Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden : Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden
36 861 Wijziging van de begrotingsstaat van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei (XXIII) voor het jaar 2025 (Incidentele suppletoire begroting inzake Ternaard)
Nr. 4
VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 22 december 2025
De vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei, belast met het voorbereidend onderzoek
van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst
van vragen met de daarop gegeven antwoorden.
De vragen zijn op 3 december 2025 voorgelegd aan de Minister van Klimaat en Groene
Groei. Bij brief van 5 december zijn ze door de Minister van Klimaat en Groene Groei,
voorzien van een inleiding, beantwoord.
Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van
het wetsvoorstel voldoende voorbereid.
De fungerend voorzitter van de commissie, Kröger
De griffier van de commissie, Nava
Inleiding
Hierbij biedt het kabinet de Kamer de antwoorden aan op de door de vaste commissie
voor Klimaat en Groene Groei (KGG) gestelde vragen bij de incidentele suppletoire
begroting.
Zoals in de Kamerbrief d.d. 28 november nader toegelicht zijn er validaties uitgevoerd
op de raming van de netto contante waarde van de gaswinning voor NAM en EMPN. Hierbij
heeft KPMG zich op de rekenmethodiek en bedrijfskundige aspecten geconcentreerd en
TNO op de geologische aspecten en winbare volumes. Beide rapporten vindt u hier integraal
bijgevoegd. Om de relatie tussen deze rapporten, de Kamerbrief van 28 november en
de bijgevoegde beantwoording van de vragen van 3 december duidelijk te maken, vindt
u onderstaand een korte toelichting op deze rapporten.
TNO heeft zich, in opdracht van het ministerie, geconcentreerd op het beoordelen van
de mogelijk winbare gasvolumes. Hierbij hebben zij gegeven de huidige gebruiksruimte
per winningsprofiel (laag/midden/hoog) bepaald hoeveel gas er binnen de gebruiksruimte
gewonnen kan worden. Daarnaast is er per profiel gerekend met een «open» en een «gesloten»
breukscenario, waardoor er respectievelijk meer en minder volume kan worden geproduceerd.
Het resultaat van drie profielen met elk twee variaties levert zes verschillende waardes
op in de bandbreedte 0,7 t/m 2,1 bcm. KGG heeft deze zes waardes teruggebracht tot
een gewogen gemiddelde. Dit is gedaan door, per profiel, het gemiddelde te nemen van
het «open» en «gesloten» breukscenario. Deze drie gemiddeldes voor profiel laag/midden/hoog
zijn vervolgens vermenigvuldigd met de respectievelijke kans voor het productiescenario
(P90, P50, P10) en bij elkaar opgeteld. De kans dat het lage scenario gerealiseerd
wordt is 90%, het midden scenario 50% en het hoge scenario 10%. Dit is in de mijnbouw
een gangbare manier van het kansmatig kwalificeren van winningsprofielen. Het resultaat
is een gewogen gemiddelde van 1,67 bcm.
KPMG heeft een doorrekening gemaakt van de verwachte netto contante waarde gegeven
bovenstaande aannames met betrekking tot het winbare volume in combinatie met aannames
over de gasprijs, discontovoet, de kapitaalinvesteringen en de operationele kosten.
Daaruit volgt na verrekening van alle kosten, baten en afdrachten een netto contante
waarde voor NAM van 40,5 mln. op basis van de gehanteerde discontovoet van 15% (zie
tabel KPMG rapport p.8). Voor de betaling is een bedrag van € 163 mln. bruto inclusief
btw overeengekomen. De € 40,5 mln. netto is gebruteerd rekening houdend met de geldende
afdrachtensystematiek en is afgerond tot € 163 mln. inclusief btw, leidend tot € 40,4
mln. voor NAM en EMPN. Dit is het bedrag dat is gecommuniceerd in de Kamerbrief d.d. 28 november.
Voor de beantwoording van de gestelde vragen verwijs ik u naar de bijlage. Het kabinet
waardeert de snelheid waarmee de Kamer de behandeling van de incidentele suppletoire
begroting heeft opgepakt en kijkt uit naar het debat.
