Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Patijn over “risico’s op schijnconstructies bij gemeenten via zzp-opdrachten"
Vragen van het lid Patijn (GroenLinks-PvdA) aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over risico’s op schijnconstructies bij gemeenten via zzp-opdrachten (ingezonden 14 november 2025).
Antwoord van Minister Paul (Sociale Zaken en Werkgelegenheid), mede namens de Staatssecretaris
van Financiën (ontvangen 8 december 2025)
Vraag 1
Herkent u het beeld dat geschetst wordt in het Financieele Dagblad1 dat gemeenten vacatures voor opdrachten aanbieden waarbij geïnteresseerden kunnen
kiezen om deze als gedetacheerde in loondienst te doen, of als zelfstandigen zonder
personeel (zzp’er)?
Antwoord 1
Ik heb kennisgenomen van het artikel en de daarin beschreven voorbeelden. Tot nu toe
zijn mij geen signalen bekend in hoeverre dit een wijdverspreid fenomeen is.
Vraag 2
In hoeverre deelt u de opvatting van de FNV en CNV dat dit soort hybride constructies
schijnzelfstandigheid in de hand werken?
Antwoord 2
Organisaties, met inbegrip van (decentrale) overheden, beoordelen zelf of een bepaalde
functie op grond van wet- en regelgeving kan worden gedaan door een zelfstandige.
Het is voorstelbaar dat bepaalde werkzaamheden door een zelfstandige of een werknemer
kunnen worden uitgevoerd. Dat is ook bevestigd door de Hoge Raad in antwoord op prejudiciële
vragen in de Uber-zaak. Dat kan bijvoorbeeld zo zijn als bepaalde samenwerkingen anders
worden ingericht afhankelijk van de arbeidsverhouding die tussen partijen tot stand
komt. Dergelijke vacatures werken schijnzelfstandigheid dus niet noodzakelijkerwijs
in de hand.
Aan de andere kant herken ik wel het risico dat de vakbonden beschrijven. Als een
organisatie een opdracht voor een zelfstandige en een werknemer op exact dezelfde
wijze invult, dan vormt dat inderdaad een nadrukkelijk risico op schijnzelfstandigheid.
Dat is echter op grond van een vacaturetekst niet te beoordelen. Het is daarom van
belang dat de inhurende organisatie goed beoordeelt welke arbeidsverhouding tot stand
komt, hoe die in de praktijk vorm krijgt en hoe die zich over tijd ontwikkelt om schijnzelfstandigheid
te voorkomen.
Vraag 3
Deelt u de opvatting dat de overheid het goede voorbeeld dient te geven aangaande
schijnzelfstandigheid, zeker met de opheffing van het handhavingsmoratorium? Zo ja,
op welke manier gaat u zorgen dat overheden schijnzelfstandigheid en daaraan grenzende
constructies terugdringen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 3
De overheid moet zich, net als alle andere organisaties, aan de wet houden. Ook moeten
alle overheidsorganisaties zich bewust zijn van het risico dat ze lopen als ze een
zelfstandige inhuren voor vacatures waarvan het duidelijk is dat die niet door een
zelfstandige kan worden uitgevoerd, of daar vraagtekens bij te plaatsen zijn. In de
eerstbedoelde situatie is het aan de overheidsorganisatie om deze werkende een arbeidsovereenkomst
aan te bieden of de samenwerking te beëindigen. In de laatstbedoelde situatie kunnen
(overheids-)organisaties maatregelen nemen om schijnzelfstandigheid te voorkomen,
bijvoorbeeld door de samenwerking anders vorm te geven of (vaker) te evalueren of
er in de praktijk ook daadwerkelijk als zelfstandige wordt gewerkt.
De opheffing van het handhavingsmoratorium heeft overigens niet geleid tot een wijziging
in de wet- en regelgeving ten aanzien van de kwalificatie van de arbeidsrelaties.
Ook voor de opheffing van het handhavingsmoratorium dienden (overheids-)organisaties
zich aan wet- en regelgeving te houden.
Het kabinet vindt het van groot belang dat de rijksoverheid het goede voorbeeld geeft
als het gaat om de aanpak van schijnzelfstandigheid en zorgt voor een snelle afbouw
van het aantal (potentieel) schijnzelfstandigen naar nul, uiterlijk per 1 januari
2026. Daarbij vindt het kabinet ook dat het onwenselijk is als overheidsorganisaties
zzp’ers categorisch zouden uitsluiten van bepaalde opdrachten zonder dat daarvoor
aanleiding is.
Om ook breder organisaties en werkenden bewust te maken van wanneer gewerkt kan worden
met of als zelfstandige(n), en wanneer sprake is van schijnzelfstandigheid, loopt
sinds 24 november en tot 21 december het tweede deel van de publiekscampagne «ZZP
ja of nee». In deze campagne wordt ook handelingsperspectief geboden wanneer sprake
is van schijnzelfstandigheid. De campagne bestaat onder meer uit advertenties op sociale
media, radiospotjes bij radiozenders en podcasts, en het plaatsen van artikelen op
nieuwssites. Conform de motie Aartsen (VVD) c.s.2 heeft het kabinet ook aandacht voor wanneer wél als zelfstandige gewerkt kan worden.
