voorgestelde
wijzigingen en deze reactie met de Kamer te delen.
De regering erkent dat het onwenselijk is dat zorgcontinuïteit in het gedrang komt.
Daarom wordt ook voor budgethouders in het Zvw-pgb voorzien in compensatie en waar
nodig een latere inwerkingtreding van het wetsvoorstel omdat niet alle Zvw-budgethouders
bekend zijn bij de publieke instanties. De regering neemt daarbij contact op met de
NZa over de voorgestelde richting en zal de reactie van de NZa met de Kamer delen.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben ook vragen over de impact die voorliggend wetsvoorstel heeft voor pgb-budgethouders.
Er is onduidelijkheid en onzekerheid over de toereikendheid van het budget. Op welke
wijze denkt de regering dat pgb-budgethouders de werkgeverslasten moeten dragen zonder
verhoging van het budget? Waarom is er een verschil bij de implementatie rond financiering
van voorliggend wetsvoorstel? Is het correct dat er voor de Wlz in ieder geval wel
een overgangsregeling is gefaciliteerd, maar voor de andere wettelijke kaders niet?
Waarom is hiervoor gekozen? Hoe verwacht de regering dat budgethouders kunnen voldoen
aan de wet wanneer hun budget niet wordt verhoogd?
Het pgb kan gebruikt worden onder verschillende wetten die verschillend worden uitgevoerd.
De regering heeft met respect voor deze uitvoering passende compensatie vormgegeven,
of is dat aan het doen. In de Wlz betekent dat er in nauw overleg met zorgkantoren
extra middelen voor budgethouders zijn vrijgemaakt. Gemeenten geven zelf invulling
aan de uitvoering van het pgb en hebben autonomie om daarbij zelf te bepalen hoe zij
budgethouders ondersteunen. en hebben daartoe extra financiële ruimte gekregen. Wel
zijn gemeenten gecompenseerd via een algemene uitkering in het Gemeentefonds. In het
Zvw-pgb zijn zorgverzekeraars verantwoordelijk voor het toekennen van het budget.
Zij hebben geen wettelijke ruimte om buiten het maximumtarief compensatie vorm te
geven. Daarom werkt de regering een aparte oplossing voor het Zvw-pgb uit; zodat budgethouders
zekerheid hebben dat zij aan de premieplicht kunnen voldoen bij inwerkingtreding van
het wetsvoorstel.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of gemeenten financieel gecompenseerd
worden voor inwerkingtreding van voorliggend wetsvoorstel. Zo nee, waarom niet? Deze
leden vragen vervolgens hoe de regering verwacht dat gemeenten uitvoering kunnen geven
aan voorliggend wetsvoorstel (om de pgb tarieven noodzakelijkerwijs te verhogen).
Gemeenten zijn bij Voorjaarsnota 2025 via een algemene uitkering in het Gemeentefonds
gecompenseerd voor de verwachte extra kosten die de premieafdrachten met zich meebrengen.
Conform uitvoering van het pgb door gemeenten, hebben zij zelf de vrijheid om invulling
te geven aan de ondersteuning die zij budgethouders bieden. De regering werkt daarbij
samen met de VNG om gemeenten een kader te bieden en voorkomende vragen te beantwoorden.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of het klopt dat pgb-budgethouders pas zeer recent zijn geïnformeerd over de wijzigingen die per 1 januari aanstaande
in zouden moeten gaan. Deze leden vragen of de regering tevreden is met deze communicatie.
Zijn pgb-budgethouders naar oordeel van de regering voldoende geïnformeerd én hebben
ze voldoende handelingsperspectief om te kunnen voldoen aan de wet?
Vanaf maart 2025 is de regering gestart met de communicatie rondom deze wetswijziging.
Dit gebeurde gefaseerd en in samenwerking en afstemming met alle verstrekkers, ketenpartners
en Per Saldo. Budgethouders met Rdah overeenkomsten zijn vanaf juni per zorgwet persoonlijk
aangeschreven om te informeren over de afschaffing van de Rdah. ZN heeft hun achterban
ook nog extra geïnformeerd via brieven en de VNG via een forum voor gemeenten.