Vragen en antwoorden
1
Kunt u uiteenzetten op welke wijze de betaling van € 163 mln. aan de NAM wordt gedekt
en binnen welke begrotingsonderdelen hiervoor ruimte is gevonden?
Antwoord
De dekking voor een betaling van € 163 mln. voor Ternaard is voorzien uit de onderuitputting
op de Rijksbegroting van het jaar 2025.
2
Wat gebeurt er met de Klimaatfondsmiddelen op de departementale begroting van KGG
die in 2025 niet worden besteed? Worden deze doorgeschoven naar latere jaren, of vloeien
zij terug naar de algemene middelen van de Rijksbegroting?
Antwoord
Volgens de begrotingsregels van het kabinet Schoof1 is er voor middelen op een departementale begroting die niet worden besteed een maximale
eindejaarsmarge van 1 procent van de uitgaven op stand ontwerpbegroting. De Klimaatfondsmiddelen
op de departementale begroting van KGG die in 2025 niet tot besteding zijn gekomen
vallen onder deze 1 procent. De definitieve omvang van de eindejaarsmarge wordt bepaald
op basis van de slotwet. Het kabinet besluit bij het hoofdbesluitvormingsmoment in
het voorjaar over het al dan niet uitkeren van de eindejaarsmarge. Voor zover de niet-bestede
middelen de 1 procent overschrijden of niet worden uitgekeerd vloeien deze conform
de begrotingsregels terug naar de algemene middelen in de Rijksbegroting. Voor (klimaat)fondsmiddelen
die nog niet zijn overgeheveld naar een departementale begroting geldt overigens een
eindejaarsmarge van 100 procent.
3
Maakt u gebruik van de onderuitputting van de Klimaatfondsmiddelen op de departementale
begroting van KGG om (een deel van) de extra uitgave van 163 miln. euro voor Ternaard
te financieren? Zo ja, om welk bedrag gaat het?
Antwoord
De onderuitputting van de Klimaatfondsmiddelen op de departementale begroting van
KGG is conform de systematiek van de eindejaarsmarge bij najaarsnota afgeboekt ten
gunste van de algemene middelen op de Rijksbegroting. Uit de Tweede Suppletoire Begroting
KGG 2025 blijkt dat dit gaat om een bedrag van € 118 mln. De dekking voor een betaling
van € 163 mln. voor Ternaard is voorzien uit de totale onderuitputting op de Rijksbegroting
van het jaar 2025.
4
Kunt u een inschatting geven van hoeveel inkomsten de Nederlandse Staat misloopt door
het niet doorgaan van de gaswinning bij Ternaard? In hoeverre is dit aspect meegewogen
in uw besluit om de gaswinning onder de Waddenzee bij Ternaard af te kopen en bij
de vaststelling van de hoogte van het bedrag dat de Staat betaalt ter compensatie
voor het intrekken van de gaswinningsrechten bij Ternaard?
Antwoord
Van het bedrag dat de staat NAM betaalt (€ 163 mln. bruto) komt het grootste deel,
circa (€ 123 mln.) terug naar de staat en naar beleidsdeelneming EBN. Per saldo kost
de afkoop de staat dus circa € 40 mln. (de netto-ontvangst van NAM/EMPN).2 In het scenario waarin de gaswinning wel doorgang zou hebben gevonden zou, als uitgegaan
wordt van dezelfde uitgangspunten als de waardering voor de overeenkomst met NAM,
de gaswinning de staat circa € 123 mln. opleveren. De gederfde gasbaten meerekenend
kost deze overeenkomst de staat dus € 163 mln. In de Vaststellingsovereenkomst is
aangegeven dat NAM en EMPN de mening hebben dat het ongeproduceerde aardgas in het
winningsgebied een veel hogere waarde vertegenwoordigt dan de omvang van het afgesproken
bedrag. Als die lijn gevolgd zou worden, zouden de gederfde gasbaten groter zijn.
