Verslag van een commissiedebat : Verslag van een commissiedebat, gehouden op 27 november 2025, over Netcongestie en energie-infrastructuur
29 023 Voorzienings- en leveringszekerheid energie
Nr. 604
VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBAT
Vastgesteld 18 december 2025
De vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei heeft op 27 november 2025 overleg
gevoerd met mevrouw Hermans, Minister van Klimaat en Groene Groei, Vice-Minister-President,
over:
− de brief van de Minister van Klimaat en Groene Groei d.d. 24 maart 2025 inzake voortgang
aanpak netcongestie (Kamerstuk 29 023, nr. 559);
− de brief van de Minister van Klimaat en Groene Groei d.d. 25 april 2025 inzake aanpak
netcongestie: sneller uitbreiden elektriciteitsnet (Kamerstuk 29 023, nr. 566);
− de brief van de Minister van Klimaat en Groene Groei d.d. 15 mei 2025 inzake leveringszekerheid
van elektriciteit (Kamerstuk 29 023, nr. 570);
− de brief van de Minister van Klimaat en Groene Groei d.d. 18 juni 2025 inzake decentrale
ontwikkeling van het energiesysteem (Kamerstuk 29 023, nr. 587);
− de brief van de Minister van Klimaat en Groene Groei d.d. 20 juni 2025 inzake startnotitie
Programma Energiehoofdstructuur (PEH) II (Kamerstuk 31 239, nr. 426);
− de brief van de Minister van Klimaat en Groene Groei d.d. 30 juni 2025 inzake netcongestie:
kleinverbruik en enkele andere onderwerpen (Kamerstuk 29 023, nr. 589);
− de brief van de Minister van Klimaat en Groene Groei d.d. 29 september 2025 inzake
de rol van energiegemeenschappen in het energiesysteem (Kamerstuk 30 196, nr. 854);
− de brief van de Minister van Klimaat en Groene Groei d.d. 6 oktober 2025 inzake aanpak
netcongestie (Kamerstuk 29 023, nr. 597);
− de brief van de Minister van Klimaat en Groene Groei d.d. 16 oktober 2025 inzake stand
van zaken maatregelen netcongestie Flevopolder, Gelderland en Utrecht (FGU) (Kamerstuk
29 023, nr. 598).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De fungerend voorzitter van de commissie, Kröger
De griffier van de commissie, Nava
Voorzitter: Kröger
Griffier: Teske
Aanwezig zijn elf leden der Kamer, te weten: Van den Berg, Flach, Grinwis, Peter de
Groot, Jumelet, Klos, Kops, Kröger, Van Oosterhout, Vermeer en De Vos,
en mevrouw Hermans, Minister van Klimaat en Groene Groei, Vice-Minister-President.
Aanvang 14.31 uur.
De voorzitter:
Goed, we gaan beginnen. Ik open de vergadering van de vaste commissie voor Klimaat
en Groene Groei. Vandaag voeren we een debat over netcongestie en energie-infrastructuur.
Ik heet de leden, de Minister en haar ondersteuning welkom. Er zijn een aantal leden
die vanaf 15.00 uur een andere verplichting in het Kamergebouw hebben. Zij gaan daarom
snel als eersten, waarna ze ook wel zullen gaan. De inbrengtijd is vijf minuten. We
beginnen met vier interrupties. Ik geef heel graag het woord aan de heer Flach.
De heer Flach (SGP):
Dank u wel, voorzitter. Vandaag wordt er plenair gedebatteerd over de ellendige situatie
in Oekraïne, waar de energie-infrastructuur ook onder vuur ligt. In gedachten zijn
we bij de lijdende Oekraïense bevolking. Die situatie laat wel zien dat energie-infrastructuur
een achilleshiel van de samenleving is geworden. Zo ook hier. De problemen zijn hier
gelukkig wel van een heel andere orde: woningbouwprojecten stokken, fabrieken kunnen
niet meer elektrificeren enzovoorts. De aanpak van netcongestie staat hoog op de agenda
en aan plannen geen gebrek. Ik zie innovatieve projecten langzaam doorbreken. Maar
nu is het wel zaak om concreet door te pakken. Dé opgave is de omschakeling van een
centraal, overzichtelijk, strak geregeld en geliberaliseerd energiesysteem naar een
meer decentraal, kleurrijk en flexibel energiesysteem met een nadrukkelijkere rol
voor overheden en netgebruikers. Deze omschakeling is spannend. Het vraagt van iedereen
een meedenkhouding, creativiteit en lef. Kijk bijvoorbeeld naar de moeizaamheid waarmee
energiehubs tot stand komen. Zou een regeringscommissaris energietransitie misschien
kunnen helpen om alle neuzen de goede kant op te krijgen?
Laten we, terwijl we met een schuin oog naar de hybride oorlogsvoering op ons continent
kijken, eerst maar beginnen met het aspect veiligheid. Stroompieken maken het energiesysteem
kwetsbaarder dan vroeger. Er wordt veel aangelegd. Hoe worden cybersecurity en brandveiligheid
geborgd? Liggen er rampenplannen klaar voor eventuele black-outs?
Voorzitter. Gemeenten en andere decentrale overheden maken zich zorgen over het ontwerpprioriteringskader
voor netaansluitingen. Ze zijn beperkt betrokken. Deelt de Minister hun inzet om de
gevraagde bewijslast voor prioritaire woningbouwprojecten beter werkbaar te krijgen?
Ik vind het echt te veel gevraagd om een definitief ruimtelijk besluit te vragen over
bijvoorbeeld een woonwijk, terwijl de aansluiting hoogst ongewis is. Is de Minister
dat met de SGP eens? En wordt het begrip «congestieverzachters» wel breed uitgelegd,
zodat ook energiehubs en woningbouwprojecten uitgedaagd worden? Wordt er gestuurd
op netbewuste en zelfs congestie-neutrale oplossingen, ook bij de projecten die prioriteit
krijgen? Wordt er gekeken hoe decentrale overheden via de Energie- en Omgevingswet
meer regie kunnen hebben bij de verdeling van schaarse netcapaciteit, bijvoorbeeld
via een congestietoets? In de FGU-regio, Flevopolder, Gelderland, Utrecht, zijn prognoses
aangescherpt. Daardoor is de verwachte netbelasting naar beneden bijgesteld. Dat biedt
ruimte op het net. Mijn vraag aan de Minister is of dit ook voor andere gebieden gedaan
gaat worden.
Voorzitter. Het is goed dat de Minister inzet op de versnelling van procedures voor
energie-infraprojecten. Bijna de helft daarvan loopt nu namelijk vertraging op. Het
stikstofknelpunt is ons daarbij een doorn in het oog, omdat al die projecten uiteindelijk
bijdragen aan stikstofreductie. De SGP ziet graag meer lef om via vrijstellingen stappen
te zetten. RED III gaat niet alleen over soepelere vergunningverlening voor hernieuwbare
energieprojecten, maar ook over de daaraan verbonden infraprojecten. Ik zie dat laatste
nog niet terug in de Kamerbrief.
Er is daarnaast meer energieplanologie aan de voorkant nodig: reserveer bij gebiedsontwikkeling
standaard ruimte voor een energie-eiland, zorg ervoor dat de beschikbare ruimte voor
kabels en stations tijdig in beeld wordt gebracht en gereserveerd en dat warmteprogramma’s
onderdeel worden van energieprogramma’s. Hoe gaat dit handen en voeten krijgen?
Voorzitter. De pieken moeten omlaag. Flexibiliteitsafspraken tussen netbeheerders
en bedrijven komen maar moeizaam van de grond. Bedrijven zeggen dat ze te weinig inzicht
in de frequentie en de locatie van de flexbehoeften krijgen. Contracten worden opgesteld
zonder marktpartijen te consulteren. Hoe kunnen we hier nog een slag in maken? Het
opstellen van steeds nieuwe contractvormen heeft weinig zin als het onderliggende
probleem bij bestaande methoden wordt genegeerd. Gaat de Minister de bestaande subsidieregeling
voor flexibiliteitsmaatregelen opschalen? Worden meewerkende bedrijven op een andere
manier beloond voor flexibilisering? Ook in de gebouwde omgeving moeten de pieken
omlaag. Wil de Minister e-boilers en andere systemen voor meer zelfverbruik van stroom
ondersteunen via de ISDE?
Daarnaast is netbewust bouwen cruciaal. Het Bouwbesluit loopt daarbij achter. Berekeningen
voor een nieuwe Arnhemse woonwijk lieten zien dat met € 1.500 extra per woning 80
miljoen euro aan systeemkosten bespaard kan worden. Wordt er bij netbewust bouwen
gezorgd voor subsidiëring van de onrendabele top?
Energiehubs bieden kansen. Een concreet knooppunt is dat er weinig ruimte wordt geboden
voor de aansluiting van bedrijven op gesloten distributiesystemen met energieopwekking
of voor het rechtstreeks koppelen van een windturbine aan het verdeelstation van een
bedrijventerrein. Maar dit past toch bij de gewenste decentralisering en lokale zelfvoorziening?
Dat vraag ik de Minister. We hebben elektrolyse en energieopslag hard nodig. De SGP
wil snel duidelijkheid over geschikte locaties en verlaging van nettarieven hiervoor.
Afrondend, voorzitter. Het congestiespook groeit, maar maatregelenpakketten ook. Wil
de Minister in volgende voortgangsrapportages inzicht geven in de vraag of dit voldoende
is om achterstanden in te lopen en opgaven bij te benen? Daarbij zou het goed zijn
om als nieuwe Kamercommissie een rapporteur te benoemen die voor ons de vinger aan
de pols houdt.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie een interruptie van de heer Van den Berg.
De heer Van den Berg (JA21):
Op de valreep hoorde ik de heer Flach spreken over e-boilers en vragen of we daar
niet ISDE-subsidie voor zouden moeten toekennen. Naar mijn weten zijn die boilers
helemaal niet efficiënt en kunnen ze juist voor meer netcongestie zorgen op momenten
dat er een tekort is aan zonnestroom. Kunt u toelichten waarom het volgens u een goed
idee zou zijn om die te subsidiëren?
De heer Flach (SGP):
We zitten in een fase waarin we ook met hybride oplossingen op die manier werken en
waarin we ook niet de luxe hebben om helemaal alleen op het ideaal in te zetten. Het
zijn stapjes op weg naar uiteindelijk de goede richting. Wij zien het als een tussenoplossing.
De voorzitter:
Goed. Dan geef ik graag het woord aan de heer Grinwis.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter, dank. Ik sluit me van harte aan bij die laatste oplossing, om in ieder
geval zelf als Kamer een rapporteur aan te stellen. Ik heb ook nog gedacht of we hier
niet eens een groot project van moeten maken. Dat is misschien iets too much, maar
de suggestie van de heer Flach omarm ik als eerste maar gelijk.
Voorzitter. Goed dat we spreken over netcongestie. Eigenlijk iedereen die iets wil
bouwen in dit land, luidt de noodklok. Dan denk ik bijvoorbeeld aan ondernemers die
niet kunnen ondernemen, aan woningen die niet in gebruik kunnen worden genomen. Ik
zie hoe hard men werkt aan oplossingen en tegelijkertijd merk ik dat de frustratie
bij bijvoorbeeld ondernemers, gemeenten en provincies in het land heel hoog is, bijvoorbeeld
als het gaat om de stroperigheid bij netbeheerders. Daar wordt veel over geklaagd,
maar ook over de black box die de ACM is. Kan de Minister eens kernachtig schetsen
wat nou bereikte resultaten zijn, maar ook wat aangekondigd is om een versnelling
aan te brengen zonder dat dit lukt en wat daarbij de grote bottlenecks zijn?
Bij de voorbereiding van dit debat kwamen mij diverse voorbeelden ter ore van de showstopper
die netcongestie op dit moment is. Zo hoor ik dat er in transformatorhuisjes in Zuid-Holland
technische problemen zijn die bijna 3.000 woningen raken. Ik heb een klein voorbeeld
om het heel concreet te maken. In Waddinxveen wachten de aankomende bewoners van zes
tiny houses op een aansluiting. De belofte was dat ze in november 2024 in hun huisje
konden. Vertraging. Het zou nu begin deze maand gebeuren, maar toen bleek er weer
een technisch probleem in de transformatorhuisjes te zijn. Weer vertraging. Je zou
maar een van die bewoners zijn. Dan zakt de moed je in de schoenen. Dat is maar één
voorbeeld van vele. Denk ook aan de gemeente Rijssen-Holten, waar ondernemers dolgraag
een groepstransportovereenkomst willen sluiten, waardoor ze ook meer ruimte krijgen
om stroom te verbruiken. Het kan echter nog anderhalf jaar duren voordat alles juridisch
rond is. Opslagpartijen willen graag aan de slag met capaciteitssturingscontracten
die congestie kunnen verminderen, maar zitten in onzekerheid over het behandelen van
hun aanvraag.
Dergelijke initiatieven zijn voorbeelden van innovatie, van denken in mogelijkheden
in plaats van in onmogelijkheden. Dat zou een Minister van VVD-huize toch moeten aanspreken.
Toch is het refrein, positieve uitzonderingen daargelaten: onduidelijkheid bij de
netbeheerder, stroperigheid, een nee zonder zicht op welke mogelijkheden er wel zijn.
Het is goed dat de ACM-netbeheerders achter de broek zit om meer flexibiliteit mogelijk
te maken en om ervoor te zorgen dat de netbeheerders het boetekleed aantrekken, maar
welke rol vervult de Minister om ondernemers en andere partijen tegemoet te komen?
Ook de Minister kan met hen om de tafel gaan zitten en duidelijke afspraken maken
over de werkwijze, over creatieve oplossingen en over de manier van communiceren.
Dat lijkt mij echt meer dan nodig.
«Innovatie» is ook het kernwoord als het gaat om de SDE++. Innovatieve, duurzame bedrijven
zijn echter zeer bezorgd over de voortgang van deze projecten. Veel bedrijven verwachten
dat de ontwikkeling halveert of stil komt te liggen. Wanneer kan de Minister duidelijkheid
geven over de voortgang van de SDE-regeling in ’27 en verder? Die bezuiniging uit
het coalitieakkoord van 1 miljard per jaar op de risicobuffer begint echt enorm zijn
tol te eisen.
Dan kom ik bij energieopslag. Die kan op sommige plaatsen een rol spelen in het verminderen
van congestie. Hoe staat het in dat kader met de aangenomen motie om die opslaglocaties
in kaart te brengen? Het jaar loopt ten einde; ik ben benieuwd of het is gelukt. De
hoge tarieven zijn nu vaak een bottleneck voor opslagprojecten. Om de CEO van een
energiebedrijf te citeren: in België, waar het elektriciteitsnet half zo groot is,
hebben we ongeveer tien keer zo veel batterijen in aanbouw. Het is toch niet de bedoeling
dat we hier zo achterlopen? Er loopt momenteel een onderzoek van de ACM naar de tarieven
voor batterijen. Wordt het onderzoek naar het invoedingstarief, waar een motie van
mij over is aangenomen, hierbij betrokken? Tot nu toe ben ik niet helemaal tevreden
over de voortgang, in ieder geval bij de ACM in dit dossier. Ik heb hier vaker gestaan
met de vraag om een opslagdoel. De Minister wil er niet aan, maar andere Europese
landen hebben wel een dergelijk doel. Waarom wijkt Nederland hiervan af? Is een doel
niet alsnog een goed idee, alleen al kijkend naar België?
Als laatste wil ik wat langer stilstaan bij de ruimtelijke ontwikkeling. Impact op
het net moet een van de belangrijkste aandachtspunten zijn. Zoals gezegd is dat momenteel
een van de belangrijkste blokkades. Belangrijk is: maak keuzes en help provincies
keuzes te maken. Neem bijvoorbeeld Brick Valley in Gelderland. Als al die steenfabrieken
gaan elektrificeren, hebben we de komende decennia een onoplosbare puzzel op het net.
Als ze op de waterstofbackbone worden aangesloten, gaat het veel soepeler. Het is
mede aan u om deze gordiaanse knoop door te hakken en breder om ervoor te zorgen dat
we keuzes maken in plaats van praten, praten, praten. Hoe gaan we dat doen?
Het lijkt me een no-brainer dat bij bouwprojecten netbewust bouwen de norm moet zijn.
Projectontwikkelaars maken daar echter kosten mee, waardoor het niet aantrekkelijk
is om te bouwen op plekken waar die normen al gelden als je ook nog kunt uitwijken
naar andere plaatsen. Zouden die normen van netbewust bouwen niet landelijk moeten
worden toegepast? Kan de Minister haar collega-Minister Keijzer daartoe aanmoedigen?
Ik snap dat zij met haar operatie STOER niet op dit soort dingen zit te wachten, maar
tegelijkertijd is de huidige situatie ook niet ideaal. Geeft Defensie bij al haar
projecten ook gelijk het goede voorbeeld voor netbewust bouwen? Het is misschien wel
aardig als de Rijksoverheid het goede voorbeeld geeft.
Helemaal tot slot het volgende. Ik hoor veel zorgen over het prioriteringskader van
de ACM, bijvoorbeeld over de gevolgen daarvan voor woningbouw en het mkb. Waar het
mkb als kleinverbruiker relatief snel een aansluiting kan krijgen, komt het straks
achteraan in de maatschappelijke prioritering. Kan het zijn dat er straks geen netcapaciteit
is voor woningbouwprojecten omdat de capaciteit is vergeven aan projecten die in een
verder gevorderd stadium waren? Ik begrijp dat er bijvoorbeeld al een verleende omgevingsvergunning
moet liggen voordat gemeenten een prioriteringsverzoek voor woningbouw kunnen indienen,
maar dan zitten we in een veel te ver stadium. Kan de Minister schetsen wat de gevolgen
van die prioriteringsladder zijn voor woningbouw en mkb en wat we er nog aan kunnen
doen?
Dat was, tot slot, mijn laatste vraag.
De voorzitter:
Dank. Ik zie een interruptie van de heer Peter de Groot.
De heer
Peter
de Groot (VVD):
Ik wil dit debat niet voorbij laten gaan zonder de heer Grinwis een interruptie te
doen toekomen. Ik sloeg eigenlijk aan op het verhaal over Brick Valley. In de campagne
waren we bij de steenfabrieken; daar hadden we een mooi debat met elkaar. De fabrieken
gaven daar ook aan dat ze zelf nog niet eens zo goed weten hoe ze met hun intensieve
productieproces tot die overschakeling komen. Ze weten niet of een deel elektrisch
kan, maar het zal vooral waterstof worden. Eigenlijk weten de bedrijven zelf niet
zo goed wanneer, hoe of op welke wijze. Wat zou er nog meer moeten gebeuren? De heer
Grinwis doet nu de oproep aan de Minister om met duidelijkheid te komen, niet te blijven
praten en naar de praktijk toe te gaan, maar wat is dat dan precies? Vraagt de heer
Grinwis aan de Minister om met die bedrijven in gesprek te gaan? Dat gebeurt al, want
ze maken onderdeel uit van cluster 6. Ik probeer een beetje te zoeken naar wat er
nog meer moet gebeuren, om te kijken of we daar dan met elkaar de schouders onder
kunnen zetten.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Dank aan collega De Groot voor deze vraag. Ik kan als eenvoudig Kamerlid niet vandaag
hiervandaan helemaal voorschrijven hoe dat in Gelderland precies opgelost zou moeten
worden. Feit is dat ik hoor dat er inderdaad duidelijkheid nodig is over waar ze aan
toe zijn. Dat zit ’m niet alleen in: moeten we hier elektrificeren en wanneer we dan
kunnen rekenen op een zwaardere aansluiting of moeten we helemaal op waterstof inzetten?
Het gaat ook over de ruimtelijke afweging. Op dat gebied wordt nu te veel naar elkaar
gekeken zonder dat er knopen worden doorgehakt. Je weet dat je een enorme opgave hebt,
alleen al om je stroomcapaciteit op orde te brengen voor alle woningbouwontwikkelingen.
Dan is het misschien ook wel aardig om nu gewoon de call te maken en te zeggen: beste
steenfabrieken, u kunt voorlopig niet rekenen op een zwaardere stroomaansluiting;
u moet helemaal inzetten op waterstof, maar we gaan u in de randvoorwaardelijke sfeer
helpen door ervoor te zorgen dat u een aansluiting krijgt op die backbone die we met
elkaar gaan aanleggen. Dus het zit ’m meer in dat ruimtelijk knopen doorhakken. Ruimtelijk
zijn we altijd heel goed in het denken in procedures en eindeloos praten maar geen
knopen doorhakken. Tegelijkertijd kunnen we de steenfabrieken in dit voorbeeld, die
dan dus even achteraan in de rij voor een zwaardere stroomaansluiting komen, in de
randvoorwaardelijke sfeer helpen met het alternatief, namelijk de waterstofbackbone.
Dat zijn denklijnen waar ik nu zelf aan denk. Ik zeg dat hier vanuit Den Haag; uiteindelijk
moet het in het gebied gebeuren. Maar ik denk dat het kan helpen als de Minister die
keuzemakerij aanjaagt en ook klaarstaat met de randvoorwaardelijke kant. Als we alleen
maar zeggen dat je het met waterstof moet gaan doen omdat de netten vooralsnog nodig
zijn voor andere ontwikkelingen, dan sta je met lege handen als je geen aansluiting
op de waterstofbackbone kan krijgen. En wat moet je dan? Welk toekomstscenario heb
je dan nog als steenfabriek?
De voorzitter:
Ik ga vragen om de antwoorden en ook de interrupties iets bondiger te houden. Zijn
er nog andere interrupties voor de heer Grinwis? De heer Vermeer, zodat de heer Grinwis
kan laten zien hoe snel hij kan antwoorden.
De heer Vermeer (BBB):
Ik denk dat we het hem nu wel heel moeilijk gaan maken. Ik heb een vraag aan de heer
Grinwis. Zoals hij schetst, kunnen die steenfabrieken geen stroomaansluiting krijgen.
Zijn advies is dat ze dan moeten aansluiten op een waterstofbackbone, die er ook nog
niet is en waarvan de datum van realisatie ook nog niet bekend is. Is de heer Grinwis
het met BBB eens dat hangende al dat uitstel en het niet duidelijk zijn van de realisatiedata
van alternatieven iedere heffing gecompenseerd zou moeten worden die deze bedrijven
evengoed gaan krijgen rond CO2-uitstoot?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Hier val ik terug op de lijn die ik eerder heb gehanteerd bij de discussie die we
hebben gehad over de nationale CO2-heffing aan de marge. Mijn stelling was: zolang de overheid in gebreke blijft en
de randvoorwaarden niet invult, zou je een hardheidsclausule moeten inbouwen in die
heffing, dan wel de heffing op nul moeten zetten. De facto hebben we in het Belastingplan
dat we zojuist hebben aangenomen de CO2-heffing nu voor langere tijd op nul gezet. Dat lijkt mij een niet meer dan terechte
stap richting die bedrijven die totaal buiten hun schuld totaal niet kunnen verduurzamen.
Dan is het niet fair om ze met een steeds hogere rekening lastig te vallen. Tegelijkertijd
kan ik niet met een schaartje helemaal knippen dat er daarom helemaal geen enkele
lastenverzwaring die kant uit gaat. In algemene zin geldt wel dat het zeer unfair
zou zijn om een bedrijf een rekening te presenteren dat buiten zijn schuld niet kan
verduurzamen terwijl de wil en de plannen er wel zijn. Dat was met name de casus bij
die CO2-heffing.
De heer Vermeer (BBB):
De heer Grinwis vernauwt het nu naar alleen de CO2-heffing an sich, de nationale kop, maar we hebben ook nog ETS, extra belasting op
gas et cetera. Is de heer Grinwis het met BBB eens dat alle extra heffingen die deze
bedrijven feitelijk niet kunnen vermijden gecompenseerd zouden moeten worden? Ja of
nee?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Dat moeten we dan echt onderwerp voor onderwerp even doorakkeren. ETS is in principe
een Europees systeem. Iedereen die CO2 uitstoot en onder het ETS-systeem valt, moet in principe voor die rechten betalen,
behalve voor het deel dat op dit moment nog steeds gegrandfatherd wordt. Dat is het
deel van de ETS-rechten dat nog gratis uitgedeeld wordt. Een deel daarvan komt, denk
ik, ook terecht bij die steenfabrieken uit het voorbeeld van de heer Vermeer en mij.
Dus ik kan die vraag hier niet helemaal zwart-wit met «ja» of «nee» beantwoorden.
Sommige systemen zijn nou eenmaal Europees; daar moet je even naar kijken. Maar ik
kan me voorstellen dat wij als overheid heel terughoudend zijn met het leggen van
rekeningen op het bordje van bedrijven die we randvoorwaardelijk eigenlijk niet in
staat stellen om te verduurzamen. De grote boodschap van mijn betoog is: overheid,
breng je randvoorwaarden op orde en pest in de tussentijd geen bedrijven weg maar
geef ze de kans om te verduurzamen. Als die kans daadwerkelijk fair en reëel geboden
wordt, dan kun je daarna verder praten over heffingen.
De voorzitter:
Ik zie geen andere interrupties, dus dan geef ik graag de heer Kops het woord.
De heer Kops (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Eerst even een mededeling: ik moet helaas om 15.00 uur even
naar een technische briefing. Daarna kom ik weer terug. Ik hoop dat ik het überhaupt
red. Komt goed.
Voorzitter. Energie is een basisbehoefte. Ik denk dat niemand hier dat zal ontkennen.
Hoe tegenstrijdig is het dan eigenlijk dat het hebben, verbruiken, van energie steeds
minder vanzelfsprekend wordt? Het probleem is tweeledig. We hebben enerzijds natuurlijk
de betaalbaarheid. TNO heeft berekend dat 510.000 huishoudens in energiearmoede leven.
Vorige week zagen we ook nog het bericht dat een op de twaalf kinderen in energiearmoede
leeft en dat 58% van de huishoudens de kachel eigenlijk niet eens meer aanzet uit
angst voor die hoge kosten. Dat kan natuurlijk niet.
Aan de andere kant hebben we dan het probleem van netcongestie: kun je überhaupt een
aansluiting krijgen? We hadden ooit het beste net ter wereld, met een betrouwbaarheid
van 99,99%. Maar ja, is dat eigenlijk nog wel zo? Bedrijven staan op de wachtlijst,
maar niet alleen bedrijven. Ook woningen staan steeds vaker op de wachtlijst. Hoe
tegenstrijdig is dat eigenlijk? De woningbouw wil maar niet vlotten. Worden er uiteindelijk
woningen gebouwd, kun je geen elektriciteitsaansluiting krijgen. Dat is heel tegenstrijdig.
We hebben zelfs berichten gezien dat nieuwbouwwijken, klimaatneutrale nieuwbouwwijken,
op dieselaggregaten werden aangesloten. Hoe gek wil je het eigenlijk hebben?
Voorzitter. Het wordt ook steeds erger. Een bericht van TenneT: de leveringszekerheid
staat na 2030 onder druk, want nu heeft Nederland nog voldoende kolen- en gascentrales
om stroom op te wekken, maar over vijf jaar gaan de kolencentrales dicht, terwijl
de vraag naar elektriciteit vanwege de energietransitie alleen maar toeneemt en duurzame
energie niet toereikend is. Ik citeer: «Duurzame bronnen leveren niet altijd stroom
op de momenten dat die nodig is; dat maakt het systeem complexer en kwetsbaarder.»
Daarover heb ik een vraag aan de Minister. Als we dit weten, waar zijn we dan eigenlijk
mee bezig? We weten dat netcongestie een groot probleem is – het wordt alleen maar
erger en erger – en dan wil de Minister wél die kolencentrales gaan sluiten, uiterlijk
over vijf jaar, waardoor de problemen alleen maar erger worden. Dat is toch geen werken?
Is de Minister dat met mij eens?
Voorzitter. Deze Minister erkent zelf, nota bene in antwoord op Kamervragen van de
PVV, dat «de krapte op het net vooral wordt veroorzaakt door de snelle toename van
duurzaam opgewekte energie en het groeiende verbruik van duurzame energie, terwijl
de uitbreiding van de netcapaciteit achterblijft». Kan de Minister dat nog eens uitleggen?
Je kunt toch niet maar doorgaan met die uitrol van duurzame energie als het net het
überhaupt niet aankan? Graag een reactie.
In het Actieplan windenergie op zee lezen we dat de Minister gewoon door wil gaan
met de aanleg van nieuwe windparken. De Minister wil er zelfs subsidie voor gaan uittrekken
omdat partijen zich terugtrekken en niet meer willen investeren. Ik citeer: «Door
stijgende kosten en onzekerheid komt de bouw van nieuwe windparken op zee in veel
landen stil te liggen; zonder hulp van de overheid kan het gebeuren dat er voorlopig
geen nieuwe windparken op zee bij komen.» Kan de Minister daarop reageren? Als je
ziet dat partijen zich terugtrekken, dat er weer subsidie nodig is en dat het net
het allemaal niet aankan, waar zijn we dan in hemelsnaam mee bezig?
Voorzitter. Ik kom bij het Landelijk Actieprogramma Netcongestie. We hebben er een
hele hoop brieven over ontvangen. Er staan heel veel brieven op deze agenda. Veel
brieven zijn ook alweer een halfjaar oud. Als ik dat actieprogramma zo lees, dan is
mijn eerste vraag: leuk, al die plannen, teksten en ideeën, maar wat komt er nu eigenlijk
precies van terecht? Kan de Minister daar een update van verstrekken? We lezen over
uitbreiding van het net dat er tot 2040 ruim 50.000 transformatorhuisjes, meer dan
100.000 kilometer kabel en honderden hoogspanningsstations bij komen. Oké, maar hoe
staat het daar dan nu mee? We lezen over kortere procedures voor de aanleg van de
benodigde infrastructuurprojecten. Ik denk dat we het daar allemaal wel over eens
zijn, maar hoe zit dat dan precies? We lezen: voldoende personeel bij provincies en
gemeenten door de oprichting van een vliegende brigade. Oké. Wat is precies het probleem
bij die provincies en gemeenten? Hoe zit het daar met de capaciteit? Hoe gaat een
vliegende brigade, wat dat dan ook is, daarbij helpen?
Voorzitter. Ook belangrijk, zoals we lezen in de stukken, is de spreiding van het
elektriciteitsverbruik. We lezen in de brief van de Minister uit maart 2025: verder
is zichtbaar dat het aantal gesloten flexibele contracten is toegenomen. Nou lezen
we in de krant dat dat eigenlijk niet het geval is, namelijk: netbeheerders komen
de afspraken niet na. Netbeheerders moeten van de ACM meer haast maken met het wegwerken
van de wachtlijsten, omdat zo’n 14.000 ondernemers op de wachtlijst staan. Onderdeel
daarvan is dus het aanbieden van die flexibele contracten. Hoe staat het daar dan
mee? Dat staat namelijk haaks op de brief van de Minister.
Ja, voorzitter, ik moet afronden. Ik dank u.
De voorzitter:
Ik zie dat er geen interrupties zijn, dus ik geef het woord aan mevrouw Van Oosterhout.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Via de voorzitter zou ik ook heel graag tegen de collega’s
willen zeggen dat ik het fijn vind om ze te leren kennen en met hen het eerste debat
te mogen voeren.
Voorzitter. De discussie over netcongestie mogen we niet geïsoleerd voeren. Netcongestie
is een technisch probleem, maar het is vooral een symptoom van de veel bredere systeemverandering
waar we als Nederland middenin zitten. We staan voor de opgave om onze economie te
verduurzamen, de natuur te beschermen, onze energiezekerheid te garanderen en tegelijkertijd
een sociaal rechtvaardige overgang te realiseren. Dat betekent dat we verder moeten
kijken dan het plakken van pleisters op ieder nieuw probleem dat opduikt. Het is cruciaal
dat we durven te bepalen welk energiesysteem we voor ogen hebben en welke keuzes daarbij
horen, want alleen dan bouwen we aan een Nederland dat sociaal, groen en welvarend
blijft.
