Memorie van toelichting : Memorie van toelichting
36 864 Wijziging van de Omgevingswet, de Wet milieubeheer en de Wet belastingen op milieugrondslag in verband met de implementatie van de herziening van de Richtlijn industriële emissies en de uitvoering van de PIE-verordening
Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING
Algemeen deel
1. Inleiding
Dit wetsvoorstel strekt tot implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1785 van het Europees
Parlement en de Raad van 24 april 2024 tot wijziging van Richtlijn nr. 2010/75/EU
van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies
(geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) en Richtlijn 1999/31/EG
van de Raad betreffende het storten van afvalstoffen (PbEU 2024, L 1758) (hierna:
de herziene Rie).
Daarnaast dient het wetsvoorstel ter uitvoering van Verordening (EU) 2024/1244 van
het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 24 april 2024 betreffende
de rapportage van milieugegevens van industriële installaties, tot oprichting van
een portaal voor industriële emissies (hierna: de PIE-verordening), die in de plaats
komt van de Verordening (EG) nr. 166/2006 van het Europees Parlement en de Raad van
18 januari 2006 betreffende de instelling van een Europees register inzake de uitstoot
en overbrenging van verontreinigende stoffen en tot wijziging van de Richtlijnen 91/689/EEG
en 96/61/EG van de Raad (PbEG 2006, L 33) (hierna: PRTR-verordening).
Gelet op de noodzaak van tijdige implementatie bevat dit wetsvoorstel alleen wijzigingen
die nodig zijn voor de implementatie van de herziene Rie en de uitvoering van de PIE-verordening.
Het merendeel van de wijzigingen is technisch van aard. Het wetsvoorstel wijzigt de
Omgevingswet (hierna: Ow), de Wet milieubeheer en de Wet belastingen op milieugrondslag.
Hierbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan het aanpassen van de omschrijvingen van
de richtlijn en de verordening, het opnemen en aanpassen van begripsomschrijvingen
en het aanpassen van enkele bepalingen in verband met de aanpassing van begripsomschrijvingen,
met het oog op beleidsneutrale implementatie. Daarnaast wordt voorzien in een beperkte
uitbreiding van de informatieplichten bij ongewone voorvallen en publicatievoorschriften
voor besluiten.
De bepalingen van dit wetsvoorstel moeten uiterlijk op 1 juli 2026 inwerkingtreden
voor een tijdige omzetting. De transponeringstabel voor de herziene Rie is opgenomen
na het algemene deel van deze memorie toelichting. Deze transponeringstabel bevat
de implementatie van de bepalingen van de richtlijn op wetsniveau. Ook van de PIE-verordening
is een transponeringstabel opgenomen van de uitvoering op wetsniveau. De volledig,
actuele en integrale tabellen worden opgenomen in de nota van toelichting bij de algemene
maatregel van bestuur voor de implementatie van de herziene Rie en de uitvoering van
de PIE-verordening.
De aanpassing van regelgeving in verband met de herziene Rie en de PIE-verordening
zal voornamelijk plaatsvinden op het niveau van een algemene maatregel van bestuur
(hierna: amvb) in het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: Bal), het Besluit
kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl) en het Omgevingsbesluit (hierna: Ob). De grondslag
voor deze amvb is artikel 4.3 van de Ow waarin staat dat bij amvb regels worden gesteld
over milieubelastende en lozingsactiviteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben
voor de fysieke leefomgeving. Bij het ontwerp voor de amvb zal internetconsultatie
plaatsvinden en het ontwerp wordt (op grond van artikel 23.5 Ow) voorgehangen bij
de Eerste en Tweede Kamer. Ook zal de Omgevingsregeling (hierna: Or) gewijzigd moeten
worden.
2. Hoofdlijnen van de herziene Rie
2.1 Inleiding herziene Rie
De Richtlijn industriële emissies (hierna: RIE) stelt milieueisen voor de meest milieubelastende
installaties in de Europese Unie. In Nederland gaat het om circa 5.000 installaties,
waaronder energiecentrales, chemische bedrijven, grote varkens- en pluimveehouderijen,
afvalverwerkende bedrijven en oplosmiddeleninstallaties. Deze RIE is met de herziene
Rie gewijzigd. De PIE-verordening en de herziene Rie moeten bijdragen aan het behalen
van de doelen van de Green Deal en de Europese ambities van «Verontreiniging naar
Nul» helpen realiseren.1
De volgende nieuwe categorieën van activiteiten vallen onder de herziene Rie.
• Pyrolyse van steenkool en andere brandstoffen in installaties met een totaal nominaal
thermisch ingangsvermogen van 20 MW of meer.
• De verwerking van ferrometalen door koudwalsen met een capaciteit van meer dan 10 ton
ruwstaal per uur.
• Smeden met een smeedpers met een kracht van meer dan 30 mega newton (MN) per pers.
• De fabricage van batterijen, met uitzondering van uitsluitend assemblage, met een
productiecapaciteit van 15.000 ton batterijcellen (kathode, anode, elektrolyt, separator,
omhulsel) of meer per jaar.
• Winning, waaronder behandeling ter plaatse, zoals vergruizen, zeven, verrijking en
veredeling, van de volgende ertsen op industriële schaal: bauxiet, chroom, kobalt,
koper, goud, ijzer, lood, lithium, mangaan, nikkel, palladium, platina, tin, wolfraam
en zink.
• Fabricage van anorganisch-chemische producten zoals gassen behalve indien geproduceerd
via elektrolyse
• Het afwerken van textielvezels of textiel met een verwerkingscapaciteit van meer dan
10 ton per dag.
• Elektrolyse voor de productie van waterstof met een productiecapaciteit van meer dan
50 ton per dag.
De uitbreiding van het toepassingsbereik met enkele agro-industriële activiteiten
betekent dat er voor die – nieuw onder de richtlijn vallende – activiteiten voorschriften
gaan gelden om de verontreiniging van die activiteiten terug te dringen. In Nederland
gelden al zodanig strenge eisen dat de nieuwe voorschriften niet tot wijziging nopen.
De enige uitzondering is pluimveefijnstof. Voor pluimvee installaties die onder bijlage I
bis RIE vallen, wordt het verplicht om een van de fijnstof mitigerende technieken
uit de BBT-conclusies uit 2017 toe te passen. De administratieve lasten voor alle
agro-industriële activiteiten blijven gelijk.
De wijzigingen van de herziene Rie zitten vooral in:
• Hoofdstuk 2: installaties waar een activiteit uit bijlage I plaatsvindt. In NL zijn
deze installaties in de wet gedefinieerd als ippc-installaties;
• Hoofdstuk 2bis: nieuw hoofdstuk over innovatie, en
• Hoofdstuk 6bis: nieuw hoofdstuk over veehouderijen.
Hieronder worden de belangrijkste wijzigingen toegelicht.
2.2 Hoofdstuk 2: ippc-installaties
Hoofdstuk 2 bevat regels voor installaties waar een activiteit uit bijlage I van de
richtlijn wordt verricht. In Nederland zijn deze installaties gedefinieerd in de Ow
als ippc-installaties. Voor ippc-installaties geldt een vergunningplicht. Om een vergunning
te krijgen, moeten in een ippc-installatie de beste beschikbare technieken (ook wel:
BBT) worden toegepast. Dit om emissies te voorkomen dan wel om deze emissies zo veel
mogelijk te beperken.