5
Kunt u aangeven wat de orde van grootte is van de gederfde opbrengsten voor de Nederlandse
Staat indien geheel wordt afgezien van gaswinning uit het veld Ternaard, uitgesplitst
naar scenario’s met (a) de CPB-prijsverwachting voor aardgas (circa € 0,15 per m3) en (b) de projectraming van circa € 0,30–0,35 per m3, en daarbij expliciet de gehanteerde aannames te vermelden over (1) het winbare volume
(bijvoorbeeld 1–7,5 miljard m3) en (2) het effectief staatsaandeel (belastingopbrengsten, afdrachten en EBN)?
Antwoord
TNO heeft zich geconcentreerd op het beoordelen van de mogelijk winbare volumes. Hierbij
hebben zij, gegeven de huidige gebruiksruimte per winningsprofiel (laag/midden/hoog),
bepaald hoeveel gas er binnen de gebruiksruimte gewonnen kan worden. Daarnaast is
er per profiel gerekend met een «open» en een «gesloten» breukscenario, waarbij er
veel dan wel weinig gas tussen de breukblokken stroomt. Het resultaat van drie profielen
met elk twee variaties levert zes verschillende waardes op in de bandbreedte 0,7 t/m
2,1 miljard m3. KGG heeft deze zes waardes teruggebracht tot een gewogen gemiddelde van 1,66 miljard
m3.
In de raming is uitgegaan van gasprijzen in de range € 0,24–€ 0,32 per m3. Indien de aannames uit het model zich in de praktijk hadden voorgedaan zou dit tot
opbrengsten voor staat en EBN van circa € 123 mln. hebben geleid. In het scenario
van een gasprijs van € 0,15 per m3 zou deze opbrengst (ceteris paribus) aanzienlijk lager uitvallen. De omzet wordt
ruwweg gehalveerd, terwijl de investeringskosten en operationele kosten ruwweg gelijk
blijven. De opbrengsten voor de staat nemen daarmee met ruim de helft af.
6
Kunt u toelichten waarom in het dossier Ternaard wordt gerekend met een gasprijs van
circa € 0,30–0,35 per m3 (aldus beantwoord in de technische briefing op 3 december 2025), terwijl het Centraal
Planbureau voor zijn ramingen uitgaat van een prijs van circa € 0,15 per m3, en welke onderliggende aannames (bijvoorbeeld marktverwachtingen, contracttypes,
looptijd en risicopremies) dit verschil in gehanteerde bedragen per m3 verklaren?
Antwoord
In de technische briefing is een indicatie van € 0,30–€ 0,35 aangegeven. Om precies
te zijn loopt de bandbreedte van € 0,24 t/m € 0,32 euro per m3. Dit betreft een niet-openbare reeks die ook gehanteerd wordt voor de gasbatenraming
en wordt afgestemd/aangeleverd door CPB. Deze reeks loopt tot 2035. Voor 2036 en 2037
is de prijs van 2035 doorgetrokken. Gegeven de grote onzekerheden omtrent toekomstige
ontwikkeling van de gasprijs is dit een redelijke extrapolatie. Door KPMG is deze
door KGG verstrekte reeks vergeleken met de meest recente prognose van gasprijzen
op basis van «Dutch TTF Natural Gas Futures» gepubliceerd door de Chicago Mercantile
Exchange. KPMG concludeert dat toepassen van CME gasprijzen (ceteris paribus) in plaats
van de CPB gasprijzen een minimaal effect heeft. De bron van een gasprijs van € 0,15
per m3 van het CPB is bij KGG niet bekend, derhalve is het voor het kabinet niet mogelijk
de gevraagde vergelijking te maken.
7
Kunt u aangeven of, en zo ja in welke mate, de bestaande gasbehandelings- en transportinstallaties in de regio rond Ternaard (zoals de installaties die
mede voor het veld Ternaard waren voorzien) nu versneld of op een andere wijze worden
afgeschreven doordat van gaswinning bij Ternaard wordt afgezien, en welke financiële
gevolgen deze (versnelde) afschrijving heeft voor (a) Shell, (b) ExxonMobil, (c) NAM,
(d) EBN en (e) de Nederlandse Staat (bijvoorbeeld via lagere uitkeringen of lagere
belastingopbrengsten)?