Om tot dat energiesysteem te komen moeten we verder durven te kijken dan enkel naar
het versterken van het net en het in de tijd verspreiden van het verbruik. Als Rijk
kunnen we ook de regie in handen nemen door slim te prioriteren, te versnellen in
het decentraliseren en volop in te zetten op energie-efficiëntie. Over deze drie aspecten
van netcongestie heb ik een aantal vragen voor de Minister.
Ten eerste het prioriteren. De netcongestieproblemen waar we nu mee zitten, zijn het
gevolg van marktfalen en een gebrek aan keuzes in het verleden. Juist daarom is die
veelbesproken regie zo nodig. Door te prioriteren kiezen we voor de projecten met
de grootste maatschappelijke meerwaarde voor het Nederland van de toekomst. Voor de
transportcapaciteit zijn we benieuwd naar het prioriteringskader van de ACM, dat begin
volgend jaar in werking treedt. We krijgen echter nu al signalen dat dat mogelijk
niet veel zal oplossen. Hoe gaat de Minister in de gaten houden of dit kader werkt?
Daarnaast is het aan het Rijk en de netbeheerders om te prioriteren in de investeringskeuzes.
Onze aanpak van netcongestie is niet neutraal. Het is wat ons betreft aan het Rijk
om de regie daarop in handen te nemen. Welke plannen heeft de Minister om een kader
te scheppen voor netbeheerders om toekomstgericht, dus met de doelen voor 2030 en
2040 in het achterhoofd, te prioriteren in investeringsplannen? Het MIEK en het PMIEK
zijn wat ons betreft nog te weinig sturend. Is de Minister bereid om een soort ontwikkelkader
met scherpere investeringskeuzes voor energie-infrastructuur te integreren in het
Nationaal Plan Energiesysteem, dat volgend jaar wordt geactualiseerd?
Dan decentraliseren. Ik ben heel blij om te lezen dat er al best wat goede voorstellen
rond decentralisering klaarliggen, maar toch blijft het belangrijk over een goede
uitvoering te waken. De Minister verwijst onder andere naar de mogelijkheid voor een
energiegemeenschap om een congestion service provider te worden. Hoe haalbaar is het
voor energiegemeenschappen om zich op een dergelijke manier te organiseren? Tegelijk
lazen we gister in de krant dat de netbeheerders nu al te weinig aantrekkelijke flexibele
contracten voor industriële bedrijven beschikbaar stellen. Wat gaat de Minister doen
om te garanderen dat netbeheerders zowel voor grootverbruikers als voor kleinere spelers
zoals energiegemeenschappen meer aantrekkelijke flexibele contracten aanbieden?
Tot slot besparen. Een van de meest effectieve manieren om de druk op het net te verlagen,
is door zuinig met elektriciteit om te gaan. Het loont om volop in te zetten op energie-efficiëntie.
De Minister benoemt het belang hiervan in haar brieven, maar het is essentieel om
ook tot concrete actie over te gaan. Dat ontlast niet enkel het net, maar biedt tegelijkertijd
ook de kans om meer dan een tiende van de CO2-uitstootreductie die ontbreekt voor het halen van onze klimaatdoelen, op te vangen.
Welke concrete plannen heeft de Minister op het vlak van energie-efficiëntie? Hoe
zit het bijvoorbeeld met het beter handhaven van de energiebesparingsplicht? Wat zijn
de hindernissen in het handhaven van die plicht? Krijgen gemeenten en toezichthouders
hier wel voldoende middelen voor? Kan de Minister toezeggen dat ze dit met de Voorjaarsnota
gaat regelen? Op welke manier zorgt de Minister ervoor dat met name grootverbruikers
van elektriciteit meer gaan investeren in energie-efficiëntie? Aan welke knoppen zou
de Minister nog meer kunnen draaien?
De heer Van den Berg (JA21):
Ik hoor mooie woorden over een sociaal, rechtvaardig en betaalbaar energiesysteem
en allemaal plannen over hoe we de Minister kunnen oproepen om sneller aan de slag
te gaan met flexibele contracten, maar ik volg nog niet helemaal hoe we met de maatregelen
die u hier voorstelt, of eigenlijk het gebrek aan maatregelen, tot zo’n systeem komen.
Kunt u eens toelichten hoe uw verhaal het energiesysteem sociaal en rechtvaardig maakt?
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Het is heel duidelijk dat we netcongestie niet alleen als een technisch probleem zien
maar eigenlijk als onderdeel van de systeemverandering waar we als Nederland in zitten
om zo snel mogelijk van fossiele brandstoffen af te komen en naar een energiesysteem
toe te gaan dat volop inzet op wind en zon. Prioriteren is daar een belangrijk onderdeel
van, waarbij we echt kijken hoe die aansluitingen verdeeld worden. Energie-efficiëntie
is daar ook een heel belangrijk onderdeel van. Daar kan nog enorm veel CO2-reductie uit voortkomen en het geeft heel veel ruimte op het net. Lokale opwekking
en nauwer afstemmen op de lokale situatie is daar ook een heel belangrijk onderdeel
van.
De voorzitter:
Ik zie een vervolgvraag.
De heer Van den Berg (JA21):
Dat klopt. Ik hoor weer allerlei plannen. «We moeten af van fossiel. Ons energiesysteem
moet anders. Dat kan lokaal. Dat kan met hernieuwbare energie.» Maar nogmaals, hoe
maakt dat het systeem sociaal en rechtvaardig? Ik refereer simpelweg maar even aan
de huishoudens. De afgelopen tien jaar is de gasrekening met 160% gestegen, ook al
is het verbruik gedaald. Wanneer is dat rechtvaardig? Dat is het totaal niet, want
je raakt dus juist de mensen die een smalle beurs hebben. Dus nogmaals, hoe gaat dat
systeem van u voor die mensen zorgen?
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Ik ben heel blij dat u die vraag stelt. Voor GroenLinks-PvdA is het oplossen van energiearmoede
echt absoluut een prioriteit, maar dat gaat verder dan alleen netcongestie. Dan denk
ik aan een wijkgericht isolatieoffensief, waarmee we huishoudens gaan helpen met het
zo snel mogelijk isoleren van hun huis, vooral in de wijken waar zo veel energiearmoede
is. Ik denk dan ook aan fossiele brandstoffen. Daarvan afstappen en overstappen op
wind en zon zorgt op de langere termijn ook voor een lagere energierekening. Dus het
omschakelen van ons energiesysteem en het verlagen van energiearmoede gaat uiteindelijk
zorgen voor die sociale energietransitie, maar dat gaat breder dan netcongestie alleen.
Daarom had ik het er ook over dat we netcongestie in die bredere context moeten zien.
De voorzitter:
Mevrouw Van Oosterhout vervolgt haar betoog.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Ik heb nog een aantal belangrijke randvoorwaarden om van het oplossen van netcongestie
een echt succes te kunnen maken. Er zijn met netbeheerders een aantal belangrijke
knelpunten geïdentificeerd in het proces van vergunningverlening. Vanuit GroenLinks-PvdA
zouden we graag zien dat dit pakket zo snel mogelijk in één keer aan de Tweede Kamer
ter debat wordt voorgelegd in het kader van de energieversnellingswet. Hoe staat de
Minister tegenover dit voorstel?
Bij de aanpak van netcongestie is het ook belangrijk om de sociale kant niet uit het
oog te verliezen. Hoewel flexibilisering zeker toe te juichen valt, biedt het ook
een grote uitdaging voor vele huishoudens. Welke plannen heeft de Minister om te vermijden
dat een grote groep mensen achterblijft in dit verhaal? Hoe zorgt de Minister voor
voldoende informatie voor burgers bij de omschakeling naar een flexibeler net om weerstand
te vermijden?
Het bijbouwen van netinfrastructuur kan soms ook ten koste gaan van natuur. Compensatie
is vaak absoluut niet ideaal. Hoe zorgt de Minister ervoor dat er voldoende waarborgen
zijn voor natuurbescherming en natuurherstel bij de uitbouw van het net?
Veel dank.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie nog een interruptie van de heer Peter de Groot.
De heer Peter de Groot (VVD):
Ik heb een vraag aan mevrouw Van Oosterhout. In de verkiezingstijd en campagne hebben
we overigens eerder met elkaar gezeten. Dit is niet ons eerste debat, maar fijn om
het hier nu ook te mogen doen. Dat wil ik even gezegd hebben. Mijn vraag gaat over
energiebesparing als een oplossing voor netcongestie. Dan is het natuurlijk wel nodig
dat je wat met de contracten kan, die gewoon op pieken uitgelijnd zijn. Dat is nu
eigenlijk ook het probleem dat de netbeheerders aangeven. Een bedrijf kan zeggen:
ik bespaar, daar maak ik zelf gebruik van, maar het contract dat ik heb, laat ik in
stand. Dan kan er nog steeds niet een nieuw contract worden uitgedeeld. Hoe kijkt
mevrouw Van Oosterhout namens GroenLinks-Partij van de Arbeid naar die problematiek?
Wil zij bedrijven dan gaan verplichten om daar afstand van te doen? Hoe gaat dat in
de praktijk?
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Ik heb de Minister nu in eerste instantie gevraagd naar de energiebesparingsplicht
die er al is. Die houdt in: als je een maatregel kan nemen en je die binnen vijf jaar
kan terugverdienen, zou je die moeten nemen. We zien vooral dat daar nog heel veel
winst te behalen is. Als we ook iets aan de contracten zouden kunnen doen, dan wil
ik daar graag naar kijken. Daar heb ik nog niet eerder over nagedacht. Maar het ging
nu vooral even over de energiebesparingsplicht die er al ligt. Die zou nog veel beter
gehandhaafd kunnen worden. Daar is nog heel veel ruimte voor verbetering.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van de heer Peter de Groot.
De heer
Peter d
e Groot (VVD):
Ik kijk er vanuit de VVD natuurlijk als volgt tegen aan. Gemiddeld genomen gebruiken
we nu ongeveer 40% van de capaciteit van het net. Alleen, we zijn natuurlijk uitgelijnd
op die contracten en op wat uitgegeven is; laat ik het maar even zo zeggen. Daar zullen
we dan flexibel mee moeten omgaan, willen we energiebesparing ook kunnen inzetten
om nieuwe aansluitingen te kunnen uitgeven, dus er zal toch iets moeten gebeuren.
De VVD pleit niet voor dwangmaatregelen. Ik probeer gewoon te ontdekken in de bijdrage
van mevrouw Van Oosterhout of zij dan uiteindelijk gaat bewegen naar dwang. Of zegt
zij: nee, dat moet samen met die bedrijven afgestemd worden, want wij willen niet
ingrijpen in hun bedrijfsprocessen?
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
De energiebesparingsplicht is er al. We zien dat een hoop bedrijven zich daaraan houden,
maar we zien daar ook nog heel veel ruimte voor verbetering, zoals ik net al aangaf.
Als het dus gaat om dwang, gaat het om het handhaven van de plicht die al bestaat.
De voorzitter:
Ik zie geen andere interrupties, dus dan geef ik het woord aan de heer Klos.
De heer Klos (D66):
Dank u wel. Het is een voorrecht om hier in deze commissie voor het eerst het woord
te krijgen, te midden van zulke bevlogen collega’s, ieder met een eigen energie- of
klimaatverhaal. Dat van mij begon in de herfst van 2006; toen was ik 14. Toen zag
ik de documentaire die Al Gore had gemaakt over de opwarming van de aarde. Daar hadden
we het thuis heel veel over. Mijn broertje ging milieukunde studeren en werd klimaatjurist
en ik zocht het in de politiek. Ik kreeg de kans om bij D66 te werken. In mijn werk
heb ik altijd geprobeerd om in ieder geval recht te doen aan de grote meerderheid
van de Nederlanders die wil dat ons gematigde klimaat behouden blijft en, sterker
nog, dat we veiliger, comfortabeler en goedkoper kunnen gaan leven. Vandaag zit ik
hier voor het eerst als Kamerlid in een debat met u, met de kernovertuiging: dat kan
wél. We hebben de techniek, we hebben het vernuft, we hebben de mensen. Het enige
wat we er nog voor nodig hebben, is een flinke dosis vastberadenheid. Gelukkig is
dat een van de weinige grondstoffen die we in Nederland in grote overvloed hebben.
Voorzitter. Ik val vandaag met mijn neus in de boter, want we spreken ook direct over
het meest sexy onderwerp van de klimaattransitie. Zo klinkt het misschien niet als
je «netcongestie» hardop zegt, maar netcongestie – dat zei collega Grinwis net ook
– is de gordiaanse knoop van onze tijd. Over de oorspronkelijke knoop in Gordium zou
het orakel hebben gezegd: wie deze knoop losmaakt, zal meester over heel Azië worden.
Nu zou het orakel wellicht zeggen: wie deze knoop losmaakt, zal meester over de toekomst
worden. Als we deze kluwen ontwarren, kunnen we het klimaat beschermen, kunnen we
woonwijken bouwen en kunnen we ruimte geven aan de ondernemers van nu en van de toekomst.
Wat hebben we daarvoor nodig? Ik denk: flexibiliteit, creativiteit en ten slotte brute
kracht. Ik begin bij flexibiliteit. We kunnen het bestaande net veel beter gebruiken.
Als we grootverbruikers met een vaste aansluiting kunnen verleiden om energie flexibeler
te gebruiken, scheppen we nu ruimte. Dat principe gaat ook op voor kleinere gebruikers.
Het slim laden van batterijen, netbewust bouwen, slimme warmtepompen: die dingen zijn
er allemaal al. Maar nu moet het nog wel de standaard worden. De uitrol daarvan gaat
tergend langzaam. Daarom heb ik de volgende vragen aan de Minister. Hoe zorgt de Minister
ervoor dat flexibel en netbewust gebruik van elektriciteit de norm wordt? Hoe wordt
dat structureel verankerd in het beleid, zodat netbeheerders daar ook van uit kunnen
gaan? Welke maatregelen neemt de Minister dit jaar nog om flexcontracten direct en
grootschalig uit te rollen en zo de wachtrij te verkorten?
Voorzitter. Dan zijn we er nog niet, want alles is geoorloofd om ook een beetje druk
van de ketel te halen. Ik denk dat we daar ook creativiteit voor nodig hebben. Dat
kan met decentrale oplossingen. Kijk bijvoorbeeld naar bedrijventerrein Medel in Tiel,
Europa’s eerste netneutrale bedrijventerrein. Bedrijven nemen het heft in eigen hand
met de lokale opwek, opslag en uitwisseling van energie. Ik wil graag van Minister
Hermans weten hoe de overheid nou die decentrale initiatieven beter kan ondersteunen,
bijvoorbeeld met standaardisatie of uniforme afspraken? Kan de Minister ook toelichten
welke stappen er worden gezet om energieopslag structureel te ondersteunen en uit
te breiden? Overweegt zij daarbij misschien ook financiële prikkels, zoals een vrijstelling
van of een korting op nettarieven, om opslag sneller rendabel te maken?
Tot slot – dat kondigde ik al aan – is er behoefte aan brute kracht. De gordiaanse
knoop werd uiteindelijk niet touwtje voor touwtje uit elkaar getrokken, maar door
Alexander de Grote met zijn zwaard doormidden gehakt. Het zwaard dat Minister Hermans
zou kunnen hanteren, is het inzetten van een noodversnelling op alle fronten bij het
realiseren van nieuwe stations en kavels. Werkelijk alle stappen moeten minstens twee keer
zo snel gezet worden. Het is te prijzen dat de Minister werkt aan een versnellingsaanpak,
maar kennelijk gaat het nog niet perfect, want de wachtrij groeit nog steeds. Zelfs
versnellingsprojecten lopen vertraging op.
Daarom deze laatste vragen voor de Minister. Kan de Minister concrete resultaatsdoelen
vaststellen, zowel voor doorlooptijdverkorting als voor de jaarlijkse vermindering
van de wachtrij, en de Kamer daarover halfjaarlijks informeren? Zo wordt zichtbaar
of die versnelling ook echt wordt gerealiseerd. Het TenneT-versnellingsplan laat zien
dat projecten jaren sneller kunnen door eenvoudige procedures en minder onderzoekslast.
Kan de Minister aangeven welke van deze versnellingsmaatregelen inmiddels in de praktijk
worden toegepast en hoeveel tijdwinst die opleveren? Bij projecten van nationaal belang
kan centrale regie grote vertraging voorkomen. Waarom kiest de Minister er niet voor
om het bevoegd gezag standaard bij het Rijk te beleggen?
Dank u wel, voorzitter. Ik zie uit naar de beantwoording en ook naar de collegiale
samenwerking met iedereen hier in deze commissie.
De voorzitter:
Dank. U was ruim binnen de tijd. Ik geef het woord aan de heer Van den Berg voor een
interruptie.
De heer Van den Berg (JA21):
Dank voor het verhaal. Ik ben best geïnteresseerd in de flexcontracten. Ik zie die
wel eerder als klein bier in dit geval, omdat grote bedrijven uiteindelijk wel gewoon
volcontinu een grotere aansluiting moeten kunnen gebruiken. Als laatste vraag ik me
vooral iets af. U heeft het erover dat het Rijk de regie meer naar zich toe zou moeten
trekken. Kunt u mij meenemen in hoe u dat in de praktijk voor u ziet wanneer bijvoorbeeld
een gemeente als Moerdijk zo’n plan over zich heen krijgt? Hoe kan een gemeente of
provincie daar dan een rol in hebben? Hoe kunnen zij zich laten horen in zo’n procedure
als die u voorstelt?
De voorzitter:
Ik geef het woord aan de heer Klos. Voor de volgende keer: het is handig om uw microfoon
uit te zetten als u geïnterrumpeerd wordt.
De heer Klos (D66):
Dat zal ik doen. Ik probeer snel te leren. Dank u wel.
Ik begin even bij uw eerste vraag. Volgens mij zijn die flexcontracten geen kleine
stapjes. Ik las ook in de brief van de Minister: als we juist grote verbruikers, die
dus nu al een vaste aansluiting hebben, kunnen verleiden om flexibeler te worden,
dan kunnen juist bedrijven die in de wachtrij staan, in één keer op het net komen.
In Zeeland was er een heel goed voorbeeld van een batterijexploitant die dat deed.
Daar konden 61 bedrijven in één keer van de wachtrij worden gehaald. Ik denk dus eigenlijk dat we daar
vrij snel grote stappen mee kunnen zetten en dat dat niet alleen voor huishoudens
geldt.
Ik waardeer ook uw vraag over centrale regie. Ik zie vooral voor me dat het Rijk dat
doet met vergunningverlening en dat het die in eigen hand neemt. Dat doet het Rijk
nu ook al weleens. Maar ik denk ook dat er een enorme versnelling kan plaatsvinden
bij locatieaanwijzing. Wat nu heel vaak gebeurt, is dat we eindeloos drentelen en
dralen als er bijvoorbeeld drie verschillende locaties zijn die het mogelijk kunnen
worden. Dat gebeurt bijvoorbeeld bij project Utrecht-Noord. Dat loopt enorme vertraging
op. Ik heb liever dat het Rijk zegt waar we zoiets doen en dan ook met een zak geld
over de brug komt om iets voor de regio te doen.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Ik heb een vraag aan de heer Klos. Ik ben zelf groot voorstander van het idee van
een klimaatplan. Dat zou kunnen helpen om te bepalen welke bedrijven voorrang zouden
moeten krijgen voor een aansluiting. Hoe kijkt de heer Klos hiernaar?
De heer Klos (D66):
Vooropgesteld: ik denk dat we ...
De voorzitter:
Ook voor mevrouw Van Oosterhout: wilt u uw microfoon uitzetten?
De heer Klos (D66):
We leren samen. Laat ik vooropstellen dat ik denk of hoop dat door flexibeler gebruik
en door uitbreiding van het net zo veel mogelijk nog wél kan in ons land. Maar ik
denk ook, en daar sta ik heel positief tegenover, dat als we een aansluiting aanbieden
aan iemand, we daar ook best voorwaarden aan mogen stellen. Een klimaatplan is daar
helemaal geen gek idee voor. Maar ik zeg daar ook bij: vaak zijn het juist nieuwe
ondernemers die veel duurzamer willen worden en nog naar een aansluiting zoeken, terwijl
de insiders er heel comfortabel bij zitten met een oud bedrijfsmodel. Maar ik sta
positief tegenover dat voorstel.
De voorzitter:
Dat roept geen vervolgvragen op, dus dan geef ik graag het woord aan de heer Jumelet.
De heer Jumelet (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Ook voor mij is dit een mooi moment. Het is een voorrecht
om in deze commissie met de collega’s aan de slag te gaan met het thema klimaat en
energie. Ik zie er ook naar uit om het debat te voeren.
Voorzitter. De drukte op het elektriciteitsnet, de netcongestie, is een urgente uitdaging
voor de ambities voor de economie en werkgelegenheid van morgen, de verduurzaming
van bedrijven, de mobiliteit en de bouw van woningen. Het is een stevig knelpunt op
weg naar een betrouwbare, veilige en betaalbare energievoorziening, die duurzaam en
schoon is en waarbij we minder afhankelijk zijn van andere landen. Netcongestie is
ook een probleem, want inmiddels staan duizenden bedrijven in wachtrijen, zo horen
we. De economische schade is groot. Ja, er wordt gewerkt aan de verzwaring en uitbreiding
van het net, en dat is nodig, maar dat is niet genoeg. Ook het beter benutten ervan
vraagt aandacht en er is beter inzicht in het systeem nodig.
Voorzitter. Dank aan de Minister voor alle informatie in de geagendeerde brieven.
Het geeft een beeld van de ontwikkelingen en de stand van zaken van de inzet. Toch
zijn er heel veel vragen. Dat blijkt ook uit de vele mails die ik de afgelopen twee
weken als kersvers Kamerlid heb ontvangen van allerlei organisaties. Ik denk dat die
hier vanmiddag ook aanwezig zijn, op de tribune. Dank ook daarvoor. Overigens – en
dat is misschien wel mijn eigen hartenkreet – zou je bijna willen dat deze organisaties
vooraf ook even bij elkaar waren gaan zitten om een en ander met elkaar af te stemmen,
want we hebben wel heel veel mails ontvangen.
Voorzitter. Voor het CDA is het belangrijk dat er gewerkt wordt aan betrouwbaar en
stabiel langetermijnbeleid voor energie, zodat bedrijven en inwoners weten waar ze
aan toe zijn. Als bedrijf wil je weten of je investering uit kan en huishoudens moeten
keuzes maken en moeten erop kunnen vertrouwen dat ze de goede dingen doen. Veel vragen
dus, maar ik beperk me in de eerste termijn tot vier vragen.
Voorzitter. Er is veel informatie. Er wordt hard gewerkt om netcongestie het hoofd
te bieden. Het is complex, maar voor echt overzicht zou inzicht ons toch als eerste
ingrediënt verder moeten en kunnen helpen. Dat dat nodig is, hoorden we gisteren van
de Autoriteit Consument & Markt. Netbeheerders blijken weinig inzicht te hebben in
wanneer hun netten vol zitten. Je denkt dan toch even: dat kan niet waar zijn. Dat
geldt trouwens ook op een andere manier: ook voor de gebruikers, namelijk voor bedrijven,
regio’s, wijken en zeker ook huishoudens, ontbreekt dat inzicht. Wie kan zeggen hoe
het er op postcodeniveau voor staat? Wat is er echt nodig? Waar vinden we informatie
over de stand van zaken? Het beeld van een black box doemt op; die term is net ook
al gebruikt door de heer Grinwis. Hoe komen we dan stappen verder? Hoe komen we tot
resultaat? Kan de Minister hierop reflecteren?
Voorzitter. In de brief van 25 april, onder punt 4, schetst de Minister: «Een kernonderdeel
van de versnellingsaanpak is een grondige herziening van de werkwijzen van TenneT.
TenneT zet in op het versnellen van processen door ze meer gelijktijdig te laten verlopen.
(...) Een voorbeeld daarvan is het verkorten van het ontwerpproces door gestandaardiseerde
ontwerpen voor stations en masten te gebruiken.» TenneT heeft dit al toegepast, zo
lezen we, bij de stations Musselkanaal in Groningen en Veenoord-Boerdijk in Drenthe.
De bedoeling is dat deze werkwijze ook wordt uitgebreid. Maar onlangs heeft TenneT
een investeringsplan gepubliceerd, waaruit een vertraging van drie tot vijf jaar blijkt
voor het hoogspanningsstation Veenoord-Boerdijk. Het komt vaker voor dat termijnen
niet gehaald worden; dat horen en weten we. Maar Veenoord-Boerdijk, zo horen we ook,
is obstakelvrij en de vergunningen ervoor zijn op orde. De vraag is nu: hoe kan dit?
Hoe verhoudt dat zich tot de voorspelbaarheid? Wat stelt de Minister in dezen voor
om te doen? Neemt zij dit ook mee in de beoordeling van de investeringsplannen?
Voorzitter. Een derde vraag. In totaal stel ik er vier en ik probeer dat ook binnen
de tijd te doen. Er zijn nieuwe projecten, zoals het OER-project Zonneroute A37. Nu
wij hier spreken over de overbelasting van het netwerk, is de vraag van het CDA of
de nieuwe Energiewet ruimte biedt voor een directe aansluiting van bijvoorbeeld dit
zonnepark op bijvoorbeeld het bedrijventerrein GETEC. Ik ben zelf een tijdje voorzitter
geweest van de stuurgroep voor de aanleg van het zonnepark, en een van de vragen die
ik weleens gesteld heb, is: kan daar dan ook een aansluiting gerealiseerd worden?
Het antwoord daarop was: wellicht wel. Maar wellicht is een directe aansluiting op
het bedrijventerrein GETEC ook een mogelijkheid. Kan dat in bepaalde gevallen ook
een kostenefficiënte en mogelijk structurele oplossing zijn voor netcongestie? Graag
een reactie van de Minister.
En dan nog een vraag over de ACM en prioritering. In de brief van 30 juni lezen we
een passage over het maatschappelijk prioriteringskader. In antwoord op vragen van
de leden Bontenbal en Boswijk over het bericht «Woningbouw in gevaar door nieuwe regels
netcongestie» lezen we dat woningbouw nog steeds prioriteit heeft. Dat kunnen we ons
voorstellen. Dat is natuurlijk ook de bedoeling. Dat is mooi. We hadden ook niet anders
verwacht. Mijn vraag aan de Minister: hoe reëel is het dat de aangevraagde, gereserveerde
ruimte ook daadwerkelijk kan worden geboden als de netcongestiekaart rood kleurt?
Oftewel: betekent een reservering ook een aansluiting? Graag een reactie.
Voorzitter, tot zover.
De voorzitter:
Dank. Ik zie dat er geen interrupties zijn, dus dan geef ik graag het woord aan de
heer Vermeer. Wil de heer Jumelet zijn microfoon uitzetten?
De heer Vermeer (BBB):
Dank u wel, voorzitter. Nederland zit letterlijk aan zijn netgrenzen. De netten zitten
vol, wachtrijen groeien en steeds meer bedrijven, tuinders en woningbouwprojecten
lopen vast. Dat is niet alleen een technisch probleem, maar ook een teken van beleidsfalen,
van het falen van hoe we de zaken de laatste jaren hebben aangepakt. Er is te veel
gepraat over ambities en te weinig geïnvesteerd in maakbaarheid en uitvoering. BBB
wil kiezen voor realisme: geen luchtkastelen, maar kabels in de grond. U hoort het
goed: in de grond en liever niet erboven.
BBB onderschrijft dat er tempo gemaakt moet worden met de versnelling van de uitbreiding
van de netcapaciteit, maar vindt wel dat dat gericht en uitvoerbaar moet gebeuren.
Volgens Netbeheer Nederland is tot 2030 65 miljard aan investeringen nodig, waarvan
slechts 72% maakbaar is. Het kabinet spreekt dan ook van een «maakbaarheidsgat», maar
het is eigenlijk een realiteitsgat, want zolang procedures, personeel en materiaal
schaars blijven, blijven papieren plannen geduldig, maar heb je er niets aan. Daarom
wil BBB versnelling van de vergunningsprocedures via standaardisering en parallelle
trajecten zoals het verlenen van koepelvergunningen, een aanpak die op dit moment
in voorbereiding is. Ook wil BBB een nationale projectlijst met prioritaire energie-infrastructuur
vergelijkbaar met het MIRT, maar dan voor stroom, warmte, waterstof of welke energiebron
dan ook. Want, en dat is ook nog wel een punt, in verschillende wetten en voorstellen
van verschillende ministeries zien wij nog steeds allerlei middelen vermeld staan
in plaats van dat er gewoon de term «energie» gebruikt wordt. Dat gaat ons in de toekomst
dwarszitten als er weer nieuwe energiebronnen gebruikt gaan worden.
Dan het prioriteringskader van de ACM. Meerdere collega’s refereerden daar al aan.
Op 1 januari 2026 wordt er een nieuw prioriteringskader voor netcapaciteit geïntroduceerd
door de ACM. Wij ontvangen signalen dat de gevolgen hiervan nog niet te overzien zijn.
Lokale overheden en regio’s worden wel geïnformeerd, maar hebben geen zeggenschap
over het nieuwe prioriteringskader. Dat is zonde volgens ons, want juist in de regio
hebben bestuurders een goed beeld van waar de netcongestie het hevigst is. BBB hoort
graag van de Minister hoe we het mogelijk gaan maken dat lokale overheden voortaan
zeggenschap krijgen in het prioriteringskader voor de aanpak van netcongestie.
En dan Moerdijk. Het werd in een interruptie al even genoemd. Een dorpsgemeenschap
van agrariërs, mkb’ers, gezinnen, verenigingen en eeuwen aan Brabantse tradities lijkt
te moeten wijken voor de energietransitie. Dat is voor BBB onbestaanbaar. Het gaat
namelijk om zo veel meer dan alleen economische ontwikkeling. Het mogelijk opheffen
van Moerdijk is tekenend voor de houding van de overheid ten opzichte van de regio,
het platteland en de mensen die er wonen. Het voornemen om toe te staan dat een dorp
als Moerdijk wordt opgeheven is al wekenlang groot nieuws, terwijl de plannen waar
Moerdijk voor zou moeten wijken, op losse schroeven staan. Op 19 november stond er
nog een artikel in De Telegraaf met de titel «Nederland slaat alarm in Brussel over
crisis recyclingbedrijven: «Economie van de toekomst krijgt hardste klappen»». Daarin
stond dat demissionair Staatssecretaris Thierry Aartsen de noodklok luidt.
Voorzitter. BBB wil graag duidelijkheid van de Minister. Klopt het dat de plannen
die mogelijk leiden tot het opheffen van Moerdijk, onder andere bedoeld zijn voor
projecten in diezelfde recyclingbranche waarvan een Staatssecretaris zegt dat die
geheel uit Nederland verdwijnt? Klopt het dat die plannen onder andere bedoeld zijn
voor de aanlanding van windenergiepark Nederwiek 3? Dat werd in ieder geval gezegd
bij een bezoek dat wij aan Moerdijk brachten. Ook lees ik in rapporten dat dat helemaal
geen realistische optie is. Dat staat zelfs in rapporten over de aanlanding van dat
park. Als het klopt, wat is dan de status van de aanbesteding en realisatie van dit
project? Er wordt ook gesproken over het maken van ruimte voor een accupark, misschien
wel 60 hectare. Maar wie gaat dat doen? Hebben daar al aanbestedingen voor plaatsgevonden?
Is het wel zeker dat dit gerealiseerd wordt?
Dit wordt allemaal gebracht onder de noemer van het project Powerport. Maar voor zover
BBB begrijpt, is er nog geen opdrachtgever voor de onderdelen van de projecten, terwijl
de overheid nu al aan meer dan 1.100 mensen vertelt dat hun woonplaats over een tijdje
niet meer bestaat als dit allemaal doorgaat. Kan de Minister dus weergeven wat nou
de exacte status is van al die projecten die zouden moeten leiden tot al dat ruimtebeslag,
wat weer zou kunnen leiden tot het verdwijnen van een compleet dorp? Als er eenmaal
één dorp over de dam is, dan verdwijnen er meer. Hopelijk niet meer, maar dat is meestal
wel de praktijk.