Daarnaast geeft Per Saldo, in samenwerking met VWS, diverse webinars en bijeenkomsten
over de wetswijziging. Ook op Rijksoverheid.nl, het PGP Portaal en websites van de
SVB en verstrekkers wordt informatie gegeven over het voorgenomen beleid.
In de Zvw hebben budgethouders de keuze om zich te laten ondersteunen door de SVB.
Een deel van deze budgethouders heeft hier niet voor gekozen en is niet bekend bij
publieke organisaties. Om die groep te bereiken wordt er informatie via (online) platforms
gedeeld door alle ketenpartners en verstrekkers. Daarnaast wordt deze wetswijziging
meegenomen bij huisbezoeken die zorgverzekeraars doen.
Budgethouders die geen Rdah overeenkomsten hebben zijn niet persoonlijk benaderd.
Met algemene communicatie wordt uitgelegd dat deze wijzigingen alleen betrekking hebben
op arbeidsovereenkomsten onder de Rdah.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of zowel de SVB, zorgverzekeraars, de
zorgkantoren en gemeenten in staat zijn om de wet per 1 januari aanstaande uit te
voeren. Is de informatie correct dat er voor gemeenten nog geen implementatie-instructie
is gefaciliteerd door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG)? Deze leden vragen
of implementatie per 1 januari aanstaande realistisch dan wel haalbaar is.
De Ministeries van SZW en VWS hebben sinds de uitspraak van de CRvB alle pgb verstrekkers
en de SVB nauw betrokken bij de ontwikkelingen rond het gebruik van Rdah in het pgb.
Door de intensieve samenwerking, is het vertrouwen bij de regering dat alle betrokken
instanties klaar zijn voor de uitvoering van het wetsvoorstel.
Specifiek vragen de leden van de ChristenUnie-fractie naar de informatie die verschaft
is aan gemeenten. De VNG heeft in samenwerking met het Ministerie van VWS uitgebreide
informatie beschikbaar gesteld. Dit is zowel in de vorm van documentatie, als webinars
en mondelinge informatieverstrekking. Gemeenten kunnen op dit moment ook de VNG benaderen
voor nadere informatie. De VNG kan op elk moment ook het Ministerie van VWS om verduidelijking
vragen.
De leden van de SP-fractie stellen vast dat het doorvoeren van deze essentiële verbetering vertraagd wordt door
het feit dat de tarieven niet voor alle zorgwetten worden verhoogd om de hiermee gepaard
gaande werkgeverslasten te kunnen betalen. Dat betekent dat dit de situatie dreigt
te creëren dat de uitbreiding van de sociale zekerheid zou leiden tot de keuze tussen
minder zorg voor de pgb-houder of een lager loon of zelfs baanverlies voor zorgverleners.
Dat is een onacceptabele situatie, die bovendien simpelweg voorkomen kan worden door
de tarieven te verhogen, zodat de werkgeverslasten hieruit betaald kunnen worden.
De leden van de SP-fractie willen daarom antwoord op de volgende belangrijke vragen.
Wat gaat de regering doen om ervoor te zorgen dat zorgverleners toegang krijgen tot
de sociale zekerheid die zij verdienen, zonder dat dit ten koste gaat van de positie
van pgb-houders en/of de baanzekerheid en het inkomen van zorgverleners? Is de regering
bereid om ervoor te zorgen dat de tarieven hiervoor verhoogd worden? Gaat de regering
hiervoor geld vrijmaken op de begroting en wordt er gezorgd dat de zorgverzekeraars
hun verantwoordelijkheid nemen waar nodig?
De regering heeft bij Voorjaarsnota 2025 geld vrijgemaakt voor de specifieke compensatie
van betrokken budgethouders. Op deze manier wil de regering continuïteit van zorg
garanderen. Omdat maar een deel van de zorgverleners, ongeveer 26.000 van de totaal
147.000 zorgverleners, onder een Rdah overeenkomst werkt, heeft de regering gekozen
niet de maximum pgb tarieven generiek te verhogen.