Antwoord
Het kabinet heeft geen zicht op de afschrijvingen die de NAM moet doen. Desgevraagd
heeft NAM mij aangegeven dat als gevolg van deze overeenkomst een aantal afschrijvingen
iets eerder in de tijd plaats vindt. Dit heeft een klein effect.
8
Wat betekent de post «werkbudgetten» van waaruit de 163 mln. euro wordt betaald?
Antwoord
Met de post werkbudgetten worden diverse onderzoeken en projecten gerelateerd aan
een veilige afwikkeling van de gaswinning uit het Groningenveld betaald. Daar is € 163
mln. aan toegevoegd om de betaling te kunnen doen voor Ternaard.
9
Waar komt de post «werkbudgetten» vandaan en waar zouden deze middelen aan worden
besteed als het niet deze overeenkomst was geweest? Hoeveel middelen waren er vanuit
deze post voor de afspraken gereserveerd en hoeveel resteert er na deze uitgave nog
op deze post?
Antwoord
In de ontwerpbegroting van 2025 was er € 832.000 beschikbaar op de post werkbudgetten.
Dit budget is bedoeld voor diverse onderzoeken en projecten gerelateerd aan een veilige
afwikkeling van de gaswinning uit het Groningenveld. Daar is, met de incidentele begroting,
€ 163 mln. aan toegevoegd om de betaling te kunnen doen voor Ternaard. Deze € 163 mln.
wordt met uw instemming uitgegeven, en de € 832.000 is in de loop van 2025 ook uitgegeven
aan de doelen waar het voor bestemd is. Na deze uitgaven resteren in 2025 geen middelen
meer op deze post.
10
Wanneer verwacht u de volgende aanpassing van de Mijnbouwwet die betrekking heeft
op het kunnen beperken of beëindigen van mijnbouwactiviteiten?
Antwoord
Het demissionair kabinet werkt aan de herziening van de Mijnbouwwet. Het doel van
deze herziening is onder andere een herijkt wettelijk kader voor veilig en financieel,
maatschappelijk en ruimtelijk verantwoord gebruik van de diepe ondergrond, met meer
regie bij de overheid, dat past bij afwegingen met betrekking tot de schaarse ruimte,
de veranderde rol van de diepe ondergrond en het maatschappelijk perspectief op het
gebruik ervan. Er wordt hard gewerkt aan de inhoudelijke uitwerking van de verschillende
beleidsthema’s en de afstemming van concept-wetteksten met alle betrokken partijen
en adviseurs. Daarna zal nog tijd nodig zijn voor het voldoen aan de verschillende
verplichtingen (bv. regeldruk en notificatie) en om de formele stappen te doorlopen.
Het doel is om in Q2 van 2026 het wetsvoorstel open te stellen voor internetconsultatie.
Het demissionair kabinet heeft als streven dat de herziening van de Mijnbouwwet medio
2027 bij de Tweede Kamer wordt ingediend. De precieze timing en het moment van indienen
van de herziene Mijnbouwwet is aan een nieuw kabinet.
11
Welke wettelijke instrumenten bestaan er momenteel om mijnbouwactiviteiten te beëindigen
of te beperken?
Antwoord
De Minister van Klimaat en Groene Groei kan bij de instemming met een winningsplan
de instemming onder beperkingen verlenen of daar voorwaarden aan verbinden indien
deze worden gerechtvaardigd door een of meerdere gronden van artikel 36, eerste lid,
van de Mijnbouwwet. Deze gronden zien op het belang van de veiligheid voor omwonenden
of het voorkomen van schade aan gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit
daarvan (onderdeel a), planmatig beheer van delfstoffen (onderdeel b), nadelige gevolgen
voor het milieu (onderdeel c), nadelige gevolgen voor natuur (onderdeel d) en gebrek
aan efficiëntie en verantwoordelijkheidszin (onderdeel e). Na de instemming met het
winningsplan kan de Minister van Klimaat en Groene Groei mijnbouwactiviteiten beëindigen of
beperken door op grond van artikel 36, derde lid, van de Mijnbouwwet de instemming
met een winningsplan in te trekken of beperkingen en voorschriften te stellen of wijzigen.
