Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Synhaeve over misstanden in de pleegzorg
Vragen van het lid Synhaeve (D66) aan de Staatssecretarissen van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Justitie en Veiligheid over misstanden in de pleegzorg (ingezonden 19 november 2025).
Antwoord van Staatssecretaris Rutte (Justitie en Veiligheid), mede namens de Staatssecretaris
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (ontvangen 2 december 2025).
Vraag 1
Bent u bekend met het AD-artikel «Pleegkinderen geslagen, aan oren getrokken en door
hond gebeten»?1
Antwoord 1
Ja
Vraag 2
Hoe beoordeelt u het feit dat nogmaals kinderen die voor hun veiligheid uit huis zijn
geplaatst, jarenlang ernstig konden worden mishandeld zonder dat toezichthoudende
instanties ingrepen? Erkent u dat het hier niet gaat om een eenmalig incident, maar
dat er sprake is van breder en vaker gesignaleerde problemen binnen de jeugdbeschermingsketen?
Antwoord 2
Kinderen die om welke reden dan ook niet meer thuis kunnen wonen, moeten kunnen rekenen
op veiligheid, zorg en liefde op een andere plek. Dat brengt een grote verantwoordelijkheid
met zich mee. De gebeurtenissen in het pleeggezin in Vlaardingen en de recente berichten
over de kinderen in het gezinshuis in Noord-Nederland raken ons zeer. Wat er precies
is voorgevallen in het gezinshuis, is aan de inspecties om te onderzoeken. De Inspectie
Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) doet momenteel onderzoek naar de veiligheid en de kwaliteit
van de jeugdhulp. Daarbij betrekt de IGJ ook de Inspectie Justitie en Veiligheid (IJenV),
en wordt verkend of er ook een rol is voor de Onderwijsinspectie. We zullen dit onderzoek
moeten afwachten om te beoordelen of er een relatie is met vaker gesignaleerde problemen
in de jeugdbeschermingsketen.
Dat de jeugdbeschermingsketen onder druk staat en dat er onvoldoende tijdige en passende
jeugdhulp is, is iets waar de inspecties al langere tijd aandacht voor vragen. Wij
erkennen dat er in de jeugdbescherming en jeugdhulp verbeteringen nodig zijn en zetten
ons hier ten volle voor in.
Vraag 3
Kunt u reflecteren op de kwaliteit van screening en monitoring van gezinshuizen, zorgboerderijen
en pleeggezinnen en hoe het komt dat kinderen herhaaldelijk worden geplaatst in onveilige
situaties waarin kindermishandeling, verwaarlozing of zelfs kinderarbeid plaatsvindt?
Antwoord 3
De kwaliteitscriteria gezinshuizen gaan onder meer in op kwaliteit van jeugdhulp in
gezinshuizen, de kennis en vaardigheden van gezinshuisouders en de samenwerking met
andere professionals. Daarin is opgenomen dat screening moet plaatsvinden op kennis
en vaardigheden voor professioneel opvoederschap. Het toetsen van de competenties
en geschiktheid gebeurt in principe door de zorgaanbieder of de franchiseorganisatie
(afhankelijk van loondienst of franchise).
Voor vrijgevestigde aanbieders draagt de gemeente – volgens de kwaliteitscriteria
gezinshuizen – zorg voor competentiegerichte toetsing van de gezinshuisouders voor
de start van een gezinshuis. De kerntaak van gezinshuisouders vergt hbo werk- en denkniveau
uitgaande van het Kwaliteitskader Jeugd (uitwerking van de norm verantwoorde werktoedeling),
en dus een SKJ-registratie of werken onder de verantwoordelijkheid van iemand met
een SKJ-registratie. Daarnaast is een Verklaring omtrent Gedrag (VOG) vereist.
Zorgboerderijen die zijn aangesloten bij de branchevereniging Federatie Landbouw en
Zorg hebben zich aan kwaliteitseisen, zoals opgenomen in het kwaliteitskader voor
de zorglandbouw gecommitteerd. Gemeenten kunnen bij de inkoop (aanvullende) kwaliteitseisenstellen.
Voor pleeggezinnen geldt dat aspirant-pleegouders een intensief voorbereidings- en
screeningstraject doorlopen dat door de pleegzorgaanbieder wordt uitgevoerd, om te
beoordelen of een pleeggezin geschikt is om een pleegkind te verzorgen en op te voeden.
Daarnaast moeten pleegouders in het bezit zijn van een door de Raad voor de Kinderbescherming
(RvdK) afgegeven Verklaring van geen bezwaar (VGB) om formeel pleegouder te kunnen
worden.
Om de kwaliteit van screening voor pleegouders te waarborgen, wordt het Kwaliteitskader
Voorbereiding en screening geëvalueerd. Daarnaast verkennen wij op dit moment de wenselijkheid
van verplichte periodieke of continue (justitiële) screening. Via de reguliere voortgangsrapportages
jeugd informeren we uw Kamer over de voortgang.
Screening is altijd een momentopname. Het is vooral belangrijk dat er goed zicht is
en blijft op de kwaliteit van zorg en veiligheid van kinderen die in pleeggezinnen,
gezinshuizen of in zorgboerderijen verblijven.
Vraag 4
Hoe verklaart u dat signalen van verwaarlozing, mishandeling en/of twijfels over de
pedagogische vaardigheden van opvoeders – die ook in deze zaak weer langere tijd bekend
waren – nog steeds niet of nauwelijks consequent worden opgepakt? Waarom is het signaleringssysteem
in de keten (zorg, onderwijs, voogdij) in de praktijk nog steeds niet sluitend? Welke
stappen zijn hier de afgelopen periode in genomen?
