Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Ceder over het artikel 'Pleegkinderen geslagen, aan oren getrokken en door hond gebeten'
Vragen van het lid Ceder (ChristenUnie) aan de Staatssecretarissen van Justitie en Veiligheid en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het artikel «Pleegkinderen geslagen, aan oren getrokken en door hond gebeten» (ingezonden 20 november 2025).
Antwoord van Staatssecretaris Rutte (Justitie en Veiligheid), mede namens de Staatssecretaris
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (ontvangen 2 december 2025).
Vraag 1
Bent u bekend met het artikel «Pleegkinderen geslagen, aan oren getrokken en door
hond gebeten»?1
Antwoord 1
Ja
Vraag 2
Bent u bekend met de bij deze zaak behorende beschikkingen van de rechtbank Noord
Nederland?2,
3
Antwoord 2
Ja
Vraag 3
Hoe kan het volgens u dat kinderen drie jaar lang ernstig fysiek zijn mishandeld,
waaronder geslagen, aan de oren getrokken worden en door een hond gebeten worden,
terwijl zij in dit gezinshuis geplaatst zijn door de Gecertificeerde Instelling (GI),
deze GI de voogdij had en deze als gevolg hiervan ook toezicht diende te houden op
het wel en wee en de veiligheid van de kinderen?
Antwoord 3
GI’s zijn verantwoordelijk voor het uitvoeren van kinderbeschermingsmaatregelen en
hebben daarmee een belangrijke taak in het bewaken van de veiligheid van kinderen.
Dat houdt onder meer in dat zij risico’s moeten signaleren, beoordelen en (waar nodig)
passende stappen moeten zetten om de veiligheid te waarborgen. Hoe deze verantwoordelijkheid
in deze specifieke casus is ingevuld, kunnen we op dit moment niet beoordelen. Hiervoor
zijn we in afwachting van het onderzoek dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd,
in samenwerking met de Inspectie Justitie en Veiligheid en mogelijk met de Inspectie
van het Onderwijs, gaat doen naar de feiten en omstandigheden in deze casus.
Vraag 4
Bent u bekend met het persbericht van de GI waarin gesteld wordt dat de jeugdbeschermers
al langere tijd zorgen hadden over het pedagogisch klimaat in het gezinshuis?4
Antwoord 4
Ja
Vraag 5
Wat zegt het u dat ondanks dat jeugdbeschermers al langere tijd zorgen hadden over
het pedagogische klimaat in het gezinshuis, de kinderen er pas werden weggehaald na
een specifieke melding? Hoe reflecteert u in dat licht op het functioneren en de daadkracht
van de GI en de interne controlemechanismen, zeker gezien de duur, de herhaling en
de ernst van de mishandelingen?
Antwoord 5
Omdat er volgens de GI sprake was van acute onveiligheid zijn de kinderen onmiddellijk
overgeplaatst naar een ander gezinshuis en heeft de GI melding gedaan bij de IGJ.
Er waren volgens de GI eerder geen concrete signalen van (fysieke) mishandeling opgevangen,
ondanks regelmatige gesprekken met de kinderen door de jeugdbeschermers. De vraag
óf er wel signalen waren en zo ja, waarom deze dan zijn gemist, wordt onderzocht.
De GI heeft aangegeven dat er eerder wel zorgen waren over de opvoedvaardigheden in
het gezinshuis en de verzorging. Hier is destijds actie op ondernomen door de GI.
De hoofdaannemer van het gezinshuis heeft daarop een traject gestart gericht op het
verbeteren van de (pedagogische) vaardigheden van de gezinshuisouder. Pas nadat dit
succesvol was afgerond, zijn deze kinderen in dit gezinshuis geplaatst.
Vraag 6
Erkent u dat drie jaar mishandeling niet past bij het uitgangspunt dat een GI kinderen
nauwlettend moet volgen en beschermen? Zo nee, hoe verklaart u dan dat dit toch is
gebeurd?
Antwoord 6
Zoals ook bij vraag 3 is aangegeven, zijn we in afwachting van het onderzoek van de
inspecties over de feiten en omstandigheden. Hoewel jeugdbeschermers kinderen regelmatig
zien, blijft het herkennen van signalen van mishandeling bijzonder complex. Ieder
contactmoment geeft slechts een beperkte inkijk in het dagelijks leven. Hierdoor blijft
altijd een risico bestaan dat zorgwekkende situaties niet volledig zichtbaar zijn.
Zoals ook bij vraag 5 is aangegeven, onderzoekt de GI óf er eerder wel signalen waren
die zij hebben gemist. De GI zal de uitkomsten van dit intern onderzoek ook met de
inspecties delen.