De herziene Rie bevat een aantal nieuwe verplichtingen voor exploitanten en bevoegdheden
voor het bevoegd gezag:
• het aantal activiteiten waarvoor hoofdstuk 2 geldt (bijlage I) wordt uitgebreid;
• de exploitant levert informatie aan die over de totale bandbreedte van de BBT-emissierange
gaat. Daarbij onderbouwt het bedrijf ook, als de onderkant van de bandbreedte niet
haalbaar is, waarom niet. Het bevoegd gezag stelt op basis van deze informatie de
strengst mogelijke emissiegrenswaarden vast die door toepassing van BBT in de installatie
kunnen worden bereikt (artikel 15, derde lid);
• vergunningverleners stellen extra vergunningsvoorwaarden, zoals:
– het vaststellen van milieuprestatiegrenswaarden,
– het stellen van normen voor: de prestaties voor het verbruik van grondstoffen, hulpbronnen,
water en energiebronnen en het hergebruik van materialen en water en afvalproductie
(artikel 15, eerste lid, onder abis) en,
– voorschriften ter bescherming van oppervlaktewater en onttrekkingsgebieden (artikel 14,
eerste lid, onder b);
• verplichting voor exploitant om een milieubeheersysteem (artikel 14bis) en een transformatieplan
op te stellen;
• De nieuwe bijlage II geeft aan wanneer sprake is van buitensporig hogere kosten, en
dus wanneer er hogere emissiegrenswaarden gesteld mogen worden door het bevoegde gezag;
• er is een afwijkingsmogelijkheid voor milieuprestatiegrenswaarden en wanneer sprake
is van een crisis (artikel 15 vijfde, zesde en zevende lid, en bijlage II);
• bij overschrijding van een milieukwaliteitsnorm, moet het bevoegd gezag het effect
beoordelen van aanvullende maatregelen voor het halen van de milieukwaliteitsnorm.
Als een emissie een meetbaar en kwantificeerbaar effect heeft, geldt er een monitoringsverplichting
voor het bedrijf (artikel 18), en
• aanpassingen zowel voor bevoegde gezagen als voor exploitanten, die bijdragen aan
een grotere transparantie van informatie voor het publiek (artikel 14bis, vierde lid,
en artikel 24).
Deze nieuwe verplichtingen en bevoegdheden worden op amvb niveau geïmplementeerd en
worden in de nota van toelichting bij dat besluit verder toegelicht.
2.2.1 Uitbreiding van het aantal activiteiten
Enkele activiteiten die een belangrijke negatieve impact kunnen hebben op de gezondheid
en het milieu, zijn toegevoegd aan bijlage I. Het gaat om grootschalige batterijproductie,
winning van industriële en metaalhoudende mineralen, pyrolyse en een aantal nieuwe
processen voor metaalbewerking. Het produceren van waterstof was onder de RIE ingedeeld
in categorie 4: chemische industrie. Categorie 4 kent onder de RIE geen drempelwaarde.
Voor waterstofproductie door middel van elektrolyse is nu wel een drempelwaarde ingevoerd,
namelijk een productie van meer dan 50 ton per dag. Dit is ondergebracht in de nieuwe
categorie 6.6.
Onder het regime voor ippc-installaties van de RIE vielen ook de veehouderijen. Deze
zijn geschrapt uit bijlage I. Hierdoor gelden de verplichtingen van hoofdstuk 2 niet
meer voor veehouderijen. Voor veehouderijen bevat de herziene Rie een nieuw, eigen
hoofdstuk: hoofdstuk 6bis. Deze verandering wordt in paragraaf 2.2.2 verder toegelicht.
2.2.2 Hoofdstuk 6bis: veehouderijen
Hoofdstuk 2 geldt op grond van de herziene Rie niet langer voor veehouderijen. Voor
veehouderijen geldt een eigen hoofdstuk: hoofdstuk 6bis. In dit wetsvoorstel is in
verband met deze aanpassing het begrip rie-veehouderij-installatie geïntroduceerd
en wordt erin voorzien dat deze installaties de «eenvormige voorwaarden voor uitvoeringsregels»
toepassen in plaats van de best beschikbare technieken.
Hoofdstuk 6bis geldt voor installaties waar een activiteit uit bijlage I bis plaatsvindt.
Dit hoofdstuk gaat over veehouderijen en bevat minder verplichtingen voor veehouderijen
dan voorheen voor hen golden als ippc-installatie.
De drempelwaarden voor de activiteiten uit bijlage Ibis zijn uitgedrukt in veestapeleenheden
(VSE). De VSE is een gestandaardiseerde meeteenheid. Hierdoor is vergelijken en optellen
van verschillende categorieën vee mogelijk. De berekening gebeurt met behulp van coëfficiënten
voor verschillende categorieën vee. Deze coëfficiënten staan in bijlage Ibis. De drempelwaarden
voor de belangrijkste categorieën in bijlage Ibis zijn:
• Varkens: 350 VSE
• Leghennen: 300 VSE
• Ander pluimvee en combinatie ander pluimvee en leghennen: 280 VSE
• Combinatie van varkens en pluimvee: 380 VSE.
Er worden een aantal veehouderijen uitgezonderd. Zo is er een uitzondering voor varkenshouderijen
met biologische productie conform Verordening (EU) 2018/848. Er is ook een uitzondering
als vee voornamelijk buiten wordt gehouden en de bezettingsdichtheid minder is dan
2 VSE per hectare. De grond moet dan wel alleen gebruikt worden voor begrazing of
voor de teelt van voedergewassen voor het vee van de veehouderij.
Voor het toetsen aan de drempelwaarden uit bijlage Ibis geldt een samentellingsregel.
Installaties voor veehouderijen die in de buurt van elkaar staan en van dezelfde exploitant
zijn, worden bij het toetsen aan de drempelwaarde als één eenheid beschouwd. Dit is
ook het geval als het om installaties voor veehouderijen gaat van verschillende exploitanten
die een economische relatie of rechtsbetrekking met elkaar hebben. De Europese Commissie
stelt uiterlijk op 5 augustus 2028 een (niet-bindend) richtsnoer op met criteria die
het bevoegd gezag voor het hanteren van de samentellingsregel kan gebruiken.
Artikel 70 quater biedt lidstaten de keuze om veehouderijen vergunningplichtig of
meldingsplichtig te laten zijn. Maar op grond van de Mer-richtlijn bestaat, gezien
de mogelijke significante effecten op het milieu van intensieve veehouderijen, reeds
een vergunningplicht voor deze veehouderijen. Omdat lidstaten moeten voldoen aan beide
Europese richtlijnen, blijven de veehouderijen – die onder bijlage Ibis RIE vallen –
dus vergunningplichtig.
In artikel 70 quater, tweede lid, is bepaald welke informatie een vergunningaanvraag
voor een veehouderij in ieder geval moet bevatten. Dat is een beschrijving van:
• de installatie en de activiteiten die daar plaatsvinden;
• de diercategorieën;
• de bezettingsdichtheid in VSE per hectare berekend overeenkomstig bijlage Ibis, indien
van toepassing;
• de capaciteit van de installatie;
• de emissiebronnen van de installatie, en
• de aard en omvang van de voorzienbare emissies van de installatie in elk medium.
De BBT-conclusies en de bijbehorende referentiedocumenten (BREF) voor veehouderijen
worden vervangen door het uitvoeringsregels-document voor veehouderijen. Dit uitvoeringsregels-document
wordt met een uitvoeringshandeling vastgesteld door de Europese Commissie. Hierin
komt te staan wat voor veehouderijen de beste beschikbare technieken zijn, – indicatief –
welke technieken in opkomst zijn en hoe de monitoring van emissies moet plaatsvinden.
De monitoringgegevens worden verkregen door middel van meetmethoden of, als dit niet
mogelijk is, door middel van berekeningsmethoden zoals het gebruik van emissiefactoren.
Het uitvoeringsregels-document voor veehouderijen wordt uiterlijk op 1 september 2026
door de Europese Commissie vastgesteld. Vergunningen voor veehouderijen moeten voldoen
aan het uitvoeringsregels-document voor veehouderijen. Het bevoegd gezag moet, op
grond van artikel 70 octies de vergunning op internet publiceren. Hiervoor is in dit
wetsvoorstel artikel 19.1b van de Wm opgenomen, waarin is bepaald dat de publicatieverplichtingen
ook gelden voor een rie-veehouderij-installatie.
In de herziene Rie zijn overgangsbepalingen opgenomen, waarin is bepaald wanneer hoofdstuk
6bis voor veehouderijen gaat gelden. Het gaat om drie verschillende tijdstippen:
• vier jaar na de inwerkingtreding van de uitvoeringshandeling voor veehouderijen van
600 VSE of meer;
• vijf jaar na de inwerkingtreding van de uitvoeringsregels voor veehouderijen van 400
VSE of meer, en
• zes jaar na de inwerkingtreding van de uitvoeringsregels voor alle andere veehouderijen
die onder bijlage Ibis vallen.