5. Financiële gevolgen voor het Rijk
De leden van de CDA-fractie constateren dat het Ministerie van VWS belast is met de taak om zorg te dragen dat
de verschillende verstrekkers van pgb-budgetten (zorgkantoren, gemeenten en zorgverzekeraars)
voldoende ruimte hebben om toereikende budgetten te verstrekken. Deze leden vragen
hoe het Ministerie van VWS ervoor gaat zorgen dat er na dit wetsvoorstel voldoende
ruimte is om toereikende budgetten te verstrekken.
De regering wil voorkomen dat benodigde zorg onder druk komt te staan door de gerechtelijke
uitspraak en daaropvolgend voorliggende wetsvoorstel. Tegelijkertijd wil de regering
benadrukken dat de keuze voor besteding van het persoonsgebonden budget aan de budgethouder
is. Dat betekent dat niet elke budgethouder met een overeenkomst onder de Rdah, alleen
dat soort overeenkomsten gebruikt. Maar voor de budgethouders in de Wlz, Wmo en de
Jeugdwet met een zorgverlener met een arbeidsovereenkomst die nu nog onder de Rdah
valt, heeft de regering aanvullende middelen beschikbaar gesteld wanneer het budget
niet voldoende ruimte biedt. Voor de Zvw ligt dit ingewikkelder, omdat er in de Zvw
sprake is van een privaatrechtelijke overeenkomst tussen verzekeraar en budgethouder.
Verder zijn de (arbeids)overeenkomsten tussen de budgethouder en de zorgverlener niet
bekend bij een uitvoeringsorganisatie. Naar aanleiding van de vragen die gesteld zijn,
wordt onderzocht of en hoe er voor deze groep budgethouders toch compensatie kan geregeld
worden in twee lijnen:
1. Er wordt gerichte tijdelijke financiële ondersteuning vormgegeven voor budgethouders
die op dit moment bij de SVB bekend zijn. Deze ondersteuning is zoveel als mogelijk
gelijk aan die van de andere pgb wetten en in uitvoering is voordat de zorgcontinuïteit
in gevaar komt door tekorten op het budget; dus voor de zomer van 2026.
2. Voor de groep Zvw-budgethouders die in volledigheid niet bekend is bij publieke instanties
wordt de inwerkingtreding van het wetsvoorstel uitgesteld een bij koninklijk besluit
te bepalen datum. In deze periode zet de regering zich in bij inwerkingtreding om
voor deze budgethouders met Rdah overeenkomsten ook tijdelijke financiële ondersteuning
te bieden.
6. Consultatie, adviezen en uitvoering
De leden van de PVV-fractie vragen hoeveel geld de regering schat dat de komende jaren structureel verloren zal
gaan door fraude en misbruik binnen het pgb.
Op 3 oktober jl. informeerden de bewindspersonen van VWS uw Kamer over de extra middelen
voor de aanpak van zorgfraude. Zij schreven Uw Kamer in deze brief ook dat de genoemde
tien miljard aan zorgfraude een schatting is waar geen sluitende onderbouwing voor
is, maar dat het helaas duidelijk is dat het om veel geld gaat. Ook ten aanzien van
de omvang van zorgfraude in specifiek het pgb-domein is geen schatting te geven.
De leden van de PVV-fractie vragen hoeveel fraudezaken met betrekking tot het pgb
de SVB in de jaren 2020, 2021, 2022, 2023 en 2024 heeft onderzocht, hoeveel zaken
hebben geleid tot terugvordering en/of aangifte, en wat het totale teruggevorderde
of bespaarde bedrag was.
De SVB heeft niet de wettelijke taak tot handhaving en onderzoek ten aanzien van fraude
en derhalve niet zelf de bevoegdheid om onderzoek te doen naar fraude of misbruik.
Deze taken zijn bij de budgetverstrekkers belegd. Data over aantallen onderzochte
zaken en teruggevorderde bedragen heeft de SVB dan ook niet beschikbaar.
