Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Becker over het Grevio rapport 'Building trust by delivering support, protection and justice Netherlands First thematic evaluation report'
Vragen van het lid Becker (VVD) aan de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het Grevio rapport «Building trust by delivering support, protection and justice Netherlands First thematic evaluation report» (ingezonden 24 oktober 2025).
Antwoord van Staatssecretaris Pouw-Verweij (Volksgezondheid, Welzijn en Sport), mede
namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (ontvangen 5 december 2025).
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 401.
Vraag 1
Bent u bekend met het GREVIO-rapport «Building trust by delivering support, protection
and justice Netherlands First thematic evaluation report»?1
Antwoord 1
Ja, ik ben hiermee bekend.
Vraag 2
Hoe ziet u de aanbeveling dat de definities en maatregelen die in Nederland worden
gehanteerd om de problematiek te duiden en op te lossen zich volgens GREVIO te weinig
toespitsen op vrouwen, aangezien deze groep onevenredig vaker wordt getroffen? Op
welke manier gaat u deze aanbeveling concreet oppakken?
Antwoord 2
De aanbevelingen van GREVIO onderstrepen het belang van een gendersensitieve benadering
van huiselijk geweld en geweld tegen vrouwen. Nederland besteedt hier in recente beleidsprogramma’s
al bewust aandacht aan, zoals GREVIO ook opmerkt. Zo wordt nadrukkelijk het verband
gelegd tussen genderongelijkheid en seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel
geweld in het nationaal actieprogramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld (2023)
en respectievelijk huiselijk geweld in het plan van aanpak Stop femicide! (2024). Bij beleidsvorming wordt rekening gehouden met specifieke behoeften van mannen en
vrouwen, om zodanig te streven naar gelijke rechten en kansen.
Daarnaast bereid ik een verruiming voor van de huidige wettelijke definitie van huiselijk
geweld in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Het voornemen is om deze uit te breiden met de begrippen «geweld tegen vrouwen» en
«economisch geweld». Hiermee beoog ik dat een meer gendersensitieve benadering bij
de aanpak van geweld consequent wordt doorgevoerd op alle bestuurlijke niveaus. De
wetswijziging is onderdeel van het implementatietraject van de Europese richtlijn
ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, die medio 2027 in werking
treedt.
Vraag 3
Deelt u de mening dat het gebrek aan proactieve screening op geschiedenis van huiselijk
geweld in scheidingsprocedures, dat wordt aangehaald in het rapport, beter moet? Hoe
wordt er op dit moment gescreend op huiselijk geweld bij een scheidingsprocedure?
Wordt er al gebruik gemaakt van voorbeelden uit andere landen die wel screenen op
huiselijk geweld?
Antwoord 3
Ja, er is ruimte voor verbetering in de wijze waarop in scheidingsprocedures wordt
gescreend op een geschiedenis van huiselijk geweld. GREVIO heeft Nederland aanbevolen
om af te stappen van praktijken die neerkomen op verplichte bemiddeling in ouderlijke
scheidingsprocedures zonder voorafgaande screening. Daarbij vraagt GREVIO nadrukkelijk
aandacht voor de machtsongelijkheid die kan ontstaan door huiselijk geweld en het
risico dat familierechtprocedures worden misbruikt voor post-scheidingsgeweld.
Mede naar aanleiding van het onderzoek Waar geweld uit beeld raakt (Verwey-Jonker Instituut, 2025) is een verbetertraject gestart met als doel dat,
wanneer huiselijk geweld en/of kindermishandeling speelt, dit altijd moet worden meegewogen
in de familierechtelijke procedure. Een belangrijk instrument dat hier onder meer
aan kan bijdragen en is aanbevolen door het Verwey-Jonker Instituut is het ontwikkelen
van een toetsingskader. Volgens de onderzoekers betekent dit onder meer dat risicotaxatie
en screening van geweldspatronen aan het begin van de procedure plaatsvindt en de
uitwisseling van strafrechtelijke informatie in de familierechtelijke procedure verbeterd
wordt. Deze aanbeveling sluit aan op de aansporing van GREVIO om lopende zaken inzake
voogdij en omgang te screenen op huiselijk geweld.