Voorzitter. De komende dagen en weken gaan het Rijk, de provincie en de gemeente in
gesprek over de besluitvorming en de gevolgen daarvan voor Moerdijk. Onder het mom
van «duidelijkheid voor inwoners» wordt er alvast gecommuniceerd dat het opheffen
van Moerdijk onvermijdelijk is. Dat kan toch niet? Je kan iemand wel op de rand van
de afgrond zetten en zeggen: ik ga je er nu in duwen. Dan ben je heel duidelijk. Maar
diegene heeft er veel meer behoefte aan om niet in die afgrond gegooid te worden,
in plaats van duidelijkheid te krijgen over waar diegene terecht gaat komen.
De voorzitter:
Kunt u afronden, meneer Vermeer?
De heer Vermeer (BBB):
O. Ja.
De voorzitter:
U bent al een halve minuut over uw tijd heen.
De heer Vermeer (BBB):
Bedankt voor de coulance die u hier betracht, voorzitter. Ik zal afronden.
De voorzitter:
Twee zinnen.
De heer Vermeer (BBB):
Voorzitter. Netcongestie is geen natuurverschijnsel, maar het resultaat van politieke
keuzes. Wat ons betreft is de energietransitie nooit belangrijker dan het bestaansrecht
van gemeenschappen en mensen. Een sterk energiesysteem begint namelijk niet in Den
Haag, maar in de regio’s die Nederland draaiend houden.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dan gaat deze voorzitter nog een heel klein beetje coulance toepassen, aangezien de
heer Van den Berg nóg een interruptie wil. Hij heeft er al vier op zitten, maar aangezien
we goed in de tijd zitten, krijgt hij er nog één.
De heer Van den Berg (JA21):
In Noord-Holland beschouwen we een interruptie met vervolginterruptie als één interruptie,
maar dank u wel, voorzitter.
Ik wilde ook zeggen dat ik hier pas net zit. Ik zat die plannen over Moerdijk door
te lezen en ik heb ook het nationaal programma energie-infrastructuur, als ik het goed zeg, erbij gepakt. Daarin zag ik dat de plannen voor Moerdijk
eigenlijk al best wel wat jaren bestaan en in die stukken voorkomen. U bent al wat
langer Kamerlid dan ik, dus mijn vraag aan u is: heeft u dat niet eerder in die stukken
gezien? Is het zodoende echt een verrassing voor BBB dat deze plannen voor Moerdijk
eraan zitten te komen?
De heer Vermeer (BBB):
Wij moeten daar duidelijk onderscheid maken tussen: zijn het plannen voor Moerdijk
of zijn het plannen zijn die Moerdijk zouden kunnen raken? Daar zit de crux. Er zijn
namelijk meerdere opties mogelijk waar die projecten, als die al doorgevoerd worden,
uitgevoerd zouden kunnen worden. Al die losse projecten zijn dus bekend, maar dit
is in een stroomversnelling gekomen omdat de lokale overheid zich bijna gedwongen
voelt om met een voorstel te komen in de trant van: als dit allemaal door zou gaan
op díé plek, dan willen wij hele ruime compensatie voor de mensen die daar wonen.
Zij zeggen eigenlijk dat vertrek dan onvermijdelijk is. Al die projecten zijn dus
niet nieuw, maar de optelsom van die projecten en de gevolgen die de keuze voor bepaalde
gebieden heeft voor een dorp als Moerdijk komen nu pas boven tafel, omdat de lokale
overheid zich op dit moment gedwongen voelt om richting de overheid een vuist te maken
en te zeggen: als jullie dit gaan doen, dan moeten jullie zorgen dat we hier op een
nette manier weg kunnen.
Ik heb daar gesprekken over gehad met de raadsleden, de Dorpstafel Moerdijk en de
wethouder. Die willen dit allemaal eigenlijk niet, maar ze voelen zich gedwongen om
dit op deze manier te doen, gezien de landelijke plannen en de keuzes die voorliggen.
Maar het is eigenlijk schrijnend dat men aan de voorkant garanties wil vragen voor
iets wat voor de overheid gewoon een zorgplicht is, namelijk het opkomen voor je inwoners
en ervoor zorgen dat die beschermd worden. Het is eigenlijk van de zotte dat dit tot
zo’n climax moet leiden, want we zouden nooit op dit punt terecht mogen komen.
De voorzitter:
Ik zie geen andere interrupties, dus dan geef ik graag het woord aan de heer Peter
de Groot voor zijn bijdrage.
De heer Peter de Groot (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Het vollopende stroomnet is een van de grootste belemmeringen
voor de ontwikkeling van Nederland. Het is al genoemd vandaag: woningbouwprojecten
vallen stil, publieke voorzieningen zoals ziekenhuizen en politiebureaus krijgen geen
aansluiting en ondernemers weten niet of ze kunnen doorgaan met uitbreiden of verduurzamen.
Inmiddels wachten meer dan 14.000 bedrijven op een aansluiting of verzwaring. Dat
is een rem op onze economische groei én op de energietransitie. De maatschappelijke
schade kan jaarlijks oplopen tot 10 tot 40 miljard euro. Dat bedrag is een uiting
van grote stagnatie, onzekerheid en gemiste kansen. Ik denk dat de urgentie niet duidelijker
kan zijn dan die nu is.
De VVD wil natuurlijk alles op alles zetten om het bestaande net uit te breiden, met
snellere procedures en vergunningen en met slimmere aanlegmethodes. Maar bedrijven
en huishoudens kunnen niet wachten tot 2035. Daarom moeten we het net ook slimmer
benutten en de kennis die we nu al hebben, beter toepassen. Flexibilisering moet van
een papieren ambitie naar een praktische realiteit. De technieken bestaan; dat is
ook al genoemd. Flexcontracten, energiehubs, wijkbatterijen, slim laden, een combinatie
van opslag en opwek: we kunnen allemaal helpen om pieken af te vlakken en ruimte te
creëren op het net. Maar in de praktijk komen deze oplossingen te weinig van de grond.
Er is al gevraagd hoe de Minister het bericht van de ACM beoordeelt dat netbeheerders
hun afspraken niet nakomen. De heer Jumelet vroeg ook al: hoe krijgen we meer inzicht
in het niet nakomen van flexibele contracten? Hoe kan het dat de netbeheerders weinig
inzicht hebben in wanneer hun netten vol zitten? Wat gaat de Minister doen om te zorgen
dat netbeheerders flexibilisering beter faciliteren?
Daarnaast komen er in 2028 nieuwe nettarieven voor kleinverbruikers om efficiënt gebruik
van het net te stimuleren. Maar hoe gaat de Minister ervoor zorgen dat flexproducten
al voor 2028 beschikbaar komen voor deze kleinverbruikers? Mensen en bedrijven haken
nu af omdat het te ingewikkeld is of omdat ze niet weten wat er wel en niet kan. Hoe
gaat de Minister ervoor zorgen dat gemeenten en provincies een grotere rol spelen
bij lokale oplossingen? Beschikken zij over het juiste instrumentarium om lokale oplossingen
als het koppelen van vraag en aanbod te stimuleren?
Voorzitter. Daar hoort ook bij dat regelgeving geen blokkade mag zijn. Te veel initiatieven
lopen vast in vergunningstrajecten of juridische onduidelijkheid. Dat kost ondernemers
tijd, geld en vertrouwen. De VVD wil graag dat de Minister voortvarend werk maakt
van het addendum op de Energiewet dat energiedelen mogelijk maakt. Wanneer komt dat
addendum naar de Kamer? Hoe gaat de Minister lokale initiatieven in de tussentijd
juridische zekerheid bieden? Wat is er nodig om meer experimenteerruimte te creëren
voor innovatieve oplossingen die leveringszekerheid versterken? Het is natuurlijk
de vraag of we in Nederland genoeg juridische capaciteit hebben om al deze dossiers
snel en deskundig te kunnen behandelen. Is juist daar ook een opschaling nodig om
de doorlooptijden te verkorten?
Flexibiliteit is niet alleen een kwestie van techniek, maar ook van kennis; dat is
ook al gezegd. We hadden een ontbijtsessie die ging over Flevoland, Gelderland en
Utrecht. Een aantal van ons waren daar aanwezig. We zien dat daar in hoog tempo regionale
expertise opkomt. Hoe gaat de Minister de expertise die wordt opgedaan in de zogenaamde
FGU-regio, die heel zwaar getroffen is door netcongestie, gebruiken voor oplossingen?
Door de ervaringen in die regio is men daar voorloper geworden, worden daar sneller
prognoses ontwikkeld en worden bedrijven daar gebiedsgericht geholpen met bijvoorbeeld
regionale energiehubs en netbewust bouwen. De VVD pleit daarom ook voor ruimte voor
innovaties en pilots in deze provincies. Het Nationaal Expertisecentrum Netcongestie
laat zien hoe dat in de praktijk werkt: het staat dicht bij mkb’ers, spreekt hun taal
en verlaagt drempels om te werken aan daadwerkelijke oplossingen. De Minister heeft
het centrum inmiddels erkend, maar structurele financiering is nog niet geregeld.
Daarom vraag ik de Minister hoe zij aankijkt tegen het structureel financieren van
centra zoals het Nationaal Expertisecentrum Netcongestie, zodat zij gewoon kunnen
blijven werken aan het samen met het mkb regionaal oppakken van oplossingen.
Voorzitter. Het is wel duidelijk dat de problemen groot zijn, maar de oplossingen
bestaan inmiddels ook al. Wat nu telt, is ervoor zorgen dat er tempo, eenvoud en samenwerking
komen. De VVD wil dat het kabinet flexibiliteit versnelt, regelgeving moderniseert
en de regionale kennis die er is, krachtig inzet. Het is zaak om te doen wat we kunnen
met wat we al hebben terwijl we het net uitbreiden, want alleen dan kunnen we Nederlanders
in beweging krijgen.
Dank u wel.
De heer Klos (D66):
Dank u wel voor uw verhaal. Ik herken heel veel daarin. Eén ding viel mij op. U had
het over de problemen in de praktijk bij de uitbreiding en verzwaring van het net.
Volgens mij zijn twee dingen nog niet aan de orde gekomen in dit debat. Dat zijn de
randvoorwaarden daarvoor, namelijk enerzijds dat we ons stikstofprobleem oplossen
en anderzijds dat we genoeg technisch geschoold personeel hebben om dat te kunnen
doen. Is de heer De Groot het met mij eens dat er grote nood is aan een kabinet dat
wél geloofwaardig is in Brussel op het vlak van stikstof en massaal investeert in
het mbo?
De heer Peter de Groot (VVD):
Ik begin met het laatste punt. Ik denk dat het kabinet daar ook op inzet. We hebben
daar eerder met de Minister debat over gevoerd. Ik hoorde de heer Klos in zijn bijdrage
zeggen dat we voldoende capaciteit aan mensen hebben, maar daar ben ik het niet mee
eens. We zullen ook echt naar andere oplossingen moeten kijken. Netbeheerders werken
bijvoorbeeld nu al met virtualrealitybrillen om het onderhoud te kunnen plegen, zodat
mensen de opleiding niet volledig hoeven te doorlopen. Daar moeten wij ook echt heen,
omdat het in de grote opgave die we hebben ondoenlijk is om daar zo veel mensen voor
op te leiden dat we dat allemaal een-op-een kunnen doen. Dus ja, we hebben een daadkrachtig
kabinet nodig om ervoor te zorgen dat we deze transitie op een goede manier met elkaar
kunnen doen. Het is niet alleen voor de energie-infrastructuur, maar ook voor de woningbouw
en de wegenaanleg noodzakelijk dat we het stikstofprobleem daadkrachtig met elkaar
oplossen. Daar ben ik het helemaal mee eens.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Meneer De Groot had het in zijn bijdrage over het instrumentarium van lokale overheden
en de FGU-regio, maar hij heeft onlangs een motie ingediend die het eigenlijk nagenoeg
onmogelijk maakt om nog wind op land te ontwikkelen. We weten ook dat wind op land
cruciaal is voor het oplossen van netcongestie. Hoe legt de heer De Groot deze motie
uit in het kader van netcongestie en het instrumentarium van lokale overheden, dat
u met deze motie toch wel beperkt?
De heer Peter de Groot (VVD):
Ik zou de motie nog een keer lezen, want er zitten wel degelijk clausules in die gaan
over wanneer het wel kan, bijvoorbeeld wat betreft lokale initiatieven, omdat het
bijvoorbeeld voor energiehubs op industrieterreinen nodig is om lokale opwekking te
hebben. Maar de VVD sluit de ogen niet voor het feit dat hele gemeenschappen gewoon
last hebben van windmolens die te dicht op woonwijken zijn geplaatst. Vanochtend stond
er ook weer zo’n verhaal in de krant, uit Dronten. Mensen worden door windmolens gestoord
in hun slaap, wat gezondheidseffecten heeft. In de motie staat ook dat we goed moeten
kijken naar het ontwikkelen van een goed kader, dat rekening houdt met milieuzaken
en gezondheidszaken. Dat is eigenlijk ook de oproep die in de motie staat, namelijk
dat de Minister dat ontwikkelt. Daar komt dan een kader uit. We gaan daar vast en
zeker nog met elkaar over debatteren, maar er zitten een aantal disclaimers in de
motie waardoor het wel degelijk mogelijk kan zijn om nog windmolens te plaatsen, bijvoorbeeld
bij – ik noem maar wat – industrieterreinen. De VVD heeft gewoon een voorkeur voor
wind op zee en voor de gezondheid en nachtrust van mensen. We moeten als politiek
ook keuzes maken. Daarvoor zitten we hier.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Voor onze partij is het natuurlijk ook enorm belangrijk om strenge milieunormen te
hebben. Wij zien ook heel veel in wind op zee. Ik wil nog even doorgaan op het lokale:
wat voor oplossingen ziet u om lokaal vraag en aanbod nog beter bij elkaar te brengen?
De heer Peter de Groot (VVD):
Dat is een mooie vraag. Ik denk dat we het grootste deel van het gesprek dan een keer
met een kop koffie moeten doen. Ik heb weleens vaker in een debat gezegd dat ik het
bijvoorbeeld heel gek vind dat er een trein voorbijrijdt waarbij piekstroom geladen
zit boven een spanningsnet van ProRail, waar enorm veel capaciteit beschikbaar is
die maar heel weinig gebruikt wordt. Ik zou zeggen: zet er een batterij naast en je
kunt bedrijven aansluiten. Dat zijn de lokale topoplossingen. Volgens mij gaat het
erover dat we dat dus op dit moment niet met elkaar voor elkaar krijgen, waardoor
die bedrijven gewoon zeggen: «Ik krijg geen verzwaarde aansluiting, dus ik kan ook
niet verduurzamen. Het lukt me allemaal niet.» Maar als je uit je raam kijkt, dan
zie je de piekspanning hangen. Het is eigenlijk heel gek dat dat niet kan. Ik wil
er ook bij zeggen dat de VVD zich er wel degelijk van bewust is dat het altijd gaat
over leveringszekerheid. Treinen moeten kunnen blijven rijden. Daar moeten we niet
aan morrelen. Dat is de andere kant waar we naar moeten kijken. Het is dus een combinatie
van leveringszekerheid borgen en tegelijkertijd flexibilisering bieden, met oplossingen
die bewezen zijn. Die zijn er echt voldoende en daar moeten we ruimte voor bieden.
De voorzitter:
Ik zie geen andere interrupties, dus dan geef ik het woord aan de heer Van den Berg.
De heer Van den Berg (JA21):
Dank u wel, voorzitter. Ik herken me wel in de heer Klos, want ook voor mij is het
een grote eer om hier vandaag voor het eerst aanwezig te zijn in deze commissie. Ik
kijk dus uit naar de komende debatten. Ik vind het vooral bijzonder leuk omdat ik
zelf uit de techniek kom. Ik heb de laatste jaren in de logistiek gewerkt en ik heb
daar ook veelvuldig te maken gehad met netcongestie in de vorm van bedrijven die niet
aangesloten kunnen worden, of distributiecentra. Dat wilde ik als persoonlijk feit
even kort vertellen.
Ik dacht eigenlijk ook bij mijzelf: waar lopen we nou tegenaan? Meneer De Groot zei
al dat we 10 tot 40 miljard euro aan economische waarde zijn misgelopen voor heel
Nederland. Dat is een bijzonder groot probleem, want energie is wat ons betreft niet
of een of ander ideologisch vraagstuk, maar het absolute fundament voor een sterke
en welvarende economie. Wat betekent die 40 miljard aan misgelopen inkomsten nou?
Voor ons zou dat bijvoorbeeld zijn dat je daar twee grote kerncentrales per jaar van
zou kunnen bouwen. Dat is alvast een klein voorproefje van wat ik in de toekomst nog
ga inbrengen in deze commissie.
Ik heb voor de rest een beetje zitten kijken naar wat ik allemaal wil zeggen in deze
korte vijf minuten, dus ik heb een hele hoop opgeschreven. Ik ga even langs een paar
punten waar ik me zorgen over maak, Minister. Als bedrijven, bijvoorbeeld energie-intensieve
bedrijven, die nu nog niet vertrokken zijn uit Nederland niet alsnog een zwaardere
aansluiting kunnen krijgen, dan zou 10% van die bedrijven willen vertrekken, met 50 miljard
euro aan economische schade als gevolg. Ik wil dat heel graag voorkomen en ik hoor
graag van u hoe u dat wil gaan voorkomen.
Dan wil ik iets zeggen over de netwerktarieven. Die zitten nu nog op 8,5 miljard euro
per jaar. In het huidige tempo stijgen die naar zo’n 20 miljard euro per jaar en die
kosten zijn voor onze huishoudens, het mkb en de industrie. Concreet zou het zomaar
zo kunnen zijn dat we zo meteen € 1.000 per huishouden aan vastrecht gaan betalen.
Wat ons betreft is dat onhoudbaar. Ik zou graag van de Minister willen horen wat haar
oplossing daarvoor is. Gaan we die kosten delen in het collectief of blijven we die
doorbelasten aan huishoudens? Linksom of rechtsom zijn de kosten veel te hoog om persoonlijk
te dragen, dus daar moet iets anders voor komen.
Dan noem ik iets wat nog belangrijker is, wat ik eigenlijk niemand in het debat hoor
zeggen en wat wat ons betreft de olifant in de kamer is. Het gaat om zaken die we
niet meer moeten doen om te komen tot het oplossen van netcongestie. Wat ons betreft
is het onbestaanbaar dat nieuwe huizen nog steeds gebouwd worden zonder aansluiting
op het gasnetwerk. Ik zou graag van de Minister willen horen hoe ze daarnaar kijkt
en of ze vindt dat we niet gewoon weer meer moeten gaan werken met gasgeneratoren
of aansluitingen op het gasnetwerk, want dat is gewoon per direct een oplossing voor
de huizen die nu niet gebouwd kunnen worden vanwege problemen op het elektriciteitsnetwerk.
Als we dat niet doen, waarom stoppen we dan niet met volledig elektrische warmtepompen
en gaan we nu, zolang het nodig is, niet over op hybride? Het werd al even gezegd:
je kan die slim aansturen. Op momenten van piekbelasting schakel je de elektriciteitskant
af en ga je over op gas. Dat betekent wel dat je huishoudens moet compenseren voor
de hogere kosten. Ik zou graag een reflectie van de gedeputeerde daarop willen. Excuus;
van de Minister. Ik versprak me. Het is voor mij een nieuwigheid.
Ik memoreer een eerder debat met mevrouw Van Oosterhout over de zero-emissiezones.
JA21 is niet tegen elektrische auto’s, maar we denken wel dat je die niet hoeft te
stimuleren. De markt wil dat zelf. Wat ons betreft moeten we dan ook stoppen met de
zero-emissiezones, omdat die wel zullen leiden tot een extra vraag op het elektriciteitsnetwerk,
ondanks het uitstel naar 2029. Kortom, laten we die gewoon loslaten en de markt zijn
werk laten doen. Op die manier komen we ook tot elektrisch vervoer, maar dan zonder
verdere overbelasting van het netwerk.
Ik wil kort nog het volgende zeggen. Ik ga er op een later moment nog verder op in,
maar wij zouden ook heel graag voor de leveringszekerheid een capaciteitsmechanisme
willen zien, zodat we de elektriciteitsbedrijven en de gascentrales ook hier in Nederland
kunnen houden en onze leveringszekerheid niet verder onder druk komt te staan. Ik
weet dat de Minister daar al mee bezig is, maar dit is wel onze inzet.
Ik zal afsluiten met het volgende, wat mij wel echt te denken geeft. Ik denk dat de
meeste mensen met kinderen het wel hebben kunnen zien op het Sinterklaasjournaal:
we moeten ons allemaal met noodpakketten voorbereiden op een ramp die kan gebeuren.
Zo’n ramp gaat gebeuren als we ons elektriciteitsnetwerk niet tijdig versterken. Ik
wil dat heel graag voorkomen. Ik kijk uit naar de toekomst, waarin we daar met deze
commissie aan kunnen werken.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik geef tot slot het woord aan mevrouw ... O, excuus, er zijn allemaal
interrupties. De heer Jumelet was net iets eerder.
De heer Jumelet (CDA):
Dank u wel, voorzitter. We staken ongeveer tegelijk de hand op, dus dank u wel voor
het woord. Ik hoor de heer Van den Berg ook spreken over de schade die deze kwestie
van netcongestie met zich meebrengt. Het hier kunnen houden en aansluiten van bedrijven
brengt misschien wel dat bedrag van 10 tot 40 miljard in beeld. Wij als CDA vinden
een voorspelbare transitie belangrijk. Wij willen tegen bedrijven kunnen zeggen: zo gaat het er
ongeveer uitzien. Wij vinden een gelijk speelveld belangrijk. Hoe kijkt u daarnaar?
U benoemt namelijk wel het probleem, maar hoe ziet u de oplossingen voor zich? Dat
is mijn vraag.
De voorzitter:
Ga uw gang.
De heer Van den Berg (JA21):
Dank u voor deze mooie vraag. Een gelijk speelveld, zegt u. Wij zouden bijvoorbeeld
heel graag willen zien dat de netwerktarieven van Nederland, Duitsland en België geharmoniseerd
worden. We hebben in Nederland nu veel hogere netwerktarieven en dat is een van de
redenen dat bedrijven vertrekken. Tegelijkertijd komen er minder bedrijven binnen,
zoals de datacenters. ING publiceerde laatst een rapport waarin staat dat datacenters
nu niet meer naar Nederland komen, ook door de overdreven regelgeving van de gemeente
Amsterdam, die de komst van die bedrijven alleen wil faciliteren met hernieuwbare
energie. Dat is waanzin, want het verdienvermogen van Nederland staat onder druk.
Waarom is de bandbreedte van die 10 tot 40 miljard euro zo groot? De kosten kunnen
oplopen tot 40 miljard als de sectoren die we nu niet binnenkrijgen de hoogst verdienende
sectoren zijn, bijvoorbeeld de datacenterindustrie. Kortom, wij zouden heel graag
zien dat we de rode loper uitrollen voor bedrijven die structureel bijdragen aan het
verdienvermogen van Nederland.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Het ging eerder in dit debat al eventjes over energiearmoede en een lagere energierekening.
Ik was dus toch wel vrij verbaasd toen u in uw betoog begon over gas. U doet in uw
betoog een oproep voor meer gas, terwijl dat toch beduidend duurder is dan hernieuwbare
energie. Ik vroeg me dus af hoe de heer Van den Berg dit rijmt.
De heer Van den Berg (JA21):
Ik weet dat ik geen interruptie terug mag doen, maar ik nodig u van harte uit om eens
te onderbouwen waarom dat dan duurder zou zijn. Gas kost op dit moment zo’n 40 cent
per kuub. De hoge gasprijs komt voornamelijk door de belastingen. Die zijn vooral
het probleem. Ik kan niet zo meegaan in het beeld dat hernieuwbare energie per se
goedkoper zou zijn dan gas. Ook al zou het zo zijn, feit is dat we het niet bij de
huishoudens krijgen vanwege netcongestie. Het is dus helemaal niet relevant of het
wel of niet goedkoper is. Het gaat erom dat mensen voldoende energie kunnen krijgen
en dat bedrijven aangesloten kunnen worden. Dat kan op dit moment dus niet met het
elektriciteitsnetwerk. Provincies zoals Utrecht zeggen gewoon: we gaan nu gasgeneratoren
aansluiten zodat die wijken er toch kunnen komen. Ik denk dat de meeste mensen waarschijnlijk
zullen kiezen voor een huis in plaats van geen huis dat anders op duurzame elektriciteit
had gedraaid.
De heer Klos (D66):
Ik hoorde ook een pleidooi voor gas. Ik hoorde meneer Van den Berg zeggen dat energie
geen ideologisch vraagstuk is. Ik denk dat het voor mij wel een vraagstuk van waarde
is, dat gaat over de vraag: waar gaat ons land naartoe? Als je een pleidooi voor gas
houdt, dan hou je in mijn ogen ook een pleidooi voor afhankelijkheid van spelers die
het niet zo goed met ons voorhebben. Als u dus niet accepteert dat dat op het gebied
van prijs geen goed idee is, kunt u dan uitleggen waarom het wel een goed idee is
om afhankelijk te worden van spelers in de wereld zoals Poetin?
De heer Van den Berg (JA21):
Ik snap de vraag wel. Ik denk dat we een bepaalde kant op kunnen gaan die wat mij
betreft geen recht doet aan de situatie. We hebben nou eenmaal gas nodig, ook als
we huizen niet meer gaan aansluiten op aardgas. Ten tweede zijn we niet meer zelfvoorzienend.
We hebben het gasveld in Groningen gesloten, dus we zullen gas moeten importeren.
Dat kan, gelukkig voor een heel klein gedeelte van nog maar 2%, uit Rusland. We gaan
daar ook mee stoppen. Maar anders zijn we afhankelijk van Amerika, Qatar of andere
landen. Feit is wel dat de weg die we nu zijn ingeslagen ons in ieder geval tot 2040
zeer grote problemen zal opleveren. Bedrijven kunnen niet aangesloten worden en woningen
kunnen niet gebouwd worden. Ik wil natuurlijk ook zo snel mogelijk een fantastische
wereld zonder uitstoot, die uitermate betaalbaar is en waar iedereen gelukkig is,
maar we moeten wel realistisch zijn. Zolang het nu niet kan, zeg ik: laten we dan
in ieder geval kijken naar wat er wel is. Ondertussen bouwen we natuurlijk wel keihard
door aan het elektriciteitsnetwerk, zodat je in de toekomst weer andere keuzes kan
maken. Wat ons betreft is dat ook een keuze voor kernenergie. Daarmee kun je ook een
versteviging van het elektriciteitsnetwerk voortzetten. Kortom, ik pleit voor het
in de tussentijd gebruiken van de mogelijkheden die er zijn en voor het doorbouwen
van het netwerk, zodat er in de toekomst weer meer mogelijk is.
De voorzitter:
De heer Klos heeft nog een interruptie.
De heer Klos (D66):
Ik hoor in ieder geval niet dat we dan terug moeten gaan naar Gronings gas, dus daar
ben ik blij mee. Ik zou het volgende willen zeggen, misschien ook voor de spirit van
deze commissie. Als we een probleem tegenkomen, denk ik niet dat dat een reden is
om ermee te stoppen. Het doel om energieonafhankelijk te worden, om goedkope energie
te hebben en om een schone wereld voor onze kinderen achter te laten, is het namelijk
wel waard. Ik vind het dus ook een beetje on-Nederlands om bij het eerste probleem
een vlaggetje neer te leggen en te zeggen: we gaan het op een andere manier doen.
Ik hoop dus dat u met mij meewil in de spirit van optimisme en positiviteit en het
probleem wil aanpakken.
De heer Van den Berg (JA21):
Hier ben ik wel gevoelig voor, want ik wil natuurlijk mijn kinderen ook een goede
wereld nalaten. Ik ben dat dus helemaal met meneer Klos eens. Tegelijkertijd behandel
ik dit dossier al sinds 2019 als Provinciale Statenlid en ik ben er ook al mee bezig
sinds ik een jaar of 10 ben. Dat heeft mij wel op het idee gebracht dat we wel wat
willen doen maar dat simpelweg niet alles mogelijk is. Een voorbeeld is de hoogspanningsverbinding
in Noord-Holland, die pas in 2039 gereed is. Eerst was het 2036, nu 2039. Wat gaan
we dan doen in de komende veertien jaar? Ik wil juist vooruit. Ik wil inderdaad een
mooie wereld. Wat mij betreft zou het niet-benutten van deze mogelijkheden stilstand
betekenen. Ik wil graag vooruit. Kortom, laten we dan nu in de tussentijd bouwen aan
het netwerk. In de toekomst hebben we dan nog veel mooiere mogelijkheden dan die we
nu inzetten.
De voorzitter:
Goed. Dan geef ik nu het woord aan de laatste spreker. Dat is mevrouw De Vos.
Mevrouw De Vos (FVD):
Dank u wel, voorzitter. Een land dat zijn energievoorziening op het spel zet, dreigt
zijn welvaart te verliezen. Zonder energie is er namelijk geen productiviteit, geen
industrie, geen vervoer, geen verwarming en geen verlichting. Een land dat zijn welvaart
wil behouden, laat staan uitbreiden, moet zijn energievoorziening dus op orde hebben
en houden. Het zou een open deur moeten zijn, maar zoals iemand die altijd in vrede
heeft geleefd de afwezigheid van oorlog vanzelfsprekend dreigt te gaan vinden en iemand
die nooit armoede heeft gekend zijn rijkdom vaak voor lief neemt, zo loopt een land
dat voor generaties ruimschoots de beschikking heeft gehad over gas, elektriciteit
en benzine het risico die vanzelfsprekendheid argeloos te verspelen.
Voorzitter. Het is precies wat we op dit moment op het Europese continent zien gebeuren.
Terwijl de Verenigde Staten uit het klimaatakkoord van Parijs zijn gestapt en China
wekelijks kolencentrales opent en onlangs ’s werelds eerste thoriumcentrale heeft
geopend, zijn onze bestuurders in de ban van een ideologisch project met de naam «energietransitie»:
een CO2-neutraal Nederland in 2050. De consequentie van dit project is een totale elektrificatie
van ons energiesysteem. Zo steeg het geïnstalleerd vermogen van zonnepanelen in tien
jaar tijd met 2.800%. Het aantal windturbines op land in Nederland steeg sinds 2016
met ruim 60% en het aantal windturbines op zee met ruim 130%. Het aantal elektrische
auto’s steeg de afgelopen tien jaar van enkele tienduizenden naar ruim 644.000. Dat
is een explosieve groei die rechtstreeks heeft geleid tot een overbelasting van ons
stroomnet. Dat is netcongestie die enerzijds voorkomt bij invoer, want er is meer
productie dan het net kan transporteren. Dat zorgt voor problemen, bijvoorbeeld als
het waait én de zon schijnt. Anderzijds is er netcongestie bij afname. Er is meer
vraag dan het net kan leveren, bijvoorbeeld wanneer iedereen na het werk zowel zijn
elektrische auto oplaadt als de inductiekookplaat aanzet.
De Minister schrijft in haar brief van 6 oktober jongstleden dat 14.000 grootverbruikers
niet kunnen worden aangesloten. Ook bijna een derde van de woningbouw heeft last van
netcongestie. In Utrecht, Gelderland en Flevoland is het goed mogelijk dat in 2027
een groot deel van de nieuwbouw stilvalt, aldus het IPO. Volgens TenneT dreigt vanaf
2033 zelfs serieuze stroomuitval. Stroomuitval in Nederland! We hadden een van de
beste energiesystemen ter wereld, met goedkoop gas en schone en efficiënte kolencentrales.
Dat zijn vormen van energie die altijd werken. Dat uitstekende energiesysteem zijn
we aan het verliezen, en in het kielzog daarvan onze welvaart. Die 14.000 bedrijven
blijven namelijk niet eeuwig wachten op een stroomaansluiting. Die verdwijnen of vertrekken.
Eenmaal vertrokken of verdwenen komen die niet zomaar weer terug. Ik hoor dan ook
graag van de Minister wat hierop haar antwoord is. Hoe denkt zij Nederland aantrekkelijk
te kunnen houden? Kan zij aangeven welke van de 54 klimaatsubsidies elektrificatie
aanmoedigen en dus leiden tot nog meer netcongestie?