De SVB deelt wel signalen die mogelijk duiden op misbruik of oneigenlijk gebruik met
de verstrekkers van het pgb. Op verzoek van verstrekkers kan de SVB ook betalingen
opschorten voor de maximale duur van 13 weken. Daarnaast beantwoordt de SVB-informatieverzoeken
van bevoegde toezichthouders.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de SVB in de uitvoeringstoets stelt dat de uitvoeringslasten van dit wetsvoorstel
zonder meer ten koste zullen gaan van andere significante projecten op het zorgdomein.
Deze leden vragen welke afspraken er zijn gemaakt met de SVB over prioritering van
de desbetreffende projecten en of het Ministerie van VWS hierin betrokken is geweest.
Het Ministerie van VWS voert op regelmatige basis overleg met de SVB over de prioriteiten.
Dit is onderdeel van de reguliere gang van zaken waarbij de SVB taken in opdracht
van het Ministerie van VWS uitvoert. In uitvoeringstoetsen geeft de SVB aan dat het
uitvoeren van een bepaalde opdracht impact kan hebben op de eerder vastgestelde prioriteitenlijst.
Dit wordt meegewogen in het reguliere overleg hierover.
De SVB heeft in haar uitvoeringstoets aangegeven dat de implementatie van het wetsvoorstel
een behoorlijke impact zou hebben op de (IT-)ontwikkelcapaciteit en dat indien tot
implementatie van het wetsvoorstel wordt besloten er zich verdringingseffecten voor
zouden doen op andere trajecten. De Staatssecretaris van Maatschappelijke en Langdurige
Zorg heeft destijds besloten dit wetsvoorstel met de hoogste prioriteit op te pakken,
omdat de rechtszekerheid van budgethouders en zorgverleners van groot belang is. Als
gevolg daarvan konden er in 2025 geen nieuwe gemeenten aansluiten op het PGB2.0 systeem
en was er ook geen ontwikkelcapaciteit meer beschikbaar voor de implementatie van
andere beleidsvoorstellen, zoals bijvoorbeeld de voorgenomen beëindigingsvergoedingen.
Voldoen aan wet- en regelgeving heeft in de uitvoering pgb de hoogste prioriteit wanneer
er afwegingen worden gemaakt tussen verschillende trajecten. Dit omdat de rechtszekerheid
van budgethouders en zorgverleners belangrijk is. Daarom heeft de Staatssecretaris
voor Maatschappelijke en Langdurige Zorg besloten, in overleg met de SVB en het Ministerie
van SZW, dit traject met de hoogste prioriteit op te pakken.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering het belang van goede klantcommunicatie
rondom het wetsvoorstel onderkent. Deze leden hebben signalen ontvangen dat de communicatie
richting pgb-houders het wetsvoorstel niet op orde is, bijvoorbeeld dat groepen pgb-houders
pas in november 2025 geïnformeerd zijn over zeer ingrijpende wijzigingen die in januari
2026 in werking zouden treden. Herkent de regering dit beeld? Is de regering van mening
dat er voldoende tijd is voor budgethouders om voor te bereiden op de wetswijziging
per 1 januari 2026?
Vanaf het voorjaar 2025 is de regering gestart met de communicatie rondom deze wetswijziging.
Dit gebeurde gefaseerd en in samenwerking en afstemming met alle verstrekkers, ketenpartners
en Per Saldo. Budgethouders met Rdah overeenkomsten zijn vanaf juni per zorgwet persoonlijk
aangeschreven om te informeren over de afschaffing van de Rdah.
Daarnaast geeft Per Saldo, in samenwerking met VWS, diverse webinars en bijeenkomsten
over de wetswijziging. Ook op Rijksoverheid.nl, het PGP Portaal en websites van de
SVB en verstrekkers wordt informatie gegeven over het voorgenomen beleid.
In de Zvw hebben budgethouders de keuze om zich te laten ondersteunen door de SVB.
Een deel van deze budgethouders heeft hier niet voor gekozen en is niet bekend bij
publieke organisaties. Om die groep te bereiken wordt er informatie via (online) platforms
gedeeld door alle ketenpartners en verstrekkers. Daarnaast wordt deze wetswijziging
meegenomen bij huisbezoeken die zorgverzekeraars doen.