In het kader van dit verbetertraject worden gesprekken gevoerd met de Rechtspraak,
de Raad voor de Kinderbescherming, het Verwey-Jonker Instituut en andere betrokken
organisaties, zoals de advocatuur en Slachtofferhulp Nederland. De aanbevelingen van
zowel GREVIO als het Verwey-Jonker Instituut worden hierin meegenomen. Binnen de Rechtspraak
loopt daarnaast een projectgroep huiselijk geweld die onderzoekt hoe rechters binnen
de bestaande wettelijke kaders beter inzicht kunnen krijgen in signalen van geweld.
Steeds vaker wordt huiselijk geweld expliciet betrokken bij rechterlijke afwegingen,
soms met verwijzing naar het Verdrag van Istanbul.
Een verwijzing naar civiele mediation vindt uitsluitend plaats op basis van vrijwilligheid.
De verwijzende rechtbank beoordeelt vooraf de geschiktheid en veiligheid van mediation
in een zaak en de mediationfunctionaris koppelt partijen aan een geschikte, MfN (Mediatorsfederatie
Nederland) geregistreerde mediator. Deze mediators zijn opgeleid in het herkennen
van machtsongelijkheid en conflictdynamieken.
Tot slot wordt bij de uitwerking van het verbetertraject ook gekeken naar buitenlandse
voorbeelden, zoals Australië en Spanje, waar systematische screening op huiselijk
geweld en gespecialiseerde familierechtprocedures al zijn ingebed.
Met deze initiatieven geeft Nederland opvolging aan de aanbevelingen van GREVIO om
in scheidingsprocedures de veiligheid van slachtoffers en hun kinderen beter te waarborgen.
Vraag 4
Hoe staat het met de uitvoering van Clare’s Law, naar aanleiding van de motie van
het lid Van der Werf c.s. over onderzoek naar een Nederlandse variant van Clare’s
Law? Hoe staat het met het onderzoek? Heeft u een tijdspad voor ogen van dit onderzoek
en de invoering van de wet in Nederland? Deelt u de mening dat Clare’s Law een deel
van de problemen die worden aangehaald in het rapport ook helpt oplossen?2
Antwoord 4
Zoals eerder aangegeven in de beantwoording van uw Kamervragen van 10 september jl.,
financiert het Ministerie van Justitie en Veiligheid momenteel een eerste juridische
verkenning naar de mogelijkheden van een Nederlandse variant van Clare’s Law. Dit
onderzoek wordt op initiatief van de Open Universiteit uitgevoerd, in samenwerking
met onder andere de gemeente Rotterdam, de politie en Filomena Rotterdam, mede naar
aanleiding van een werkbezoek van deze partijen aan het Verenigd Koninkrijk.
De verkenning richt zich op de juridische haalbaarheid, randvoorwaarden en mogelijke
uitvoeringsvormen van een dergelijk instrument in de Nederlandse context. De resultaten
worden naar verwachting in januari 2026 opgeleverd. Op basis van deze bevindingen
zal worden bepaald of en hoe een vervolgfase kan worden vormgegeven. Daarvoor kan
op dit moment nog geen concreet tijdpad voor invoering worden gegeven.
Hoewel GREVIO in haar aanbevelingen geen specifiek advies geeft over de invoering
van Clare’s Law, sluit het onderliggende doel van dit instrument, namelijk het versterken
van de informatiepositie van (potentiële) slachtoffers en het vroegtijdig signaleren
van risico’s op huiselijk geweld, nauw aan bij de doelstellingen van het Verdrag van
Istanbul, met name waar het gaat om de bescherming van slachtoffers en het voorkomen
van herhaald geweld.
Vraag 5
Kunt u reflecteren op de conclusie uit het rapport dat het in Nederland nog te vaak
gezien als wederzijds conflict wordt gezien waarbij er onvoldoende aandacht is voor
gendergerelateerde machtsverhoudingen in intiem partnergeweld? Welke maatregelen bent
u van plan te ondernemen om dit aan te pakken?
Antwoord 5
De afgelopen jaren is de bewustwording toegenomen dat er bij conflicten niet altijd
twee mensen «schuld» hebben, maar gendergerelateerde machtsverhoudingen een onevenredige
rol hebben en van invloed kunnen zijn. Deze omslag in denken en daarmee handelen wordt
verder gefaciliteerd door de deskundigheid van professionals op dit terrein verder
te verstevigen. Vanuit de Ministeries van JenV en VWS wordt momenteel ingezet op het
verder versterken van deskundigheid over gendergerelateerd geweld bij zorg- en veiligheidsorganisaties/-professionals.
Zodat zij beter gendergerelateerd geweld kunnen herkennen, signaleren en adequaat
handelen. De samenwerkende organisaties hebben ook de ambitie om deskundigheidsbevordering
naar een hoger niveau te tillen.