Dat kan alleen als dat gerechtvaardigd wordt door veranderde omstandigheden of gewijzigde
inzichten inzake een grond als genoemd in het eerste lid, onderdelen a tot en met
d van hetzelfde artikel.
De Minister van Klimaat en Groene Groei kan daarnaast op grond van artikel 18 van
de Mijnbouwwet een bestaande vergunning voor de opsporing en winning van delfstoffen
wijzigen of op grond van artikel 21 van de Mijnbouwwet die vergunning geheel of gedeeltelijk
intrekken. Beide artikelen bevatten een limitatieve lijst van de gronden op basis
waarvan de Minister kan besluiten om een vergunning te wijzigingen of (gedeeltelijk)
in te trekken. Daarmee wordt het recht op winning van de vergunninghouder ingetrokken
of beperkt. Dit is daarom een uiterst middel. Dit weegt nog zwaarder als de intrekking
of beperking gevolgen heeft voor de winning volgens een winningsplan waarmee is ingestemd.
Van die bevoegdheid zal slechts gebruik kunnen worden gemaakt binnen de grenzen van
de wet, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en het recht op bescherming
van eigendom op grond van artikel 1 Eerste Protocol van het Europees Verdrag tot bescherming
van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Voor het wijzigingen of (gedeeltelijk) intrekken van een opslagvergunning of opslagplan
en een toewijzing zoekgebied, startvergunning of vervolgvergunning aardwarmte zijn
vergelijkbare instrumenten voor de Minister van Klimaat en Groene Groei opgenomen
in de Mijnbouwwet.
12
Kunt u uiteenzetten of er binnen de huidige wetgeving mogelijkheden bestaan om een
heffing of andere financiële verplichting op te leggen aan voormalige exploitanten
van het Groningerveld of andere gasvelden?
Antwoord
Houders van een winningsvergunning voor gas betalen op grond van de Mijnbouwwet jaarlijks
drie heffingen. De eerste is oppervlakterecht (artikelen 56–59 van de Mijnbouwwet).
Deze heffing wordt berekend over het aantal km2 van de winningsvergunning. De tweede heffing is cijns (artikelen 60–64 van de Mijnbouwwet).
Deze heffing wordt in rekening gebracht over de omzet van de hoeveelheid gewonnen
gas in een kalenderjaar. De derde heffing is winstaandeel (artikelen 65–70 van de
Mijnbouwwet). Deze heffing wordt in rekening gebracht over de behaalde winst. Op grond
van artikel 55 van de Mijnbouwwet is het niet mogelijk om deze heffingen te wijzigen
voor bestaande (of voormalige) vergunninghouders. Artikel 55 van de Mijnbouwwet bepaalt
namelijk dat een wijziging van deze heffingen niet van toepassing is op de houder
van een voor de inwerkingtreding van die wijziging verleende winningsvergunning.
NAM betaalt daarnaast op grond van de Tijdelijke wet Groningen jaarlijks een heffing
ter bestrijding van de kosten voor schade en versterken (artikel 15 van de Tijdelijke
wet Groningen). Deze heffing blijft van kracht, ook nu de winning uit het Groningenveld
is gestopt.
13
Kunt u aangeven wat de kosten zouden zijn voor de staat als gasopslagen zouden worden
overgenomen?
Antwoord
Het is mogelijk om een raming te maken, maar dat zou nadere analyse vergen en kan
niet op deze korte termijn. Voor de goede orde: dit maakt ook geen onderdeel uit van
de begroting die nu voorligt. Het betreft bovendien een wijziging waar een volgend
kabinet over zou moeten oordelen.
14
Welke juridische en financiële routes bestaan er voor de staat om gasopslagen aan
te kopen of te verwerven?