Voorzitter. Forum voor Democratie zou het liefst vandaag nog stoppen met de energietransitie.
We moeten niet vertragen, niet bijsturen, maar er simpelweg mee ophouden en in plaats
daarvan teruggaan naar wat wél werkt. Dat betekent heropening van het Groninger gasveld,
uiteraard met ruimhartige compensatie voor de Groningers en het aardbevingbestendig
maken van het gebied, investeren in kerncentrales, onderzoek naar de bouw van thoriumcentrales
en het openhouden van kolencentrales, die ook werken als de zon niet schijnt en de
wind niet waait. Zo kunnen Nederlanders hun energierekening weer betalen, kunnen bedrijven
weer aan de slag en kan Nederland zijn welvaart behouden.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank. Ik kijk en zie geen interrupties. Ik begrijp van de Minister dat zij ongeveer
een ruime twintig minuten nodig heeft voor de voorbereiding van de beantwoording,
dus dan stel ik voor dat wij hier om 16.15 uur weer bij elkaar komen.
De vergadering wordt van 15.53 uur tot 16.19 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik open hierbij de vergadering weer. Voor de nieuwe leden: de Minister geeft altijd
eerst een indeling in zogenaamde blokjes. Ik vraag de Minister dus om dat te doen.
Minister, gaat uw gang.
Minister Hermans:
Ja, voorzitter, daar zal ik mee beginnen. Ik begin met alle vragen die gesteld zijn
over ... Ik wilde «netcongestie» zeggen, maar daar gaat het hele debat over, excuus.
Ik begin met het flexibeler gebruik van het net. Dan ga ik verder met alle vragen
die gesteld zijn over het sneller bouwen en de versnellingsaanpak daarvan. Dan komen
de vragen die gesteld zijn over opslag. Vervolgens komt het prioriteringskader en
alles wat daarmee samenhangt aan bod. Dan volgen de vragen over het decentrale energiesysteem.
Tot slot volgt het bekende mapje overig of varia.
De voorzitter:
In principe doen we vier interrupties. Tegen de heer Van den Berg zeg ik dat dat dus
vier losse vragen zijn.
Minister Hermans:
Voorzitter, dank u wel. Allereerst een heel hartelijk welkom aan alle Kamerleden die
nieuw zijn in deze commissie en soms ook helemaal nieuw in de Kamer. Ik zie uit naar
constructieve en goede debatten over de klimaat- en energietransitie. Er zijn namelijk
genoeg onderwerpen waarover goede debatten te voeren zijn.
Om mee te beginnen vandaag: het vraagstuk van de netcongestie, de drukte op het stroomnet.
Ik denk dat door elk van de Kamerleden, door ieder in eigen bewoordingen en met eigen
voorbeelden, is neergezet hoe dit probleem ons aan alle kanten in de weg zit. Het
zit de energietransitie in de weg, evenals de klimaataanpak, de economie, de woningbouw
en zo kan ik nog wel even doorgaan. U heeft daar ook allemaal terecht tekenende voorbeelden
van genoemd. Deze voorbeelden helpen ons tegelijkertijd ook weer, hoe tekenend en
pijnlijk ze soms ook zijn, om tot oplossingen te komen en laten ons bij het oplossen
van die specifieke problemen nadenken over hoe je hier nu een generieke aanpak van
kunt maken.
Voorzitter. Zoals ik zei, begin ik met alle vragen die over het flexibeler gebruik
van het net gaan. Onze energievraag gaat de komende jaren echt flink toenemen. We
zullen dus hoe dan ook ons elektriciteitsnetwerk moeten uitbreiden. Daarvoor moeten
we bijbouwen en ook het bestaande net op onderdelen verzwaren. Maar dat zijn echt
trajecten van vele jaren. Al die 14.000 bedrijven die nu op de wachtlijst staan, hebben
daar niks aan. Die willen veel sneller duidelijkheid, of nog veel liever, ruimte op
het stroomnet. Vandaar dat het beter en flexibeler benutten van de ruimte die we hebben
een ongelofelijk belangrijke lijn in de aanpak van netcongestie is. Überhaupt is flexibel
gebruik van ons systeem een van de pijlers waarop ons toekomstig energiesysteem rust.
Zo is het van grote waarde, zowel voor de lange als de korte termijn, dat we die flexibiliteit
in het gebruik van het systeem in gaan bouwen.
We zien dat er weliswaar in de afgelopen anderhalf à twee jaar veel producten ontwikkeld
zijn om dat flexibele gebruik te stimuleren, maar dat die op de plank liggen. Ik denk
dat de berichtgeving naar aanleiding van het persbericht van ACM van gister dat ook
onderstreept. Die producten liggen klaar, maar vinden nog onvoldoende hun weg naar
zowel grote als kleine bedrijven, die daar eigenlijk om zitten te springen. Dat is
de reden geweest dat ik samen met de netbeheerders, met de ACM, met het bedrijfsleven,
met MKB-Nederland en met VNO-NCW de handen ineen heb geslagen. We hebben gezegd dat
we met aanvullende maatregelen moeten komen om het flexibele gebruik verder omhoog
te krijgen. Aan die aanpak werken we nu heel hard. Ik hoop ... Het is eigenlijk geen
hoop, maar ik zeg u gewoon toe dat ik in januari de eerste resultaten van die gesprekken
en die aanvullende maatregelen met u ga delen.
Voorzitter. Volgens mij zijn het de woorden van de heer De Groot: «Flexibele opwek
en verbruik moeten daadwerkelijk bijdragen aan extra aansluitruimte in congestiegebieden.»
Als flexibiliteit structureel van de grond komt, dan kunnen netbeheerders het effect
ervan ook meenemen in hun prognoses en scenario’s. Daarover ging eigenlijk ook de
vraag die de heer Klos stelde, die ook aansluit bij het bericht van de ACM van gister.
Netbeheerders moeten goed inzicht krijgen en hebben in wanneer het nou precies zo
druk is op het net en wat dat betekent voor wanneer je die flexibiliteit wil inbouwen.
Ik zeg daar wel bij – dat is ook de reden waarom we in die doorbraakaanpak niet alleen
de netbeheerders en ACM aan tafel hebben uitgenodigd, maar ook het bedrijfsleven –
dat we de bedrijven die op de wachtlijst staan, maar juist ook de bedrijven die daar
niet op staan, heel hard nodig hebben voor die oplossing. Het gaat om bedrijven die
een contract hebben waar mogelijk ruimte in zit en die, als zij hun proces flexibeler
inrichten of met een flexibel contract gaan werken, ruimte vrij kunnen spelen voor
bedrijven op de wachtlijst. In een aanpak die vele facetten heeft, hebben we elkaar
dus allemaal nodig. Ik zei al dat ik in januari de Kamer de eerste uitkomsten van
die gesprekken stuur.
Daar blijft het niet bij: ik zal de Kamer dan natuurlijk ook over de voortgang berichten.
Daar zijn specifiek vragen over gesteld door de heer Klos, waar ik zo nog op zal ingaan,
maar nu zeg ik vast in algemene zin: ik blijf daar natuurlijk over rapporteren, want
ik denk dat het heel goed is om daar steeds met elkaar op basis van de meest recente
gegevens en cijfers over te discussiëren en te debatteren. Eerlijk gezegd denk ik
ook niet dat het probleem zomaar weg is. Het zou ook nog best wel even erger kunnen
worden. Daar zal ik ook eerlijk over zijn, maar ook dat moeten we onder ogen zien
en dan moeten we daarover met elkaar in debat gaan.
Ik had het al over het belang van flex op de langere termijn. De heer Klos vroeg:
wordt flex dan ook de norm? Dat is natuurlijk waar we naar toewerken. De inzichten
en ideeën die we nu opdoen voor het oplossen van die wachtrijenproblematiek zullen
we daar dus ook bij betrekken. Dat neemt niet weg dat we nu ook al alles op alles
zetten om creatief en innovatief te zijn in onze oplossingen, zeg ik ook in de richting
van de heer Grinwis. Zo is de Flex-e-regeling genoemd, net als de kennisfunctie bij
de RVO, die je zich ook in de regio’s ziet ontwikkelen. Ik noemde al de samenwerking,
maar er is ook het samenwerkingsverband van netbeheerders, installateurs en MKB-Nederland,
waarin directe, praktisch toepasbare oplossingen worden gedeeld en verder worden uitgewerkt.
Dat wordt ook vanuit het kabinet ondersteund.
De voorzitter:
Ik zie een interruptie van de heer Jumelet.
De heer Jumelet (CDA):
In ieder geval dank voor het ingaan op de flexibilisering. Toen het ging over die
gesprekken, waar het ging over «doorbraakaanpak» en «inzicht», ging er toch even door
mijn hoofd heen: hoe gaat u dat dan borgen? Want uiteindelijk zijn er al heel veel
gesprekken geweest, en er zijn steeds gesprekken met allerlei organisaties. Het bericht
van gisteren was wat mij betreft ietwat onthutsend, omdat de netbeheerders weinig
inzicht hebben in wanneer hun netten vol zitten. Mijn vraag zou dus zijn: hoe gaat
de Minister dat dan afspreken en hoe ga je dat borgen? Het zou jammer zijn als we
in januari een brief krijgen waarin staat dat de inzet is om dat te verbeteren. Je
zult toch een keer tot een resultaat moeten komen, is mijn beleving.
Minister Hermans:
Ik ben het hartgrondig met de heer Jumelet eens wat betreft het «inzicht krijgen in»
en varianten op die formulering. We willen nu weten: wat gaan we dan precies doen
en over hoeveel tijd moet dat de eerste resultaten of de eerste inzichten opleveren?
Het is niet zo dat we vanaf nul beginnen. In het Landelijk Actieprogramma Netcongestie
zitten drie lijnen: sneller bouwen, beter benutten en beter inzicht krijgen. Inzicht
krijgen in wat er speelt, wat er gebeurt en wat de knelpunten zijn, is namelijk de
sleutel naar een heel aantal oplossingen. Het is ook de sleutel naar het gesprek dat
moet plaatsvinden tussen de Rijksoverheid, provincies, gemeenten, de netbeheerders
en TenneT. Dat inzicht in cijfers, voortgang, wachtrijen en de vragen wanneer het
nou precies druk is op het net en waar de pieken zitten, leidt namelijk ook tot de
soms ingewikkelde en ongemakkelijke gesprekken die je nodig hebt om goed te kunnen
zien: wie is er nu verantwoordelijk en aan zet om hier iets te doen? Dus ja, ik zeg
tegen de heer Jumelet dat die brief in januari echt concrete acties gaat bevatten.
Op de verschillende momenten waarop ik rapporteer over de voortgang zal ik natuurlijk
concreet ingaan op hoe dat loopt en hoe dat vordert.
De heer Klos (D66):
Het is fijn dat we daar in januari nog meer informatie over krijgen. Om nu alvast
een beetje inzicht te krijgen in die creatieve en innovatieve oplossingen, vroeg ik
mij het volgende af over dat voorbeeld in Zeeland waarover we eerder debatteerden.
Daar kunnen plotseling 61 bedrijven uit de wachtrij komen omdat een bestaande partij,
die de Minister ook noemt, heeft besloten om flexibel te gaan werken. Wat komt daar
nou bij kijken? En wat heeft u nodig, misschien van de Kamer of van de ACM, om meer
netbeheerders tot dat soort afspraken te laten komen? Ik kan me bijvoorbeeld ook voorstellen
dat je dat bestuurlijk moet doen en dat je iemand nodig hebt die gaat aanjagen dat
bedrijven en netbeheerders beter met elkaar in contact komen in plaats van dat we
ze willekeurige brieven sturen. Ik kan me ook voorstellen dat we daar meer geld bij
doen, zodat de financiële grenzen wat worden opgerekt, omdat we zien dat het maatschappelijke
probleem zo groot is en de kosten zo hoog zijn dat we op de korte termijn veel meer
kunnen doen.
Minister Hermans:
De heer Klos noemde het in zijn bijdrage de «gordiaanse knoop». Ik zat daarover na
te denken en toen dacht ik dat je ergens misschien wel zou willen dat het een knoop
was, want dat draadje zit tenminste aan elkaar. In dit vraagstuk zitten heel veel
draadjes nog niet aan elkaar en we hebben ook nog niet overal inzicht in. Dat laatste
was het punt van de heer Jumelet. Het is dus ook nog eens zoeken naar al die draadjes
in de mist, waarvan sommige dus in de knoop zitten. Het vormgeven van deze aanpak
is ook oefenen, oefenen, oefenen, zoals wij net tegen elkaar zeiden. De heer Klos
refereert aan een voorbeeld in Zeeland. Er is ook nog één specifiek voorbeeld van
een bedrijf in Zeeland dat flexibiliteit in hun productieproces heeft aangebracht
en daarmee voor wel negen of tien bedrijven op de wachtlijst ruimte heeft gecreëerd.
Je wil eigenlijk heel precies weten hoe dat nou is gegaan, welke stappen er zijn gezet
en waar ze tegenaan gelopen zijn. Je loopt daar namelijk juridisch, praktisch en technisch
– we kunnen het allemaal verzinnen – tegen van alles aan. Hoe standaardiseer je dat
soort aanpakken, om die zo snel als mogelijk op andere plekken in te kunnen zetten
en daar niet opnieuw het wiel te hoeven uitvinden?
Er zijn verschillende overleggen waar al die partijen aan tafel zitten. Aan een aantal
daarvan neem ik zelf deel. Ik weet dus niet of het nu zin heeft om daar nog een overleg,
een regisseur of zoiets aan te voegen. Ik had toevallig gisteren nog zo’n overleg.
Daar zeiden we wel tegen elkaar dat we in deze transitie nu echt in de fase van realisatie
zitten. Dat vraagt dus ook heel concreet om het op tafel krijgen van dit soort casuïstiek,
inclusief de inzichten waar we het net over hadden. Dan kan je namelijk gaan aanwijzen
wat echt iets is wat de provincies moeten of wat echt iets is wat de Rijksoverheid
moet doen. Ik geloof dus heel erg dat het daarin zit. Dat betekent dus ook dat je
elkaar durft aan te spreken en dat je dat ingewikkelde gesprek voert. Dat zal soms
ook betekenen dat je dingen ter discussie moet durven stellen die we altijd heel normaal
en vanzelfsprekend hebben gevonden in procedures, inspraak of beroepsmogelijkheden.
Ik kom zo op de versnellingsaanpak. Als we echt willen versnellen of echt iets willen
doorbreken, dan moeten we die vanzelfsprekend misschien even aan de kant zetten, in
het belang van een versnelling in deze aanpak.
De voorzitter:
De Minister vervolgt haar betoog.
Minister Hermans:
De heer Flach vroeg mij of we de Flex-e-regeling gaan opschalen. We hebben de huidige
subsidieregeling net geëvalueerd. Daar is een aantal interessante inzichten uit gekomen,
waarmee we de openstelling voor volgend jaar kunnen verbeteren. We verkennen ook de
noodzaak en de wenselijkheid van nog een aantal aanpassingen om te kunnen opschalen
in het type bedrijf dat er toegang toe heeft. Als de heer Flach ook opschaling in
termen van geld bedoelt, dan kan ik hem zeggen dat er nu geld is voor een nieuwe openstelling,
maar er geen geld komt bovenop wat er gereserveerd is. Een nieuw kabinet kan daar
altijd andere keuzes in maken.
Voorzitter. Dan denk ik dat ik, in antwoord op de heer De Groot, de heer Kops en de
heer Klos, mijn reactie op het bericht van de ACM van gisteren wel gegeven heb. Ik
snap die constatering en zeg wel: het gaat om inzicht bij de netbeheerders én om die
samenwerking met dat bedrijfsleven.
Voorzitter. Ik ben ook in de richting van de heer Jumelet ingegaan op het inzicht.
Dan de vraag van de heer Flach over de FGU-regio. Hij zei dat daar prognoses zijn
geactualiseerd en aangescherpt en als gevolg daarvan de verwachte netbelasting naar
beneden is bijgesteld. Hij vroeg of ik die aanpak ook voor andere gebieden wil gaan
toepassen. Ik kan daar alleen maar het volgende over zeggen. Die prognoses zijn essentieel.
Ik ben blij met de aanscherpingen die via die FGU-regeling tot stand zijn gekomen.
Met de partners in het Landelijk Actieprogramma Netcongestie, het LAN, en de partners
in die doorbraakaanpak ben ik bezig om dat snel ook in die andere gebieden voor elkaar
te krijgen.
Voorzitter. Er is een aantal vragen gesteld over de differentiatie in tarieven, ook
om dat flexgebruik te stimuleren. Dan begin ik met een vraag van de heer Klos. Hij
vraagt wanneer de Kamer de invoering daarvan kan verwachten. De tijdsafhankelijke
tarieven voor partijen op het hoogspanningsnet zijn op 1 januari dit jaar ingevoerd.
Voor kleinverbruikers op het net van de regionale netbeheerders is de planning dat
dat nieuwe tijdsgebonden gedifferentieerde tarief in 2028 wordt ingevoerd. Ik weet
uit een overleg van vorige week of de week daarvoor dat de netbeheerders daar, natuurlijk
samen met de ACM, echt keihard aan werken.
Voorzitter. Ik maak het even af. Voor de grootverbruikers op het net van de regionale
netbeheerders is nog niet met zekerheid te zeggen wanneer de tijdsgebonden nettarieven
worden geïmplementeerd. Ik verwacht dat het codewijzigingsvoorstel begin 2026 door
de netbeheerders bij de ACM ingediend wordt, die daarna natuurlijk marktpartijen moet
consulteren en een besluit moet nemen. Dat zal op zijn laatst ook in 2028 van kracht
worden.
De voorzitter:
Ik zie een interruptie van de heer Kops.
De heer Kops (PVV):
Kan de Minister aangeven hoe dat gedifferentieerde tarief voor kleinverbruikers er
in 2028 ongeveer uit komt te zien?
Minister Hermans:
Aan die vormgeving wordt nu hard gewerkt. Daar hebben we hier in de Kamer weleens
over gediscussieerd, want er lag een gedifferentieerd voorstel met wel 24 of 28 verschillende
tarieven, geloof ik. Er is toen ook nog een motie ingediend, ik dacht door mevrouw
Postma van NSC, om dat eenvoudiger te maken. Ik merk daarbij op dat ik ook vind dat
dat tariefsysteem begrijpelijk moet zijn, moet bijdragen aan het doel dat we hebben
en hanteerbaar moet zijn voor de mensen die er gebruik van gaan maken; dat zijn in
dit geval ook huishoudens. Daarmee zijn de netbeheerders aan de slag gegaan. De basis
om dat verder uit te werken, ligt er nu. De exacte details wil ik uiteraard nagaan
en op papier zetten, als de heer Kops daar meer over wil weten, maar ik ken nu niet
alle details.
De heer Kops (PVV):
Dat begrijp ik. Ik hoef nu ook niet alle details, maar de vraag is wel of de tarieven
dan op piekmomenten omhooggaan of op dalmomenten omlaaggaan. Daarmee bedoel ik: worden
die kleinverbruikers beloond als ze hun verbruik verplaatsen of worden ze gestraft
als ze dat niet doen?
Minister Hermans:
De bedoeling van deze tarieven is natuurlijk om het gebruik te spreiden over de dag
en om de druk af te halen van de piekbelasting tussen 17.00 uur en 19.00 uur ’s avonds,
om een voorbeeld te noemen. Je wilt dus stimuleren dat mensen stroom gebruiken op
de rustigere momenten. Dat kan je doen door de stroom op die momenten wat goedkoper
te maken en dus wat duurder te maken als die schaars is. Ik spreek dus liever van
«stimuleren» en dus ook van «belonen» als je het gebruikt op de rustigere momenten,
dan van de woorden die de heer Kops gebruikte. Maar heel kort door de bocht: op de
dalmomenten gaat het tarief omlaag en op de piekmomenten gaat het tarief omhoog.
De heer Klos (D66):
Concluderend. Kan het dan dus zo zijn dat huishoudens die niet in staat zijn om hun
verbruik te verplaatsen hun rekening zien stijgen? Mensen zijn gewoon afhankelijk
van apparaten. Die mensen worden dus eigenlijk gewoon gestraft, terwijl ze er niets
aan kunnen doen. Klopt dat dan?
Minister Hermans:
Als je gewoon kijkt naar je elektriciteitsverbruik gedurende de dag, dan denk ik dat
wij allemaal met kleine aanpassingen echt al wel een effect kunnen bewerkstelligen.
Dit gaat natuurlijk vooral van toepassing zijn op die situaties waar er én tussen
17.00 uur en 19.00 uur een elektrische auto wordt opgeladen én elektrisch wordt gekookt
én de warmtepomp op volle toeren draait. Het gaat dan om de mensen die ook echt veel
gebruikmaken van het elektriciteitsnet. Dat is op zich goed, want het zijn allemaal
maatregelen die helpen bij de verduurzaming en de energietransitie. Tegelijkertijd
vind ik ook dat je voor mensen die dat dus minder doen op deze manier goede prikkels
in het gebruik inbouwt. Maar ik herhaal ook wat ik aan het begin zei: iedereen kan
met kleine aanpassingen echt al wel wat voor elkaar krijgen. Alle kleine beetjes doen,
alles bij elkaar opgeteld, echt al wel wat.
De voorzitter:
Dit is dan uw laatste interruptie, meneer Kops.
De heer Kops (PVV):
Dat is eigenlijk precies wat ik bedoel. De Minister heeft het over elektrisch koken;
bij mijn weten doen mensen dat ’s avonds en niet ’s morgens vroeg. En als je de warmtepomp
aanzet om je huis te verwarmen, dan doe je dat als je ’s avonds na je werk thuiskomt.
Dat doe je niet ’s morgens vroeg of ’s middags als je er niet bent. Het gaat me er
dan om dat die mensen toch eigenlijk geen mogelijkheid hebben om hun verbruik echt
substantieel te verplaatsen. Onderaan de streep is het dan toch zo dat mensen door
die hogere tarieven op de piekmomenten gewoon meer gaan betalen, terwijl ze er niks
aan kunnen doen. Dat is toch zo?
Minister Hermans:
Ik ga het hier niet tot achter de komma berekenen. Als de heer Kops meer over de details
wil weten, dan kan ik daar, zoals gezegd, uiteraard in een brief op ingaan. Ik moet
daar dan ook wat dingen voor navragen. Maar de verwachting is nu dat mensen die weinig
elektriciteit gebruiken – ik noemde net al het voorbeeld van mensen die geen elektrische
auto hebben – ook minder gaan betalen dan zonder de wijziging die nu voorzien is.
Los daarvan kijken we natuurlijk altijd naar wat voor flankerend beleid er voor kwetsbare
groepen nodig is om iets te doen aan rare uitschieters, mochten die er onverhoopt
toch zijn.
De heer Flach (SGP):
Even doorgaand op dit onderwerp. Het is uiteindelijk natuurlijk de bedoeling dat heel
veel mensen straks een elektrische auto rijden, elektrisch koken enzovoorts. Zou het
dan niet goed zijn om te kijken of we niet een soort bodem moeten leggen voor normaal
levensgebruik, als je gaat belasten op piektarieven? Je moet nou eenmaal eten als
je ’s avonds uit je werk komt. We moeten niet in de situatie terechtkomen dat mensen
moeten kiezen tussen eten in de kou of honger hebben in de warmte. Het moet wel mogelijk
zijn om gewoon in een verwarmd huis thuis te komen en te eten. Laten we er een soort
basis in verwerken, waar mensen geen invloed op hebben. Als je wil gaan belasten op
pieken, doe dat dan op beïnvloedbare zaken en momenten.
Minister Hermans:
Ik weet niet of we het woord «bodem» gaan gebruiken, maar zoiets zit wel in het nieuwe
systeem. We verbruiken nu ook allemaal al. Daar betalen we nu ook voor. We willen
met die tarieven kijken of je het verbruik wat kan verschuiven over de dag, van piek-
naar dalmomenten. De verwachting is echt dat mensen die minder elektriciteit verbruiken
straks in het nieuwe systeem ook echt minder gaan betalen dan dat ze nu doen. Dat
zei ik net ook al in de richting van de heer Kops. In het nieuwe systeem wordt er
rekening gehouden met zo’n bodem of zo’n basis. En nogmaals, we zullen natuurlijk
ook oog hebben voor dat flankerend beleid.
De voorzitter:
De Minister vervolgt haar betoog.
Minister Hermans:
Voorzitter. De heer De Groot vraagt hoe wij zorgen dat de flexproducten voor kleinverbruikers
al vóór de invoering van nieuwe nettarieven in 2028 toegankelijk worden voor particuliere
mkb’ers en energiegemeenschappen. Ik zei net al dat we naar een situatie toe moeten waarin kleinverbruikers slim
en flexibel gebruikmaken van het net. Daarom schalen we die oplossingen op en passen
we ze toe, samen met de netbeheerders. Zo wordt bijvoorbeeld netbewust laden al vanaf
deze winter versneld uitgerold in regio’s door heel Nederland. We ontwikkelen samen
met netbeheerders en energieleveranciers nieuwe flexmarktproposities zodat huishoudens,
mkb’ers en de energiegemeenschappen kunnen deelnemen aan en meeprofiteren van het
flexibele energiesysteem. Daar lopen al verschillende pilots voor; die worden komend
jaar ook verder opgeschaald. Verder maken we in 2026 afspraken met fabrikanten over
waar slimme apparaten aan moeten voldoen, zodat laadpalen en batterijen maar ook warmtepompen
en andere apparaten flexibel en veilig worden ingezet. Dat is natuurlijk een randvoorwaarde
om de flexmarkt voor kleinverbruik ook echt te ontwikkelen.
De heer Flach vroeg of er voor bedrijven die meewerken aan flexibilisering van hun
stroomgebruik een korting op de nettarieven of voorrang bij beperkte aansluitingscapaciteit
kan komen. Dat is al het geval, zeg ik tegen de heer Flach. Bedrijven die een van
de nieuwe flexibele transportovereenkomsten afsluiten, krijgen al een korting op hun nettarieven. Deze partijen
kunnen met contractvormen ook in de wachtrij geholpen worden. Daarnaast geeft het
prioriteringskader de zogenaamde congestieverzachters voorrang op andere partijen
in de wachtrijen. Ik ga zo meteen nog nader in op het prioriteringskader, maar dit
even naar aanleiding van de vraag van de heer Flach.
De voorzitter:
Ik zie een interruptie van de heer Van den Berg.
De heer Van den Berg (JA21):
Ik heb een vraag voor de Minister. Ik zit toch nog even na te denken hoe het in de
praktijk nou gaat uitpakken als we die netwerken flexibiliseren, en dan vooral die
tarieven. Ik geef even een casus. Stel nou dat iemand bijvoorbeeld thuisbatterijen
heeft, wat natuurlijk steeds vaker het geval is. Ik kan me later natuurlijk nog wel
inlezen, maar ik vraag me af hoe het nou zit. Enerzijds heb je natuurlijk de onbalansmarkt,
anderzijds de frequentiemarkt, anderzijds de congestiemarkt. Op zo’n piekmoment, zo’n
tijdvenster, kan het natuurlijk best wel goed zijn voor het netwerk om juist wel te gaan
laden. Die thuisbatterijen kunnen bijvoorbeeld 130 kilowattuur laden. Zou dat elkaar
niet kunnen tegenwerken? Ik begrijp dat het een technische vraag is en heb er dus
alle begrip voor als u er later op wilt terugkomen, maar ik ben toch wel benieuwd
of er wel volledig rekening wordt gehouden met die facetten.
Minister Hermans:
Ik zal uitleggen wat ik even lastig vind. Ik schetste de hoofdlijnen van de differentiatietarieven
kleinverbruikers zoals daar nu aan gewerkt wordt met als doel om die in 2028 in te
laten gaan. Er komen nu allerlei technische vragen in dat model, terwijl we nog werken
aan dat model. Die vragen vind ik op zich terecht. Ik voer er heel graag een debat
over, maar dan moeten we ook echt daar een debat over organiseren. Dan zal ik ook
de benodigde informatie daarover delen met de Kamer. Dat neemt niet weg dat het heel
terecht is wat de heer Van den Berg zegt. We bouwen een heel nieuw energiesysteem.
Het was heel centraal gericht; het wordt nu veel decentraler. Er komt veel meer flexibiliteit
in, waar batterijen ook een rol in gaan spelen. Die wil je op zo’n manier inzetten
dat ze netcongestie niet verergeren, wat nu helaas soms wel nog het geval is. Het
maken van het nieuwe energiesysteem en tegelijkertijd de netcongestie oplossen, is
schaken op een heleboel borden en een heleboel technieken bij elkaar brengen die ook
nog in ontwikkeling zijn en waar nog niet al onze modellen helemaal op zijn aangepast,
of het nou tarieven zijn of wetgeving of vergunningsprocedures. Dit zeg ik in algemene
zin tegen de heer Van den Berg. Natuurlijk kijken we naar die verschillende aspecten.
Als we nu helemaal inzoomen op dat voorstel, dan komen we echt in de krochten – dat
zeg ik met alle respect voor die krochten – van een model waarvan ook ik nu niet alle
details exact ken. Zover zijn we ook nog niet in de uitwerking. Zodra daar meer over
bekend is, zal ik dat vanzelfsprekend delen.
De voorzitter:
Ik merk op dat we in het eerste blokje zitten en dat de leden zin hebben in het debat,
maar ook dat we ruim in de tijd zitten. Ik doe nu alvast de vooraankondiging dat ik
best meer interrupties toe ga laten en dus wel naar zes wil.
De heer Jumelet (CDA):
Het gaat heel goed, hoor, voorzitter. Ik zat even te twijfelen of ik inderdaad wilde
interrumperen, maar ik doe het toch, omdat het al heel huiselijk ging over de vraag
wanneer je een inductiekookplaat aanzet en de auto oplaadt. Ik sprak deze week al
met Vereniging Eigen Huis. Mijn vraag is een uitvloeisel daarvan, namelijk hoe je
de situatie inzichtelijk kan houden, zodat je draagvlak houdt voor de hele energietransitie.
In dat gesprek bleek al heel snel dat mensen toch heel veel moeite hebben om de rekening
te lezen. Als we ook nog eens een keer gaan differentiëren en allerlei zaken gaan
toevoegen – dat is op zich heel goed, want dat constateren we met elkaar – zou ik
willen vragen hoe je dat inzichtelijk voor mensen kan houden. Ik begon zelf in mijn
bijdrage ook over inzicht, ook juist voor mensen in hun situatie thuis. Ik zou daar
aandacht voor willen vragen, ook bij de netbeheerders en bij al degenen die ook aan
tafel zitten, om zo draagvlak te houden. Wie kan de rekening nog lezen?
Minister Hermans:
Dat deel ik volledig. Daarom is een van de uitgangspunten die we, mede naar aanleiding
van het debat in de Kamer en een ingediende motie, hebben meegegeven dat we moeten
zorgen voor begrijpelijkheid en inzicht. Je wilt namelijk snappen wat er op die rekening
staat, zodat je weet hoe je je gedrag moet aanpassen om die rekening omlaag te krijgen.
De voorzitter:
De Minister vervolgt.
Minister Hermans:
Ik ga verder met een vraag van de heer Flach over de energy hubs. Die bieden kansen,
maar er is ook een concreet knelpunt ... O, de heer Flach is even verdwenen, maar
ik ga de vraag toch beantwoorden. Die gaat erover dat er weinig ruimte wordt geboden
voor aansluiting van bedrijven op gesloten distributiesystemen met energieopwekking
of voor het rechtstreeks koppelen van een windturbine aan het verdeelstation van een
bedrijventerrein. Zijn vraag is hoe dit zich verhoudt tot die decentralisering. Ik
ben het erg eens met de heer Flach dat we die energy hubs – daar is de heer Flach
weer – hard nodig hebben en dat die kansen bieden om dat net slimmer te benutten.