Het overgangsrecht voor veehouderijen wordt geïmplementeerd in de amvb die in voorbereiding
is. De voorgestelde wijzigingen op wetsniveau behoeven geen overgangsrecht. Tot het
tijdstip van inwerkingtreding moeten de genoemde (bestaande) veehouderijen, voldoen
aan de voor hun geldende bepalingen ter implementatie van de nu nog geldende RIE.
Het bevoegd gezag houdt toezicht op de vergunningsvoorwaarden en publiceert de inspectie-verslagen
van toezichtbezoeken op internet. Als een veehouderij niet voldoet aan de vergunning,
moet de exploitant van de veehouderij alle maatregelen nemen die nodig zijn om wel
te voldoen. Bij een aanzienlijke verslechtering van het milieu of een aanzienlijk
gevaar voor de gezondheid veroorzaakt door de veehouderij, moet het bevoegd gezag
de exploitatie van de veehouderij stopzetten totdat de veehouderij weer voldoet aan
de voorschriften.
2.2.3 De hoofdstukken 1 en 7
In de hoofdstukken 1 en 7 staan de gemeenschappelijke bepalingen en de slotbepalingen
die gelden voor alle installaties die onder het toepassingsbereik van de RIE vallen
zoals gewijzigd door de herziene Rie. In deze paragraaf wordt stilgestaan bij een
aantal relevante artikelen uit deze hoofdstukken.
Incidenten en ongevallen
Om de gevolgen van incidenten of ongevallen voor de menselijke gezondheid en het milieu
te beperken en toekomstige incidenten of ongevallen te voorkomen is een snelle informatieverstrekking
en een nauwe coördinatie tussen de bevoegde gezagen van de verschillende lidstaten
nodig. In de herziene Rie is daarom een informatieplicht opgenomen, die met dit wetsvoorstel
wordt geïmplementeerd. Het gaat om informatie over incidenten en ongevallen met aanzienlijke
grensoverschrijdende gevolgen voor een andere lidstaat. Het bevoegd gezag voor de
activiteit waarbij het incident of ongeval heeft plaatsgevonden, moet onmiddellijk
het bevoegd gezag in de andere lidstaat daarvan op de hoogte stellen. Een zelfde soort
verplichting geldt in het geval van incidenten en ongevallen die gevolgen hebben voor
drinkwaterbronnen of voor infrastructuur voor afvalwater. Dan moet het bevoegd gezag
de getroffen drinkwater- en afvalwaterexploitanten op de hoogte stellen van de maatregelen
die zijn getroffen om de schadelijke gevolgen van de verontreiniging voor de menselijke
gezondheid en het milieu af te wenden of te herstellen.
Opschortverplichting
De herziene Rie bevat een extra opschortverplichting. Bevoegde gezagen moeten de exploitatie
van een installatie kunnen opschorten als een voortdurende inbreuk op de vergunningvoorschriften
en het niet opvolgen van de bevindingen in het inspectieverslag, een gevaar voor de
menselijke gezondheid of aanzienlijke nadelige gevolgen voor het milieu oplevert of
dreigt op te leveren. Deze verplichting is opgenomen in artikel 19.4 van de Ow.
Toegang tot de rechter
De bepalingen over de toegang tot de rechter uit de RIE zijn in de herziene Rie aangevuld
en meer in overeenstemming gebracht met het Verdrag van Aarhus. Dit is gedaan door:
– de opname van een definitie van «het betrokken publiek» in artikel 3, punt 17, en
– toevoeging van twee zinsneden aan de artikelen 25, eerste lid, en 70 nonies, eerste
lid, waarin is bepaald dat:
a. de procesbevoegdheid in beroepsprocedures niet afhankelijk mag worden gemaakt van
de rol die het betrokken lid van het publiek heeft gespeeld tijdens een inspraakfase
van de besluitvormingsprocedures krachtens deze richtlijn;
b. de beroepsprocedure eerlijk, billijk, tijdig en niet buitensporig kostbaar mag zijn,
en voorziet in adequate en doeltreffende middelen, met inbegrip van, zo nodig, een
rechterlijk bevel. Naar aanleiding van het op 14 januari 2021 gewezen arrest van het
Hof van Justitie over de uitleg van het Verdrag van Aarhus over inspraak en toegang
tot de (bestuurs-)rechter bij Aarhusbesluiten (het zogenoemde Varkens-in-Noodarrest)
is een wetsvoorstel in voorbereiding dat erin voorziet dat de Nederlandse regelgeving
wat betreft de toegang tot de rechter met het Verdrag van Aarhus in overeenstemming
wordt gebracht.
De zinsnede «met inbegrip van, zo nodig, een rechterlijk bevel» luidt in de Engelse
tekst van de herziene Rie: including injunctive relief as appropriate. Hierin is voorzien
door de mogelijkheid een voorlopige voorziening te vragen (artikel 8.81 van de Algemene
wet bestuursrecht).
Sanctionering
Artikel 79 betreft sanctionering. Het artikel bepaalt dat – onverminderd de verplichtingen
krachtens Richtlijn 2008/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november
2008 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht – sancties
moeten worden vastgesteld op overtreding van bepalingen die dienen ter implementatie
van de richtlijn industriële emissies die doeltreffend, evenredig en afschrikkend
zijn. Dit is een standaardformulering in Europese richtlijnen. Aan deze verplichting
wordt voldaan via het stelsel van vergunningverlening, toezicht en handhaving milieu.
Dat betekent dat nalevingstoezicht en bestuursrechtelijke handhaving gebeurt door
omgevingsdiensten, waarbij gedeputeerde staten of college van burgemeester en wethouders
het bevoegde gezag zijn voor de betreffende milieubelastende activiteit. Ook is voorzien
in strafrechtelijke handhaving via de Wet op de economische delicten.
Artikel 79, tweede lid, bepaalt dat de sancties, bedoeld in het eerste lid, in ieder
geval bestuursrechtelijke financiële sancties moeten zijn met als doel de uit de inbreuk
voortvloeiende economische voordelen effectief te ontnemen. Voor de zwaarste inbreuken
die door een rechtspersoon worden gepleegd, moet de financiële sanctie ten minste
zijn 3% van de jaaromzet in de Unie van de exploitant in het boekjaar dat voorafgaat
aan het jaar waarin de boete wordt opgelegd. Als alternatief zijn strafrechtelijke
sancties mogelijk onder de voorwaarde dat die even doeltreffend, evenredig en afschrikkend
zijn als de bestuursrechtelijke financiële sancties.
Nederlandse regelgeving is reeds in overeenstemming met artikel 79, tweede lid, via
de strafrechtelijke sancties uit de Wet op de economische delicten en de titels I
tot en met VIIIA van het eerste boek van het Wetboek van Strafrecht (van toepassing
via artikel 91 van die wet). In artikel 23, zevende lid, Wetboek van Strafrecht is
bepaald dat in gevallen waarin de hoogste boetecategorie geen passende bestraffing
is, een geldboete kan worden opgelegd tot ten hoogste tien procent van de jaaromzet
van de rechtspersoon in het boekjaar voorafgaande aan de uitspraak of strafbeschikking.
Artikel 79, derde lid, bepaalt dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat bij de op
grond van dit artikel opgelegde sancties, waar van toepassing, naar behoren rekening
wordt gehouden met:
a. de aard, de ernst en de omvang van de inbreuk;
b. de bevolking die, of het milieu dat, door de inbreuk wordt getroffen, rekening houdend
met de gevolgen van de inbreuk voor de doelstelling om een hoog niveau van bescherming
van de menselijke gezondheid en het milieu tot stand te brengen;
c. het herhaaldelijk of eenmalig karakter van de inbreuk.
Dit artikellid bevat een opsomming van verschillende strafverzwarende onderscheidenlijk
-verzachtende omstandigheden. Lidstaten zijn verplicht in het nationale recht de nodige
maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat in voorkomende gevallen zwaardere dan
wel lichtere straffen kunnen worden opgelegd dan in gevallen waarin die omstandigheden
zich niet voordoen.
