Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid lid Mutluer over huisverboden voor plegers van huiselijk geweld
Vragen van het lid Mutluer (GroenLinks-PvdA) aan de Minister van Justitie en Veiligheid over huisverboden voor plegers van huiselijk geweld (ingezonden 17 oktober 2025).
Antwoord van Staatssecretaris Rutte (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 3 december
2025). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 360.
Vraag 1
Kent u het bericht «Burgemeesters willen huisverbod makkelijker én langer kunnen opleggen
bij huiselijk geweld: «Want niet in 28 dagen opgelost»»?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Deelt u de mening dat in het geval van huiselijk geweld de regel zou moeten zijn dat
niet het slachtoffer maar de pleger het huis zou moeten verlaten? Zo ja, waarom? Zo
nee, waarom niet?
Antwoord 2
Ik deel dat het uitgangspunt zou moeten zijn dat de pleger en niet het slachtoffer
het huis zou moeten verlaten nadat huiselijk geweld of kindermishandeling heeft plaatsgevonden.
Het belangrijkste is dat slachtoffers van huiselijk geweld én kindermishandeling zo
snel mogelijk veilig zijn. Dat biedt dan ook de rust om hulpverlening zinvol te kunnen
inzetten voor het benodigde herstel. Het instellen van een generieke regel dat niet
het slachtoffer maar de pleger het huis moet verlaten zou echter onverstandig zijn:
dit moet per geval worden afgewogen op basis van een goede veiligheids- en risicobeoordeling.
Afhankelijk van de kenmerken van de geweldsdynamiek en het risico op herhaling van
geweld kan het nodig zijn dat de slachtoffers (de (ex-)partner en eventuele kinderen)
het huis verlaten en op een veilige plek worden ondergebracht. En ook als een van
de (ex-)partners thuisblijft en de ander tijdelijk uithuisgeplaatst wordt, kan het
voor kinderen soms nodig zijn om een periode elders te verblijven om tot rust te komen.
Verder verwijs ik u naar het antwoord op een soortgelijke vraag van het lid Mutluer
in haar Kamervragen over de bescherming van slachtoffers van huiselijk geweld en stalking
d.d. 20 augustus 2025.2
Vraag 3
Hoe verhoudt het aantal slachtoffers dat vanwege huiselijk geweld elders opgevangen
moet worden zich tot het aantal plegers dat een tijdelijk huisverbod krijgt?
Antwoord 3
Ik verwijs u naar het antwoord op de nagenoeg identieke vraag 12 van het lid Mutluer
in haar Kamervragen over de bescherming van slachtoffers van huiselijk geweld en stalking
d.d. 20 augustus 2025.3
Vraag 4
Deelt u de mening van de in het artikel genoemde gemeenten dat een langere afkoelperiode
dan 28 dagen kan bijdragen aan het verder voorkomen van huiselijk geweld en het doorbreken
van een patroon van geweld? Zo ja, waarom en welke conclusie verbindt u daaraan? Zo
nee, waarom niet?
Antwoord 4
Het doorbreken van een patroon van geweld vraagt om een lange adem. Langdurige inzet
van hulp in combinatie met een veiligheidsplan is nodig om de verschillende factoren,
die bijdragen aan een onveilige situatie, goed aan te kunnen pakken, met name als
het gaat om complexe problematiek (langdurig structureel geweld in combinatie met
verslaving, psychiatrie, schulden, etc.). Het tijdelijk huisverbod is een bestuursrechtelijk
instrument dat kan worden ingezet om hierin de eerste stappen te zetten (afkoelingsperiode,
beschermen en starten van hulp). Vervolgens is het van belang dat de inzet van hulp
aan alle betrokkenen (slachtoffer, pleger, kinderen) langdurig wordt voortgezet, met
goede procesregie, zodat ook duurzame veiligheid kan worden gerealiseerd. Dit kan
(na afloop van een huisverbod) binnen het vrijwillig kader, als alle betrokkenen hieraan
mee werken en zich houden aan de gemaakte veiligheidsafspraken. Maar het kan ook zijn
dat er meer nodig is, omdat er nog steeds sprake is van onmiddellijk en dreigend gevaar
(bijvoorbeeld als pleger en/of slachtoffer zich niet houden aan de gemaakte veiligheidsafspraken).
In die gevallen kunnen beschermingsmaatregelen over een langere periode nodig zijn.
Daarbij is het van belang om te kijken op welke wijze bestuursrechtelijke, civielrechtelijke
en/of strafrechtelijke beschermingsmaatregelen aansluitend kunnen worden ingezet.