Antwoord 4
Professionals uit de sectoren onderwijs, gezondheidszorg, maatschappelijke ondersteuning,
jeugdzorg, kinderopvang en justitie zijn verplicht met de meldcode huiselijk geweld
en kindermishandeling te werken.
De vijf stappen van de meldcode bieden handelingsperspectief voor professionals als
zij huiselijk geweld of kindermishandeling vermoeden. Naast toepassen van de meldcode
heeft een aantal organisaties een specifieke rol en verantwoordelijkheid in het beoordelen
en onderzoeken van signalen over onveiligheid en het nemen en uitvoeren van maatregelen.
In de bijlage bij de Kamerbrief van 30 januari 2025 met de kabinetsreactie op de rapporten
van de inspecties over de hulp aan het meisje in het pleeggezin in Vlaardingen, wordt
hier uitgebreid op ingegaan.
Wat er precies is voorgevallen in het gezinshuis, is aan de inspectie om te onderzoeken.
Wij kunnen momenteel niet beoordelen of er juist gehandeld is op de aanwezige signalen.
Wel weten we dat er een melding over het gezinshuis is gedaan en dat de kinderen uit
het gezinshuis zijn gehaald.
Vraag 5
Welke maatregelen neemt u, en heeft u genomen, om de zorgen van de (biologische) ouders
serieuzer te nemen bij uithuisplaatsingen? Welke stappen zijn hier de afgelopen periode
in genomen en welke veranderingen binnen de jeugdbeschermingsketen zijn daardoor tot
stand gekomen? Ziet u voldoende ontwikkeling?
Antwoord 5
In het wetsvoorstel «Wet ter versterking van de rechtsbescherming in de jeugdbescherming»
wordt onafhankelijk toezicht op minderjarigen onder voogdij van de GI wettelijk geborgd.
Het beoogde doel van deze regeling is beter toezicht te houden op het geestelijk en
lichamelijk welzijn en de veiligheid van de minderjarige. Ook met de ouder(s) wordt
door de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) – in het kader van de evaluatie – periodiek
een gesprek gevoerd. In dit gesprek kunnen zij hun mening en ideeën over het welzijn
en de veiligheid van de minderjarige kenbaar maken. Als er gegronde zorgen uit dit
gesprek blijken dan kan de RvdK, als GI en RvdK een verschil van visie hebben en hier
onderling niet uitkomen, het visieverschil voorleggen aan de kinderrechter.
Vraag 6
In hoeverre is de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) met de huidige capaciteit,
instrumenten en werkwijze daadwerkelijk in staat om te monitoren of de veiligheid
van kinderen in de pleegzorg gewaarborgd blijft?
Antwoord 6
In algemene zin geldt dat GI’s verantwoordelijk zijn voor het uitvoeren van kinderbeschermingsmaatregelen
en daarmee een belangrijke taak hebben in het bewaken van de veiligheid van kinderen.
Dat houdt onder meer in dat zij risico’s moeten signaleren, beoordelen en (waar nodig)
passende stappen moeten zetten om de veiligheid te waarborgen. Ook de pleegzorgaanbieders
hebben hierin een verantwoordelijkheid. Hiervoor is de Richtlijn Pleegzorg opgesteld
waarin aanbevelingen over onder andere de veiligheid in pleeggezinnen is opgenomen.
Bij de IGJ zijn 44 fte inspecteurs werkzaam die toezien op de jeugdhulpaanbieders.
Dat maakt dat de IGJ weloverwogen keuzes moet maken over wat de IGJ wel en niet kan
doen. Dat noemen zij risico gestuurd toezicht. Om risico’s in beeld te brengen verzamelen,
analyseren en interpreteren ze informatie over zorgaanbieders. Hiervoor is de inspectie
afhankelijk van meldingen en signalen die zij ontvangt over pleegzorgaanbieders.
Vraag 7 en 8
Kunt u aangeven welke maatregelen volgens u nodig zijn om zowel het systeem op lange
termijn als de veiligheid voor kinderen in de jeugdbescherming op korte termijn aanzienlijk
te verbeteren?
Welke concrete stappen gaat u ondernemen om te voorkomen dat het systeem van jeugdbescherming,
dat bedoeld is om veiligheid te bieden, zelf een bron van onveiligheid en trauma wordt
voor kwetsbare kinderen?
Antwoord 7 en 8
We werken op verschillende manieren aan de verbetering van de jeugdbescherming. Zo
is er de afgelopen jaren geïnvesteerd in het verlagen van de gemiddelde workload bij
GI’s van 17 naar 12 kinderen, waardoor jeugdbeschermers meer tijd en aandacht hebben
voor de kinderen en gezinnen die zij begeleiden. Daarnaast wordt, zoals eerder aangegeven
in mijn antwoord op vraag 5, gewerkt aan het versterken van de rechtsbescherming van
ouders en kinderen.
Voor de lange termijn werken we in het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming
aan het verbeteren van het systeem van jeugdbescherming vanuit de basisprincipes:
gezinsgericht, eenvoudig, lerend, rechtsbeschermend en transparant. Met het Toekomstscenario
wordt een werkwijze ontwikkeld om gezinnen waar veiligheidsproblemen spelen eerder
en betere hulp en bescherming te bieden, gericht op samenwerking en gelijkwaardigheid
en met minder organisaties rond het gezin. Een werkwijze die er toe leidt dat de juiste
hulp aan kinderen én betrokken volwassenen wordt geboden, die beter beschermt en waardoor
minder gedwongen maatregelen nodig zijn.
Vraag 9
Kunt u deze vragen binnen afzienbare tijd – uiterlijk voorafgaand aan het volgende
debat over jeugdbeleid – beantwoorden?
Antwoord 9
Ja
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
A.C.L. Rutte, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid -
Mede namens
J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.