In Nederland geldt als algemene regel dat de strafrechter zeer ruime straftoemetingsvrijheid
heeft. Binnen het wettelijke strafmaximum dat op een bepaald strafbaar feit is gesteld,
heeft de rechter de vrijheid om alle relevante omstandigheden mee te wegen bij het
bepalen van een passende straf in een individueel geval. Op deze wijze is het voor
de rechter mogelijk een zwaardere straf op te leggen dan gewoonlijk voor een feit
wordt opgelegd, indien bepaalde, strafverzwarende omstandigheden aan de orde zijn
of om in straf verminderende zin rekening te houden met verzachtende omstandigheden.
Hiervoor is niet vereist dat de betreffende verzwarende en verzachtende omstandigheden
specifiek in de wet worden neergelegd. Via artikel 91 van het Wetboek van Strafrecht
zijn titels I tot en met VIIIA van het eerste boek (maatregelen) van die wet ook van
toepassing op overtredingen en misdrijven die onder de Wet op de economische delicten
strafbaar zijn gesteld. Om te voldoen aan de verplichtingen uit artikel 79, derde
lid, onderdelen a en b, hoeven de in die onderdelen genoemde omstandigheden dan ook
niet te worden opgenomen in de Nederlandse strafwetgeving.
In recidive als strafverzwaringsgrond (artikel 79, derde lid, onderdeel c) is voorzien
via bestaand recht (artikel 43a van het Wetboek van Strafrecht juncto artikel 91 van
het Wetboek van Strafrecht). Tevens is voorzien in een strafverzwaringsgrond, indien
de verdachte een gewoonte maakt van het plegen van het misdrijf (artikel 6, eerste
lid, onderdeel 3, van de Wet op de economische delicten).
2.3 Uitvoeringshandelingen/gedelegeerde handelingen
Voor verschillende onderdelen zal de Europese Commissie uitvoeringshandelingen vaststellen.
• Uiterlijk op 1 juli 2026 wijzigt de Europese Commissie het Uitvoeringsbesluit 2012/119/EU
(artikel 13, eerste lid, onderdeel 1bis). Dit Uitvoeringsbesluit gaat over het vaststellen
van richtsnoeren voor het verzamelen van gegevens en het opstellen van BBT-referentiedocumenten.
• Uiterlijk op 31 december 2025 wordt aangegeven welke informatie van het milieubeheerssysteem
openbaar op internet ontsloten moet worden (artikel 14bis, vierde lid).
• Er komt een gestandaardiseerde methode voor de beoordeling van buitensporig hoge kosten
en de potentiële milieuvoordelen. Deze methode wordt toegepast voor het toestaan van
soepelere emissiegrenswaarden en milieuprestatiewaarden (artikel 15, vijfde lid en
zesde lid).
• Uiterlijk op 1 september 2026 wordt een document opgesteld met een methode voor het
beoordelen van de naleving onder normale bedrijfsomstandigheden van de in de vergunning
opgenomen emissiegrenswaarden met betrekking tot emissies in de lucht en het water
(artikel 15bis, tweede lid).
• De Europese Commissie werkt nadere regelingen uit die nodig zijn voor de werking van
het innovatiecentrum INCITE (artikel 27bis, vierde lid).
• Uiterlijk op 1 september 2026 worden de uitvoeringsregels-document voor veehouderijen
vastgesteld (artikel 70 decies, tweede lid). Hierin staat wat BBT is voor veehouderijen.
Dit is verder toegelicht in paragraaf 2.4.
Voor verschillende onderdelen in de herziene Rie heeft de Europese Commissie de bevoegdheid
om gedelegeerde handelingen vast te stellen.
• Uiterlijk op 30 juni 2026 is er een format voor het opstellen van transformatieplannen
die aangeeft welke informatie in de transformatieplannen moet staan (artikel 27 quinquis,
vijfde lid).
• De Europese Commissie heeft de bevoegdheid om bepaalde bijlagen aan te passen aan
wetenschappelijke en technische vooruitgang. Belanghebbenden worden op passende wijze
geraadpleegd. Het gaat om bijlage V, delen 3 en 4, bijlage VI, delen 2, 6, 7 en 8,
en bijlage VII, delen 5, 6, 7 en 8. Dit zijn de bijlagen die gaan over stookinstallaties,
afval(mee)-verbrandingsinstallaties en oplosmiddeleninstallaties.
De Europese Commissie zal ook de volgende richtsnoeren opstellen.
• Een richtsnoer met beste praktijken van hoe een elektronisch systeem opgesteld zou
kunnen worden (artikel 5, vierde lid).
• Uiterlijk 5 augustus 2028 komt er een richtsnoer, waarin wordt aangegeven wanneer
veehouderij-installaties bij elkaar geteld moeten worden om te bepalen of wordt voldaan
aan de capaciteitsdrempelwaarde voor veehouderijen.
3. Hoofdlijnen van de PIE-verordening
3.1 Inleiding
De PIE-verordening is de opvolger van de PRTR-verordening. In hoofdlijnen blijven
de doelstelling en verplichtingen gelijk. Doelstelling is om een ieder (zoals burgers,
maatschappelijke organisaties, overheden, bedrijven en adviseurs) inzicht te geven
in de milieubelasting van de grootste vervuilingsbronnen. Nevendoel is daarbij dat
door meer openheid ook druk zal ontstaan om milieuverontreiniging te verminderen.
Anders dan richtlijnen worden EU-verordeningen niet geïmplementeerd. EU-verordeningen
zijn verbindend in al hun onderdelen en rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten.
Wel moet voorzien worden in strafbaarstelling, toezicht en handhaving. Bovendien moet
ervoor worden gezorgd dat de verordening «werkt». Daarvoor moet – net als bij de PRTR-verordening –
regelgeving erin voorzien dat het proces van rapportage aan de bevoegde gezagen, de
Minister van Infrastructuur en Waterstaat (Rijksinstituut voor volksgezondheid en
milieu) en uiteindelijk aan het Europese Milieuagentschap goed loopt.
3.2 Wijzigingen PIE-verordening op hoofdlijnen
De PIE-verordening bevat de verplichting om bij bepaalde activiteiten een opgave te
doen van emissies in lucht, water en bodem. De verplichting om te rapporteren rust
op de bedrijven die een activiteit uitvoeren, en daarbij boven de capaciteitsdrempel
uitkomen, zoals genoemd in bijlage I van de PIE-verordening. In bijlage I van de PIE-verordening
wordt in zijn geheel verwezen naar bijlagen I en Ibis van de RIE. Dit betekent dat
alle activiteiten die onder de hoofdstukken 2 (ippc) en 6bis (veehouderijen) vallen,
ook onder de PIE-verordening vallen en dat over de emissies uit installaties moet
worden gerapporteerd. Daarnaast bevat bijlage I van de PIE-verordening enkele activiteiten
die niet in de bijlagen I en Ibis RIE staan, of die wel in bijlage I staan, maar met
een andere of geen drempel. Voor al deze activiteiten geldt de PIE-rapportageplicht.
Er geldt een rapportageverplichting voor emissies van stoffen als deze komen boven
de drempelwaarde uit bijlage II van de PIE-verordening. Voor afval geldt ook een drempelwaarde
waarboven gerapporteerd moet worden. Deze staat in artikel 6 van de PIE-verordening.
Omdat de RIE met de herziene Rie is uitgebreid met een aantal activiteiten en omdat
ook extra activiteiten aan bijlage I van de PIE-verordening zijn toegevoegd, zullen
meer bedrijven in Nederland onder de rapportageplicht gaan vallen. In hoofdlijnen
is er een gewijzigde rapportageplicht voor bepaalde afvalverwerkingsbedrijven, de
productie van waterstof door elektrolyse, fabricage van batterijen, middelgrote stookinstallaties
(mits deze geen onderdeel zijn van samengestelde stookinstallatie >50 MW), mijnbouw
inclusief olie- en gaswinning, dagbouw, RWZI’s en scheepswerven.