Het lastige is dat Europese kaders beperkingen stellen om derde partijen aan te sluiten
op dat gesloten distributiesysteem. Ik ben op dit moment in gesprek met medeoverheden,
de netbeheerders en de ACM om te kijken hoe we dat aantal energy hubs kunnen opschalen
en hoe we problemen met het type knelpunten, zoals ook door de heer Flach geschetst,
kunnen oplossen. Dat moet daar onderdeel van zijn. Dat opschalen heeft anders ook
niet heel veel zin. Ik zal de Kamer in januari informeren over het resultaat van die
gesprekken en de vraag hoe we hiermee omgaan.
Voorzitter. Dan een vraag van de heer Van den Berg over de netwerktarieven. Die gaan
in de komende jaren oplopen, zoals de heer Van den Berg terecht noemde. Hij vroeg
hoe we daarmee omgaan. Dit vraagstuk is afgelopen jaar in een uitgebreid ibo, een
interdepartementaal beleidsonderzoek, onder de loep genomen. Er is een aantal voorstellen
gedaan over de vraag hoe je met die kosten om kan gaan. Een van de voorstellen daarvoor
– dat hebben we ook uitgebreid onderzocht – is om die rekening over een langere periode
uit te kunnen smeren, de zogenaamde amortisatievariant. Helaas heeft nader onderzoek,
na dat ibo, uitgewezen dat dat toch niet de oplossing is voor dit moment. Daarmee
is het probleem niet weg. Ten behoeve van de formatie heb ik dus gevraagd om hiervoor
een aantal alternatieve oplossingen in kaart te brengen, maar ik zeg er wel bij dat
die gepaard gaan met vrij hoge kosten. Dat is dus echt een weging voor een volgend
kabinet. Tegelijkertijd blijven we doorwerken aan dat flexibelere gebruik van het
energienet en daarbij ook aan gerichte ondersteuning, omdat dat ook voor iedereen
voordelen kan opleveren.
Voorzitter. Dan kom ik bij het tweede blokje. Dat is ook een lijn uit het Landelijk
Actieprogramma Netcongestie.
De voorzitter:
Voordat de Minister doorgaat: ik zie nog een interruptie van de heer Van den Berg.
De heer Van den Berg (JA21):
Ik probeer hier even wat te begrijpen. De netwerktarieven komen natuurlijk voort uit
de netbeheerders, bijvoorbeeld Liander of TenneT. In het geval van TenneT: dat is
voor 100% een staatsdeelneming, die haar uitbreidingen dan weer financiert met leningen
die ze op de markt betrekt, door middel van een staatsgarantie. Hoe zouden we dat
nou kunnen dempen? Dat is een vraag die ik wil meegeven. Het blijft natuurlijk een
bedrijf dat zijn tarieven doorbelast aan de markt. Als overheid zouden wij daar wellicht
iets aan willen doen, dus ik wil eigenlijk de vraag opgooien: moeten wij ons niet
verder in TenneT gaan roeren, om het meer naar ons toe te kunnen trekken? Dat betekent
natuurlijk wel weer dat de kosten van TenneT op de begroting terechtkomen, waar ze
nu niet zitten.
Minister Hermans:
Ik ben het met de heer Van den Berg eens dat de hoogte van de elektriciteitskosten
in Nederland op dit moment op verschillende manieren en in verschillende sectoren
een probleem veroorzaakt. De heer Van den Berg stelde mij ook nog een vraag over de
energie-intensieve industrie in Nederland. Daar zal ik zo direct in het verlengde
hiervan op ingaan, omdat ik denk dat dat een van de elementen is die er op dit moment
voor zorgt dat onze industrie het zwaar heeft. We zien dat die nettarieven de komende
jaren verder gaan stijgen door de investeringen die TenneT de komende jaren doet.
Dat is namelijk hoe we het systeem georganiseerd hebben: TenneT doet die investeringen
en berekent de kosten door in de nettarieven die wij allemaal, huishoudens maar ook
bedrijven, betalen. We kijken dus naar manieren om die stijging van nettarieven af
te laten vlakken om het totaal van de elektriciteitskosten onder controle te houden.
Ik noemde net al één variant die we daarvoor bekeken hebben. Een andere variant is
een subsidie, maar het gaat wel over grote bedragen en het is echt een afweging of
je daar op die manier geld voor wil vrijmaken. Hoe doe je dat in de tijd en financier
je dat door ergens op te bezuinigen of door lasten te verhogen? Er zijn allerlei varianten
denkbaar, maar dit is echt een groot vraagstuk. Dit demissionaire kabinet kan daar
geen besluit meer over nemen, maar ik zie het wel als mijn verantwoordelijkheid om
een aantal opties neer te leggen waaruit gekozen kan worden als je iets aan dit vraagstuk
wil doen.
Nogmaals, de heer Van den Berg vroeg mij ook: hoe voorkom je nou dat die industrie
uit Nederland vertrekt? Een van de elementen is, denk ik, het kijken naar die energiekosten
en hoe je die in toom kan houden, zodat je je concurrentiepositie overeind houdt.
Die wordt overigens door meer dan alleen energiekosten bepaald, zeker in die energie-intensieve
industrie, zeker in de chemie- en staalsector. Die sectoren staan bijvoorbeeld ook
onder druk door dumping van goedkope chemische producten en goedkoop staal uit China.
Je zult ook een heel aantal andere randvoorwaarden op orde moeten brengen om die industrie
hier in Nederland te kunnen verduurzamen, zoals CCS, netcongestie natuurlijk en elektriciteitskosten.
We hadden ook een probleem met de raffinageroute voor de inzet van waterstof. Dat
is nu gelukkig opgelost, maar dat moet nu wel allemaal zijn beslag gaan krijgen.
Voorzitter. Daarmee heb ik de vraag van de heer Van den Berg beantwoord en kom ik
bij sneller bouwen. Ik denk dat ieder van u daar terecht opmerkingen over heeft gemaakt.
Voor de verzwaring en uitbreiding van het net en voor het bouwen van hoogspanningsstations
zullen de procedures en doorlooptijd van die projecten sneller moeten. In april van
dit jaar heeft het kabinet daarvoor een maatregelenpakket aangekondigd. Daarin zitten
een aantal aanpassingen van wet- en regelgeving om die procedures te versnellen, maar
ook afspraken met TenneT om bijvoorbeeld een aantal dingen in hun werkwijze aan te
passen. Zij gaan nu bepaalde werkzaamheden parallel uitvoeren, in plaats van na elkaar.
We hebben ook een gebiedsfonds ingericht, waarmee we in gebieden waar dit soort grote
energieprojecten plaatsvinden ook wat geld beschikbaar hebben om de negatieve effecten,
zoals de overlast die mensen ervaren, heel gericht te kunnen mitigeren.
Er werd gevraagd om even precies in te gaan op de maatregelen. De eerste versnellingsmaatregel
wordt op 1 januari 2026 van kracht. Dat is de zogenaamde gedoogplicht van rechtswege
in de ontwerpfase. De ontwerpfase houdt in dat er nog niet gebouwd wordt, maar dat
er gewoon gekeken wordt waar een station terecht kan komen. TenneT mag in die ontwerpfase
bij grondeigenaren op het terrein komen om daar onderzoek naar te doen. Dat kan dan
niet worden tegengehouden met lange procedures. Deze maatregel kan versnelling tot
anderhalf jaar opleveren. Een andere maatregel die we genomen hebben, is de procedurele
versnelling van elektriciteitsprojecten. Die ziet in eerste instantie op beroep bij
de Raad van State. Ik heb daar een AMvB voor voorgehangen bij beide Kamers. Die voorhangprocedure
is net afgerond. Ik heb de AMvB nu ingediend bij de Raad van State. Zodra die terugkomt,
kán deze van kracht worden. Maar ik zeg daar wel bij dat de AMvB onder de Wet regie
op de volkshuisvesting hangt, die natuurlijk nog wel aangenomen moet worden in de
Eerste Kamer.
Dan kom ik op een vraag van mevrouw Van Oosterhout. Zij vroeg of er eigenlijk niet
één versnellingswet gemaakt kan worden, met daarin alle maatregelen die in de brief
van april geschetst zijn. Ik had eigenlijk datzelfde idee. Zo startte ik in april
aan dat versnellingspakket. Maar met alle stappen die je daarvoor moet doorlopen,
internetconsultatie, Raad van State et cetera, kan het wel twee jaar duren voordat
zo’n versnellingswet klaar is en ook in de Kamer ligt. We hebben dus gekozen voor
een aanpak waarbij we zoeken naar lopende wetstrajecten waar je dit soort versnellingsmaatregelen
in kan ophangen, zodat je ze zo snel mogelijk van kracht laat zijn. We hebben bijvoorbeeld
de gedoogplicht onder de Verzamelwet KGG kunnen regelen en de AMvB die ik net noemde
dus onder de Wet regie op de volkshuisvesting. Tegelijkertijd loopt er ook een aanpassing
van de Omgevingswet, waaronder ook nog een aantal versnellingsmaatregelen zal worden
ingediend.
Voorzitter. De heer De Groot vroeg of er voldoende personeel en capaciteit is bij
de provincies en gemeenten, en of de vliegende brigade daar ook bij gaat helpen. Het
eerlijke antwoord is dat er nu niet bij alle gemeenten en provincies voldoende juridische
capaciteit en kennis aanwezig is. Dit kabinet heeft daarom om precies te zijn 22,5 miljoen
euro vrijgemaakt voor de uitbreiding van de expertpool voor de energie-infrastructuur
– we noemen die ook wel de «vliegende brigade» – zodat daar meer kennis en expertise
aan toegevoegd kan worden. Die pool is er dus ook echt op gericht om gemeenten en
provincies bij specifieke projecten te helpen. Dat doen we nu bijvoorbeeld bij het
station Utrecht-Noord, waar een onafhankelijke begeleider uit die pool is ingezet.
Voorzitter. Dan had de heer Flach een vraag over het stikstofprobleem en hoe dat nou
ook de snelheid van het uitvoeren van energie-infrastructuurprojecten raakt. Dat geldt
in brede zin, zeg ik daar direct bij. We hebben naar aanleiding van de motie-Flach
een aantal opties bekeken, zoals de algehele vrijstelling. Die vrijstelling is juridisch
gewoon te kwetsbaar, hoezeer ik het ook begrijp en de redenering daarachter kan volgen.
Het zijn uiteindelijk natuurlijk stikstofreducerende projecten, maar voor een algehele
vrijstelling is het risico gewoon te groot. Dat kunnen we niet doen. Ik zal aan het
begin van het jaar een update geven over het stikstofprogramma dat wij nu maken en
opzetten om ervoor te zorgen dat er wel tempo in de energieprojecten wordt gehouden.
Dan vroeg de heer Flach mij ook naar de implementatie van RED III. Dat wetsvoorstel
komt op hele korte termijn naar de Kamer. Ik heb het terug van de Raad van State.
Het moet nog formeel door de ministerraad en dan stuur ik het aan de Kamer.
De heer Flach (SGP):
Het is goed dat we die wet tegemoet kunnen zien. Mijn vraag was daar natuurlijk aan
gekoppeld. RED III gaat niet alleen over soepele vergunningverlening voor de hernieuwbare-energieprojecten
zelf, maar ook over de fase van aanleg van de infra. Welke mogelijkheden ziet de Minister
daarin om op die manier versnelling te bewerkstelligen?
Minister Hermans:
De heer Flach refereert aan de versnellingsgebieden, denk ik. Daarnaar hebben we gekeken.
De mogelijkheden daarvoor zijn in Nederland echter waarschijnlijk beperkt, omdat wij
via MER-procedures al veel versnelling aanbrengen. Daar waar nog kansen zijn, zullen
we die natuurlijk niet onbenut laten. Maar de inschatting dat daaruit echt nog een
versnelling komt, is beperkt.
Voorzitter. Dan vroeg de heer Vermeer naar de projectaanpak met TenneT en de 26 projecten
die wij geselecteerd hebben in de aprilbrief. Ik zie de heer Vermeer verbaasd kijken.
Dan is dat dus niet zo. Dan kan ik daar desgevraagd altijd nog op ingaan, maar laat
ik het voor nu even zitten.
Dan kom ik bij de vraag van de heer Klos over de concrete resultaatsdoelen en de doorlooptijdverkorting
voor de wachtrij, maar ook over de versnelling van dit project. Ik heb net iets gezegd
over wat die verschillende maatregelen kunnen doen. Het is niet zo dat je ze altijd
zomaar kan optellen en dat het per project een simpele rekensom is. Er spelen namelijk
ook veel andere factoren.
Over de realisatie van de energie-infrastructuur en de stand van zaken zal ik de Kamer
ook op korte termijn informeren. Dan stuur ik het projectenboek mee. Daarin komt dan
de status van alle nationale projecten.
Daarnaast heb ik gisteren over monitoring gesproken met de netbeheerders. We willen
goed inzicht krijgen in de stand van die nationale projecten, maar ook in het effect
van de versnellingsmaatregelen.
We hebben natuurlijk net het investeringsplan van TenneT gekregen. Ik weet niet hoe
het u verging toen u het las, maar ik was verrast toen ik daarin over die grote vertraging
van een investeringsprogramma las. Dat programma liet nog geen twee jaar geleden een
ander beeld zien. Dus we hebben met elkaar afgesproken dat we daar frequenter inzicht
in willen krijgen, ook in wat nou precies de knelpunten zijn. Dan kunnen we daar sneller
op sturen en krijgen we ook een beeld van wat de versnellingsmaatregelen nou doen
op de verschillende projecten. De bedoeling is dat de monitor in het tweede kwartaal
van 2026 klaar is en twee keer per jaar wordt bijgewerkt. Ik zal de Kamer dan ook
twee keer per jaar – dat is dus ongeveer halfjaarlijks – updaten over de stand van
zaken. U krijgt dus ook inzicht in het effect.
Dan vroeg de heer Jumelet naar een van de projecten die in het investeringsplan vertraging
oploopt. Dat betreft het station Veenoord-Boerdijk. De heer Jumelet vroeg hoe dat
nou kan, omdat alle vergunningen verleend zijn en er nu toch drie tot vijf jaar vertraging
optreedt. Dit is zo’n voorbeeld waarover ik ook verbaasd was. Ik denk dat hier ...
Hoe zal ik het zeggen? Er liep een Raad van Stateprocedure. De verwachting bij TenneT
was dat die even zou duren, maar het ging ineens heel snel. Toen waren de teams die
eigenlijk bezig waren met dit specifieke project, al op iets anders ingezet. De capaciteit
was dus al verschoven naar een ander project, met als gevolg dat dit project weer
even moest wachten. Dat is frustrerend. Ik zeg dit niet om het goed te praten, maar
om te verklaren waar het vandaan komt. Heel praktisch: tijdens het bouwrijp maken
van de gronden waren er aanvullende bodemonderzoeken nodig. Maar dit bij elkaar opgeteld,
plus een conservatievere raming of planning in dat investeringsprogramma, zorgt voor
die nu geschatte vertraging. Ik leg me persoonlijk niet neer bij de vertraging die
nu geschat is, dus ik zal, binnen wat ik kan doen, alles op alles zetten om die vertraging
te beperken. Zoals ook wel doorklonk in de woorden van de heer Jumelet, is dit een
vergunning die is afgegeven. Hier zit het probleem dus niet in trage vergunningsprocedures.
Die vergunning kan dus gewoon gematerialiseerd worden. Laten we dat dan ook zo snel
mogelijk doen. De toetsing van het investeringsplan ligt bij de ACM, dus ik kan dat
niet betrekken bij die toetsing.
De heer Jumelet (CDA):
Fijn dat de Minister op deze manier reageert, want we spreken hier met elkaar over
versnellen. Het ligt hier in deze specifieke casus dus niet aan de desbetreffende
gemeente of provincie. Het gaat echt om het bestemmingsplan: dat was al vanaf augustus
2023 onherroepelijk. De grondwerkzaamheden zijn afgerond. De bouwwegen zijn aangelegd.
De vergunningen voor het bouwen zijn verleend. Als we dan hier met elkaar spreken
over versnellen, moeten we, denk ik, juist ook op dit soort punten echt de vinger
aan de pols te houden. Dan gaat het dus zelfs sneller dan we verwachten en dan zitten
we toch in de vertraging. Ik hoor uw woorden daarover ook. Ik waardeer die manier
van reageren.
Tegelijkertijd krijg ik ook signalen uit die regio dat het ook schade oplevert. Er
zijn namelijk verwachtingen geweest. Er zijn nu ook bedrijven op slot; die kunnen
niet aangesloten worden. De schade van 10 tot 40 miljard waar we met elkaar over spreken ...
Dan heb je alles geregeld en dan gebeurt het toch. Daarom ook die scherpte in mijn
vraag. Laten we elkaar daar dus scherp op houden. De Minister zegt ook zelf dat ze
zich er niet bij neer gaat leggen. Ik ben benieuwd wat dat dan betekent. Dat zullen
we vast ook horen.
Minister Hermans:
In dat investeringsplan is, als ik het goed uit mijn hoofd zeg, bij ongeveer 60% van
de projecten vertraging aangekondigd, van in sommige gevallen echt een fors aantal
jaren. In het investeringsplan zijn niet de versnellingsmaatregelen meegenomen zoals
ik er net twee in de richting van de heer Klos en mevrouw Van Oosterhout noemde. Vandaar
dat ik zei dat ik me er niet bij neerleg. De voorbeelden van versnelling die ik noemde,
zullen misschien voor dit specifieke project geen oplossing zijn. Voor andere voorbeelden
in het investeringsplan zal dat wel het geval zijn. Dat neemt niet weg dat we via
andere mogelijkheden en richtingen alles op alles moeten blijven zetten om die vertraging
zo veel als mogelijk te beperken. Die toezegging doe ik dus echt aan de heer Jumelet.
Datzelfde geldt voor een groot project in Waddinxveen, dat letterlijk een kleiner
project is: het project met de tiny houses waar de heer Grinwis naar verwees. Dat
project is óók frustrerend. In november 2024 zou het klaar zijn. Het is nu november
2025, bijna december 2025. Het is nog steeds wachten. Het hangt in dit specifieke
geval ook samen met materialen die niet op tijd beschikbaar zijn, maar ook dat is
onderdeel van de problematiek. Die leidt er alles bij elkaar toe dat huisjes, in dit
geval kleine huisjes, niet opgeleverd worden of geen aansluiting hebben. Ook hier
zijn we met netbeheerders en gemeentes samen bezig om te bekijken wat hier gebeurt
en wat hier nu exact de problematiek is. Dit moeten we heel precies weten om de woningbouwplannen
die er liggen en de uitbreiding van het net die gepland is, veel beter op elkaar af
te kunnen stemmen. Dit is onderdeel van de mist, waar ik het over had, waarin we dit
vraagstuk op moeten lossen.
Dan vroeg de heer Klos: waarom kiest de Minister er niet voor om het bevoegd gezag
standaard bij het Rijk te beleggen? Wij hebben in die versnellingsaanpak in april
gezegd dat we bij die 26 meest prioritaire projecten die de eerste verlichting in
die netcongestie moeten gaan geven, gaan kijken waar we het bevoegd gezag het beste
kunnen neerleggen. Als het effectiever is om het ergens anders neer te leggen dan
waar het nu ligt, dan doen we dat. Maar het is niet zo dat het Rijk altijd de beste
of de snelste actor is, of het bevoegd gezag om het bij neer te leggen. Het vraagt
dus steeds een goede weging: moet je dit echt naar het Rijk opschalen? Ook bij het
Rijk is de capaciteit natuurlijk niet oneindig, maar daar waar het helpt en nodig
is, doen we dat echt. Soms helpt het ook al om alleen dit gesprek te voeren, om daarna
met elkaar te kunnen zeggen dat het toch het beste is om dit bij de gemeente of de
provincie te laten, maar dat we elkaar dan wel helpen bij de lastige keuzes en vraagstukken
waar je voor komt te staan. Bij dit soort grote projecten moet je namelijk ook gewoon
besluiten nemen die door de omgeving niet altijd met gejuich worden ontvangen, ook
al begrijpen mensen het belang ervan.
De heer Klos (D66):
Ik vroeg het ook omdat er volgens mij een verschil van inzicht bestaat tussen het
ministerie en de netbeheerders over bij hoeveel projecten waar je die centrale regie
zou moeten nemen, en waarbij die regie dus ook dienstig is aan de doorlooptijdverkorting.
Ik vraag me dus af of de Minister kan toelichten welk afwegingskader precies bij de
keuze hoort om dit maar bij 26 projecten te doen en niet bij misschien wel 100 projecten
die dat behoeven. Wanneer doe je dat wel en wanneer niet?
Minister Hermans:
Kijk, er zijn een paar elementen in het afwegingskader. Een daarvan is of iets provincie-overstijgend
is, zoals het hoogspanningsproject bij Wijchen. In dat geval trekt het Rijk de regie
naar zich toe. Bij die 26 projecten zijn we daar nu heel precies naar aan het kijken.
TenneT heeft al een eerste doorlichting gedaan en nu zijn we erover in gesprek in
zogenoemde projectateliers met alle betrokkenen, dus ook de betrokken bevoegd gezagen.
Daar is dus al betrokkenheid van het Rijk, maar dat wil niet altijd zeggen dat het
Rijk ook daadwerkelijk het bevoegd gezag overneemt. We kijken wel mee, maar ook de
provincie kijkt mee. We hebben elkaar keihard nodig. Bij een aantal van die grote
projecten, of het nou de aanlanding van wind op zee is of Moerdijk – daar vroeg de
heer Vermeer naar; ik zal daar zo nog op ingaan – denk ik: we kunnen deze transitie
niet alleen doen vanuit Den Haag, het Rijk, of alleen vanuit provincies of gemeenten.
Het is uiteindelijk van nationaal belang wat we aan het doen zijn, maar de effecten
zijn zo lokaal, regionaal en daarmee zo specifiek; daar heb je de specifieke kennis
en expertise uit provincies en gemeenten voor nodig.
Dan vroeg mevrouw Van Oosterhout mij of we ook meer kunnen sturen op de investeringsplannen
van de netbeheerders. In de Energiewet en de lagere regelgeving daaronder worden regels
gesteld over de volgorde van projecten in de investeringsplannen. Daarin geven we
extra gewicht, en daarmee dus extra prioriteit, aan projecten die zijn gericht op
het transporteren van elektriciteit van windparken op zee naar het landelijk hoogspanningsnet
en aan projecten die zijn opgenomen in het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Energie
en Klimaat, het MIEK. Het MIEK is het instrument waarmee we kunnen sturen op die investeringsplannen.
Het versnellingspakket en die reeks van 26 projecten doen daar ook hun werk in.
Dan vroeg mevrouw Van Oosterhout mij ook nog hoe de sturing op projecten ook een plek
in het NPE kan krijgen. Het NPE schetst natuurlijk echt de richting naar ons toekomstige
energiesysteem en geeft op die manier de kaders voor de infrastructuur die we nodig
hebben. De prioritering en de sturing lopen via het Programma Energiehoofdstructuur,
het PEH. Dat is het sturingsinstrument om ruimte voor de infrastructuur van nationaal
belang aan te wijzen. Het MIEK projecteert daarbinnen weer de projecten die prioriteit
hebben, dat dan weer leidend is voor de investeringsplannen van de netbeheerders.
Zo is dat eigenlijk trapsgewijs opgebouwd. Voor de volledigheid: we hebben het PEH
I en er wordt nu gewerkt aan het Programma Energiehoofdstructuur II. Dat is dus geen
statisch document. Dat wordt steeds geactualiseerd.
De voorzitter:
Ik zie een interruptie van mevrouw Van Oosterhout.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Ik wil het toch nog heel even hebben over het NPE. In het huidige NPE zit namelijk
ook als prioriteit een maximaal aanbod van duurzame energie. We zien daar natuurlijk
ook dat de transitie vastloopt, zowel met netcongestie als met de plannen voor wind
op zee: de vraag blijft achter, netbeheerders kunnen het niet bijhouden. Is de Minister
het met me eens dat dit anders moet in de actualisatie van het NPE? Gaat er in die
actualisatie ook worden gekeken naar bijvoorbeeld het Noordzeepact?
Minister Hermans:
We zullen bijvoorbeeld de bijstelling van de ambitie van wind op zee natuurlijk ook
in het NPE moeten vertalen, want dat heeft een effect. Ik zit even te denken over
het Noordzeepact. Ik heb met de voorganger van mevrouw Van Oosterhout, thans de voorzitter
van deze commissie, namelijk veelvuldig gedebatteerd over wind op zee en een Noordzeeakkoord
of Noordzeepact. Je wil eigenlijk vraag en aanbod van wind op zee nader aan elkaar
verbinden. Hierbij zeg ik ook dat ik aan mijn toezegging invulling heb gegeven door
op de dag na de verkiezingen de windsector uit te nodigen in de stuurgroep Verduurzaming
industrie, zodat we dat gesprek met de industrie, natuurlijk de netbeheerders en de
windsector hebben gevoerd. Dat wordt begin volgend jaar ook vervolgd. Als daar uitkomsten
uit komen die relevant zijn voor het NPE, dan zal ik dat natuurlijk verwerken. Voor
de volledigheid: ik heb niet toegezegd al op voorhand een Noordzeepact te gaan sluiten.
Ik kan dus ook niet zeggen dat ik hét Noordzeepact ga inpassen in het NPE. Maar het
NPE, net als het daaruit voortvloeiende Programma Energiehoofdstructuur, moet natuurlijk
wel steeds geactualiseerd worden op basis van de laatste afsprakenkaders en de inzichten
die we hebben.
De voorzitter:
De Minister vervolgt haar betoog.
Minister Hermans:
Dan vroeg de heer Vermeer mij naar een nationale projectlijst met prioritaire infraprojecten.
Ik heb net gezegd dat die MIEK-projecten de meest prioritaire energie-infraprojecten
zijn. Zij krijgen dus ook voorrang in de investeringsplannen van de netbeheerders.
Ik informeer de Kamer nog voor de kerst, sterker nog, ik denk volgende week, over
de bestaande en de nieuwe MIEK-projecten.
Voorzitter. De heer Flach vroeg mij om bij gebiedsontwikkeling standaard ruimte voor
een energie-eiland te reserveren en om tijdig beschikbare ruimte voor kabels en stations
in beeld te brengen en te reserveren. Daarnaast vroeg hij of warmteprogramma’s ook
onderdeel worden van de energieprogramma’s. De energieplanologie is een belangrijke
randvoorwaarde om netcongestie te verminderen. We verkennen nu proactief het reserveren
van de benodigde ruimte in het Programma Energiehoofdstructuur. Dit jaar zijn landsdekkende
energievisies opgeleverd door de provincies en verschillende regionale samenwerkingsverbanden.
Ik maak met provincies, gemeenten en netbeheerders nieuwe interbestuurlijke samenwerkingsafspraken,
juist om ook invulling te geven aan die ruimtelijke invulling. Specifiek over de warmteprogramma’s
kan ik zeggen dat niet alleen warmte, maar ook andere energiedragers daar al in worden
meegenomen, om tot een compleet beeld van het energiesysteem in de gebouwde omgeving
in een specifieke gemeente te komen. Ik zou niet nu al die verbreding willen verplichten,
terwijl gemeenten bezig zijn met opstellen van de eerste warmteprogramma’s. Dat neemt
niet weg dat ik op termijn wel mogelijkheden zie om het warmteprogramma te verbreden
tot een energieprogramma. Zo praat ik er ook over met gemeenten en provincies in het
maken van die nieuwe samenwerkingsafspraken.
De heer Flach (SGP):
In dit land gaat het natuurlijk heel veel over ruimte. We hebben een Nota Ruimte.
Is wat de Minister betreft ruimte voor energie-infrastructuur voldoende tot zijn of
haar recht – ik weet niet of dat mannelijk of vrouwelijk is – gekomen in de Nota Ruimte?
Minister Hermans:
In de Nota Ruimte is opgenomen dat er rondom de energieclusters voldoende ruimte moet
komen voor de benodigde energievraag en -infrastructuur. Ik denk dat het heel belangrijk
is – wij zijn er ook blij mee dat we dat op die manier hebben kunnen opschrijven –
omdat de ruimte schaars is, zoals de heer Flach terecht zegt. We weten dat de energievraag
toe gaat nemen en dat we haar keihard nodig hebben voor onze economie, voor onze welvaart
– dit zeg ik ook in de richting van mevrouw De Vos – voor onze veiligheid en natuurlijk
voor de klimaat- en energietransitie.
Voorzitter. Misschien is het goed om in het verlengde hiervan op de vragen van de
heer Vermeer rondom Moerdijk in te gaan. Dat gaat namelijk over het reserveren van ...
De voorzitter:
De heer Vermeer heeft alleen daarvoor al een interruptie, denk ik.
De heer Vermeer (BBB):
Voordat we bij Moerdijk aankomen, zou ik heel graag even in het algemeen over de inrichting
van de ruimte praten. We hebben bijvoorbeeld een brief gekregen van mensen in Noord-Holland
Noord, waar vijf routes van hoogspanningsmasten bekeken zijn, maar waar bijvoorbeeld
een zesde route via het Markermeer en het IJsselmeer nog niet opgenomen is. Het gaat
natuurlijk niet alleen om schaarse ruimte. Het gaat ook om landschap, weidevogels
en toerisme. Ik heb zelf het idee dat dat eigenlijk niet of nauwelijks meegenomen
wordt. Er wordt wel gepraat over het versnellen van projecten, maar als we bovengronds
380kV-masten plaatsen, dan moet er een strook van 70 meter geworven worden. Dat leidt
weer tot onteigeningsprocedures et cetera. Als wij echter tracés door het water kunnen
laten lopen, speelt dat niet. Kan de Minister daarop reageren? Kan de Minister aangeven
hoe wij voorkomen dat we van heel Nederland eenzelfde situatie maken als die we bijvoorbeeld
zien wanneer we komen aanrijden in de buurt van Borssele? Daar zien we gewoon door
de masten het bos niet meer.
Minister Hermans:
Om tot de keuze voor een traject van een nieuw hoogspanningsstation of nieuwe hoogspanningskabels
te komen, doorlopen we een heel zorgvuldig proces. Onderdeel van dat proces is dat
verschillende routes worden onderzocht. Uitgangspunt daarbij is dat we dat bovengronds
doen. Als het kan of als het noodzakelijk is – er kunnen verschillende redenen voor
zijn – kijken we soms ook ondergronds. Ik zeg het er echter nadrukkelijk bij: bovengronds
is het uitgangspunt. Ik ken deze specifieke route niet helemaal, maar zeker als je
onder water door gaat, zitten er echt allerlei technische complicaties aan. Ook het
type water en het type grond waar je dan onderdoor zou moeten gaan, spelen een rol.
Dit maakt het echt niet zomaar makkelijker. Nogmaals, het is een zorgvuldig proces,
waarbij verschillende routes worden bekeken en veel gesprekken met de regio plaatsvinden.
De regio brengt natuurlijk ook adviezen uit en gemeentes maken daarop ook weer individueel
hun mening en hun visie kenbaar. Op basis van al die zienswijzen wordt dan weer een
volgende stap in zo’n projectprocedure gezet. Ik realiseer me dat deze hele energietransitie
en de uitbreiding van ons elektriciteitsnetwerk heel veel vraagt van ons allemaal.
Ik realiseer me dat dat dus ook iets doet met de landschapsinrichting, met wat we
zien als we over de snelweg, over een dijk of door een polder rijden. Daarom hecht
ik zo aan die zorgvuldige projecten.
Als sideletter merk ik daarbij op dat we graag willen versnellen. Ik kijk echt naar
alle mogelijkheden om te versnellen, maar we zullen ook met elkaar in gesprekken terechtkomen.
Als je gaat versnellen, kan dat ook een effect op de doorlooptijd van procedures hebben.
We zullen met elkaar moeten afwegen of het inkorten van een participatieproces bijvoorbeeld
zwaarder weegt dan de versnelling die we realiseren. Kortom, we zitten in een ongekende
transitie, waarin we ook tegen dit soort dilemma’s aanlopen met elkaar. Ik realiseer
me dus ook dat dit iets doet met het landschap en met wat je ziet. Ik vind echter
wel dat we hierin keuzes moeten blijven maken en stappen moeten blijven zetten. Terwijl
we daarover met provincies, met gemeenten en met iedereen in gesprek zijn, moeten
we ons steeds voor ogen houden waarom we dit doen.