Budgethouders die geen Rdah overeenkomsten hebben zijn niet persoonlijk benaderd.
Met algemene communicatie wordt uitgelegd dat deze wijzigingen alleen betrekking hebben
op arbeidsovereenkomsten onder de Rdah.
De leden van de CDA-fractie lezen dat gemeenten aangeven hierbij nadere ondersteuning
(vanuit VNG) nodig te hebben voor het bespreken en toetsen van de pgb-vaardigheid
van huidige en potentiële budgethouders. Deze leden constateren dat de voorgestelde
wetswijziging pgb-houders positioneert als volwaardig werkgevers en daarmee aanzienlijk
meer vaardigheden van een budgethouder vraagt. Deze leden vragen of de regering er
rekening mee gehouden heeft wat dit betekent voor de werkdruk van de gemeenten. Kan
de regering hierop reflecteren en welke ondersteuning is daar voor gemeenten voorhanden?
Verder vragen deze leden ook of de regering het eens is met de inschatting van deze
leden dat het instrument pgb minder bereikbaar wordt voor potentiële en bestaande
budgethouders. In hoeverre heeft de regering de gevolgen hiervan in beeld? En, indien
het instrument inderdaad onbereikbaar wordt voor bestaande budgethouders, wie is er
dan verantwoordelijk voor het vinden van een geschikte oplossing?
De regering vindt het belangrijk dat gemeenten goed toegerust zijn op hun taak als
pgb-verstrekker. Daarom heeft de regering de SVB de wettelijke taak gegeven budgethouders
te ondersteunen bij het werkgeverschap. De SVB adviseert en ondersteunt alle budgethouders
die bij gemeenten een pgb hebben en werkgever zijn. Op deze manier is de verwachting
van de regering dat er minimale toename is van werkdruk bij gemeenten. En door de
uitgebreide ondersteuning van de SVB is ook de verwachting dat alle betrokken budgethouders
de extra taken als werkgever goed kunnen invullen.
De leden van de SGP-fractie lezen in de uitvoeringstoets van SVB dat gewaarschuwd wordt voor het risico dat budgethouders
onvoldoende budget overhouden als gevolg van dit wetsvoorstel. De inschatting is zelfs
dat voor ongeveer de helft van de budgethouders het tarief niet toereikend is. Consequentie
zou kunnen zijn dat men dit gaat betalen uit eigen middelen, er minder zorg wordt
inkocht of het tarief van de zorgverlener wordt verlaagd. In hoeverre acht de regering
deze consequenties wenselijk?
De regering vindt de door de SVB geschetste risico’s onwenselijk daarom heeft zij
compensatie vormgegeven en is zij dat aan het doen voor budgethouders met een Zvw-pgb
die bij de SVB bekend zijn.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben vragen over de implementatie van het wetsvoorstel. Deze leden vragen allereerst
waarom gekozen is voor een datum van inwerkingtreding van 1 januari 2026. Waarom heeft
de regering er niet voor gekozen om het wetsvoorstel pas in werking te laten treden
een halfjaar na goedkeuring door het parlement? Erkent de regering dat er op die manier
ruimte was geweest voor zorgvuldige implementatie zonder (oneigenlijke) druk op het
parlement om het wetsvoorstel snel te behandelen? Erkent de regering dat met deze
inwerkingtredingsdatum de druk op het parlement om het wetsvoorstel met spoed goed
te keuren de wetgevende rol van het parlement bagatelliseert? Zo nee, waarom niet?
De regering verwijst naar de beantwoording van de vragen van de ChristenUnie-fractie
eerder in dit verslag. Vanwege de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep dat er
hier sprake is van indirecte discriminatie en strijd met Europees recht, is het noodzakelijk
om dit wetsvoorstel zo snel als mogelijk in te laten gaan. Vorig jaar werd uit de
uitvoeringstoetsen duidelijk dat 1 januari 2026 de kortst mogelijke inwerkingtredingsdatum
was, mede vanwege de grootschalige systeemaanpassingen, en de noodzaak om budgethouders
zo goed mogelijk te informeren en tijd te geven zich aan te passen. Mede vanwege het
verloop van de behandeling van het wetsvoorstel is er helaas minder tijd voor de parlementaire
behandeling. Natuurlijk staat de regering er voor open om eventuele aandachtspunten
van de zijde van de Kamer mee te nemen en mogelijkerwijs een plek te geven in deze
nieuwe wet.