GREVIO wijst ook in de context van het familierecht op de risico’s van een te sterke
focus op zogenoemde «wederzijdse conflicten». Iedere gezags- en omgangszaak vraagt
om maatwerk. Het is daarom van belang dat ketenpartners en rechters goed geïnformeerd
en opgeleid zijn om deze situaties zorgvuldig te beoordelen. Dit aandachtspunt, in
samenhang met dwingende controle en andere vormen van huiselijk geweld en kindermishandeling,
wordt meegenomen in het verbetertraject dat is genoemd bij vraag 3.
Vraag 6
Wat is het huidige aantal opvangplekken in Nederland voor slachtoffers die vluchten
voor huiselijk geweld?
Antwoord 6
In 2025 is de monitor Veilige Opvang van Valente en de VNG gepubliceerd, met daarin
cijfers over de landelijke en regionale capaciteit van de vrouwenopvang3. In 2023 had Nederland 1024 opvangplaatsen voor slachtoffers van huiselijk en seksueel
geweld. Betrokken partijen als Valente signaleren dat momenteel een tekort aan veilige
opvangplaatsen bestaat. Recentelijk heeft de Nederlandse regering structureel 12 miljoen
extra vrijgemaakt voor het vergroten van de capaciteit van de vrouwenopvanginstellingen.
Vraag 7
Hoe wilt u de aanbeveling uit het rapport oppakken dat er te weinig gebruikt wordt
gemaakt van noodverboden zoals het contactverbod?
Antwoord 7
Het kabinet verkent momenteel samen met gemeenten en andere betrokken organisaties
hoe het tijdelijk huisverbod voor plegers van huiselijk geweld en kindermishandeling
vroegtijdiger en beter kan worden ingezet, ter bescherming van slachtoffers. Op basis
van het rapport «Het tijdelijk huisverbod vanuit een nieuw perspectief»4 worden pilots voorbereid in vier regio’s waarin wordt onderzocht hoe de verschillende
stadia van een huisverbodprocedure (het starten van een dergelijke procedure, het
invullen van het risicotaxatie-instrument, het opleggen van het huisverbod, het uitvoeren
van het huisverbod, de inzet van de benodigde zorg en hulpverlening en het handhaven
van het huisverbod) verbeterd kunnen worden. De pilots zullen begin 2026 starten.
Het doel is om het tijdelijk huisverbod niet alleen in acute crisissituaties in te
zetten, maar ook vroegtijdiger op basis van onderbouwde vermoedens van structurele
onveiligheid. Naast de politie zouden ook meer partijen het initiatief moeten kunnen
nemen om een verzoek tot huisverbod aan de burgemeester voor te leggen. Hoewel er
enige vertraging is ontstaan is de inzet dat deze pilots in januari 2026 starten.
Omdat bij de inzet van het tijdelijk huisverbod veel partijen zijn betrokken vergt
dit een nauwkeurige voorbereiding met de betrokken gemeenten en uitvoeringsorganisaties,
waaronder de politie, Veilig Thuis, crisisinterventieteams, de Raad voor de Kinderbescherming,
het Openbaar Ministerie, de reclassering en de lokale zorg en hulpverlening.
Er wordt tot en met eind 2026 gewerkt aan een handreiking voor professionals voor
een betere inzet van het tijdelijk huisverbod. Hierin worden achtergrondinformatie
en tips vermeld, mede op basis van de bevindingen van de hierboven genoemde pilots,
om binnen het bestaande wettelijke kader al beter aan de slag te kunnen. Tegelijkertijd
kunnen de pilots inzicht en nadere onderbouwing opleveren voor wijziging van de Wet
tijdelijk huisverbod en flankerende wetgeving. Ook verkent de Staatssecretaris van
Justitie en Veiligheid of burgemeesters aanvullende bestuursrechtelijke bevoegdheden
moeten krijgen, en zo ja welke, om slachtoffers van huiselijk geweld en kindermishandeling
beter te kunnen beschermen en hoe burgemeesters hun bestaande bevoegdheden hiervoor
beter kunnen benutten. Het is immers van belang dat slachtoffers zo nodig ook na afloop
van een huisverbod, of als een huisverbod niet opportuun is, en ook voor een strafrechtelijke
afdoening (bijvoorbeeld nog voordat een gedragsaanwijzingen op grond van artikel 509
hh Sv wordt opgelegd) adequaat kunnen worden beschermd en dat hierop kan worden gehandhaafd.