Ik weet niet meer wie het was, maar ik hoorde iemand zeggen: als het even lastig is,
is vaak de reflex om niks te doen of achterover te leunen. Dat zou ik in deze hele
transitie het allerergste en ook het allerschadelijkste vinden, want niks doen is
ook een keuze en heeft ook consequenties. Dan moeten we het daarover gaan hebben.
Het heeft economische consequenties en consequenties voor onze veiligheid en het klimaat.
Ik vind dus dat we hiermee door moeten. Ik vind dat we die procedures zorgvuldig moeten
doorlopen. Dat het effect heeft, kan ik niet uitsluiten; sterker nog, dat sluit ik
niet uit. Daarom ben ik ook blij dat we 197, bijna 200, miljoen euro in zo’n gebiedsfonds
hebben kunnen stoppen om met lokale, regionale overheden te kijken waar dit nu de
grootste effecten heeft en hoe we die effecten een beetje kunnen dempen, zonder dat
ik dat helemaal weg kan nemen.
De voorzitter:
De Minister vervolgt haar betoog.
Minister Hermans:
De heer Vermeer ging een groot deel van zijn bijdrage in op de berichtgeving rondom
Moerdijk van de afgelopen weken. Hij stelde mij daarover de vraag wat de status is
van de verschillende projecten en plannen die daar in die regio spelen. Voordat ik
daarop inga, zeg ik eerst iets over de berichtgeving en de stand van zaken. Laat ik
vooropstellen dat ik me ongelofelijk goed realiseer wat de impact is van de berichtgeving
en van het lezen of horen wat voor effect de besluiten die in de gemeenteraad zijn
genomen, mogelijk op jouw dorp hebben, namelijk dat dat in de toekomst zou komen te
verdwijnen. Die impact is gigantisch. Ik ben aan het begin van dit jaar zelf met de
Minister van VRO en de Minister van IenW op bezoek geweest in Moerdijk, omdat wij
daar allemaal betrokken zijn bij wat daar te gebeuren staat. Ik heb gesproken met
inwoners. Midden in het dorp ligt zo’n voetbalveldje. Ik weet niet of het formeel
een Cruyff Court is, maar in elk geval herinner ik het me zo. Aan de hekken om dat
court hingen spandoeken of posters waarop stond hoe in de afgelopen decennia gesproken
is over uitbreiding van de haven, van de industrie en van energieprojecten daar in
de omgeving. Eigenlijk is er al decennialang onzekerheid voor de inwoners van Moerdijk
over de vraag wat er precies met hun dorp gaat gebeuren. Van dat bezoek zijn mij het
effect van die onzekerheid en de wens om duidelijkheid en zekerheid te krijgen, ook
als het een rotboodschap is, bijgebleven.
Ik vind dat wij als Rijksoverheid en provincie, maar ook als gemeente, de verantwoordelijkheid
hebben om hierbij met de grootst mogelijke precisie en zorgvuldigheid tot een besluit
te komen. Voor dat besluit moet nog een aantal formele procedures doorlopen worden.
Ik noem maar even de MER-procedure. Maar de situatie is nu wel zoals die is: de gemeente
heeft een voorkeursrichting aangegeven. Ik vind dat we met die situatie wel om moeten
gaan en bij onszelf te rade moeten gaan hoe we de inwoners die nu met die onzekerheid
te maken hebben, iets van zekerheid in deze fase van het proces geven. Het kabinet
zal er nog over spreken. Ik zal er ook nog over spreken met de bestuurders in de regio,
natuurlijk samen met de betrokken Ministers uit het kabinet. Dat is waar we nu staan
in het proces. Ik hechtte er wel aan om er iets meer over te zeggen dan alleen in
te gaan op de specifieke vraag van de heer Vermeer, omdat ik me echt realiseer dat
dit niet zomaar iets is.
Voorzitter. De vraag die de heer Vermeer mij stelde, is wat de status van die verschillende
plannen is. Sommige plannen in Moerdijk en omgeving zijn al zeker, zoals een nieuw
hoogspanningsstation en de Delta Rhine Corridor. Daarvoor lopen ook al projectprocedures
vanuit het Rijk. Sommige andere plannen zijn waarschijnlijk, maar nog niet honderd
procent zeker. Het klopt niet dat de plannen in Moerdijk zijn bedoeld voor de aanlanding
van het windpark Nederwiek 3, want dat zal aanlanden in Geertruidenberg, om even heel
precies te zijn. Ik onderzoek wel of toekomstige windparken in Moerdijk kúnnen aanlanden.
Dat wilde ik zeggen over de verschillende projecten.
De heer Vermeer (BBB):
Bedankt voor de toelichting van de Minister over de situatie daar. Ik denk dat die
context er steeds goed bij moet worden gegeven, dus dank daarvoor. Het hoogspanningsstation
en de Delta Rhine Corridor, die overigens natuurlijk ook weer uitgesteld is, worden
als «definitief» bestempeld. Eigenlijk hoor ik de Minister zeggen: alle andere plannen
zijn waarschijnlijk en nog niet definitief. Ik vind het wel goed om dat even heel
scherp te hebben. Heb ik dit nou goed begrepen?
Minister Hermans:
Ja. Voor het hoogspanningsstation en de Delta Rhine Corridor, die vertraagd is, lopen
projectprocedures. De andere projecten zijn nog niet definitief. Daarover herhaal
ik: er is nog geen definitief besluit genomen. Dat kan ook niet, omdat er nog een
aantal stappen gezet moeten worden. Er zijn wel ontwikkelrichtingen geschetst, waarover
de gemeente een voorkeur heeft uitgesproken. Dat is de situatie op dit moment.
De voorzitter:
Ik kijk naar de heer Vermeer.
De heer Vermeer (BBB):
De gemeenteraad en het college daar presenteren het wel alsof er op maandag 1 december
een besluit genomen gaat worden. Verderop in de brief schrijven ze: dat is juridisch
niet helemaal zo, maar er wordt wel een besluit genomen. Hoe kan het toch dat een
gemeente zich in zo’n vroeg stadium gedwongen voelt om een keuze te maken, die zelfs
als mogelijke consequentie kan hebben dat een dorp totaal wordt opgeheven, terwijl
we het over allemaal waarschijnlijke projecten hebben? Heeft de Minister er een idee
bij hoe dat dan loopt? Of is de druk die er door plannen van de landelijke overheid
op lokale overheden wordt uitgeoefend zo hoog dat zij geen andere weg zien, en dat
dat zich buiten ons blikveld afspeelt?
Minister Hermans:
Die suggestie wil ik echt met klem ontkrachten. Die zou ik ook geen recht vinden doen
aan het proces dat in Moerdijk met ongelofelijke precisie en zorgvuldigheid, ook onder
leiding van een procesbegeleider, wordt doorlopen. Er is een omgevingstafel waar alle
betrokken partijen zitting aan hebben. Zij zijn al een hele lange tijd met elkaar
in gesprek om in beeld te brengen wat al die ruimtevragen in het gebied betekenen,
zoals de uitbreiding van de haven. De haven van Moerdijk is van ongelofelijk groot
belang voor onze economie, en overigens ook voor onze veiligheid en onze weerbaarheid.
De industrie die daar zit, wil verduurzamen. Moerdijk kan ook echt een belangrijke
rol als knooppunt vervullen in de energievraag die we nationaal hebben. Die optelsom
van ruimtevragen heeft een effect op het gebied en kan je op verschillende manieren
invullen. Aan die tafel is daar lang, zorgvuldig en diepgaand over gesproken.
Nu ga ik even af op de berichtgeving en de korte contacten die ik zelf heb gehad,
maar wat ik me zelf ook heel goed kan voorstellen op grond van het bezoek dat ik daar
zelf in februari bracht: als gemeente wil je op een gegeven moment een eerlijk verhaal
vertellen. Ook bij inwoners is er de behoefte aan eerlijkheid en duidelijkheid, ook
al is het een rotboodschap. Dan kun je het namelijk met elkaar gaan hebben over de
vraag: onder welke voorwaarden zouden wij hiertoe bereid kunnen zijn? Dat vind ik
ook weer belangrijk om te weten, om uiteindelijk een definitief besluit te kunnen
nemen. Overigens, dat definitieve besluit zal niet door dit kabinet genomen worden,
want daar is echt nog tijd voor nodig. Ik verwacht dat er dan een nieuw kabinet zit.
Dat ontslaat ons niet van de plicht om in de situatie die nu ontstaan is, die er nu
is, te kijken wat we kunnen doen om te voorkomen dat we bewoners in de kou zetten.
De heer Vermeer (BBB):
Toch nog even het volgende. In oktober 2025, dus een maand geleden, heeft de dorpstafel
nog een hele leefbaarheidsvisie gepresenteerd. Die leefbaarheidsvisie ging uit van
een leefbaar dorp, van het dorp leefbaar houden of leefbaar maken op onderdelen waarop
dat nog niet zo was. Het perspectief van die inwoners is dus steeds geweest: hoe houden
we het hier goed leefbaar? De Minister geeft duidelijk aan: we hebben hierover lang
gesproken. Maar kan het ook zo zijn dat er al zo lang over gesproken wordt dat datgene
wat nu op tafel ligt aan mogelijke scenario’s, inmiddels al achterhaald is? Want we
zien bijvoorbeeld dat artikel met Staatssecretaris Thierry Aartsen, dat duidelijk
weergeeft dat die hele recyclingindustrie niet van de grond komt in Nederland of zelfs
weggaat. Die bedrijven gaan achter elkaar failliet en in de Botlek stoppen allerlei
bedrijven. Dus is deze geplande of ooit voorziene behoefte niet meer een ambitie?
Ik heb zelf zitten denken: wat gebeurt hier nou eigenlijk? Is het alsof mijn buurman
droomt van een mooie garage op mijn fundering, en ik dan alvast mijn huis begin te
slopen zodat die er klaar voor is, terwijl nog helemaal niet zeker is of het gaat
gebeuren? Zijn we de boel niet aan het opjagen, waardoor mensen zich in een veel te
vroeg stadium gedwongen voelen om duidelijkheid te geven, terwijl dat een verschrikkelijke
duidelijkheid is voor de inwoners? Kan de Minister reflecteren op het gevoel dat ik
daarbij krijg?
Minister Hermans:
Volgens mij heb ik net heel duidelijk aangegeven hoe ik mij realiseer wat de impact
is van de berichtgeving en de besluitvorming in de gemeenteraad op de bewoners van
Moerdijk. Ik heb ook aangegeven wat voor indruk het bezoek aan Moerdijk bij mij en
bij mijn collega’s in het kabinet heeft achtergelaten toen we daar eerder dit jaar
waren. Tegelijkertijd loopt er al een hele tijd een heel intensief project; ik noemde
net die tafel. Daarin heeft ook participatie met de inwoners en bewoners plaatsgevonden.
Dat is volstrekt logisch en terecht. Daarbij is ook gezegd: als je dit gaat doen,
wat wij niet leuk vinden en misschien liever niet willen, geef ons dan ten minste
duidelijkheid. Dat zei ik net. Wat heb je dan nodig? Daarbij zijn randvoorwaarden
geformuleerd door de gemeenteraad. Ik vind dat je op z’n minst moet kijken of we daaraan
kunnen voldoen. Ik vind namelijk dat je dat allemaal mee moet nemen en wegen als Rijksoverheid,
maar ook als provincie en gemeente, die uiteindelijk natuurlijk nog een definitief
besluit moeten nemen. Die zorgvuldigheid wil ik in het proces houden. En, zeg ik daarbij,
er is nu een situatie ontstaan waarbij er onduidelijk en onzekerheid bij bewoners
is en ik wil niet dat zij in de kou staan. We kijken dus ook wat je nu op relatief
korte termijn – laat ik het zo noemen – kunt doen om die kou iets minder koud te maken.
De voorzitter:
De Minister vervolgt haar betoog.
Minister Hermans:
Tot slot in dit blokje heb ik een vraag van mevrouw Van Oosterhout. Zij zei dat het
bijbouwen van infrastructuur soms ook ten koste kan gaan van natuur en vroeg hoe we
gaan zorgen dat er genoeg waarborgen zijn voor natuurbescherming en -herstel bij uitbouw
van het net. Er zijn heel veel ruimtelijke afwegingen te maken bij deze complexe energieprojecten,
ook wat betreft de natuur- en milieueffecten. Daarover rapporteren we natuurlijk in
de milieueffectrapportage. We kijken ook samen met initiatiefnemers van projecten
waar we echt werk kunnen maken van maatregelen die het effect op de natuur compenseren
of mitigeren. Dat helpt immers ook weer voor het draagvlak. Het een kan niet zonder
het ander. Ik zeg erbij dat het tot vertragingen in de processen kan leiden als je
daar weer heel veel eisen aan gaat stellen. Daar moet je altijd voor oppassen. Er
moet dus gezocht worden naar een zorgvuldige balans.
De voorzitter:
Een interruptie van mevrouw Van Oosterhout.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
De Minister had het eerder over het omgevingsfonds. Kan bijvoorbeeld in het omgevingsfonds
ruimte worden gecreëerd voor het compenseren van natuur? Of kan dat op een andere
manier?
Minister Hermans:
Het gebiedsfonds is daar niet voor bedoeld. Waar is dat wel voor bedoeld? Ik noem
even een heel praktisch voorbeeld. Bewoners vragen of er rondom een hoogspanningsstation
begroeiing, beplanting, kan komen, zodat het station een beetje wordt afgeschermd
en je meer groen ziet in plaats van alleen maar de aansluiting van het station. Het
kan natuurlijk nodig zijn dat je voor het verkrijgen van de natuurvergunning natuurcompenserende
maatregelen moet nemen. Die moet je dan natuurlijk nemen, want dat moet op grond van
de vergunning. Dus langs die route is dat wat er moet gebeuren, geborgd. Dat moet
je immers gewoon doen om aan je vergunningsverplichtingen te voldoen.
Dan ga ik door met de opslag. Ik begin met de heer Grinwis. O, de heer Grinwis is
verdwenen. Hij vroeg hoe het staat met de uitvoering van de aangenomen motie waarin
wordt verzocht de opslaglocaties in kaart te brengen. Het korte antwoord is: dat gaat
goed. De motie is uitgevoerd in de investeringsplannen voor 2026. Daarin is door de
netbeheerders in kaart gebracht waar flexibel vermogen zoals energieopslag nodig is,
per verbinding en transformator. Die informatie is dus nu te vinden in de verschillende
investeringsplannen. Volgend jaar komt dit allemaal samen in de capaciteitskaart van
Netbeheer Nederland. Dan is het geïntegreerd zichtbaar.
De heer Grinwis vroeg verder naar het opslagdoel. Hij zei: «Sommige andere landen
hebben het wel. De Minister wil daar eigenlijk niet aan. Waarom wijkt Nederland hiervan
af en is dat niet alsnog een goed idee?» Ik kan tegen de heer Grinwis zeggen dat ik
kóm met een doel voor flexibiliteit, vraagrespons en energieopslag. Dat ga ik doen
binnen de Europese aanpak. De Europese aanpak vraagt van ons om nationaal aan te geven
hoeveel flexibiliteit er nodig is in het energiesysteem. Ik hecht er zo aan om dat
in het kader van de Europese aanpak te doen omdat dit systeem zo sterk Europees verweven
is. In de EU hebben we afgesproken dat elk land komt met een indicatief nationaal
doel voor niet-fossiele flexibiliteit, en dat zullen wij doen. Dat komt in 2027.
Voorzitter. De heer Klos vroeg mij nog welke stappen wij zetten om energieopslag te
ondersteunen en op te schalen en of ik daartoe financiële prikkels overweeg. De heer
Grinwis stelde ook een vraag in dat kader. We zetten verschillende stappen om opslag
structureel te ondersteunen, juist vanwege de belangrijke rol die batterijen spelen
bij het verminderen van de netcongestie en het waarborgen van de leveringszekerheid
in het systeem. We hebben verschillende stimuleringsmaatregelen. Een: belastingvoordelen
via de Energie-investeringsaftrek. Een ondernemer kan die krijgen bij de aanschaf
van een batterij. We hebben subsidie voor energieopslag via de Flex-e-regeling, en
we hebben de innovatiemiddelen zoals de DEI, de MOOI en de EKOO, waarmee innovatieve
energieopslagprojecten worden gefinancierd. Je kan ook korting krijgen op tarieven.
Dat gaat dan weer via het type contract dat je sluit. De tijdsgebonden contracten
zijn genoemd. Inmiddels zijn er ook de capaciteitssturingcontracten. En TenneT biedt
vergoedingen voor balanceringsdiensten. Met die kortingen en vergoedingen kan dus
een positieve businesscase worden gerealiseerd. Langs de lijnen die ik schetste blijven
we ons dus inzetten voor batterijen, opslag en flexibiliteit.
De heer Grinwis vroeg mij nog naar een onderzoek van de ACM naar tarieven voor batterijen
en hoe dat wordt betrokken bij het onderzoek naar het invoedingstarief. Ik zal het
volgende doen. Er lopen bij de ACM twee onderzoeken. Een van die onderzoeken gaat
inderdaad over het invoedingstarief en wat een goede beloning is voor de bijdrage
van batterijen aan het efficiënter gebruiken van het elektriciteitsnet. Ik zal de
ACM verzoeken om waar mogelijk de bevindingen uit de beide onderzoeken bij elkaar
te betrekken.
De heer Flach vroeg mij nog naar de mobiele opslagsystemen. Hij zei dat je steeds
opnieuw in de procedure voor een vergunning terechtkomt en vroeg of dat eenvoudiger
kan door die vergunning te koppelen aan de aansluiting in plaats van aan het opslagsysteem.
Ik zeg tegen de heer Flach dat ik het gebruik van mobiele batterijen, en dat dat ook
steeds meer gebeurt, echt een positieve ontwikkeling vind. Maar ze zijn altijd apart
vergunningsplichtig vanwege de veiligheidseisen. Die vind ik wel belangrijk. Dat is
ook de reden dat we het niet kunnen koppelen aan de aansluiting. Voor de veiligheid
op het gebied van brand en kortsluiting hebben we aparte eisen en dus een aparte vergunning.
Ik zie wel mogelijkheden om meer te standaardiseren en met een standaardvergunning
te werken. De sector zelf ziet dat overigens ook als een oplossing. We zijn met VNG
in gesprek om het vergunningsproces voor opslag te verbeteren. Ik kijk daarbij ook
of we de standaardisering daar onderdeel van kunnen maken. Ik denk dat we daar medio
2026 meer over weten.
Voorzitter. Dat was opslag. Dan kom ik bij het prioriteringskader. Er zijn een aantal
vragen gesteld over het prioriteringskader en het effect op de woningbouw. Ik ga proberen
die bij elkaar te beantwoorden. Het nieuwe prioriteringskader moet nog vastgesteld
worden door de ACM. Zodra dat gebeurd is, is het de bedoeling dat het per 1 januari
2026 van kracht wordt. Er zijn ook categorieën van kleinverbruikers als prioritair
opgenomen, zoals de woningbouw. Op dit moment is het zo dat netbeheerders capaciteit
reserveren voor alle kleinverbruikers, dus ook voor kleinverbruikers die straks geen
prioriteit meer hebben volgens het kader. Dat doen we omdat grootverbruikers met prioriteit,
bijvoorbeeld ziekenhuizen of scholen, op dit moment op de wachtlijst staan. We hebben
niet voor niets een prioriteringskader gemaakt. Die wil je namelijk graag wat hoger
op de wachtlijst krijgen.
Met de betrokken partijen, dus met de netbeheerders, ACM en de Ministeries van VRO
en KGG hebben we afgesproken dat we gaan werken aan een nieuwe werkwijze in lijn met
het prioriteringskader. Daarbij hebben we oog voor een zorgvuldige overgangsperiode,
in het bijzonder voor de woningbouw. Tot 1 juli 2026 zal de huidige werkwijze blijven
gelden en worden alle kleinverbruikers, dus ook het mkb – dat zeg ik tegen de heer
Vermeer, want hij vroeg mij dat volgens mij – nog aangesloten vanuit de reservering.
Dan is er echt even tijd om dat nieuwe kader te implementeren. Partijen die al bezig
zijn met een aanvraag kunnen hun aanvraag dan nog indienen. Na 1 juli wordt die gereserveerde
ruimte alleen nog beschikbaar voor prioritaire partijen. Woningbouw valt daaronder,
blijf ik zeggen.
We kunnen die tijd dan ook gebruiken om er bijvoorbeeld voor te zorgen dat ruimte
voor woningbouw op tijd kan worden aangevraagd. We kijken ook of je daar iets aan
moet veranderen in de regelgeving en in de eisen. Ik dacht dat het de heer Flach of
misschien de heer Grinwis was die daar wat over zei. Nu doen we dat op huisnummer,
dus kun je pas laat in een traject capaciteit aanvragen. Je wil dat natuurlijk eigenlijk
eerder. Kan dat dan op – ik zeg het maar even in mijn woorden – projectniveau? Dat
zijn elementen die we echt in samenwerking met VRO, de netbeheerders en de ACM moeten
uitwerken. Die tijd nemen we dus in die overgangsperiode.
Ik denk dat ik hiermee de vragen van de heer Flach, de heer Vermeer en de heer Jumelet
over het prioriteringskader en de woningbouw heb beantwoord. Maar als dat niet zo
is, dan hoor ik dat natuurlijk graag.
De voorzitter:
Ik zie een vraag van de heer Peter de Groot.
De heer Peter de Groot (VVD):
Ik sla een beetje aan op het prioriteringskader, maar vooral op de werkwijze. Ik denk
dat de werkwijze heel erg belangrijk is om dit te borgen. Laat ik het eens omdraaien.
Stel dat je straks een Defensielocatie of een groot bedrijf wilt in een gemeente.
De gemeentelijke politiek, bijvoorbeeld de gemeenteraad, mengt zich dan in zo’n discussie.
Dat speelt nu ook in Moerdijk. Welke handvaten hebben de gemeentelijke en provinciale
politiek in die werkwijze om zich in deze discussie te mengen? Of is het gewoon een
vast kader, zodat we het een beetje objectief houden? Ik ben eigenlijk op zoek naar
het tweede stuk: hoe houden we het een beetje objectief met elkaar? Dat is mijn vraag
aan de Minister.
Minister Hermans:
Het is objectief. De ACM stelt het vast. Die verwerkt nu alle zienswijzen die op het
concept zijn binnengekomen en die houdt daar ook toezicht op. Ik denk dat dat ook
goed is. Ik ga er niet over en dat moet ook zo blijven. Dat zou mijn aanbeveling zijn.
Maar dat neemt niet weg dat wij samen met VRO, de netbeheerders, de VNG en het IPO
kunnen kijken hoe we tot een werkwijze kunnen komen die voor iedereen duidelijk en
helder is en waarmee we zorgen dat woningbouwprojecten, die weliswaar prioritair zijn,
op tijd hun capaciteit kunnen aanvragen.
De voorzitter:
Volgens mij was de heer Flach eerst.
De heer Flach (SGP):
Ik heb even zitten luisteren naar het antwoord van de Minister. Dat schetst vooral
hoe het proces eruitziet, wie de verantwoordelijke is enzovoorts. Maar de ongerustheid
bij de decentrale overheden, in dit geval de gemeenten, is best wel groot. Ze zijn
maar heel beperkt betrokken bij het opstellen van dit prioriteringskader, terwijl
je juist zou kunnen betogen dat de kennis over hoe je op lokale schaal prioriteert
vooral dáár zit. Zou je de landelijke prioritering niet moeten beperken tot de eerste
twee categorieën en zou je de decentrale overheden niet veel meer een rol moeten geven
in de derde categorie?
Minister Hermans:
Ik snap op zich waar de heer Flach naar op zoek is, maar zo werkt het prioriteringskader
niet. Ik denk dat de mate van objectiviteit en afstand van de ACM bij het toezien
op de toepassing van het prioriteringskader echt belangrijk is. Ik realiseer me dat
mevrouw Van Oosterhout mij nog een vraag stelde over hoe ik de werking in de gaten
ga houden. Daar zal ik zo op ingaan. De capaciteit is schaars. Daar gaat dit hele
debat over. Je wilt dat die zo goed mogelijk terechtkomt op de plek waar die het allerhardst
en met de meeste prioriteit nodig is. Daar is dit prioriteringskader voor bedoeld.
Ik realiseer me ook dat op het moment dat je gaat prioriteren en je dus categorieën
aanwijst die prioriteit krijgen, je ook categorieën aanwijst die dat niet krijgen.
Dat is inherent aan het maken van categorieën of keuzes. Ik zeg niet dat ze leuk of
makkelijk zijn, maar ik denk wel dat ze noodzakelijk zijn om in deze fase van de transitie,
waarin we om moeten gaan met netcongestie en schaarse capaciteit, op een zo objectief
mogelijke manier tot dat kader te komen. Daar wordt door de ACM als onafhankelijke
toezichthouder toezicht op gehouden.
De heer Flach (SGP):
Ik snap hoe zo’n prioriteringskader werkt en dat objectiviteit daarin belangrijk is.
De vraag is alleen of je dat op de juiste schaal en op de juiste plek belegt. Zouden
decentrale overheden niet een veel logischere keuze zijn? Maar daar gaat deze vraag
eigenlijk niet eens zozeer over. Misschien heeft deze Minister wel de belangrijkste
portefeuille in dit kabinet. Tot enkele jaren geleden was de portefeuille van de Minister
van Financiën bepalend voor het tempo van de ambities. Geld bepaalde het tempo. Tegenwoordig
zou je kunnen zeggen dat stroom het tempo van de ambities bepaalt. Of het nu gaat
om de woningbouw, om bedrijvigheid, om andere zaken of om Defensie: stroom is belangrijk
voor de beschikbaarheid daarvan. Is er in het kabinet ook gesproken over de vraag
of dit prioriteringskader bijdraagt aan het behalen van de diverse kabinetsdoelen
vanuit de verschillende departementen en welke strijdpunten zijn daarbij op tafel
gelegd? Met andere woorden: halen we de beoogde woningbouwambities nog? Halen we de
Defensieambities nog? Houden we ons bedrijfsleven nog binnenboord met dit prioriteringskader?
Ik ben benieuwd op welke wijze de Minister haar rol heeft gespeeld in het kabinet
met betrekking tot die vragen.
Minister Hermans:
Even een paar dingen. Het Rijk, de provincies en de gemeenten sturen niet op dit prioriteringskader.
Dat doet de ACM. De ACM heeft dit kader gemaakt en ik denk dat het ook van groot belang
is dat dit door de onafhankelijke toezichthouder op deze manier is vastgelegd. De
ACM heeft ons natuurlijk ook om een zienswijze gevraagd. Wij hebben een zienswijze
ingediend. Ik heb daar veelvuldig over gesproken met de Minister van VRO. De heer
Flach noemt namelijk heel terecht de woningbouwambities. Die zijn groot. Die zijn
belangrijk. Het is een belangrijk vraagstuk in ons land op dit moment, of eigenlijk
al een aantal jaar. Dus je wilt zo veel als mogelijk zekerheid geven dat die woningen
niet alleen gebouwd kunnen worden – daarvoor is ook al een energiestroom nodig – maar
dat de mensen daar ook gewoon kunnen gaan wonen en stroom kunnen gebruiken. Dat is
een reden dat woningbouw in dat prioriteringskader terecht is gekomen.
We hebben ook de projecten van nationaal belang. Daar hebben we natuurlijk in het
kabinet over gesproken, maar ook breder met provincies en gemeenten. Je hebt soms
projecten waarvan je zegt: dit moet nu; als we dit niet doen, heeft het echt grote
effecten op onze veiligheid of onze economische positie. Dus zo is er natuurlijk wel
over gesproken. Maar dat dat kader uiteindelijk wordt vastgesteld en dat erop wordt
toegezien door de ACM, door die onafhankelijke toezichthouder, vind ik wel van groot
belang bij een product dat zo schaars is, maar ook zo belangrijk voor het functioneren
van ons land en het bouwen van de toekomst van ons land.
De voorzitter:
De heer Flach heeft nog een interruptie, maar dat is ook wel de laatste van de zes.
De heer Flach (SGP):
Dan moet ik hem goed gebruiken, voorzitter, maar volgens mij was dit niet echt een
antwoord op de vraag. Ik snap de rol van de ACM wel, maar het is ook een politieke
vraag, want de keuzes die je maakt, zijn niet helemaal objectief te maken. Mijn vraag
was: welke knelpunten hebben daarbij op tafel gelegen? Want als je ja zegt tegen het
een, zeg je nee tegen het ander. Ongetwijfeld zullen er binnen het kabinet discussies
zijn geweest over of het een niet hoger op die lijst moet dan het andere. Ik ben benieuwd
naar die knelpunten en de keuzes die daarin gemaakt zijn.
Minister Hermans:
Maar in de vraag van de heer Flach zit de suggestie dat het kabinet hierin keuzes
maakt. Dat ís niet zo. Het prioriteringskader is door de ACM vastgesteld. Er zijn
wel heel veel zienswijzen van partijen ingediend, zo van: hoe kijken wij hier nu naar?
Op basis van die zienswijzen zijn bijvoorbeeld de woonzorgvormen terechtgekomen in
het aangepaste prioriteringskader. Die zaten er in eerste instantie niet in. Het betreft
ook het ov, de projecten van nationaal belang en de woningbouw. Er zijn natuurlijk
wel degelijk vanuit de partijen die geraakt worden of betrokken zijn ... Dat kunnen
gemeenten zijn, maar ook VRO en KGG. We hebben natuurlijk allemaal belangen bij het
toekennen van die capaciteit. Daar hebben wij dus onze mening over gegeven. Maar het
daadwerkelijk maken van de keuzes in welke categorieën prioriteit krijgen – dat gaat
dus nog niet over projecten, hè? – is door de ACM gebeurd. Op basis van die categorieën
gaan netbeheerders vervolgens die capaciteit daadwerkelijk toewijzen.
De heer Vermeer (BBB):
Ik snap dat de ACM stuurt en als toezichthouder iets uitvoert, maar net als in eerdere
discussies in commissiedebatten, bijvoorbeeld over het bepalen van piek- en daltarieven
en dat soort zaken, is bij mij even de vraag: hoe kunnen wij als Kamer hierop invloed
uitoefenen? Dus via welke wetgeving, of andere dingen, wordt vastgelegd wat de politieke
wensen en kaders zijn? Want ik neem aan dat de ACM niet als een soort satelliet om
ons heen drijft en gewoon haar eigen ding doet. Dus die heeft kaders. Welke wet is
dat precies? Als wij die kaders willen veranderen waardoor zij tot andere prioritering
kan komen, bij welke wet moeten wij dan zijn als Kamer?
Minister Hermans:
Ik zal even uitzoeken in welke wet dat allemaal precies geregeld is, maar hier is
echt de vraag: willen we dit? Willen we dit politiek gaan bepalen? Dit is echt een ...
Wat zegt u? Neeneenee, ik dacht ... We hebben categorieën vastgesteld, onder andere
op basis van – daar ga ik van uit – zienswijzen die door diverse partijen, organisaties
hier in Den Haag, dus ook door het Ministerie van VRO, het Ministerie van KGG, het
Ministerie van Economische Zaken, zijn aangeleverd bij de ACM. Die leest dat, die
kijkt ernaar en die betrekt het er natuurlijk bij. Maar het zou toch wat zijn dat
we politiek gaan besluiten waar we wel of niet capaciteit aan toewijzen. Dan is er
toch geen enkel objectief kader meer? Ik vind deze werkwijze dus volstrekt logisch
en ik vind het ook te rechtvaardigen dat we bij zo’n schaars goed als netcapaciteit
een prioriteringskader hebben. De ACM heeft de opdracht gekregen dat aan te passen
omdat het vorige prioriteringskader onvoldoende was, onvoldoende werkte. Die heeft
daar een voorstel voor gedaan, waar allerlei zienswijzen op zijn ingediend. Ik zei
u al: in dat hele proces van aanpassen zijn de woon-zorgvormen erin terechtgekomen,
het ov, de nationale veiligheid, de woningbouw. Die categorieën zijn nu benoemd. Daarmee
geven we de netbeheerders een handvat om ruimte die er is te reserveren en toe te
kunnen kennen aan die prioritaire aanvragers, om ze zo te omschrijven. Ik hecht er
echt ongelofelijk veel waarde aan dat dit onafhankelijk is gebeurd en blijft gebeuren
en dat het toezicht daarop bij de ACM zo blijft.