Ook in gesprekken met de markt, bij voorlichtingsbijeenkomsten en webinars is er vanuit
het Ministerie van SZW en de Belastingdienst enerzijds aandacht voor de risico’s van
schijnzelfstandigheid en anderzijds voor wat wél kan als zelfstandige, om onnodige
terughoudendheid bij opdrachtgevers te voorkomen. Ook na 1 januari 2026 zullen het
Ministerie van SZW en de Belastingdienst voorlichting blijven geven. Daarbij kunnen
ook praktijkvoorbeelden worden toegevoegd aan hetjuistecontract.nl.
Vraag 4
Heeft u een beeld van het aantal gemeenten dat het risico op schijnzelfstandigheid
niet op orde heeft? Zo ja, kunt u dit met de Kamer delen? Zo nee, bent u bereid dit
in kaart te brengen?
Antwoord 4
Decentrale overheden gaan zelf over hun personeels-, inhuur- en inkoopbeleid. Er wordt
niet centraal bijgehouden in hoeverre gemeenten het risico op schijnzelfstandigheid
op orde hebben. Ook de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG) houdt dit
niet bij.
De VNG ondersteunt gemeenten uiteraard wel bij het tegengaan van schijnzelfstandigheid
door voorlichting, onder andere in de vorm van webinars die hebben plaatsgevonden
in samenwerking met de Belastingdienst en het Ministerie van SZW.
Vraag 5
In hoeverre ziet u gemeentelijke flex-pools als oplossing voor detacherings- en zzp-constructies,
en welke rol ziet u voor zichzelf in het realiseren daarvan?
Antwoord 5
Decentrale overheden gaan zelf over hun personeels-, inhuur- en inkoopbeleid. Het
is dus aan gemeenten zelf om te beoordelen of flexpools een oplossing kunnen zijn
voor de personeelsvraag waarvoor zij zich gesteld zien. Van verschillende gemeenten
is bekend dat zij met een dergelijke flexpool werken. De VNG heeft een «handreiking
flexibele arbeidsinzet gemeentelijke sector» op haar website geplaatst, waarin voor
gemeenten de wetgeving en mogelijkheden op een rij zijn gezet. Het is aan gemeenten
zelf om hier keuzes in te maken.
Vraag 6
Kunt u het gesprek aan gaan met VNG om tot oplossing te komen?
Antwoord 6
Er zijn goede contacten met de VNG over het tegengaan van schijnzelfstandigheid. Het
kabinet blijft in gesprekken, zoals met de VNG, aandacht besteden aan schijnzelfstandigheid,
maar ook aan wat er wél mogelijk is buiten dienstbetrekking. Niettemin gaan decentrale
overheden zelf over hun personeels-, inhuur- en inkoopbeleid. Het is van belang dat
zij daarbij kennisnemen van de eerdergenoemde «handreiking flexibele arbeidsinzet
gemeentelijke sector» van de VNG.
Vraag 7
Kunt u aangeven of de Belastingdienst in zijn prioriteitstelling ook bij gemeente
extra controleert, of naar aanleiding van het eerdergenoemde FD-artikel voornemens
is om dit te doen? Waarom wel of niet?
Antwoord 7
Schijnzelfstandigheid komt in alle sectoren voor. Daarom handhaaft de Belastingdienst
risicogericht. De Belastingdienst zal bij het toezicht gebruik maken van alle mogelijke
signalen. Risico’s die daaruit voortvloeien, kan de Belastingdienst afhankelijk van
de prioritering in behandeling nemen. Overigens heeft het kabinet in diverse Kamerbrieven
over het werken met en als zelfstandige(n) aangegeven dat ook de rijksoverheid als
opdrachtgever zelf actiever aan de slag moet gaan met de verdere beheersing van de
processen rondom het werken met zelfstandigen. Daarom zal de Belastingdienst in 2026
extra aandacht geven aan overheidsorganisaties: goed voorbeeld doet goed volgen. Dit
is ook opgenomen in het handhavingsplan arbeidsrelaties 2026 dat binnenkort wordt
gepubliceerd op de website van de Belastingdienst.
Overigens brengen we graag onder de aandacht dat het enkel verbeteren van de handhaving
niet de oplossing is van het probleem rondom schijnzelfstandigheid. Dit is eerder
aangegeven in de Kamerbrief van 24 juni 2022 inzake de Kabinetsreactie rapporten Algemene
Rekenkamer (ARK) en Auditdienst Rijk (ADR) en daaropvolgende voortgangsbrieven werken
met en als zelfstandige(n). Daarom heeft het kabinet gekozen voor een aanpak langs
drie lijnen waarin naast het verbeteren van de handhaving (lijn 3), een gelijker speelveld
tussen contractvormen (lijn 1) en meer duidelijkheid over de vraag wanneer gewerkt
wordt als werknemer dan wel als zelfstandige (lijn 2) urgent zijn om stappen op te
zetten.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M.L.J. Paul, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid -
Mede namens
E.H.J. Heijnen, staatssecretaris van Financiën
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.