Vraag 8
Deelt u de mening over de noodzaak van het aanstellen van een nationaal coördinator,
zoals ook wordt aanbevolen in het rapport? Hoe staat het met de gesprekken hierover?
Denkt u dat het gaat lukken om voor het einde van dit jaar een nationaal coördinator
te hebben aangesteld die het beleid gaat aanjagen rondom de vier ministeries?
Antwoord 8
Zoals aangegeven in het nota overleg van 22 september j.l. deel ik de mening dat het
goed is dat er een vorm van extern toezicht en monitoring op de aanpak komt. Welke
vorm deze functie zou moeten hebben en wat het takenpakket van deze externe functie
zou moeten zijn, wordt op dit moment met de desbetreffende departementen onderzocht.
Er wordt parallel hieraan ook gewerkt aan een plan
om de coördinatie van beleid tussen de vier ministeries beter te organiseren. Dit
is in lijn met de aanbevelingen van GREVIO: het organiseren van coördinatie tussen
de verschillende programma’s rondom het thema geweld tegen vrouwen én het monitoren
van de aanpak. De plannen vanuit het Kabinet zullen op korte termijn met een aantal
leden van de Tweede Kamer worden besproken, zoals ook is toegezegd in het notaoverleg
van 22 september j.l. De uitkomsten van de interne gesprekken en de gesprekken met
de Kamerleden zullen worden gedeeld in de voortgangsbrief Huiselijk Geweld en Kindermishandeling
die nog eind dit jaar naar de Tweede Kamer wordt verzonden.
Vraag 9
Hoe staat het met de uitvoering van het 24/7 meldpunt, zoals ook gevraagd in de motie-Van
der Werf/Becker en wordt aanbevolen in het rapport? Wordt er nog meer ondernomen om
dit 24/7 meldpunt te realiseren dan de 24/7 chatfunctie van Veilig Thuis?5
Antwoord 9
Zoals ook in eerdere Kamerbrieven aangegeven, is op dit moment het standpunt dat er
in Nederland verschillende meldpunten zijn waar vrouwen die slachtoffer worden van
geweld terecht kunnen. Als het gaat om huiselijk geweld dat mogelijk kan escaleren,
is Veilig Thuis het landelijke 24/7 meldpunt. Veilig Thuis heeft de wettelijke taak
om te allen tijde bereikbaar en beschikbaar te zijn in situaties waarin onmiddellijk
uitvoering van de wettelijke taken geboden is. Op dit vlak is er geen beleidsvrijheid
voor gemeenten om hier van af te wijken. Veilig Thuis is daarmee in acute situaties
altijd bereikbaar en beschikbaar. De chatfunctie is op dit moment alleen bereikbaar
tussen 9 en 17 uur. Landelijk wordt er hard aan gewerkt om dit z.s.m. uit te breiden
naar 24/7 bereikbaarheid. Daarnaast kunnen slachtoffers van seksueel geweld terecht
bij de Centra voor Seksueel Geweld (CSG’s) en kan er bij acute onveiligheid contact
op worden genomen met politie. Hiermee voldoet Nederland aan de verplichtingen vanuit
de EU-richtlijn Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld.
Gekoppeld aan het meldpunt Veilig Thuis zit ook de functie van adviespunt. Met de
recente invoering van het digitale platform van Veilig Thuis is de informatie rondom
het herkennen, signaleren en handelen als het gaat om intieme terreur en rode vlaggen
voor femicide op één plek gebundeld. Vanuit het digitale platform kan direct per chat
of telefonisch aanvullend advies worden gevraagd en, indien nodig, over gegaan worden
tot een melding.
Als een vrouw in een onveilige situatie zit, moet zij te allen tijde daar aan kunnen
kloppen waar het voor haar het meest veilig voelt. Het is dan zaak dat de relevante
organisaties onderling goed samenwerken en zorgen dat zij met haar hulpvraag naar
de juiste plek wordt begeleid. Hier is nog veel in te verbeteren en dit heeft de aandacht.
Vraag 10
Bent u van plan om aan de slag te gaan met de aanbeveling om meer gegevens bij te
houden van zowel het slachtoffer als de dader, zoals hun relatie, de geografische
locatie van het delict, het type geweld dat is gebruikt tijdens het delict?