Antwoord
Voor de aankoop zou dat in ieder geval een koopovereenkomst tussen de staat en de
eigenaar van een gasopslag vergen. Aan de koop van een gasopslag zijn hoge kosten
verbonden vanwege het aanwezige kussengas.
15
Bestaan er in het licht van het amendement van het lid Tjeerd de Groot (Kamerstuk
36 441, nr. 16) nog mogelijkheden voor verlenging of uitbreiding van bestaande gaswinning bij actualisatie
van vergunningen? Zo ja, welke?
Antwoord
Nee, artikel 36, vijfde lid, van de Mijnbouwwet sluit dit sinds 1 mei 2024 uit voor
gaswinning onder het aangewezen Natura 2000-gebied Waddenzee. Op grond van artikel
36, vijfde lid, van de Mijnbouwwet moet de Minister van Klimaat en Groene Groei de
instemming met de wijziging van een winningsplan voor winning van gas uit een voorkomen
onder het aangewezen Natura 2000-gebied Waddenzee weigeren als die wijziging een verlenging
van het tijdvak of een uitbreiding van de omvang van de winning betreft. Met andere
wijzigingen van een winningsplan voor winning van gas uit een voorkomen onder het
aangewezen Natura 2000-gebied Waddenzee, zoals een actualisatie, kan wel worden ingestemd.
16
Wat is volgens u het meest actuele inzicht over de stijging van de zeespiegel langs
de Nederlandse kust op de Waddenzee?
Antwoord
De zeespiegelmonitor is laatst gepubliceerd in 2022. Dit rapport, opgesteld in opdracht
van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, betreft de laatste inzichten
over de zeespiegelstijging langs de Nederlandse kust met als doel het ondersteunen
van het waterveiligheidsbeleid. De zeespiegelmonitor wordt elke 5 jaar herzien. In
het laatste advies over de zeespiegelstijging onderliggend aan het gebruiksruimtebesluit
voor de Waddenzee gaven de experts aan dat de zeespiegelstijging van de stations in
de Waddenzee (Harlingen en Delfzijl) hoger is dan de stations aan de Noordzeekust.
Dit is deels te verklaren door bodembeweging vanwege de laatste ijstijd en bodemdaling
door gaswinning (bij Delfzijl). Dezelfde observatie is ook teruggekomen in meerdere
adviezen van de MER Auditcommissie Zoutwinning. Daarom heeft het Ministerie van Klimaat
en Groene Groei Deltares gevraagd om dit uit te zoeken. Dit onderzoek is nog gaande
en zal in 2026 worden gepubliceerd.
17
Kunt u een raming maken van de middelen die nodig zouden zijn om de gaswinning bij
Warffum volledig te beëindigen?
Antwoord
In maart 2025 heeft het kabinet ingestemd met verlenging tot 2032 van de bestaande
winning bij Warffum. Uit adviezen van TNO, Staatstoezicht op de Mijnen en de Mijnraad
bleek dat de winning veilig en verantwoord kan worden voortgezet. De monitoring en
het monitoringsnetwerk van het veld zijn daarnaast goed op orde. Nederland schakelt
over van fossiele naar duurzame energie. Die overgang kost tijd en kan voorlopig niet
zonder aardgas, dat tot minstens 2045 een belangrijke rol zal spelen als transitiebrandstof.
Het is technisch mogelijk om een raming te maken, maar dat zou nadere analyse vergen
en kan niet op deze korte termijn. Het maakt ook geen onderdeel uit van de begroting
die nu voorligt en zou een beleidswijziging inhouden.
18
Welk bedrag is volgens de berekeningen van het kabinet nodig om de huidige exploitanten
te compenseren voor het afzien van gaswinning in Ternaard, en hoe is dit bedrag opgebouwd?
Antwoord
Daarvoor is € 163 mln. nodig. Om tot een marktconforme waardering te komen is een
nauwkeurig proces doorlopen. Hierbij zijn de potentiële baten van toekomstige gaswinning
in Ternaard als basis genomen. Daarbij is rekening gehouden met het feit dat een deel
van de opbrengsten van gaswinning via EBN en via belastingafdrachten van NAM en EMPN
terug zouden vloeien naar de staat. Hiertoe is een rekenmodel opgesteld.