Ten opzichte van de PRTR-verordening zal onder de PIE-verordening niet meer op inrichtingsniveau
worden gerapporteerd maar op het niveau van installaties. De verwachting is dat dit
voor Nederland niet of nauwelijks invloed heeft. Er wordt op dit moment op Europees
niveau aan een richtsnoerdocument gewerkt dat begrippen verduidelijkt, die in de PIE-verordening
staan en waaraan de rapportageplicht gekoppeld is.
Onder de PIE-verordening moet ook worden gerapporteerd over het water- en energieverbruik.
Verder moet worden aangegeven wat het verbruik aan relevante grondstoffen is. Dit
is nog niet uitgewerkt. De Europese Commissie zal hiervoor voor 2026 een richtsnoerdocument
opstellen.
Onder de PRTR-verordening werden concentraties van stoffen onder de drempelwaarde
niet gerapporteerd en kon het invoerveld leeg blijven. Dit is onder de PIE-verordening
niet meer toegestaan. Aangegeven moet worden dat emissies onder de drempelwaarde liggen.
Op de lijst staan tegen de honderd stoffen. Veel bedrijven zullen voor een beperkt
aantal stoffen boven de drempelwaarde uitkomen.
Onder de PRTR-verordening was het sinds rapportagejaar 2023 verplicht te rapporteren
over productievolume, bedrijfsuren en aantal werknemers op basis van het Uitvoeringsbesluit
(EU) 2022/142 van de Commissie van 31 januari 2022, tot wijziging van Uitvoeringsbesluit
(EU) 2019/1741 wat betreft de rapportage over het productievolume en tot rectificatie
van dat uitvoeringsbesluit (C(2022) 451). Dit diende om een vergelijking te kunnen
maken tussen emissies van bedrijven per eenheid product. In een voetnoot bij deze
gegevens is bepaald dat voor het rapporteren van het productievolume en de bedrijfsuren
individuele gegevenspunten niet openbaar worden gemaakt onverminderd de toepasselijke
EU-wetgeving inzake toegang van het publiek tot milieu-informatie. Onder de PIE-verordening
moet informatie worden aangeleverd, die het mogelijk maakt om de gerapporteerde gegevens
in context te plaatsen. Daarbij worden uitdrukkelijk genoemd het productievolume en
het aantal werknemers. Zoals hierboven is aangegeven, verwijst het format voor de
gegevensverstrekking onder de PRTR-verordening naar het toepasselijke openbaarheidsregime
en daarmee ook naar de daarover bestaande jurisprudentie. Dit betekent dat deze gegevens
moeten worden aangeleverd, maar dat een bedrijf bij het aanleveren kan aangeven dat
de individuele gegevenspunten niet openbaar mogen worden gemaakt. Naar aanleiding
van zo een verzoek moet het bevoegd gezag het belang van het bedrijf om de gegevens
vertrouwelijk te houden afwegen tegen het belang van openbaarmaking. Bij die afweging
moet de vigerende jurisprudentie worden betrokken.
Sanctiebepaling
De sanctiebepaling is uitgebreid in vergelijking met de sanctiebepaling onder de PRTR-verordening.
In het tweede lid is bepaald dat de sancties geldboeten omvatten en in het derde lid
is, net als in artikel 79, derde lid, van de RIE zoals gewijzigd door de herziene
Rie, bepaald dat met strafverzwarende en -verlichtende aspecten rekening moet worden
gehouden. Voor een toelichting op de verplichting van financiële sancties wordt verwezen
naar paragraaf 2.2.3 onder sanctiebepaling, onder artikel 79, tweede lid, aan het
slot. Voor het laatste wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 79, derde lid.
3.3 Uitvoeringshandelingen/gedelegeerde handelingen
Voor verschillende onderdelen in de PIE-verordening zal de Europese Commissie uitvoeringshandelingen
vaststellen.
• Uiterlijk op 31 december 2025 stelt de Europese Commissie een lijst vast van relevante
grondstoffen waarover moeten worden gerapporteerd, onder vermelding van de soorten
en de eenheden (artikel 6, eerste lid, PIE-verordening).
• Er wordt een format vastgesteld voor de gegevens die gerapporteerd moeten worden (artikel 7,
eerste lid, PIE-verordening).
Voor verschillende onderdelen van PIE-verordening heeft de Europese Commissie bevoegdheid
om gedelegeerde handelingen vast te stellen.
• Indien de Europese Commissie vaststelt dat er geen gegevens over de uitstoot van verontreinigende
stoffen door diffuse bronnen bestaan, is de Commissie bevoegd om gedelegeerde handelingen
vast te stellen tot aanvulling van deze verordening (artikel 8, derde lid, PIE-verordening).
Met de aanvulling wordt een rapportage ingevoerd inzake de uitstoot van relevante
verontreinigende stoffen vanuit één of meer diffuse bronnen, in voorkomend geval met
gebruikmaking van internationaal aanvaarde methoden.
• De Europese Commissie is bevoegd om bijlagen I en II van de PIE-verordening te wijzigen
(artikel 15, eerste en tweede lid, PIE-verordening). Uiterlijk op 31 december 2025
stelt de Europese Commissie een gedelegeerde handeling vast (artikel 15, derde lid,
PIE-verordening). Na die datum heeft de Europese Commissie ook bevoegdheid voor gedelegeerde
handelingen tot wijziging van de bijlagen.
4. Verhouding tot nationale regelgeving
De RIE was oorspronkelijk geïmplementeerd in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,
het Besluit omgevingsrecht en de Wet milieubeheer (hierna: Wm) en onderliggende regelgeving.
Met het inwerkingtreden van de Ow in 2024, is die implementatieregelgeving grotendeels
overgegaan naar de Ow en onderliggende regelgeving zoals het Bal, het Bkl en de Or.
In verband met de herziene Rie moeten vooral bepalingen uit het Bal en het Bkl worden
gewijzigd. De wijzigingen van de Ow, Or en de Wm zijn beperkt.
De PRTR-verordening was oorspronkelijk uitgevoerd in de Wet op de economische delicten,
de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, de Wm, het Uitvoeringsbesluit EG-verordening
PRTR en PRTR-protocol en de Uitvoeringsregeling EG-verordening PRTR en PRTR-protocol.
Met het inwerkingtreden van de Ow is die regelgeving goeddeels overgegaan naar de
Ow en onderliggende regelgeving zoals het Bal, het Bkl en het Ob. Het PRTR-stelsel
wordt deels geregeld door de PRTR-verordening (rechtstreeks werkend) en deels door
de regels in paragraaf 5.3.1. van het Bal (bepalingen gericht tot degene die de activiteit
verricht), in paragraaf 10.8.6 van het Ob en in paragraaf 11.2.6 van het Bkl (bepalingen
gericht tot het bevoegd gezag). De inhoud van deze paragrafen is een voortzetting
van die in de Wm, het Uitvoeringsbesluit EG-verordening PRTR en PRTR-protocol en de
Uitvoeringsregeling EG-verordening PRTR en PRTR-protocol. Dit wetsvoorstel voorziet
in de aanpassingen nodig voor de uitvoering van de PIE-verordening. De wijzigingen
van de Ow zijn beperkt.
5. De gevolgen van het wetsvoorstel voor de praktijk (administratieve en andere lasten;
bestuurlijke lasten)
5.1 Inleiding
Zoals hierboven is aangegeven, voorziet dit wetsvoorstel in enkele, technische wijzigingen
en wijzigingen van ondergeschikt belang van de Ow en andere wetten ter implementatie
van de herziene Rie en uitvoering van de PIE-verordening.
Uit de voorgestelde wijzigingen vloeien voor bedrijven geen verplichtingen voort.
De lasten voor het bedrijfsleven vloeien voort uit de implementatie van de herziene
Rie en uitvoering van de PIE-verordening bij de wijziging op amvb-niveau. Daarom worden
de lasten op dat niveau concreet uitgewerkt. Datzelfde geldt voor de bestuurlijke
lasten, voor zover deze voortvloeien uit dit voorstel worden deze wel in deze paragraaf
besproken. Uit de herziene Rie vloeien geen gevolgen voor burgers voort.