Momenteel onderzoek ik samen met gemeenten (burgemeesters en wethouders, o.a. van
de G4) en betrokken uitvoeringsorganisaties hoe de inzet van het tijdelijk huisverbod
beter kan, als onderdeel van de integrale aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling,
hierover is uw Kamer eerder geïnformeerd.4 Ook verken ik of en zo ja welke aanvullende beschermingsmaatregelen in bestuursrechtelijk
kader nodig zijn ter bescherming van slachtoffers van huiselijk geweld en kindermishandeling.
Vraag 5
Hoe denkt u over een verplichting voor degene die een huisverbod opgelegd heeft gekregen
om mee te werken aan hulpverlening?
Antwoord 5
Het tijdelijk huisverbod is pas zinvol als daar hulpverlening aan verbonden is, voor
zowel plegers als slachtoffers. In het eerdergenoemde traject ter verbetering van
de inzet van het tijdelijk huisverbod is deze hulpverlening dan ook een belangrijk
aandachtspunt. Het helpt als mensen zelf de bereidheid en motivatie hebben voor het
krijgen van zorg of hulp. Maar soms vormt een gedwongen maatregel ook een goede stok
achter de deur om tot gedragsverandering te komen. Over de inzet van verplichte hulpverlening
voor de uithuisgeplaatste wordt in dit kader dan ook nagedacht.
Vraag 6
Deelt u de mening dat er na een huisverbod ook de mogelijkheid voor langdurige opvolging
en structurele ondersteuning van gezinnen nodig is? Zo ja, welke mogelijkheden bestaan
daartoe en zijn die afdoende? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 6
Ja, ik deel die mening. Helaas zijn huiselijk geweld en kindermishandeling complexe
problemen. Vaak zijn langdurige ondersteuning, hulpverlening en/of zorg nodig om tot
een duurzaam veilige thuissituatie te kunnen komen. Dit lukt niet altijd afdoende,
zo blijkt onder meer uit onderzoek van het Verwey-Jonker Instituut.5 Diverse soorten zorg en hulpverlening kunnen worden ingezet, zoals maatschappelijke
ondersteuning, geestelijke gezondheidszorg, jeugdhulp, ambulante forensische zorg,
medische zorg, verslavingszorg of schuldhulpverlening. Per geval moet op basis van
goede veiligheids- en risicobeoordeling bekeken worden wat nodig is, en per geval
moet op basis van monitoring van de situatie bekeken worden of de ingezette hulpverlening
daadwerkelijk helpt. Het kabinet zet zich samen met gemeenten en betrokken partijen
in om deze zorg en hulpverlening voor zowel slachtoffers als plegers van huiselijk
geweld en kindermishandeling niet alleen voor de korte termijn maar ook op langere
termijn goed en gecoördineerd in te zetten. Dit is nodig zodat mensen kunnen toekomen
aan hun herstel en hun leven weer veilig kunnen opbouwen en voortzetten.
Vraag 7
Waarom kan een huisverbod niet worden opgelegd na meldingen bij Veilig Thuis? Deelt
u de mening dat dit in voorkomende gevallen wel nodig kan zijn en niet afgewacht zou
moeten worden totdat het geweld geëscaleerd is? Zo ja, waarom en gaat u de regelgeving
hier op aanpassen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 7
Ja, ik deel de mening dat voor de inzet van het tijdelijk huisverbod niet afgewacht
zou moeten worden totdat het geweld geëscaleerd is. Daarom onderzoek ik in het eerdergenoemde
traject ter verbetering van de inzet van het tijdelijk huisverbod samen met gemeenten
en andere betrokken partijen (waaronder Veilig Thuis) hoe het tijdelijk huisverbod
vroegtijdiger kan worden ingezet: niet alleen na geëscaleerde crisissituaties, maar
ook op basis van eerdere signalen die duiden op structurele onveiligheid binnen een
gezin (met kinderen) of huishouden (zonder kinderen). Daarbij wordt onder meer bekeken
welke partijen een tijdelijk huisverbod-procedure zouden kunnen opstarten. Er worden
vier pilots voorbereid waarin dit zal worden beproefd. Het streven is dat deze in
januari 2026 starten. Op basis van (bestaande) onderzoeksbevindingen en de uitkomsten
van deze pilots kan goed onderbouwd worden besloten tot het al dan niet aanpassen
van wet- en regelgeving. Ik zal de uitgangspunten op basis waarvan ik de inzet van
het tijdelijk huisverbod wil verbeteren als bijlage meesturen bij de aankomende voortgangsbrief
over de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling, die uw Kamer naar verwachting
nog voor het einde van 2025 zal ontvangen.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
A.C.L. Rutte, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.