Antwoord 10
Als onderdeel van de implementatie van het Verdrag van Istanbul heeft Nederland in
2019 de Impactmonitor Huiselijk Geweld en Kindermishandeling ingericht. Deze monitor
bevat gecombineerde data van onder meer de politie, justitieorganisaties, Veilig Thuis
en het jeugddomein. GREVIO beveelt aan om de bestaande monitor uit te breiden met
bijvoorbeeld de zorgsector. En om de data, gegevens en monitoring vanuit de aangesloten
domeinen verder te harmoniseren.
Nederland heeft de afgelopen jaren stappen gezet in het verder verbeteren van dataverzameling
over huiselijk geweld, kindermishandeling en geweld tegen vrouwen. Een belangrijke
verbetering uit 2024 is het toevoegen van een wettelijke grondslag aan de Verzamelwet Gegevensverwerking VWS. Hierdoor ontstaat voor het Centraal Bureau voor de Statistiek (hierna: CBS) de mogelijkheid
om data vanuit Veilig Thuis met behulp van het burgerservicenummer (hierna: bsn) op
een veilige, niet tot personen herleidbare wijze te koppelen aan andere CBS-databestanden.
Het CBS is hierdoor in staat om data van Veilig Thuis te verrijken. Zo kan het CBS
meer inzicht krijgen in de achtergronden van slachtoffers en plegers van huiselijk
geweld en kindermishandeling en de geleverde hulp, zorg en eventuele justitiële interventies.
Dit is nodig om het beleid en de aanpak op de langere termijn te verbeteren. Momenteel
wordt deze wetswijziging in de praktijk geïmplementeerd. Dit gebeurt met de hoogste
zorgvuldigheid ten aanzien van privacy en dataveiligheid. De eisen hiervoor zijn vastgelegd
in de Wet op het Centraal Bureau voor de Statistiek. Het CBS voldoet hiermee aan de geldende Europese standaarden ten aanzien van het
anoniem verwerken van en rapporteren over de bij haar beschikbare data.
Daarnaast werkt het CBS samen met de aangesloten sectoren en betrokken ministeries
aan de doorontwikkeling van de Impactmonitor. De belangrijkste verbeterpunten zijn
het opschonen van dubbele data, om zo (technisch) ruimte te maken voor het toevoegen
van nieuwe datacategorieën en heldere overzichtspagina’s. Een nieuw voornemen is het
toevoegen van de geografische locatie van geweld en deze te koppelen aan bestaande
data over huiselijk geweld. Een ander voornemen is het verrijken van bestaande gegevens
met de woonsituatie en met de (vermoedelijke) relationele status van betrokkenen bij
huiselijk geweld en geweld tegen vrouwen.
Een volgende stap is het verkrijgen van meer inzicht in hoe slachtoffers van geweld
in het bredere zorgdomein worden geholpen. Dit is een complexe uitdaging, omdat het
zorgdomein met alle publieke en private zorgverleners bestaat uit een zeer gevarieerde
doelgroep met eigen registratiesystemen, indicatoren en rapportages die zich niet
eenvoudig laten harmoniseren. Nederland kampt daarbij met grote personele uitdagingen
in de zorg. Om deze hanteerbaar te houden hebben de zorgsectoren in het Integraal
Zorg Akkoord afgesproken dat de uitvoeringspraktijk niet met meer bureaucratische
eisen moet worden belast dan strikt noodzakelijk is. De betrokken ministeries voeren
gesprekken met het CBS over hoe het zorgdomein meer kan worden betrokken bij de gegevensverzameling
over huiselijk geweld, zonder dat dit leidt tot extra regeldruk.
Politieregistratie data bevatten reeds informatie over het geslacht en de leeftijd
van vermoedelijke slachtoffers en verdachten, hun onderlinge relatie, de geografische
locatie en het type geweld (delict, in combinatie met maatschappelijke classificaties
voor huiselijk geweld en kindermishandeling). Registratiedata van het Openbaar Ministerie
(hierna: OM) bevatten op zaaksniveau informatie over het geslacht en de leeftijd van
verdachten of daders, de geografische locatie en het type geweld (delict, in combinatie
met maatschappelijke classificaties voor huiselijk geweld en kindermishandeling).
Ook registreert het OM vrouwelijk slachtofferschap bij geweldsdelicten. Met de politie,
het OM en het CBS zal worden verkend op welke wijze deze data op geaggregeerd niveau
verder inzichtelijk gemaakt kan worden voor huiselijk geweld, kindermishandeling en
geweld tegen vrouwen, in lijn met de vereisten van het Verdrag van Istanbul en de
EU-Richtlijn inzake de bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. Tevens
zal worden verkend in hoeverre routes van
verdachten of daders en (vermoedelijke) slachtoffers in de zorg- en veiligheidsketen
op geaggregeerd niveau in beeld gebracht kunnen worden, ten behoeve van verdiepend
onderzoek en beleidsevaluatie.