De heer Vermeer (BBB):
Wij kunnen als politieke partij geen zienswijze indienen. Of hadden we dat wel moeten
doen misschien? Dat weet ik nu dus niet meer. Maar het zijn toch wel politieke keuzes
om te bepalen dat wij, omdat er ETS-regelingen et cetera aankomen, onze industrie
of een bepaalde tak van de industrie voorrang willen geven op een sector die al groen
is of wat dan ook. Ik probeer even een voorbeeld te bedenken. Maar dat zijn toch politieke
keuzes? De ACM is geen politiek orgaan, maar een toezichthouder. Die moet toch toezicht
houden op wetten die de Tweede Kamer, het parlement, maakt? Wij gaan toch over die
kaders? Anders stellen we hier over twee jaar weer de vraag omdat we iets gewijzigd
willen hebben, maar dan krijgen we te horen dat dit niet kan en dat de Minister er
ook niet over gaat. De ACM kunnen we dan bellen, maar die hoeft niks te doen met wat
wij zeggen. Hoe gaan wij zorgen dat we over twee jaar niet dezelfde typen antwoorden
krijgen als die we nu krijgen over piek- en daltarieven en dat soort dingen? Ik wil
dat graag weten. Volgens mij had de heer De Groot ook juist die vraag gesteld om dit
boven tafel te krijgen: wat is onze rol in het proces en waar kunnen wij iets bijsturen,
ook al vindt de Minister dat ongewenst en misschien komen we zelf tot de conclusie
dat het heel ongewenst is omdat we dan in duivelse dilemma’s terechtkomen? Politiek
is echter niet voor bange mensen, dus ...
De voorzitter:
De heer Van den Berg heeft een punt van orde, maar ik zou eigenlijk graag de Minister
eerst willen laten antwoorden. Of ziet het toe op het antwoord?
De heer Van den Berg (JA21):
U bent de voorzitter.
De voorzitter:
Dan ga ik de Minister eerst laten antwoorden en daarna krijgt u uw punt van orde.
Minister Hermans:
De politiek is er ook om verantwoordelijkheid te nemen en te dragen en om te respecteren
hoe wij bepaalde taken en verantwoordelijkheden belegd hebben. Een onafhankelijke
energieautoriteit vloeit gewoon rechtstreeks voort uit wat we in Europa hebben afgesproken
in Europees recht. Dat is de rol. Vanuit die verantwoordelijkheid vult de ACM die
rol in. Ik vind het ook van het grootste belang – dat heb ik net ook gezegd – dat
we dit op een onafhankelijke manier vaststellen. Wil dat zeggen dat als er per 1 januari
een prioriteringskader van kracht is, dit het is tot in lengte van dagen? Nee, zeg
ik tegen mevrouw Van Oosterhout. De ACM gaat dat natuurlijk monitoren. Elke twee jaar
komt er een evaluatie. Als aanpassingen nodig zijn, zullen die gedaan worden.
De voorzitter:
Het punt van orde van de heer Van den Berg.
De heer Van den Berg (JA21):
Het kan aan mij liggen, maar ik vraag me eigenlijk af of dit plaats moet vinden in
een commissie, want wat mij betreft zijn het hele feitelijke technische vragen en
kunnen we dit ook gewoon in voorbereiding van een debat of met medewerkers uitzoeken.
Tenminste, ik ben niet gewend dat het zo gaat dat we dit hier zo uitvragen. Maar nogmaals,
dat kan aan mij liggen.
De voorzitter:
Dat is niet geheel een punt van orde, maar in principe gaan de leden over de vragen
die zij aan de Minister willen stellen. Als zij het opportuun vinden om dat in een
commissiedebat te doen, doen we dat in een commissiedebat. Een lid kan er ook voor
kiezen om op een heleboel andere manieren deze informatie uit te vragen. De heer Peter
de Groot heeft neem ik aan een vraag, een interruptie.
De heer Peter de Groot (VVD):
Het is misschien meer een punt van verduidelijking. Ik veerde net op, waardoor de
Minister stilviel. Overigens maak ik niet zo vaak mee dat deze Minister stilvalt.
Ik werd er eigenlijk enthousiast van dat de Minister zei: moeten we dit willen? Mijn
vraag ging ook over het afwegingskader. Ik denk dat het juist goed is als we het objectief
met elkaar doen en dat er gekeken wordt wat er maatschappelijk speelt en hoe we dit
moeten verdelen. Dat is dus eigenlijk een verdelingsvraagstuk. Ik zou het juist dus
niet politiek willen laten zijn. Ter verduidelijking van waar die vraag over ging:
ik denk dat je daarvan af moet blijven. Kan de Minister nogmaals bevestigen dat het
niet politiek is? Ik moet immers afsluiten met een vraag, voorzitter. Dat doe ik dan
maar even.
Minister Hermans:
Ik vind dat dit niet politiek moet zijn en niet moet worden, wat niet wegneemt en
wat onverlet laat dat wij er discussie over kunnen voeren. Niet voor niks worden er
ook zienswijzen ingediend. Maar het vaststellen van het prioriteringskader en het
toezicht daarop moet niet politiek zijn. Dat is dus aan de ACM.
Voorzitter. De heer Flach vroeg mij: wordt het begrip «congestieverzachter» breed
uitgelegd, zodat ook energyhubs en woningbouwprojecten uitgedaagd worden? De ACM kijkt
naar gedrag van de netgebruiker dat leidt tot het duurzaam vrijkomen van capaciteit
voor andere partijen bij het bepalen of iemand congestieverzachter is. In het huidige
conceptkader is geen afgebakende lijst van partijen die hieraan voldoen. Het gedrag
maakt of een partij hieronder valt of niet. In de regel vragen energyhubs en woningbouwprojecten
transportcapaciteit. Stel dat een woonwijk op een hub door het bijplaatsen van een
batterij zorgt voor ruimte op het stroomnet, dan zou dat voor een hubdeelnemer wel
een mogelijke aanleiding voor prioriteit kunnen zijn.
Voorzitter. Moeten we netbewust bouwen niet landelijk uitrollen, vraagt de heer Grinwis
mij. De provincies Flevoland, Gelderland en Utrecht werken aan het mogelijk normeren
van netbewuste nieuwbouw. De wenselijkheid en haalbaarheid om dat verder landelijk
te doen worden verkend. Ik zal dat ook met de Minister van VRO bespreken. Ter aanvulling:
de Minister van VRO heeft op de Woontop afspraken gemaakt met alle partijen, ook met
woningcorporaties, om het netbewust te bouwen verder onder de aandacht te brengen
en te stimuleren. Maar ik zal dit vraagstuk van de normering bespreken.
De heer Grinwis vroeg mij ook hoe dat gaat op Defensieterreinen. Ook het Rijksvastgoedbedrijf
werkt vanuit het uitgangspunt dat het stroomnetwerk zo min mogelijk belast wordt bij
verduurzaming of nieuwbouw door zelf energie op te wekken of op te slaan en slim te
sturen op het gebruik. Het Rijksvastgoedbedrijf heeft daar een toolbox netcongestie
voor ontwikkeld, zodat ook andere gebouweigenaren er gebruik van kunnen maken. Dat
geldt dus ook voor de Defensielocaties.
Ik zei al wat over woningcorporaties en netbewust bouwen.
Dan de heer Flach over stimulatie Arcadis bij de gebiedsontwikkeling in Arnhem. Dit
gaat over de € 1.500 per woning voor netbewust bouwen. Dat bespaart ook weer energiesysteemkosten,
dus er is ondersteuning van de onrendabele top nodig. In euro’s zijn er op dit moment
geen aanvullende middelen specifiek voor netbewust bouwen voorzien. Los daarvan zijn
er natuurlijk wel allerlei financiële middelen vanuit met name het Ministerie van
VRO beschikbaar om woningbouw te realiseren. Maar specifiek voor het netbewust bouwen
zijn er geen middelen.
Voorzitter. Dat wat betreft de prioritering. Dan kom ik op het decentrale systeem.
De heer Klos vraagt mij hoe ik decentrale-energie-initiatieven beter kan ondersteunen.
Hij spreekt over standaardisatie en uniforme afspraken. Ja, ik denk dat dit de route
is: standaardisatie voor energyhubs. Het betreft ook uniforme afspraken die we gaan
maken in het kader van de interbestuurlijke samenwerking, waar ik eerder al aan refereerde,
en de vergunningsprocedures voor mobiele opslag, die ik volgens mij toezei aan de
heer Flach. Het zit echt in die hoek.
Dan vroeg de heer De Groot of gemeenten voldoende instrumenten hebben om lokaal vraag
en aanbod aan elkaar te koppelen en of ik kan kijken of gemeenten hier niet een grotere
rol in kunnen krijgen. Ik herken het signaal dat de heer De Groot hiermee afgeeft.
Er is bij de behandeling van de Energiewet ook een amendement aangenomen dat oproept
om gemeenten en provincies meer ruimtelijke sturingsruimte te bieden. Dat gesprek
met gemeenten, provincies en netbeheerders is nu gaande. Ik wil de ruimte die er al
is verduidelijken. Dat is vooral binnen het ruimtelijk instrumentarium onder de Omgevingswet.
We kijken naar aanvullende mogelijkheden, zodat je proactief kan sturen op de locaties
van opwek of batterijen in een gebied. Ik verwacht de Kamer halverwege 2026 te kunnen
informeren over de beoogde uitwerking in wet- en regelgeving.
Dan vroeg de heer ...
De voorzitter:
Een interruptie van de heer De Groot.
De heer Peter de Groot (VVD):
Misschien een verduidelijkingsvraag over de toon en wat de Minister terughoort in
die gesprekken. Er gebeurt ontzettend veel, of het nou in de FGU-regio is of in Limburg
of op andere plekken. Er zijn heel veel lokale initiatieven waarmee aan de slag gegaan
kan worden. Sommige zijn klein en sommige zijn wat groter. Maar dan gaat het natuurlijk
ook altijd heel vaak over de onrendabele top of over geld dat daarmee gemoeid is.
Waar staat de Minister nu in dat proces met die gesprekken? Is dat soms ook al onderdeel
van het gesprek of komt dat pas later, na inventarisatie en duidelijkheid over de
matching van vraag en aanbod?
Minister Hermans:
Dat moet ik echt even nagaan. Ik wil dat natuurlijk doen en daarop terugkomen, maar
dat moet ik even uitzoeken. Dat zal ik doen en daar zal ik dan in een brief op terugkomen,
ik denk ... Ik zoek even uit in welke brief dat is, want ik weet dat de voorzitter
mij straks gaat vragen om dat precies aan te geven.
Dan vroeg de heer De Groot mij naar een betere aansluiting tussen regionale expertisecentra,
provinciale data over het gebruik van energie en landelijke besluitvorming. Ik moedig
echt elk regionaal, lokaal initiatief aan dat zich richt op het slim aanpakken van
en omgaan met netcongestie. Dat gebeurt ook op meerdere plekken in het land, bijvoorbeeld
het expertisecentrum in Arnhem. Dat is recent gestart met rondetafelgesprekken om
praktijkvoorbeelden te delen en op basis van die voorbeelden te kijken of je die aanpak
schaalbaar kan maken. We hebben een landelijk kennisloket, uitgevoerd door de RVO.
Dat is een centraal punt waar allerlei informatie samenkomt en waar ondernemers ook
informatie kunnen ophalen. Vanuit dat loket wordt ook weer de aansluiting met de regionale
initiatieven gezocht. Die samenwerking, ook met Energy Boards natuurlijk, zoeken we
continu op om te zorgen dat nergens ... Het streven is, laat ik het zo zeggen, om
nergens het wiel opnieuw te laten uitvinden.
De heer Peter de Groot (VVD):
Dat is fijn om te horen van de Minister. Ik was natuurlijk specifiek op zoek naar
het volgende. Overal in het land ontstaan waardevolle bureaus, zou je bijna zeggen,
niet alleen RVO, maar ook andere, die zich vanzelf ontwikkelen. Ze kunnen heel waardevol
worden. Hoe wordt getoetst of zij zouden moeten blijven bestaan en of zij gefinancierd,
medegefinancierd, zouden moeten worden? Of zegt de Minister: dat moeten bijvoorbeeld
provincies of grote gemeenten zelf blijven doen, want ik ben niet overal verantwoordelijk
voor? Dat kan ik me ook voorstellen. Hoe kijkt de Minister naar dat versterkingsvraagstuk?
Ik nam als voorbeeld het Nationaal Expertisecentrum Netcongestie. Die zitten daar
natuurlijk wel mee. Ze doen heel veel mooi werk, maar die kijken natuurlijk ook naar
hun bestaansrecht.
Minister Hermans:
Ik snap dat dat vraagstuk zich voordoet. Tegelijk kan ik ook niet, eigenlijk precies
zoals de heer De Groot zegt, al die initiatieven overeind houden. Het zegt niks over
de waarde van de initiatieven, maar over de keuzes die gemaakt moeten worden. De grootste
vraag is hoe we de kennis die gedurende het bestaan van zo’n initiatief, tafel of
centrum wordt opgedaan, behouden en ervoor zorgen dat die kennis niet verloren gaat.
Daar waar het mogelijk is om dingen ook financieel in de benen te houden, ben ik altijd
bereid daarnaar te kijken. Maar de middelen zijn schaars en beperkt.
Voorzitter. De heer Jumelet vroeg naar de Zonneroute en of het mogelijk is om een
directe aansluiting op het bedrijventerrein GETEC te organiseren. Het is juridisch
mogelijk om zo’n directe lijn aan te leggen, ook in de nieuwe Energiewet. Een directe
lijn is dan een directe private verbinding tussen de producent en de gebruiker van
de elektriciteit. Het project Zonneroute A37 is een duurzaam energieproject op rijksgrond.
Het is een zogenaamd OER-project dat door Rijkswaterstaat wordt voorbereid en zal
worden getenderd aan marktpartijen. Die onderzoeken dan samen met netbeheerders RENDO
en Enexis wat de beste oplossing is om het project aan te sluiten. De marktpartijen
vragen dan zelf de netaansluiting aan. Een mogelijke oplossing is een reguliere aansluiting
op een onderstation, het station Riegmeer, dat de heer Jumelet waarschijnlijk goed
kent. Een andere oplossing kan dus een directe lijn naar het bedrijventerrein zijn,
het zogenaamde cable pooling, waarbij meerdere partijen dezelfde kabel delen. Netbeheerders
werken mee aan een onderzoek naar de technische haalbaarheid van deze alternatieve
oplossingen.
De heer Grinwis vroeg naar ondernemers in de gemeente Rijssen-Holten die graag een
groepstransportovereenkomst willen sluiten. Zo zijn er vast meer voorbeelden in het
land, maar het duurt best wel lang voordat dat juridisch allemaal rond is, zei hij.
De vraag was of ik dat herken. Ja, ik herken dat dat juridisch best even duurt. Die
groepstransportovereenkomst is een product dat nu in pilotvorm wordt aangeboden. Het
definitieve codebesluit zal naar verwachting in december worden gepubliceerd. Het
afsluiten van zo’n groeps-TO is echt een complex proces, dat nog veel tijd vraagt
van alle betrokken partijen. Maar er wordt heel hard aan gewerkt, mede op basis van
de lessen uit de pilots, om te kijken hoe we dat kunnen versimpelen en versnellen.
Mevrouw Van Oosterhout en de heer Grinwis vroegen naar de rol van energiegemeenschappen
en of ik wat concreter kan zijn over wat de plannen uit de brief precies betekenen.
Wij willen provinciale en regionale koepelorganisaties versterken, zodat zij echt
goede ondersteuning kunnen bieden bij het opbouwen van een stevige, robuuste organisatie.
Daarvoor willen we een aanzienlijk deel van het budget uit het amendement-Kröger/Grinwis
gebruiken. Momenteel spreken we met die organisaties over hoe we dat nou precies moeten
vormgeven, zodat dat geld ook goed terechtkomt. Het streven is om dat in 2026 te hebben
ingericht. Daarnaast hebben we een aantal onderzoeken opgestart, mede naar aanleiding
van toezeggingen in verschillende debatten, naar belemmeringen die zich voordoen bij
lokaal eigendom, warmtegemeenschappen en burgers om mee te doen in energiegemeenschappen.
Ik verwacht de uitkomsten van die onderzoeken begin ’26. Die kunnen wij of een volgend
kabinet gebruiken om dat faciliterend kader voor energiegemeenschappen verder te versterken.
De heer De Groot vroeg naar het addendum op de Energiewet over energie delen. Ik verwacht
dat we dat voorstel begin volgend jaar bij de Kamer kunnen indienen. Als het lukt
om dat snel te behandelen, zou de wet eind ’26 of per 1 januari ’27 in werking kunnen
treden. Dat is de stand van zaken daarvan.
Voorzitter. Dan kom ik bij het mapje overig. Een vraag van mevrouw Van Oosterhout
ging over energiebesparing. Zij vroeg welke hindernissen partijen ervaren bij het
voldoen aan de plicht en welke knelpunten we zien bij de handhaving van de energiebesparingsplicht.
Sommige bedrijven en instellingen krijgen, in termen van de knelpunten, onvoldoende
toegang tot financiering voor energiebesparende maatregelen. Daartoe richten we een
energiebesparingsfonds op, waarbij bedrijven leningen kunnen krijgen, in de hoop dat
de toegang tot financiering dan wordt versimpeld.
Omgevingsdiensten hadden geen inzicht in de energiegebruiksgegevens. Vanaf 1 juli
van dit jaar kunnen netbeheerders de gegevens delen. De omgevingsdiensten verwachten
op basis daarvan een sterke verbetering in de naleving van de energiebesparingsplicht,
maar het helpt natuurlijk ook bij het toezicht. We werken ook samen met de omgevingsdiensten
aan een programma om de handhaving te verbeteren. Dat doen we samen met de VNG, het
IPO en het ministerie. Het doel is echt om de kennis en kunde van omgevingsdiensten
te vergroten. Ik heb toegezegd – daar wordt ook hard aan gewerkt – in kaart te brengen
hoeveel bedrijven en instellingen voldoen aan de energiebesparingsplicht en wat de
bijdrage is van gemeenten en provincies aan toezicht en handhaving. Ik had dat toegezegd
voor het einde van dit jaar, maar het is best een forse klus, dus dit wordt, zeg ik
in alle eerlijkheid, begin volgend jaar.
De voorzitter:
Dat roept een vraag op bij mevrouw Van Oosterhout.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Ik vroeg mij af of het echt alleen een kwestie is van kennis en kunde bij de omgevingsdiensten,
of dat het ook een kwestie is van voldoende financiële middelen.
Minister Hermans:
Het middelenvraagstuk speelt altijd een rol. Er is dus al eerder extra geld toegezegd.
Dat gaat naar de omgevingsdiensten. Ongetwijfeld is er behoefte aan nog meer. Maar
ik heb op dit moment niet meer middelen dan de middelen die zij krijgen. Ik kom ook
niet aan de extra toegezegde middelen. We halen er dus niet weer geld weg. Maar ik
denk echt dat het inzicht in die gegevens, in wat er gebeurt en wat er speelt, een
ongelofelijk belangrijk instrument is voor het goed kunnen invullen van de toezichttaak.
Dan de SDE++-regeling. Daar heeft de heer Grinwis terecht ook al vaker aandacht voor
gevraagd. Ik deel met hem, ook in lijn met de motie-Grinwis/Rooderkerk, dat we daar
zo snel mogelijk duidelijkheid over moeten geven. Het is een ongelofelijk belangrijk
instrument. Die duidelijkheid voor de openstelling in ’27 zal komen met de voorjaarsbesluitvorming.
Voorzitter. Dan een vraag van de heer Flach: liggen er plannen klaar voor cybersecurity
en brandveiligheid, maar ook voor eventuele black-outs? Hele terechte vragen, ook
in het kader van de campagne Denk vooruit, die gestart is. Het antwoord is: ja, daar
liggen allerhande plannen voor klaar. Er wordt ook veel gesproken en hard gewerkt
aan het versterken van de weerbaarheid, digitaal en fysiek. Dat betreft natuurlijk
ook vitale energie-infrastructuren. Met het oog op de tijd zeg ik: die plannen liggen
klaar, net als allerlei stappenplannen voor wat je doet als zo’n black-out zich daadwerkelijk
zou voordoen.
Dan vroeg de heer Flach mij of de ISDE ook wordt ingezet voor e-boilers en andere
systemen voor het vergroten van het zelfverbruik van stroom. De ISDE is er niet voor
e-boilers, want de maatregel moet bijdragen aan CO2-reductie. Dat is bij elektrische boilers niet altijd het geval. Die kunnen ook het
verbruik van eigen zonnestroom vergroten, maar op andere momenten de netcongestie
verergeren. Ik voeg er wel aan toe dat de ISDE kan worden aangevraagd door woningeigenaren
voor zonneboilers en warmtepompen, ook hybride warmtepompen. Dus dat over de e-boilers
en de ISDE.
Dan vroeg mevrouw De Vos of ik kan aangeven welke van de 54 klimaatsubsidies de elektrificatie
aanmoedigen en welke leiden tot nog meer netcongestie. Op dit moment onderzoekt de
RVO, in opdracht van het Landelijk Actieprogramma Netcongestie, alle relevante subsidies.
Ze kijken waar het nodig is die verder te verbeteren om de negatieve impact op netcongestie
te beperken.
De voorzitter:
Een vraag van mevrouw De Vos.
Mevrouw De Vos (FVD):
Dank u wel, een duidelijk antwoord. Ik vraag me wel af: wordt er dan ook overwogen
om die subsidies te stoppen, of in elk geval te pauzeren? Wanneer is daar meer duidelijkheid
over?
Minister Hermans:
Als wij zien dat een subsidie een negatieve impact heeft op de netcongestie en dat
dat met een aanpassing is te voorkomen, te verbeteren, te verminderen of te mitigeren,
dan zullen we dat natuurlijk niet nalaten. Ik ga hier niet zeggen dat we zomaar subsidies
gaan stoppen, want daar zit natuurlijk echt het doel van verduurzaming in, bijvoorbeeld
langs de lijn van innovatie of energiebesparing. Ik weet dat mevrouw De Vos en ik
totaal anders denken over het voortgaan van die klimaat- en energietransitie, maar
we vinden elkaar er wel in dat deze subsidies een probleem niet moeten verergeren.
Als we in de subsidieverstrekking iets kunnen aanpassen om dat te voorkomen, dan zullen
we daar natuurlijk serieus naar kijken.
Mevrouw De Vos (FVD):
Goed. Het klopt dat we daar helemaal anders in staan, maar het is in ieder geval mooi
om te horen dat hiernaar gekeken wordt. Ik heb alleen nog geen antwoord op mijn vraag
wanneer de uitkomst van dit onderzoek er is. Als ik het goed begrijp, wordt er nu
onderzoek gedaan, maar wanneer is dat afgerond?
Minister Hermans:
Daarover zal ik in de voortgangsrapportage aanpak netcongestie, die eind maart verschijnt,
inzicht geven en verslag doen van die inventarisatie.
Mevrouw De Vos (FVD):
Kan daar al eerder een update over komen?
Minister Hermans:
Nee.
Mevrouw De Vos (FVD):
Maar eind maart is dan wel een toezegging?
Minister Hermans:
Dat is een toezegging, jazeker.
Voorzitter. Sta mij dan toe om gelijk in de richting van de heer De Groot te zeggen
dat ik in de brief decentraal energiesysteem, eind januari, zal ingaan op de toezegging
die ik, zeg ik via u, voorzitter, net aan hem deed over wat we kunnen doen om die
inrichting, aansluitingen en lokale aanbodvraag te verbeteren.
Voorzitter. Dan de heer Kops, over dat er zonder hulp van de overheid verder geen
wind op zee zal worden ontwikkeld en of ik daarop kan reageren. Ja, dat is het geval.
Helaas heb ik eind oktober moeten constateren dat er geen inschrijvingen zijn geweest
voor een tender die wij hadden opengesteld zonder subsidie, zonder financiële ondersteuning.
Nederland is daarin niet uniek. Mijn collega’s in Denemarken, het Verenigd Koninkrijk
en Duitsland hebben hier ook mee te maken. Dat is de reden dat ik al bij Prinsjesdag
heb aangekondigd dat wij een volgende tender voor wind op zee met subsidie zullen
openstellen en dat we ook hard werken aan de wettelijke basis voor de contracts for
difference. Dat is natuurlijk ook een vorm van financiële ondersteuning van trajecten
voor wind op zee. Het is inderdaad helaas het geval dat de sector het zwaar heeft.
Ik vind het wel van het allergrootste belang dat de ontwikkeling van wind op zee doorgaat
en niet stilvalt. Vandaar dat we geld hebben vrijgemaakt voor die subsidietender.
De voorzitter:
Een interruptie van de heer Van den Berg.
De heer Van den Berg (JA21):
Dat is meer een vraag in het verlengde van de vraag van mevrouw De Vos over de subsidies
die wel zorgen voor meer netcongestie. Toevallig heb ik dat laatst uitgezocht. Ik
zie gewoon dat de SPULA- en SPRILA-budgetten en de AanZET-subsidies geschikt zijn
voor het elektrificeren van zwaar vrachtvervoer. Daar is geen Europese doelstelling
voor; dat doen wij gewoon als Nederland. Volgens mij werd juist in die debatwijzer
gesteld dat het zware vervoer zorgt voor meer netcongestie. Kortom, kunnen we die
dan niet schrappen?
Minister Hermans:
Dit gaat echt te snel. Dit is te kort door de bocht. Ik heb toegezegd – dat hebben
we ook met de landen afgesproken – dat we naar die verschillende subsidies kijken.
We gaan kijken of er in de vormgeving van de subsidies iets zit waardoor je het probleem
met netcongestie onbewust en onbedoeld verergert. Ik ken niet exact de reikwijdte
van de drie subsidies die de heer Van den Berg nu noemt, maar even in het algemeen:
die 54 subsidies hebben allemaal een doel, namelijk het stimuleren van verduurzaming.
Daarom zei ik al tegen mevrouw De Vos dat wij gewoon anders denken over die klimaat-
en energietransitie. Mevrouw De Vos zei volgens mij letterlijk in haar inbreng dat
die moet stoppen. Ik vind dat echt hartstikke onverstandig, als die al te stoppen
is, om redenen die ik al eerder heb genoemd. Het is onverstandig voor het klimaat,
voor de economie en voor onze veiligheid. De RVO kijkt voor ons naar die subsidies.
We houden daar natuurlijk de bredere doelstelling voor ogen. Als er in de vormgeving
iets kan worden gedaan om de netcongestie te verminderen, of in elk geval de problemen
niet te vergroten, dan zal ik dat niet nalaten. De subsidies dienen echter natuurlijk
een groter doel.
Voorzitter. De heer Van den Berg vroeg mij waarom we woonwijken niet weer op gas gaan
aansluiten. Dat is echt een tegengestelde beweging op de energietransitie die we hebben
ingezet. We gaan toe naar een onafhankelijk en duurzaak energiesysteem. We gaan woonwijken
dus niet weer opnieuw aansluiten op gas. In het kader van de aanpak van netcongestie
voeden we soms wel tijdelijk op specifieke locaties en op een heel beperkt aantal
momenten meer gasgestookte flexibele opwek in het net in, om het probleem van netcongestie
te verzachten of om te voorkomen dat we tot veel ingrijpendere maatregelen moeten
overgaan. Ik zeg er wel bij dat we dat bij voorkeur niet doen, en als het nodig is
slechts tijdelijk en kortdurend.
De heer Van den Berg (JA21):
Dat brengt mij toch tot de vraag wanneer we wel de luxe hebben om ons daaraan te onttrekken.
In de verschillende inbrengen zeiden we al dat we op dit moment 10 tot 40 miljard
euro aan economische waarde mislopen. Kortom, is het niet juist nu het moment om te
zeggen dat we dat moeten gaan inzetten? De gevolgen daarvan zijn zo groot dat we ons
dat niet kunnen permitteren. Beter zelfs: als je meegaat in de vaart van de energietransitie
die dan nodig zou zijn, dan heb je dat geld juist nodig om het te kunnen betalen.
Minister Hermans:
Toen we in 2015 het Akkoord van Parijs ondertekenden, hebben we ons gecommitteerd
aan een afspraak voor 2050. Daar hoort bij dat wij weg bewegen van het gebruik van
fossiele brandstoffen en het gebruik van hernieuwbare energie gaan opbouwen. Het is
door de oorlog in Oekraïne heel pijnlijk zichtbaar geworden hoe belangrijk het is
dat ons energiesysteem onafhankelijk wordt. We zien nu wat er gebeurt als je heel
erg afhankelijk bent van een bepaalde vorm van energie van een ander land, en wat
dat kan doen met de prijzen. Breder dan dat zien we nu een internationale concurrentiepositie,
waarin we ook onder grote druk staan. Ik ben ervan overtuigd dat investeren in eigen
schone, groene energie van dichtbij een van de factoren gaat zijn die echt het onderscheidende,
concurrerende verschil gaat maken voor Europa ten opzichte van de rest van de wereld.
Dat is allemaal niet van vandaag op morgen gerealiseerd. We hebben daar echt nog wel
een tijd voor nodig. Ik ben het dus met de heer Van den Berg eens dat we gas nodig
hebben in de energietransitie. We hebben het nodig om die transitie te kunnen maken.
We kunnen namelijk niet morgen stoppen met gas, want dan zitten heel veel huizen in
de kou, vallen productieprocessen stil en doen we onze economie de das om. Dat laat
onverlet dat we die transitie in gang hebben gezet. Ik zei daarom net al dat het onomkeerbaar
is. Ik ben ook blij dat het onomkeerbaar is, want het is van groot belang. Maar we hebben het gas nog nodig in de
komende jaren. We bouwen het wel af. We bewegen weg van fossiel en we bewegen toe
naar hernieuwbaar. Dat is de beweging waar we in zitten. We moeten dat op een verstandige
en realistische manier doen, zodat we ook in de samenleving, bij huishoudens en bij
onze ondernemers het draagvlak houden om dit met z’n allen voor elkaar te krijgen
in de komende 25 jaar die we nog hebben.
De voorzitter:
Dit roept een vraag op van de heer Jumelet.
De heer Jumelet (CDA):
Dat roept inderdaad een vraag op. Als het over gas gaat, dan gaat het bij mij direct
ook over groen gas. Wellicht is het nog wel een goed idee om juist in die transitieperiode
ook groen gas toe te passen. Mijn vraag aan de Minister is dus of zij dat ook zo ziet.
Minister Hermans:
Ja, daar ben ik het mee eens. Om die reden werken we aan een bijmengverplichting voor
groen gas. Het wetsvoorstel daarvoor is kortgeleden naar de Raad van State gestuurd.
Ik hoop dat we het snel terugkrijgen en dat ik het dan ook snel kan doorsturen naar
de Tweede Kamer. Het is de bedoeling dat die bijmengverplichting dan per januari volgend
jaar ingaat.
Voorzitter. De heer Kops vroeg mij nog naar het sluiten van de kolencentrales. Hij
vroeg of ik daarmee het probleem van netcongestie niet alleen maar erger maak en of
we de kolencentrales niet nog keihard nodig hebben in de hele situatie waar we in
zitten. Nee. Gascentrales of minder export zijn alternatieven voor de kolencentrales.
We hebben voldoende gascentrales om aan de vraag te voldoen. Deze alternatieven hebben
dezelfde effecten op het mitigeren van netcongestie als de kolencentrales.