5.2 Bestuurlijke lasten
Herziene Rie
De nieuw toegevoegde begripsbepalingen worden in lijn gebracht met de herziene Rie
maar leveren geen extra bestuurlijke lasten op. Een inhoudelijke toelichting in te
vinden in de artikelsgewijze toelichting.
Artikel 19.1b van de Wm wordt uitgebreid. Het voorgestelde derde lid bepaalt dat in
voorkomende gevallen, naast de vergunning, ook geconsolideerde vergunningsvoorwaarden
gepubliceerd moeten worden. Die moeten via het internet vindbaar zijn en kosteloos
toegankelijk zijn, dat is niet nieuw. Veel vergunningen zijn nu slechts tijdelijk
in te zien op websites zoals www.officielebekendmakingen.nl. Ook zijn dit geen geconsolideerde vergunningen en bevatten die vaak niet alle voorwaarden
die volgens de RIE aan een ippc-installatie gesteld moeten worden. Na het verstrijken
van de inzagetermijn is de link echter niet meer actief. De herziene Rie eist dat
de geconsolideerde vergunningen blijvend, digitaal ontsloten worden.
Met geconsolideerde vergunningsvoorwaarden moet het bevoegd gezag inzicht geven in
alle voorschriften die voor ippc-installaties en rie-veehouderij-installaties gelden.
Dit zijn dus de omgevingsvergunning, de watervergunning en mogelijke algemene regels
uit het Bal die voor de installatie gelden. Dat is een nieuwe en extra handeling ten
opzichte van de huidige praktijk. Deze uitbreiding zorgt voor een stijging van de
financiële en administratieve lasten bij het bevoegd gezag, zijnde de colleges van
gedeputeerde staten en van burgemeester en wethouders. Vaak is de uitvoering belegd
bij omgevingsdiensten. De taak van een decentrale overheid verandert hiermee in beperkte
mate. Er zijn 1.700 ippc-installaties waarvoor op een natuurlijk moment, dat is als
er een nieuwe of wijzigingsvergunning wordt aangevraagd of als een vergunning geactualiseerd
wordt, een geconsolideerde vergunning moet worden opgesteld. Vooral de eerste keer
dat een geconsolideerde vergunning moet worden opgesteld, vraagt dat een aanzienlijke
inspanning van ongeveer twee weken per vergunning van het bevoegde gezag. Daarna behoeft
de geconsolideerde vergunning alleen geactualiseerd te worden bij wijzigingen. Door
de geconsolideerde vergunning wordt er overigens elders ook tijd bespaard doordat
alle vergunningsvoorwaarden goed vindbaar op een rij staan.
PIE-verordening
De verplichting om gegevens aan te leveren aan het bevoegd gezag, gaat gelden voor
meer gegevens en voor meer bedrijven (zie hoofdstuk 3). Daartoe wordt de emjv-module
aangepast. Dit kan tot een (geringe) stijging van de bestuurlijke lasten leiden.
6. Uitvoering, toezicht en handhaving
Herziene Rie
De gevolgen van de herziene Rie zijn er met name voor uitvoering, toezicht en handhaving
door bevoegde gezagen. Er vallen meer bedrijven (zie de volledige lijst van nieuwe
activiteiten in paragraaf 2.1) onder het toepassingsbereik van de richtlijn, waardoor
de verwachting is dat de uitvoeringslasten stijgen. Het gaat om enkele bedrijven in
de sector industrie en een groter aantal pluimveebedrijven. Deze lasten volgen echter
niet uit de wijzigingen opgenomen in dit wetsvoorstel, maar uit de implementatie op
amvb niveau. De lasten voor uitvoering, toezicht en handhaving worden daarom ook op
dat niveau in beeld gebracht.
PIE-verordening
Er vallen meer bedrijven onder de rapportageplicht van de PIE-verordening. Dit kan
tot een (geringe) stijging van de lasten van uitvoering, toezicht en handhaving leiden.
7. Advies en consultatie
7.1 Advies ATR
Omdat deze wet enkel strekt tot implementatie van Europese regelgeving die geen nationale
beleidsruimte laat, is dit voorstel, in overleg, niet door het Adviescollege toetsing
regeldruk getoetst. Het advies van het college wordt gevraagd over de onderliggende
amvb.
7.2 Internetconsultatie
Voor het wetsvoorstel heeft geen formele internetconsultatie plaatsgevonden omdat
het wetsvoorstel zeer beperkt is en één-op-één de verplichtingen uit de herziene Rie
implementeert. Volgens Kamerstukken II, 2016/17, 29 515, nr. 397, is in zo’n geval internetconsultatie niet verplicht.
8. Inwerkingtreding
Voorgenomen is om dit wetsvoorstel met ingang van 1 juli 2026 in werking te laten
treden tegelijk met de algemene maatregel van bestuur ter implementatie van de herziene
Rie en uitvoering van de PIE-verordening. De herziene Rie bevat overgangsrechtbepalingen.
Hetgeen met dit wetsvoorstel wordt geregeld vraagt geen overgangsrecht op dit niveau.
Het overgangsrecht wordt, waar toepasselijk, opgenomen in de amvb.
Transponeringstabel herziene Rie
Bepaling RIE gewijzigd door de herziene Rie
Bepaling in implementatieregeling of bestaande regeling / Toelichting indien niet
geïmplementeerd of naar zijn aard geen implementatie behoeft
Omschrijving beleidsruimte
Toelichting
(titel)
Artikel 21.2a Wm
Bijlage I, onderdeel B, Ow
artikelen 22, lid 1, onder c, sub c, en artikel 71h Wet belastingen op milieugrondslag
Geen
n.v.t.
Artikel 3, punt 10 (begripsbepaling beste beschikbare technieken)
Bijlage, onderdeel A, Ow
Geen
n.v.t
Artikel 7 (incidenten en ongevallen)
Artikel 19.3, eerste lid, Ow
Geen
n.v.t
Artikel 8 (niet-naleving)
Eerste, tweede en vijfde lid
Derde en vierde lid
Derde lid, tweede alinea
Zesde lid
Hfd. 18 (handhaving) en afdeling 19.1 (ongewone voorvallen) Ow
Definitiebepaling «ongewoon voorval» en hfd. 18 en afd. 19.1 Ow
Artikel 19.4 Ow
Artikel 19.4 Ow
Geen
Implementatie door bestaand recht en wetsvoorstel
Artikel 20, eerste lid
Artikel 16.56 Ow, Afdeling 3.4. en hoofdstuk 4 Awb
Implementatie door bestaand recht
artikel 24, tweede lid, onderdeel a (toegang tot informatie en deelneming van het
publiek aan de vergunningsprocedure)
Artikel 19.1b artikel 24, tweede lid, onderdeel a, Wm
Geen
n.v.t
Artikelen 25, eerste lid, en 70nonies, eerste lid:
eerste volzin
tweede volzin
Artikel 8:81 Awb
Geen
Implementatie door bestaand recht
Artikel 70 decies (eenvormige voorwaarden voor uitvoeringsregels)
artikel 5.38, tweede lid, Ow
Geen
n.v.t
Artikel 79, eerste lid
Tweede lid
Derde lid, onder a en b
Derde lid, onder c
VTH-stelsel milieu en Wed
Wed en de titels I tot en met VIIIA van het eerste boek van het WvSr (van toepassing
via artikel 91 van die wet
Idem en straftoemetingsvrijheid (zie toelichting)
artikel 43a juncto artikel 91 WvSr en artikel 6, eerste lid, onderdeel 3, Wed
Transponeringstabel Pie-verordening
Bepaling EU-verordening
Bepaling in uitvoeringsregeling of bestaande regeling / Toelichting indien niet geïmplementeerd
of naar zijn aard geen implementatie behoeft
Omschrijving beleidsruimte
Toelichting
Artikel 3, onderdeel 1:
installatie
Bijlage, onderdeel A Ow (ippc-installatie en ippc-veehouderijinstallatie)
Geen
Bestaand recht en wetsvoorstel
Artikel 3, onderdeel 4: het publiek
Art. 1.2 Awb
Geen
Implementatie via bestaand recht
Artikel 3, onderdeel 5:
uitstoot
Bijlage, onderdeel A, Ow (emissie)
Geen
Implementatie via bestaand recht
Artikel 3, onderdeel 6:
verontreinigende stof
Bijlage, onderdeel A, Ow (verontreinigende stof)
Geen
Implementatie via bestaand recht
Artikel 3, onderdeel 10:
afval
Bijlage, onderdeel A, Ow (afvalstoffen)
Geen
Implementatie via bestaand recht
Artikel 3, onderdeel 11:
afvalwater
Bijlage, onderdeel A, Ow (afvalwater)
Geen
Implementatie via bestaand recht
Artikel 3, onderdeel 14:
gevaarlijke afvalstoffen
Bijlage, onderdeel A, Ow (gevaarlijke afvalstof)
Geen
Implementatie via bestaand recht
Artikel 18: sancties
18.1, 18.2 (=18.2g Wm), 18.6, 18.19 Ow, 10.29 en 10.30 Bkl, 5.8 Bal
Geen
Implementatie via bestaand recht
Artikelsgewijze toelichting
Artikel I (wijziging Omgevingswet)
Onderdeel A
Wijziging artikel 4.13, tweede lid, Ow
Artikel 4.13, tweede lid, wordt gewijzigd om een beleidsneutrale omzetting te garanderen.
