Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Thijssen over inflatie
Vragen van lid Thijssen (Groenlinks-PvdA) aan de Minister van Economische Zaken over inflatie (ingezonden 11 november 2025).
Antwoord van Minister Karremans (Economische Zaken) (ontvangen 8 december 2025).
Vraag 1
Kent u het artikel op de website van de NOS van 31 oktober jl. «Ook in oktober zakt
de inflatie maar niet verder terug»?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Wat is volgens u de oorzaak dat de inflatie relatief hoog blijft?
Antwoord 2
In november kwam de inflatie (cpi) uit op 2,9% bij de snelle raming van het Centraal
Bureau voor de Statistiek (CBS). Met name de prijzen van diensten (+4,3%) en voedingsmiddelen,
dranken en tabak (+3,1%) droegen deze maand positief bij aan de prijsstijgingen.2
Voor 2025 raamt het Centraal Planbureau (CBP) de inflatie op 3,2%, en voor 2026 verwacht
het Planbureau een verdere daling richting de 2,3%.3 Over het gehele jaar 2025 genomen hebben vooral de voedselinflatie, diensteninflatie
en huren een opwaarts effect op de inflatie.
Vraag 3
Hoe hebben de lonen en de inflatie zich de afgelopen 10 jaar elk jaar ontwikkeld?
In de Miljoenennota 2024 schreef het kabinet dat mogelijk in 2025 de lonen de hoge
inflatie van de afgelopen jaren zou inhalen; is dat ondertussen gebeurd? Zo ja, waar
blijkt dat uit? Als dat inderdaad ondertussen is gebeurd, betekent dit dat sinds de
coronatijd mensen minder te besteden hebben gehad vanwege de hoge inflatie?
Antwoord 3
Tussen 2015 en oktober 2025 is het prijsniveau met 36,4% gestegen.4 In dezelfde periode zijn de Cao-lonen met 40,3% gestegen. Vanaf 2019 tot oktober
2025 zijn de cao-lonen met 29,9% gestegen.5 In diezelfde periode is het prijsniveau met 28,5% gestegen. De lonen zijn de afgelopen
periode dus sneller gestegen dan de inflatie.
Of mensen meer of minder te besteden hebben wordt gemeten door de koopkracht, die
naast de loon- en prijsontwikkeling ook rekening houdt met inkomensbeleid vanuit het
kabinet. De mediane koopkracht is sinds de corona-periode gestegen, met name door
een forse stijging van 2,8% in 2024. Mensen in Nederland hebben dus meer te besteden
sinds de coronatijd.
Vraag 4
Kan het zijn dat in oktober 2025 de winsten vooral, weer, hebben gezorgd voor hogere
prijzen; in 2024 in een ESB-artikel werd geconstateerd dat vooral de winsten en niet
de lonen zorgden voor inflatie, en in de Miljoenennota van 2024 constateert het kabinet
dat er inderdaad sprake van winstflatie kan zijn?6 Hoe staat het marco-economisch met de verdeling tussen geld voor lonen en mensen
en geld voor lonen voor winsten en aandeelhouders? Wat is het verloop van deze verdeling
(de arbeidsinkomensquote) over de afgelopen 10 jaar inclusief oktober 2025?
Antwoord 4
Een uitsplitsing van het CPB in het Centraal Economisch Plan eerder dit jaar laat
zien dat vooral het bruto-exploitatiesaldo de inflatie tussen 2021 en 2023 verklaarde.
Vanaf 2023 slaat dit beeld om en draagt de loonsom meer bij.7
Er zijn geen concrete aanwijzingen dat in oktober 2025 de inflatie voornamelijk werd
gedreven door hogere winsten. Wel is het duidelijk dat de diensteninflatie dit jaar
fors bijdraagt aan de inflatie; deze was 4,5% in oktober. Gegeven het hoge loonaandeel
in de dienstensector, lijkt dit het beeld vanuit het CPB te bevestigen dat het juist
de lonen zijn, en niet de winsten, die de inflatie stuwen.
Het CBS heeft nog geen cijfers gepubliceerd over de arbeidsinkomensquote (AIQ) in
2025. Het meest recente cijfer gaat over 2024, toen lag de AIQ-marktsector op 69,9 procent.8 De figuur hieronder laat de ontwikkeling zien van de afgelopen tien jaar.
Bron: CBS.
Vraag 5
Hoeveel geld zou er beschikbaar komen voor geld voor lonen en mensen als de verdeling
tussen geld voor lonen en mensen en geld voor winst en aandeelhouders weer zou zijn
zoals voor de coronacrisis? Hoeveel miljarden zouden er in dat geval nog steeds naar
winst gaan?
Antwoord 5
Deze berekening is niet goed te maken. Winsten worden deels opnieuw geïnvesteerd in
de economie en dragen daarmee bij aan de economische groei en productiviteitsgroei.
Dit wordt vaak gevolgd door meer werkgelegenheid en hogere lonen. Het ingrijpen op
de winsten kan leiden tot lagere investeringen en daarmee ook op de lonen. Hierdoor
is het niet mogelijk om een accuraat antwoord te geven op deze vraag.
Vraag 6
Wat betekent het voor het inkomen van de overheid als er meer van het geld dat verdiend
wordt naar lonen gaat en minder naar winsten? Hoeveel belasting ontvangt de overheid
gemiddeld voor elke euro die naar lonen gaan? Hoeveel belasting ontvangt de overheid
gemiddeld voor elke euro die naar winsten gaat?
Antwoord 6
Zoals beschreven in antwoord vijf is deze vergelijking niet zomaar te maken. Bij een
verschuiving van belasting op arbeid naar belasting op winst moet namelijk rekening
worden gehouden met het feit dat dit kan leiden tot lagere investeringen en verplaatsing
van bedrijvigheid naar het buitenland. Het effect op de werkgelegenheid, lonen en
inkomen voor de overheid is daarmee vooraf niet in te schatten.
Looninkomsten worden progressief belast in box 1 van de inkomstenbelasting. Daarnaast
dragen werkgevers premies af over (een deel van) de loonsom. Winsten van bedrijven
worden belast in de vennootschapsbelasting. Afhankelijk van de mate waarin een bedrijf
gemaakte winst uitkeert, vindt aanvullend belastingheffing plaats over dit inkomen
via de dividendbelasting (of box 2 van de inkomensheffing in het geval van een aanmerkelijk
belang). Voor zover een euro extra winst ten koste gaat van een extra euro loon, staan
tegenover hogere vpb-inkomsten dus inderdaad lagere belastinginkomsten op arbeid.
Het netto effect op de belastinginkomsten is afhankelijk van de marginale belastingdruk van zowel het bedrijf als de werknemer. Deze belastingdruk verschilt
sterk afhankelijk van de specifieke omstandigheden. Een kwantitatieve inschatting
op macroniveau van een dergelijke schuif is niet beschikbaar.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
V.P.G. Karremans, minister van Economische Zaken
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.