Tegelijkertijd benadrukt de regering dat de basis van dit wetsvoorstel het schrappen
van indirecte discriminatie voor pgb-zorgverleners betreft, hetgeen noodzakelijk is
vanuit een rechterlijke uitspraak in hoogste instantie. Daarbij is juist gekozen voor
een snelle aanpassing van de ICT-systemen om de betrokken budgethouders juist zo goed
mogelijk te ondersteunen in de nieuwe taken die eraan komen. Over de wijzigingen zijn
budgethouders, waar nodig persoonlijk, ook sinds afgelopen zomer geïnformeerd.
Het kabinet erkent daarbij dat een volledige parlementaire behandeling voor 1 januari
2026 zeer krap is. Daarom, ook om zekerheid te bieden aan de betrokken burgers en
uitvoerders en ruimte te bieden in het parlementair proces, heeft het kabinet tevens
besloten om terugwerkende kracht aan het wetsvoorstel toe te voegen. Op deze manier
wordt ook voorkomen dat burgers en uitvoeringsinstanties in allerijl alle gedane wijzigingen
terug moeten draaien. Zoals aangegeven is dit ook in veel gevallen niet meer mogelijk.
In de brief is aangegeven dat het kabinet zich realiseert dat dit niet de schoonheidsprijs
verdient.
De leden van de ChristenUnie-fractie zijn dan ook ontstemd over de volgende passage
in de brief van de Minister van 6 november jongstleden (Kamerstuk 36 744, nr. 7): «Om de beoogde inwerkingtreding per 1 januari 2026 te halen, hebben de uitvoeringsorganisaties
SVB en UWV reeds belangrijke stappen gezet. ICT-processen zijn hierop ingericht en
alle budgethouders en zorgverleners zijn (noodzakelijkerwijs) reeds geïnformeerd over
de voorgenomen wetswijziging. Als de parlementaire behandeling niet vóór 1 januari
2026 is afgerond en het wetsvoorstel niet uiterlijk 31 december 2025 in het Staatsblad
is geplaatst, kunnen er grote problemen ontstaan bij pgb-zorgverleners, pgb-budgethouders
én de uitvoerders die zich nu aan het voorbereiden zijn om de overstap per 1 januari
2026 te kunnen maken. Wat betreft de uitvoering door de SVB van het pgb betekent dit
dat de IT-systemen zijn omgezet. Daarbij zijn ook de benodigde functionaliteiten om
de wet per 1 januari 2026 uit te kunnen voeren opgeleverd. Er bestaat geen «pauze-knop»,
wat betekent dat indien de Wet aanpassing Rdah later inwerking treedt de overeenkomsten
weer teruggezet moeten worden en functionaliteiten teruggedraaid moeten worden. Dit
is niet meer mogelijk vóór 1 januari, in ieder geval niet voor een groot gedeelte
van de systemen». Naar het oordeel van de leden van de ChristenUnie-fractie gaat deze
passage (en de implementatie acties die reeds zijn ondernomen door de SVB) voorbij
aan de parlementaire verantwoordelijkheid voor wetgeving. De Tweede (en Eerste) Kamer
zijn geen stempelmachine. Erkent de regering dat deze werkwijze uiterst ongelukkig
is en geen recht doet aan de wetgevende verantwoordelijkheid van het parlement? Hoe
had dit voorkomen kunnen worden?
De regering erkent dat de werkwijze ongelukkig is, maar zag zich genoodzaakt zo snel
als mogelijk gevolg te geven aan de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Daarom
is eerder begonnen met het implementeren van de systemen.
7. Evaluatie
II Artikelsgewijze toelichting
Deze nota wordt verzonden mede namens de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
M.L.J. Paul
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M.L.J. Paul, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.