Onder ippc-installaties vallen nu nog installaties die straks binnen de begripsomschrijving
van rie-veehouderij-installaties vallen. Om ervoor te zorgen dat artikel 4.13 Ow voor
dezelfde installaties blijft gelden, is een in onderdeel b de rie-veehouderij-installatie
toegevoegd.
Onderdeel B
Wijziging artikel 4.22, tweede lid, Ow
Artikel 4.22 gaat over het oogmerk en de strekking van de algemene rijksregels. In
onderdeel c van het tweede lid staat dat de beste beschikbare technieken worden toegepast.
Omdat voor rie-veehouderij-installaties eenvormige voorwaarden voor uitvoeringsregels
worden geïntroduceerd in plaats van BBT-referentiedocumenten met de bijbehorende BREFs,
wordt dat begrip toegevoegd aan dit artikel.
Onderdeel C
Wijziging artikel 5.7, vierde lid, Ow
Aan artikel 5.7, vierde lid, wordt een onderdeel ingevoegd, opdat ook voor een rie-veehouderij-installatie,
de omgevingsvergunning voor een wateractiviteit en de omgevingsvergunning voor een
milieubelastende activiteit gelijktijdig aangevraagd moeten worden. Dit is nodig omdat
de richtlijn ook voor die installaties bepaalt dat vergunningverlening zoveel mogelijk
gecoördineerd en integraal dient plaats te vinden. Dit kan voorkomen bijvoorbeeld
bij het lozen in oppervlaktewater op grond van de Waterschapsverordening of bij grondwater
onttrekken.
Artikel 5 is geen nieuwe bepaling, maar omdat rie-veehouderij-installaties een eigen
regime krijgen en niet meer onder het «oude» ippc-installatie begrip vallen is het
– voor een beleid neutrale omzetting – nodig om rie-veehouderij-installaties toe te
voegen aan artikel 5.7 Ow. Afdeling 3.5. Coördinatie van samenhangende besluiten van
de Algemene wet bestuursrecht, is ingevolge artikel 16.7, eerste lid, onderdeel b,
Ow van toepassing. Dat artikel hoeft niet aangepast te worden, omdat naar artikel 5.7,
vierde lid, Ow wordt verwezen.
Onderdeel D
Wijziging artikel 5.38, tweede lid, Ow
Voorgesteld wordt aan artikel 5.38, tweede lid, van de Ow een verwijzing naar artikel 70
decies RIE toe te voegen. Deze verwijzing is nodig, omdat veehouderijen niet langer
onder hoofdstuk 2 van deRIE vallen. Artikel 13 van die richtlijn geeft aan dat de
beste beschikbare technieken voor ippc-installaties volgen uit BBT-conclusies en BBT-referentiedocumenten.
Artikel 70 decies RIE geeft aan dat de beste beschikbare technieken voor veehouderijen
volgen uit de eenvormige voorwaarden voor uitvoeringsregels.
Artikel I, Onderdeel E
Wijziging artikel 19.3 Ow
De voorgestelde wijziging van artikel 19.3, eerste lid, van de Ow is implementatie
van de wijziging van artikel 7, tweede en derde alinea, en artikel 8, zesde lid, van
de RIE. Dit omvat een aanvulling van informatieplichten bij ongewone voorvallen. De
richtlijnverplichting ziet ook op afvalwater, maar dat dit al geregeld is in het bestaande
artikel 19.3 Ow.
Onderdelen F en G
Artikelen 20.7 en 20.11 Ow
Met de voorgestelde wijziging van de artikelen 20.7 en 20.11 van de Ow, wordt de verwijzing
naar de PRTR-verordening vervangen door een verwijzing naar de PIE-verordening.
Onderdeel H
Wijziging bijlage, onderdeel A, Ow
Onder 1 wordt voorgesteld om in de definitie van «andere milieubelastende activiteit»
een verwijzing naar bijlage Ibis toe te voegen, om een beleidsneutrale implementatie
te realiseren. Dit is nodig, omdat rie-veehouderij-installaties, waarvoor bijlage Ibis
geldt, nu nog binnen de reikwijdte van het begrip ippc-installatie vallen, maar geen
ippc-installatie meer zijn onder de RIE, zoals gewijzigd door de herziene Rie.
De wijzigingen die onder 2 zijn voorgesteld, houden verband met de gewijzigde begripsbepaling
van de beste beschikbare technieken. In de herziene Rie zijn andere woorden gebruikt
in de definitie van «beschikbare technieken». Met de woorden «ongeacht of die technieken
in de Europese Unie worden toegepast of geproduceerd» wordt verduidelijkt dat het
niet uit maakt waar in de wereld deze technieken worden toegepast of geproduceerd.
Dat lijkt een verbreding ten opzichte van de huidige definitiebepaling waarin staat:
«onafhankelijk van de vraag of die technieken al dan niet op het grondgebied van de
betrokken lidstaat worden toegepast of geproduceerd». Dit is echter geen verbreding
in de Nederlandse context, omdat hier altijd al naar beschikbare technieken in de
gehele Europese Unie en andere werelddelen werd gekeken (het had dus al een brede
werking). De definitie is in lijn gebracht met de wijziging van dit begrip.
In onderdeel 3 wordt definitie voorgesteld voor «Eenvormige voorwaarden voor uitvoeringsregels».
Dit begrip wordt toegevoegd aan artikel 5.38, tweede lid, van de wet en wordt daarom
ook gedefinieerd.
In onderdeel 4 wordt voorgesteld om de definitie van ippc-installatie te wijzigen.
«voor zover daarin» wordt vervangen door «waar». Omdat «voor zover daarin» een te
beperkte omschrijving van het begrip suggereert. Zie ook de toelichting hieronder
op onderdeel 6.
In onderdeel 5 wordt voorgesteld om de begripsbepaling van «ongewoon voorval» aan
te passen door een verwijzing naar artikel 7 van de RIE toe te voegen en de verwijzing
naar artikel 8 te specificeren tot het derde en vierde lid. De specifiekere manier
van verwijzen naar artikel 8 is mogelijk geworden door de nieuwe opbouw van het artikel,
waarmee verduidelijkt wordt dat een inbreuk op de vergunningsvoorwaarden die geen
direct gevaar voor de menselijke gezondheid oplevert en geen onmiddellijke en significante
nadelige gevolgen voor het milieu dreigt te hebben, niet als een ongewoon voorval
gezien wordt.
In onderdeel 6 wordt een definitie voorgesteld voor «rie-veehouderij-installaties».
Dat zijn installaties waar een activiteit als bedoeld in bijlage Ibis wordt verricht.