Dit rekenmodel gaat uit van onderbouwde aannames voor het winningsprofiel, de gasprijs,
discontovoet, de kapitaalinvesteringen en de operationele kosten in de periode 2026–2037.
Daarbij dient opgemerkt te worden dat er grote onzekerheden zijn, waardoor een aanpassing
in aannames tot grote veranderingen in de uitkomst kan leiden.
In de berekening zijn de kosten en baten met elkaar verrekend en de geldende afdrachtensystematiek
toegepast. Dit resulteert in een jaarlijkse vrije kasstroom. Deze toekomstige kasstroom
is vervolgens tot één bedrag in het heden verdisconteerd. Het resultaat is de netto
contante waarde van het Ternaard gasveld.
19
Welke alternatieve manieren heeft u overwogen om de kosten van het beëindigen van
gaswinning te beperken?
Antwoord
Er was geen juridische grond om gaswinning bij Ternaard te weigeren. Daarom was het
noodzakelijk om aan de houders van de winningsvergunning (NAM en EMPN) een bedrag
te betalen om af te zien van winning bij Ternaard. De waardering is zorgvuldig tot
stand gekomen. Daarbij is onder andere rekening gehouden met de beleidsmatige restricties
voor de winning van aardgas onder de Waddenzee.
20
Kunt u het rekenmodel dat u voor de onderhandelingsinzet heeft gebruikt toelichten?
Antwoord
De onderhandelingsinzet is gebaseerd op de raming van de netto contante waarde van
de gaswinning in Ternaard voor NAM en EMPN. Voor de methodiek met betrekking tot het
bepalen van deze waarde verwijst het kabinet graag naar de beantwoording onder vraag
18.
21
Wat was de commerciële waarde van de gaswinning voor de NAM en EMPN geweest?
Antwoord
De commerciële waarde van de gaswinning voor NAM en EMPN is door de staat geraamd
op circa € 40 mln. Dit bedrag is als basis gebruikt voor de bruto vergoeding van € 163
mln. In de Vaststellingsovereenkomst is aangegeven dat NAM en EMPN de mening hebben
dat het ongeproduceerde aardgas in het winningsgebied een veel hogere waarde vertegenwoordigt
dan de omvang van het afgesproken bedrag.
22
Wat was de bandbreedte van de bedragen in de onderhandelingen? Heeft u eerst op een
lager bedrag ingezet voordat u op 163 mln. euro bent uitgekomen?
Antwoord
Er was geen bandbreedte voor de onderhandelingen. De staat heeft de waarde op basis
van eigen berekeningen, die zijn gevalideerd door KPMG en TNO, geraamd op € 163 mln.
en heeft dit bedrag als eenmalig en definitief aanbod gepresenteerd.
23
Waar is het bedrag van 53,9 mln. euro (van het totaalbedrag van 163 mln. euro) via
de NAM naar EBN precies voor? Heeft u invloed op hoe dit wordt uitgegeven, aangezien
het om een 100% staatsdeelneming gaat?
Antwoord
EBN participeert namens de staat in alle gaswinningsprojecten in Nederland. NAM, EMPN
en EBN hebben een Overeenkomst van Samenwerking (OvS) gesloten voor exploitatie van
de winningsvergunning Noord-Friesland waar Ternaard onder valt. EBN is voor 40% deelnemer
in deze OvS, waarmee 40% van de kosten en 40% van de baten bij EBN landen. Op grond
van deze OvS dragen NAM en EMPN beide 40% van het door hen ontvangen bedrag (excl. btw)
af aan EBN. EBN is een 100% beleidsdeelneming waarvan de taken omschreven staan in
de Mijnbouwwet. Binnen die wettelijke kaders voert EBN haar taken zelfstandig uit.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
S.C. Kröger, voorzitter van de vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei -
Mede ondertekenaar
D.S. Nava, griffier