Tot slot nog een vraag van de heer Kops. Hij zei, ik citeer: de krapte op het net
wordt vooral veroorzaakt door de snelle toename van duurzaam opgewekte energie en
het groeiende duurzame energiegebruik, terwijl de uitbreiding van de netcapaciteit
achterblijft. Hij vroeg: kan de Minister dat nog eens uitleggen? Je kunt toch niet
maar doorgaan met die uitrol van duurzame energie? Er is sprake van invoeringscongestie
en afnamecongestie. De invoeringscongestie komt door duurzame energie van wind en
zon. Tegelijkertijd kan het lokale gebruik van duurzame energie leiden tot een beter
gebruik van het net. Het is dus zaak om opwek en gebruik beter met elkaar in samenhang
te brengen en niet om de uitrol van duurzame energie te vertragen. Integendeel, zou
ik willen zeggen.
De voorzitter:
Daarmee komt de Minister aan het einde van haar eerste termijn. Wij gaan gelijk over
naar de tweede termijn. De spreektijd is 1 minuut en 40 seconden per persoon. Ik stel voor om maximaal één interruptie op elkaar te doen.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Ik zou graag een tweeminutendebat willen aanvragen.
Ik ga gelijk over tot mijn bijdrage. Ik begon mijn bijdrage van vandaag ermee dat
we netcongestie niet als geïsoleerd probleem zouden moeten zien en dat we ook sterk
zouden moeten sturen op de economie van de toekomst. De antwoorden van de Minister
over prioritering blijven voor mij dan ook wat onbevredigend, omdat we toch voor een
hoop vraagstukken staan. Hoe zorgen we ervoor dat een woonwijk voorrang krijgt boven
een datacenter? Hoe zorgen we ervoor dat bedrijven die echt passen in de economie
van de toekomst – ik denk dan bijvoorbeeld aan een batterijenpark of een bedrijf voor
circulaire zonnepanelen – voorrang krijgen boven bijvoorbeeld een raffinaderij? Hier
moet de Minister toch op kunnen en willen sturen? Laat ik het anders stellen: op welke
manier kan de ambitie op het gebied van verduurzaming van bedrijven die op de wachtlijst
staan, worden meegenomen in de investeringsplannen van netbeheerders? Het lijkt mij
heel logisch dat er ook op deze manier wordt geprioriteerd. Wat vindt de Minister
van het idee dat bedrijven met een klimaatplan voorrang zouden moeten kunnen krijgen?
We hadden het eerder al even over het gebiedsfonds. De Minister stelde dat natuurcompensatiemaatregelen
al moeten worden genomen. Ik heb het nog even nagekeken. Het gaat mij niet slechts
om Natura 2000-gebieden, maar om álle natuur. Klopt het dat de natuurvergunning alleen ziet op de Natura 2000-gebieden?
We hadden het ook eventjes over het versnellingspakket. Goed dat er vaart wordt gemaakt
met de lopende maatregelen. Is daarmee het hele pakket uitgevoerd? Zo nee, wanneer
kunnen we dan de rest van de maatregelen verwachten?
Misschien tot slot. Het ging net even over klimaatsubsidies. Daar staan natuurlijk
ook een heleboel fossiele subsidies tegenover. We zitten in een internationale coalitie
om die uit te faseren. Is de Minister het met mij eens dat we subsidies voor vervuilende
bedrijven en sectoren met slechts een beperkte economische toegevoegde waarde zouden
moeten schrappen om zo ruimte te maken voor de innovatieve en meer energiezuinige
sectoren van de toekomst?
Dank u wel.
De voorzitter:
Ik zie dat er een interruptie is van de heer Van den Berg.
De heer Van den Berg (JA21):
Ik ga gewoon doen alsof ik helemaal niet snap wat mevrouw Van Oosterhout zegt. Wat
zijn «fossiele subsidies» precies? Kunt u dat eens definiëren?
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Daar zou ik heel graag een kopje koffie met u over willen drinken. Volgens mij kunnen
we daar een hele middag over doorspreken. Fossiele subsidies zijn belastingvrijstellingen
en allerlei andere financiële voordelen die bedrijven op dit moment krijgen, waarmee
fossiel nog steeds wordt gestimuleerd. Het hangt een beetje af van welke inschatting
je pakt, maar het kan oplopen tot wel 50 miljard. Als we toegaan naar de economie
van de toekomst, dan is het heel belangrijk dat we dit zo snel mogelijk gaan afbouwen.
Ik weet dat de Minister in een internationale coalitie zit om dit af te bouwen, maar
volgens mij moeten we daar nog veel meer vaart mee maken.
De voorzitter:
Ik heb één interruptie toegestaan in deze tweede termijn. Ik geef het woord aan de
heer Klos voor zijn bijdrage.
De heer Klos (D66):
Dank u wel. Volgens mij spreekt uit dit debat in ieder geval een enorme gedeelde urgentie,
met uitzondering van de partijen, zoals Minister Hermans ook zegt, die zich keren
tegen de wetenschappelijke consensus over de opwarming van de aarde of die in ieder
geval de elektrificatie van de economie om dat te voorkomen, afwijzen.
De Minister legt in dit debat een vrij hoge druk op wat er in januari kan worden verteld
over zo ongeveer alles. Dat wordt een drukke kerstvakantie voor Minister Hermans.
We gaan in januari horen over de snelle uitrol van flexibele contracten, over de normalisering
van energy hubs en zelfs over de handhaving van de energiebesparingsplicht. Daar zie
ik zeer naar uit.
Ik heb genoteerd dat de Minister steeds heeft gezegd dat we moeten sturen in de mist.
De officiële aanwijzing van de ANWB als er mist ontstaat, is dat je je afstand moet
verdubbelen en dat je je snelheid moet halveren. Ik denk dat er van u een huzarenstukje
wordt gevraagd, namelijk om precies het tegenovergestelde te doen: u moet de afstand
halveren en de snelheid verdubbelen. Ik zie zeer uit naar januari, wanneer dat gaat
gebeuren.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dat roept een vraag op van mevrouw De Vos.
Mevrouw De Vos (FVD):
Mijn naam werd niet expliciet genoemd, maar ik vermoed dat het aan mij geadresseerd
was. Ik wil dit toch even rechtzetten. Forum voor Democratie voelt een enorm grote urgentie als het gaat om dit onderwerp, maar wij vinden
dit beleid niet de oplossing. Sterker nog, dat maakt het alleen nog maar erger. Wij
zien ook dat er klimaatverandering bestaat, maar dat is altijd al zo geweest. Dat
wilde ik toch even rechtzetten.
De voorzitter:
Daar mag de heer Klos nog op reageren.
De heer Klos (D66):
Begrijp ik het goed dat Forum voor Democratie wél de rol van de mens in de opwarming
van de aarde erkent?
De voorzitter:
Voorzitter ... Nee, wacht, dat ben ik zelf! We gaan nu niet weer naar een interruptie
van mevrouw De Vos. Ik stel voor dat er sowieso een kopje koffie gedronken moet worden.
Dit zal vast in nog heel veel debatten terugkomen.
De heer Klos (D66):
Ik vond het een hele interessante ontwikkeling!
De voorzitter:
De heer Jumelet.
Mevrouw De Vos (FVD):
Ik wil wel een misverstand voorkomen. Zoals u het zegt, is niet zoals wij het zien.
Ik blijf bij wat ik er net over heb gezegd.
De voorzitter:
Goed.
De heer Peter de Groot (VVD):
Ik heb een interruptie voor de heer Klos van D66. Ik wilde ook het punt van de mist
gebruiken. Dat ga ik zo meteen ook doen. Ik hoorde de heer Klos zeggen: niet de snelheid
matigen, maar juist versnellen. Ik wil dit even toetsen bij de heer Klos. We zien
in de afgelopen tijd vaker dat er gepredikt wordt dat er meer moet gebeuren. Dat willen
we natuurlijk allemaal, maar met meer doelen zijn we niet geholpen. We zijn geholpen
met meer uitvoeringsperspectief in de mist. Ik wilde dit even verifiëren bij de heer
Klos. U pleit toch niet voor extra doelen en meer maatregelen? Misschien zouden we
zelfs wat meer adaptief moeten zijn.
De heer Klos (D66):
Ik blijf wel voor doelen, omdat ik graag wil dat het meetbaar wordt wat we aan het
doen zijn. Volgens mij heeft de Minister in dit debat ook toegezegd dat ze de Kamer
zal informeren over wat het meetbare doel is om de wachtrij te verkorten voor bedrijven
die een aansluiting willen en dat ze ons zal informeren over hoe snel we dat doen.
In die zin ben ik daar dus wel voor.
De voorzitter:
Goed. De heer Jumelet.
De heer Jumelet (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Ik dank de Minister voor alle antwoorden. Er waren best veel
vragen, dus er waren ook heel veel antwoorden. Dank u wel daarvoor.
Ik denk dat het goed is om te constateren dat er veel op de rails staat en dat er
aan veel zaken wordt gewerkt. Dat gebeurt met heel veel partners, ook in de provincies
en gemeentes. Ik denk dat het goed is om dat nog een keer hier te constateren. De
urgentie is net al benoemd. Wij ervaren dat ook zo. Ik heb zelf nadrukkelijk het woord
«inzicht» genoemd. Dat kan helpen om tot impact te komen en om vervolgens ook draagvlak
te behouden voor de hele ontwikkeling, de energietransitie, waar we met elkaar in
zitten, met het oog op de klimaatdoelen.
Ik constateer dat wanneer we buiten deze ruimte komen, we heel vaak bijna niet meer
kunnen uitleggen wat er allemaal aan de orde is en wat er allemaal moet gebeuren.
Ik wil nog een keer aangeven dat het ontzettend belangrijk is dat we daar oog voor
hebben en dat we daar aandacht aan geven in de gesprekken met de netbeheerders en
met anderen.
Dank voor de beantwoording. Ik wil in ieder geval dat we «inzicht naar impact» vertalen
naar de mensen buiten dit huis om zo te kunnen rekenen op draagvlak.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dan de heer Vermeer.
De heer Vermeer (BBB):
Dank u wel, voorzitter. Ook de Minister bedankt, voor de antwoorden die we hebben
gekregen. Het werd al eerder hier in het debat genoemd dat ook de duurzame opwekking
zorgt voor extra krapte op het net. Dat is de reden dat wij er nog steeds voor pleiten
om daar een pauze voor in te stellen. Ik heb al vaak het voorbeeld genoemd dat wanneer
alle lampjes op het dashboard rood branden, je juist niet gaat versnellen en extra
gas geven. Dan zet je je auto langs de kant aan ga je er eerst een techneut naar laten
kijken voordat je verder rijdt.
We zullen de komende tijd nog meer aandacht aan dit onderwerp besteden, ook al omdat
nieuwe internationale onderzoeken weergeven dat het geleverde vermogen van windmolens
op zee tegen blijkt te vallen. Als er in onze netcongestievoorspellingen echter wel
met die hogere productie wordt gerekend, zijn we op dit moment misschien verkeerd
aan het prioriteren en kunnen we misschien meer ruimte geven.
Daar wil ik het nu bij laten.
De voorzitter:
Dan de heer Peter de Groot.
De heer Peter de Groot (VVD):
Voorzitter. Ook van mijn kant dank voor de brede beantwoording door de Minister en
voor de ambtelijke ondersteuning. Ik denk dat sturen in de mist, bezig zijn met een
transitie waarvan je niet precies weet hoe die verloopt, best wel moeilijk is. Dat
merken we met elkaar als we proberen inzicht en duidelijkheid te krijgen. Ik denk
dat we wel de goede kant op gaan en dat de Minister veel doet. Ik heb een aantal dingen
gehoord zoals extra geld ter ondersteuning van de vliegende brigade. Ik denk dat je
echt naar de uitvoering toe moet.
Er worden nu veel initiatieven ontplooid en ik zou graag willen dat we die niet kwijtraken.
Er zit veel energie in de provincies. Ik heb op veel van mijn vragen antwoord gehad,
maar er is een punt waar ik nog een beetje over twijfel, namelijk: hoe kunnen we die
kracht, die ook van onderaf komt, met elkaar beetpakken? Kijk bijvoorbeeld naar wat
er gebeurt in Flevoland, waar inzicht wordt geboden in wat er precies nodig is, of
naar het expertisecentrum waar ik het al over had. Ik probeer op dit punt nog uit
te puzzelen wat we met elkaar nodig hebben om ervoor te zorgen dat we dat goed overeind
houden en dat we daar de energie bij houden. Ook hoorde ik dat we 1 januari 2027 het
addendum op de Energiewet krijgen. Hoe kunnen we in de tussentijd de juridische zekerheid
borgen voor initiatieven?
Ik ben dus vooral op zoek naar waar we op praktisch niveau adaptief moeten zijn om
dingen te laten slagen. Ik noemde al het voorbeeld van de bovenleiding van ProRail
gebruiken. Zo worden er misschien wel duizenden dingen bedacht. Hoe kunnen we die
omarmen en bundelen? Ik denk dat er toch echt lokale experticecentra voor nodig zijn
om dat aan de gang te krijgen. Ik wik en weeg nog even of ik daarover met een motie
wil komen.
De voorzitter:
Ik geef het woord aan de heer Van den Berg.
De heer Van den Berg (JA21):
Voorzitter. Allereerst dank aan de Minister voor het zorgvuldig beantwoorden van alle
vragen en voor het goede debat. Ik heb geen vraag meer aan de Minister, maar wil toch
even mijn afdronk geven van dit eerste commissiedebat.
Ik hoop van harte dat we de komende tijd met elkaar een debat kunnen voeren. Ieder
heeft natuurlijk een andere wens over waar we heen moeten gaan en hoe snel dat moet.
Maar ik denk dat het heel goed zou zijn voor het beleid het komende jaar als we wel
blijven kijken naar wat er mogelijk is en we daar pragmatisch mee omgaan. Neem het
voorbeeld van de hybride warmtepomp. Daarmee kun je een gedeelte elektrificeren maar
behoud je een opening voor gas, zodat dat netwerk in stand blijft. Dat betekent niet
gelijk dat je dan tegenover elkaar komt te staan, maar wel dat je kijkt naar wat mogelijk
is binnen de huidige techniek. Ik denk dat dat heel goed zou zijn voor ons energiesysteem
en dat we dan sneller ergens komen dan wanneer we bijvoorbeeld weer een doel opleggen
dat mooi is op papier maar waar we in de praktijk helemaal niet kunnen komen. En ik
concludeer ook dat er heel veel kopjes koffie gedronken gaan worden.
Tot zover.
De voorzitter:
Tot slot mevrouw De Vos.
Mevrouw De Vos (FVD):
Dank, voorzitter. Dank ook aan de Minister. Ik had in eerste instantie weinig toe
voegen aan mijn betoog, maar de woorden van de heer Klos inspireerden mij toch om
nog een paar woorden te zeggen over het fundamentele punt waarin Forum voor Democratie
inderdaad verschilt van alle partijen in deze zaal, namelijk het punt dat wij zien
dat klimaatverandering van alle tijden is, dat het maar zeer de vraag is in welke
mate de mens daar een doorslaggevende invloed op heeft en dat we in ieder geval kunnen
constateren dat een groot deel van de rest van de wereld, eigenlijk iedereen buiten
Europa, niet meedoet aan deze energietransitie. Zo is Trump uit het klimaatakkoord
gestapt en bouwt China iedere week twee kolencentrales.
De gevolgen voor de Europese Unie zijn heel zichtbaar: we hebben een verslechterende
concurrentiepositie en in Nederland hebben we last van netcongestie. We zien ook dat
we veel afhankelijker zijn geworden van het buitenland sinds het Groninger gasveld
is gesloten. Je kunt er nog zoveel positieve energie, om in de woorden van de heer
Klos te spreken, tegenaan gooien, maar de betrouwbaarheid van onze energievoorziening
en daarmee van onze welvaart staan op het spel. Ik zit hier om mij daartegen te verzetten.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dat roept een interruptie op van de heer Klos.
De heer Klos (D66):
Wat ik daar zo onverantwoord aan vind, is het volgende. Stel, in een normale huiselijke
situatie, bijvoorbeeld in je eigen straat, staat een huis in brand. Er komen allemaal
mensen met grote emmers water om die brand te blussen. De ene emmer is groter dan
de andere. U zegt: ons emmertje is heel klein, dat doet er niet toe; we zouden niet
moeten helpen. Dat is toch een gekke redenering? Hoe klein je emmertje ook is, je
gaat toch helpen blussen? Het is toch onvriendelijk en bijna strafbaar idioot om dat
niet te doen? Ik snap niet, uit morele overwegingen, uit overwegingen voor de toekomst,
maar ook gewoon uit normaal gedrag, dat u het niet omarmt om op deze manier om te
gaan met de opwarming van de aarde. Ik zie uit naar de vele debatten die wij hierover
op een heel fundamentele manier zullen gaan voeren.
De voorzitter:
Voordat ik het woord geef aan mevrouw De Vos, wil ik de heer Klos vragen om via de
voorzitter te spreken.
De heer Klos (D66):
Ja.
De voorzitter:
Dan mevrouw De Vos.
Mevrouw De Vos (FVD):
Ik vraag me af of de vergelijking van het emmertje en het brandende huis opgaat. Allereerst
omdat het nog maar zeer de vraag is of het huis wel in brand staat; dat was mijn eerste
punt. Ten tweede kun je er wel een emmertje water tegenaan gooien, maar als de rest
van de wereld ondertussen bezig is om het vuur verder op te stoken en als dat eigen
emmertje jou ontzettend veel geld kost, zoals nu het geval is, wordt het een heel
andere situatie. Dan wordt het misschien helemaal niet zo verstandig om dat emmertje
water naar dat brandende huis te vervoeren. Dus ik blijf bij mijn standpunt. Ik vind
het ongelofelijk dom, om het toch maar even in die bewoordingen te zeggen, dat Europa
zichzelf zo in de voet schiet, terwijl, nogmaals, de rest van de wereld niet meedoet,
maar door blijft gaan met groeien. Wij lopen totaal achter de feiten aan.
De voorzitter:
Goed. Ik sluit dit voor nu en ik verzeker de leden dat dit onderwerp, of in ieder
geval de mogelijkheid om het over dit onderwerp te hebben, nog heel vaak terug zal
komen. We gaan schorsen. De Minister heeft aangegeven tien minuten nodig te hebben.
We gaan dus tot 19.00 uur schorsen.
De vergadering wordt van 18.53 uur tot 19.01 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. De Minister doet de beantwoording van de tweede termijn.
Minister Hermans:
Voorzitter, dank. Ik begin met de vragen van mevrouw Van Oosterhout. Ik doe eerst
de natuurvragen. Daar waar er sprake is van een energieproject in een Natura 2000-gebied
hebben we gewoon de verplichting om daar de maatregelen te nemen die we moeten nemen.
Daarbuiten geldt dat als beschermde diersoorten zich laten zien in zo’n project –
denk aan de pad en de bever; er zijn al allerlei voorbeelden geweest – TenneT maatregelen
moet nemen om de beschermde diersoort te beschermen. Zo is in de processen ingebouwd
dat natuurmaatregelen genomen worden.
Dan de discussie over het prioriteringskader en bedrijven die echt bezig zijn met
verduurzaming. Ik hecht eraan om nog even heel goed onderscheid te maken tussen twee
verschillende elementen, namelijk de infrastructuur en de aansluiting. Het prioriteringskader
gaat over wie er prioriteit heeft bij het verkrijgen van een aansluiting. De ACM maakt
dat prioriteringskader. Dan hebben we de investeringsplannen van de netbeheerders.
Daarin wordt bepaald waar infrastructuurprojecten worden opgezet en waarin wordt geïnvesteerd.
Daarop kunnen wij sturen via het MIEK. In het MIEK worden projecten geselecteerd die
natuurlijk, zou ik daarbij willen zeggen, bedoeld zijn om de energietransitie voor
elkaar te krijgen.
Dan hebben we ook nog de vraag van mevrouw Van Oosterhout hoe we ervoor zorgen dat
woningbouw boven een datacentrum gaat. Volgens mij was dat het letterlijke voorbeeld
dat zij gaf. Dit is dus de kern van het prioriteringskader. Nogmaals, dat gaat over
de aansluitingen. Een woonwijk, woningbouw, of een congestieverzachtend project, zoals
een batterijpark, dat ook even voorbijkwam, gaat boven een datacentrum of een andere
aanvrager die niet in de prioritaire categorieën valt. Dit dus nog even om het onderscheid
duidelijk te maken tussen hoe in de projecten wordt geprioriteerd en hoe het bij de
aansluiting zit en wat nou het doel is van de aansluiting en het prioriteringskader.
Dat is juist om de woonwijken of congestieverzachters voorrang te geven.
Mevrouw Van Oosterhout vroeg nog naar de fossiele subsidies. De coalitie waar Nederland
initiatiefnemer van is, werkt gestaag door. We hebben ook nog een bijeenkomst gehad
op de klimaattop in Brazilië vorige week. Je ziet dat landen of in de fase zitten
dat ze hun lijst van subsidies moeten publiceren, of dat gedaan hebben en nu kijken
hoe ze met de afbouw van fossiele subsidies aan de slag gaan. Nederland heeft daar
een plan voor gepresenteerd, waar ook ons afwegingskader in zit. Nu is het wachten
op de andere leden die dat gaan aanvullen, zodat we ook ervaringen kunnen uitwisselen
– dat is het derde doel dat we met de coalitie hebben. Dat is ook een reden dat we
met Colombia en een aantal andere landen die conferentie in april organiseren. Die
ziet breder dan het instrument voor de afbouw van fossiele subsidies. Die gaat echt
over de vraag: hoe beweeg je nou op een goede, ordentelijke, zorgvuldige, realistische,
zeg ik in de richting van de heer Vermeer, manier weg van die fossiele brandstoffen?
Ik vind het belangrijk om dat in internationaal verband te doen, omdat dit rechtstreeks
verband houdt met onze internationale concurrentiepositie. Volgens mij heb ik daarmee
de vragen van mevrouw Van Oosterhout uit de tweede termijn beantwoord.
Dan kom ik bij de heer Klos, die een drukke januarimaand voorziet. Dat klopt; er komen
een heleboel brieven. Aan een heel aantal wordt ook al een tijd gewerkt, dus dat hoeft
niet allemaal tijdens de kerstvakantie.
De heer Klos ging nog in op mijn metafoor van de mist. Je moet altijd oppassen met
metaforen; daar ben ik mij van bewust. Laat ik het kernachtig samenvatten: we zijn
een transitie aan het doen die we in deze omvang op deze manier nog nooit gedaan hebben.
Elke transitie gaat gepaard met onzekerheid; dat is inherent aan een transitie. De
kernvraag is steeds hoe we omgaan met die onzekerheid. Hoe zorg je ervoor dat je zo
veel mogelijk informatie, kennis, data en noem maar op vergaart en op basis daarvan
handelt? Maar dat er onzekerheid is en onbekendheden zijn en zullen blijven, is een
gegeven. Zaak is dan om niet te stoppen en dat als argument gebruiken om niks te doen
– want er is altijd een argument om niks te doen – maar om te bezien hoe je met die
onzekerheid omgaat en toch weer een stap vooruit zet.
In dat kader sluit ik me aan bij wat de heer Jumelet zei, namelijk dat je daarbij
continu oog moet blijven houden voor draagvlak. Het heeft immers geen zin om vooruit
te rennen en ondernemers en huishoudens, iedereen, kwijt te raken. Dit gaat alleen
maar lukken als we het met z’n allen doen. Dat neemt niet weg dat je soms elkaar even
een duwtje moet geven of een hobbeltje over moet duwen. Maar het moet wel samen gebeuren.
Tegen de heer Vermeer zeg ik: realistisch, absoluut. We moeten oog hebben voor wat
er in de wereld om ons heen gebeurt. Een tegenslag is echter geen argument om te stoppen,
maar een argument om te kijken hoe we het oplossen. Hoe stropen we de mouwen op en
gaan we verder?
Dan de heer De Groot. Ik ben even aan het zoeken naar waar de heer De Groot precies
naar op zoek is. De heer De Groot zelf ook, begrijp ik. Nou, dan gaan wij koffiedrinken.
Dat lijkt me dan de beste oplossing. Laat ik er twee dingen over zeggen. In de hele
aanpak is elk goed idee – volgens mij zei ik dat al in mijn inbreng – of dat nou lokaal,
provinciaal of landelijk bedacht wordt, een goed idee. Ik vind dat we moeten kijken
hoe we dat kunnen opschalen. Hoe kun je het zo standaardiseren dat het ook op andere
plekken kan worden ingezet? De heer De Groot noemde tot twee keer toe het voorbeeld
van ProRail of van spanning op het spoornetwerk. Specifiek hierover: we zijn in gesprek
met de ov-sector over hoe je elektriciteit die in het ov beschikbaar is en niet op
alle momenten gebruikt wordt, beschikbaar kunt stellen voor bijvoorbeeld bedrijven.
Daar zitten wel allerlei technische ingewikkeldheden aan. Die zijn voor een later
moment. Maar daar wordt doorlopend aan gewerkt. Die toezegging kan ik dus doen. Wij
blijven ideeën ophalen uit regionale en lokale expertisecentra. Als de heer De Groot
nog iets wil of meer wil, dan moet hij mij dat duidelijk maken. Dit is wat ik hierover
kan zeggen.
De heer Peter de Groot (VVD):
Het gaat er meer om dat we met elkaar geconstateerd hebben in dit debat dat het gaat
van idee en beleid naar uitvoering en dat de uitvoering plaatsvindt op gemeentelijk
niveau, waarbij de provincies ondersteunen. Neem het voorbeeld van Flevoland. Ik werk
graag met voorbeelden, omdat het dat heel tastbaar maakt, maar dat heeft wel het risico
in zich dat het dan over dat ene voorbeeld gaat. Maar dit speelt natuurlijk in het
hele land. De provincie Flevoland heeft gewoon mensen aan het werk gezet om dit bij
elkaar te brengen, om inzicht te geven. Dit kost ook gewoon geld. Hoe zorgen we ervoor
dat dit soort dingen overeind blijven? Het kost eigenlijk steeds meer inspanning om
te komen tot het vervolmaken van dit proces, deze transitie, in de praktijk. Soms
moet je dan denk ik ook zeggen dat je een en ander gaat ondersteunen – met geld of
met een vliegend team, zoals de Minister al doet. Ik krijg steeds meer signalen dat
het daar wel knelt in de provincies. We vragen steeds meer van de provincies en tegelijkertijd
leveren we daar niet altijd bij wat daarvoor nodig is. Misschien moeten we hier op
een ander moment nog eens over doorpraten. Ik wil graag mee helpen duwen richting
transitie, maar ik wil niemand voor de voeten lopen.
Minister Hermans:
In algemene zin zie ik dat bij provincies en bij gemeenten overal keihard wordt gewerkt,
in allerlei verschillende verbanden. Iedereen zal geholpen zijn met meer geld, overigens
ook met meer capaciteit of met handjes, die er ook niet altijd zijn. Geld is ook schaars.
Dat geldt lokaal, regionaal en ook landelijk. Ik zeg niet dat ik per definitie niet
bereid ben om goede initiatieven te ondersteunen, maar ik kan hier ook niet toezeggen
dat ik dat ga doen. Zo hoor ik de vraag van de heer De Groot ook niet. Ik denk wel
dat het aan ons is om steeds goed te kijken wat voor initiatieven er zijn en met wat
voor steun, financieel of misschien soms wat inhoudelijke ondersteuning, ook vanuit
het Rijk, je die initiatieven in de benen kunt houden.
De voorzitter:
Dit roept een vraag op van de heer Vermeer.
De heer Vermeer (BBB):
Dank u wel, voorzitter. Het is eigenlijk meer een opmerking ter ondersteuning van
de heer De Groot. De provincies en gemeentes moeten opboksen in de overleggen tegen
alle technische kennis van TenneT en regionale netbeheerders. Die kunnen dat gewoon
in hun tarieven verwerken, terwijl het voor de lokale overheden alleen maar kosten
zijn. Ik denk dus dat we daar echt iets mee moeten doen, maar daar zal in het tweeminutendebat
vast een voorstel voor komen.
Minister Hermans:
Dan wachten we dat voorstel af.
De heer Van den Berg had geen vragen meer.
Mevrouw De Vos maakte een opmerking over China. Ik wil daar alleen over zeggen dat
het prima is om een voorbeeld te noemen, maar noem dan ook beide kanten: de gigantische
productie van hernieuwbare energie die daar ook plaatsvindt.
Voorzitter. Dat gezegd hebbend, heb ik volgens mij alle vragen beantwoord. Ik realiseer
me dat dit echt een ingewikkeld vraagstuk, een probleem is en dat het ook niet de
laatste keer is dat wij hierover debatteren. Het is belangrijk dat we hier met man
en macht aan doorwerken, want het vertraagt op dit moment zowel in de economie als
in de energietransitie en dat kunnen we niet hebben.
Dank u wel.
De voorzitter:
Ik zie nog een vraag van mevrouw De Vos. Dat is dan de laatste vraag van het debat.
Mevrouw De Vos (FVD):
Ik wil toch even reageren op de laatste opmerking. Ik wil daar best aan toevoegen
dat China inderdaad nu voor het eerst een thoriumcentrale heeft geopend. Daar zijn
wij ook groot voorstander van en daar hebben wij een debat over aangevraagd. Ik hoop
van harte dat het kabinet daarmee aan de slag gaat, dus bij dezen heb ik dat toegevoegd.
Minister Hermans:
Ik heb daar verder geen toevoeging op, behalve dat ik geloof in een energiemix in
Nederland waar alles in zit: zon, wind en kernenergie.
De voorzitter:
Goed. Daarmee is dit debat afgerond. Dan ga ik even de toezeggingen doornemen. Er
is een tweeminutendebat aangevraagd door mevrouw Van Oosterhout en er zijn zeven toezeggingen
gedaan door de Minister.
− In januari informeert de Minister de Kamer over de eerste uitkomsten van de gesprekken
met de betrokken partijen over het beter faciliteren van flexibel gebruik van het
elektriciteitsnet.
− De Minister gaat nader in op de uitwerking van gedifferentieerde tarieven voor huishoudens.
Meerdere leden hebben daar om gevraagd, onder wie de heer Kops. De vraag is op welke
termijn dit gebeurt.
Minister Hermans:
Dat check ik even.
De voorzitter:
Oké.
− In januari wordt de Kamer geïnformeerd over gesprekken inzake gesloten distributiesystemen.
Dat was een vraag van de heer Flach.
− De Minister informeert de Kamer over het stikstofprogramma gericht op energieprojecten.
Dat is ook een toezegging aan de heer Flach.
Welke termijn zit daarbij?
Minister Hermans:
Februari.
De voorzitter:
Oké, februari.
− Medio 2026 informeert de Minister de Kamer over het standaardiseren van procedures
rondom mobiele opslagsystemen. Wederom een toezegging aan de heer Flach.
Minister Hermans:
Wat ik heb toegezegd medio ’26 ... Nee, dat was aan de heer De Groot in de brief van
maart. Ik kijk heel even.
De voorzitter:
Zal ik ondertussen doorgaan met voorlezen? De Minister kan multitasken.
− In de voortgangsrapportage over netcongestie die eind maart verschijnt, wordt ook
ingegaan op het onderzoek van RVO over de negatieve effecten van subsidies op netcongestie.
Dat was een toezegging aan mevrouw De Vos.
Tot slot.
− De Minister informeert de Kamer over de instrumenten voor lagere overheden voor betere
lokale afstemming van vraag en aanbod. Dat is een toezegging aan de heer De Groot.
Ook daarbij is de vraag: wanneer?
Minister Hermans:
Dat over decentraal kan in de brief over decentraal van eind januari. Dat van de mobiele
opslagsystemen klopt. Dat was medio ’26. Dat gaat over het standaardiseren en verbeteren
van de vergunningsprocessen. Dus dat klopt. De tarieven zal ik meenemen in de voortgangsrapportage
over netcongestie van maart.
De voorzitter:
We hebben we volgens mij ook nog het stikstofprogramma.
Minister Hermans:
Dat is februari.
De voorzitter:
Oké. Dan is de administratie op orde. Dan dank ik alle aanwezigen en de Minister en
sluit ik hierbij de vergadering.
Sluiting 19.17 uur.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
S.C. Kröger, voorzitter van de vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei -
Mede ondertekenaar
D.S. Nava, griffier