Het begrip installatie uit artikel 3, onder 3, uit de richtlijn verwijst naar drie
bijlagen die elk gekoppeld zijn aan een ander hoofdstuk:
• Bijlage I is gekoppeld aan hoofdstuk 2. Dit is het hoofdstuk waar de installaties
geregeld zijn waarvoor in Europa BBT-conclusie documenten en achterliggende BREF-documenten
zijn of worden opgesteld. In de nationale regelgeving zijn deze installaties gedefinieerd
als «ippc-installatie». Deze definitie staat reeds in de Ow.
• Bijlage Ibis is gekoppeld aan het nieuwe hoofdstuk 6bis. Dit hoofdstuk gaat over veehouderijen.
De beste beschikbare technieken voor veehouderijen komen te staan in «eenvormige voorwaarden
voor uitvoeringsregels» die door de Europese Commissie worden vastgesteld. In verband
hiermee wordt een nieuw begrip geïntroduceerd, namelijk: rie-veehouderij-installatie.
• Deel 1 van bijlage VII, gekoppeld aan hoofdstuk 5, geldt voor oplosmiddeleninstallaties.
In het Bal is «oplosmiddeleninstallatie» gedefinieerd.
De verplichtingen verschillen per hoofdstuk en type installatie. De drie typen installaties
zijn gedefinieerd zodat daaraan de verplichtingen uit de verschillende hoofdstukken
van de RIE kunnen worden gekoppeld. Als gezegd: het begrip oplosmiddeleninstallatie
staat reeds in het Bal. Oplosmiddeleninstallaties zijn niet vergunningplichtig. Ippc-installaties
en rie-veehouderij-installaties zijn wel vergunningplichtig. In de definitie van de
drie typen installaties wordt verwezen naar artikel 3, onder 3, van de herziene Rie.
In dit artikel staat de definitie van «installatie» en daaruit volgt dat behalve de
activiteit die genoemd wordt in een bijlage van de richtlijn ook andere, samenhangende
activiteiten binnen het begrip «installatie» vallen mits die gevolgen kunnen hebben
voor de emissies en de verontreiniging. Een uitleg van het begrip installatie uit
de herziene Rie staat op de IPLO-webpagina: «Dit verstaat het Bal onder installatie».2 Voor rie-veehouderij-installaties kan bij oprichting, wijziging of uitbreiding een
milieueffectrapportage (mer) nodig zijn. Het opnemen van deze definitie verandert
niets in de relatie tot de mer-verplichtingen voor veehouderijen. In veel gevallen
is een mer-beoordeling nodig.
rie-veehouderij-installaties zijn installaties voor het houden van:
– varkens met een omvang van vanaf 350 VSE;
– uitsluitend leghennen met een omvang vanaf 300 VSE;
– uitsluitend overig pluimvee met een omvang vanaf 280 VSE;
– leghennen en overig pluimvee met een omvang vanaf 280 VSE waarbij de wegingsfactor
voor leghennen 0,93 is;
– varkens en pluimvee met een omvang vanaf 380 VSE.
Varkensbedrijven voor de biologische productie zijn uitgezonderd. Ook varkensbedrijven
met een bezettingsdichtheid van minder dan 2 VSE per hectare zijn uitgezonderd onder
de voorwaarden dat de grond alleen wordt gebruikt voor begrazing of de teelt van voedergewassen
en de dieren voor een groot deel van het jaar of tijdens bepaalde seizoenen buiten
worden gehouden.
Onderdeel I
Wijziging bijlage I bij artikel 1.1, onderdeel B, Ow
Dit betreft een technische aanpassing in verband met de herziene Rie, de intrekking
van de PRTR-verordening en het daarvoor in de plaats komen van de PIE-verordening.
Artikel II (wijziging Wet milieubeheer)
A
Wijziging artikel 19.1b, tweede lid, Wm
Dit artikel wordt ten eerste gewijzigd zodat het geldt voor ippc-installaties en rie-veehouderij-installaties.
Daarnaast wordt voorgesteld om aan artikel 19.1b een derde lid toe te voegen ter implementatie
van artikel 24, tweede lid, onderdeel a, waarin is bepaald dat voor ippc-installaties
de geconsolideerde vergunningsvoorwaarden beschikbaar gesteld moeten worden aan het
publiek. Op dit moment regelt het tweede lid van artikel 19.1b Wm dat een besluit
tot verlening of wijziging van de vergunning integraal moet worden gepubliceerd. Het
uitgangspunt van de Bekendmakingswet is dat de term «mededeling» tot integrale publicatie
en «kennisgeving» tot een zakelijke weergave met een terinzagelegging verplicht. Daarbij
wordt een (met toepassing van artikel 3:41 Awb bekendgemaakt) besluit altijd medegedeeld,
dat wil zeggen: integraal gepubliceerd.3
Een mededeling houdt dus in: een integrale publicatie via internet. Daarbij horen
altijd de onderliggende stukken zoals de vergunning en de voorwaarden. In de memorie
van toelichting bij de Wet elektronische publicaties staat over de RIE het volgende.
In artikel 24 en bijlage IV van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en
de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie
en bestrijding van verontreiniging) (PbEU 2010, L 334) zijn eveneens bijzondere informatiebepalingen
opgenomen. Zo moet volgens artikel 24, tweede lid, na afronding van de besluitvorming
de inhoud en de motivering van een vergunning waarop de richtlijn van toepassing is,
via internet gepubliceerd worden. Aan deze verplichting wordt voor een belangrijk
deel voldaan als afdeling 3.4 Awb van toepassing is. In artikel 19.1b van de Wet milieubeheer
is aanvullend bepaald dat het bevoegd gezag in afwijking van de uit afdeling 3.4 voortvloeiende
verplichtingen de tekst van een besluit voor eenieder elektronisch beschikbaar stelt,
zodra dat besluit onherroepelijk wordt. Door plaatsing van het besluit in het publicatieblad
van het bevoegd gezag, dan wel, bij ontbreken hiervan, de Staatscourant, wordt aan
deze verplichting voldaan.4
Artikel 24 tweede lid, onderdeel a, van de RIE bepaalt dat niet alleen de inhoud van
het besluit, waaronder een afschrift van de vergunning en eventuele latere wijzigingen,
online gepubliceerd moet worden, maar ook – in voorkomend geval – de geconsolideerde
vergunningsvoorwaarden. Met de consolidatie worden latere wijzigingen en rectificaties
in de oorspronkelijke tekst verwerkt tot één nieuwe, bijgewerkte tekst. Met geconsolideerde
vergunningsvoorwaarden dient het bevoegd gezag inzicht te geven in de geldende vergunningsvoorschriften.
Dit betekent dus dat als een deel van de vergunning is gewijzigd, er vervolgens één
document wordt gemaakt waardoor duidelijk is wat de vergunningsvoorschriften voor
het bedrijf zijn. Hierin staan dus ook de ongewijzigde vergunningvoorschriften, wat
tot een compleet overzicht van de geldende voorschriften leidt.
Het complete overzicht van de geldende voorschriften geldt voor vergunningvoorschriften
die volgens de RIE aan een vergunning voor een ippc-installatie verbonden moeten worden.
Het gaat hier bijvoorbeeld niet om bouwvoorschriften van een ippc-installatie. In
Nederland kunnen de voorschriften die aan een ippc-installatie moeten worden gesteld
in een omgevingsvergunning en een watervergunning staan. De watervergunning maakt
dan ook deel uit van de geconsolideerde vergunning. Verder biedt de RIE de mogelijkheid
aan lidstaten om algemeen verbindende voorschriften te stellen in plaats van vergunningvoorschriften
(artikel 6). Nederland heeft hier in bepaalde gevallen gebruik van gemaakt door in
het Bal regels te stellen, die gelden voor ippc-installaties. Ook dit maakt onderdeel
uit van de geconsolideerde vergunning, omdat dit ook «voorschriften» zijn die gelden
voor een ippc-installatie. De verplichting om een geconsolideerde vergunning te publiceren
geldt overigens niet voor rie-veehouderij-installaties.
Artikel III (wijziging Wet belastingen op milieugrondslag)
Dit zijn enkel technische aanpassingen.
Artikel IV (Inwerkingtreding)
Inwerkingtreding vindt plaats bij koninklijk besluit.
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, A.A. Aartsen
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
A.A. Aartsen, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.