Antwoord 11
Deelt u de mening dat in gevallen van huiselijk geweld het belang van kinderen voorop
moet staan in tegenstelling tot het recht van ouders om zich te beroepen op hun ouder
zijn voor bijvoorbeeld het aanvragen van visitatie, omgangsregelingen etc.
Antwoord 11
Ja. In alle gezags- en omgangszaken staat het belang van het kind centraal. Dit uitgangspunt
is vastgelegd in het Burgerlijk Wetboek (artikel 1:253a BW) en het Internationaal
Verdrag inzake de Rechten van het Kind (artikel 3 en 9). Het belangrijkste is dat
naar een situatie wordt toegewerkt die het kind in staat stelt duurzaam veilig op
te groeien en het meeste bijdraagt aan het welzijn van het kind. Daarbij heeft het
bij vraag 3 genoemde verbetertraject tot doel ervoor te zorgen dat informatie over
(een geschiedenis van) huiselijk geweld beter wordt betrokken bij de rechterlijke
afweging over wat in het belang van het kind is.
Vraag 12
Hoe bent u van plan om de aanbeveling om data beter te beschermen en te delen onder
instanties concreet uit te voeren? Welke tools heeft u concreet tot uw beschikking
om ervoor te zorgen dat slachtofferverklaringen en andere data beter kan worden gedeeld
onderling tussen hulpinstanties zodat slachtoffers niet meerdere malen hun verhaal
hoeven te doen?
Antwoord 12
Op dit moment is het samenwerken en het informatie uitwisselen tussen verschillende
organisaties gebaseerd op diverse convenanten en per organisatie verschillende systemen
waardoor een estafettemodel is ontstaan. Het uitgangspunt bij de systemen voor uitwisseling
van informatie zijn de wettelijke taken, doelbinding (gegevens worden alleen verzameld
en verwerkt voor een specifiek, vooraf bepaald en gerechtvaardigd doel) en behoeften
van de diverse organisaties in de keten, zoals Veilig Thuis, de Raad voor de Kinderbescherming
en de politie.
In 2023 is door diverse ketenorganisaties geconcludeerd dat men wil toewerken naar
het doel dat professionals eenvoudiger toegang hebben tot informatie. Sinds 2024 wordt
gewerkt aan het initiatief «Samen onder Handbereik – netwerksamenwerking onder de
vingertoppen». Daarmee wordt een overstap gemaakt van estafettemodel naar netwerkmodel:
professionals krijgen op termijn zicht op gebeurtenissen die rond een gezin spelen
en kunnen inzage krijgen in meer gedetailleerde informatie bij de betreffende organisatie
(de bronhouder) zelf. Het uitgangspunt is dat data niet worden gecentraliseerd op
één plek, in één systeem, maar dat informatie vanuit de bron (de betreffende organisatie)
toegankelijk is ter inzage. Hiervoor is een landelijk samenwerkproces ontwikkeld.
Dit wordt momenteel stap voor stap gerealiseerd. Hierbij is uiteraard het uitgangspunt
dat dit conform de privacyregels gebeurt.
De eerste resultaten van deze ontwikkeling «Samen onder Handbereik» zijn inmiddels
bereikt. Zo is het mogelijk dat onder andere Veilig Thuis met één druk op de knop
kan zien wie het wettelijk gezag heeft over een minderjarige. En vanaf 2026 kan elke
Veilig Thuis organisatie digitaal checken of een of meer
netwerkpartners, zoals de Gecertificeerde Instellingen, de Raad voor de Kinderbescherming,
de Zorg- en Veiligheidshuizen en later ook de politie, bekend zijn met een bepaalde
persoon. Deze ontwikkelingen wordt stap voor stap uitgebreid met functionaliteiten
en organisaties.
Vraag 13
Bent u, gelet op de urgentie, bereid de vragen inhoudelijk te beantwoorden binnen
een maand en niet te verwijzen naar een latere kabinetsreactie?
Antwoord 13
De Kamervragen zijn zo snel mogelijk inhoudelijk beantwoord.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
N.J.F. Pouw-Verweij, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede namens
A.C.L. Rutte, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.