Vraag 7
Hoe kan het dat nu blijkt dat er kinderen in een gezinshuis al jaren werden behandeld,
terwijl de betrokken GI, die ook in de Vlaardingen-zaak betrokken was, heeft verklaard
dat alle dossiers waren nagekeken en getoetst?
Antwoord 7
De GI heeft naar aanleiding van casus Vlaardingen alle dossiers getoetst op risicofactoren.
Op basis hiervan is de situatie in dit gezinshuis ook opnieuw multidisciplinair besproken.
Daaruit kwam naar voren dat er op dat moment geen signalen van acute onveiligheid
waren.
Vraag 8
Deelt u de analyse dat er in deze casus zowel sprake is van het verwijtbaar gedrag
van de gezinshuisouders, als falen van de GI die signalen had moeten opmerken, controleren
en melden?
Antwoord 8
Op dit moment kunnen we geen conclusies trekken over eventuele verwijtbaarheid of
tekortkomingen van betrokken partijen. De inspecties voeren een calamiteitenonderzoek
uit om de feiten en omstandigheden vast te stellen en conclusies te trekken over het
handelen van de betrokken organisaties.
Vraag 9
Hoe is het toezicht op gezinshuizen georganiseerd? Welke formele rechtspositie hebben
de gezinshuisouders in het stelsel?
Antwoord 9
Bij gezinshuizen krijgen kinderen professionele jeugdhulp wanneer zij – om verschillende
redenen – (tijdelijk) niet thuis kunnen wonen. De gezinshuisouders bieden 24 uur per
dag professionele begeleiding, structuur en zor in een huiselijke setting. De gezinshuiskinderen
maken daarbij deel uit van het gezin van de gezinshuisouder(s). De gezinshuisouders
zijn hiervoor opgeleid en werken als jeugdhulpverleners.
Gezinshuisouders werken nauw samen met andere professionals zoals jeugdzorgwerkers,
voogden van gecertificeerde instellingen en de leerkrachten op de school van de (gezinshuis)kinderen.
Meestal zijn er vanuit de betrokken zorgorganisatie ook gedragsdeskundigen betrokken
waaraan de gezinshuisouders bijzonderheden over de kinderen kunnen rapporteren en
die meedenken over een zorgplan en de inschakeling van jeugdhulp of b.v. traumatherapie
kunnen voorstellen.
Gezinshuisouders moeten voldoen aan de norm van de verantwoorde werktoedeling. Deze
norm stelt dat aanbieders van jeugdhulp en jeugdbescherming er zorg voor dragen dat
de taken worden uitgevoerd door of onder verantwoordelijkheid van een SKJ-(kwaliteitsregister
Jeugd) of BIG- geregistreerde professional. Een SKJ-registratie toont aan dat voldaan
wordt aan de eisen van vakbekwaamheid (o.a. relevante HBO-opleiding) en dat gewerkt
wordt volgens de professionele standaarden van de beroepsgroep. Belanghebbenden kunnen
een klacht indienen bij het SKJ en het register kan maatregelen opleggen en publiceren.
Gezinshuizen zijn aanbieders van jeugdhulp. Daarom vallen zij onder de Jeugdwet en
onder het toezicht van de IGJ en IJenV. Ook gemeenten spelen een grote rol onder andere
door inkopen van kwalitatief goede jeugdhulp. Zij kopen jeugdhulp in bij gezinshuizen,
rechtstreeks of via een organisatie. Gemeenten bepalen vooraf aan welke eisen de jeugdhulp
moet voldoen. Zij betalen voor deze jeugdhulp. Gemeenten moeten zich er bij de inkoop
en betaling van vergewissen dat de aanbieder passende en kwalitatief goede en veilige
hulp biedt.
Meldingen en klachten over incidenten, misstanden en terugkerende tekortkomingen zijn
voor de IGJ een belangrijke bron van informatie. Iedereen kan een signaal afgeven
bij het Landelijk Meldpunt Zorg. Daarnaast moeten zorg- en jeugdhulpaanbieders, waaronder
ook gezinshuizen, bepaalde incidenten (zoals calamiteiten en geweld) verplicht bij
de inspecties melden. Signalen en meldingen worden bekeken en beoordeeld. Op basis
van deze signalen en meldingen voert de inspectie risicogestuurd toezicht uit.
Vraag 10
Zijn bij inspecties, meldpunten of vertrouwenspersonen meer meldingen bekend over
structurele onveiligheid, geweld, misstanden of gebrek aan kwaliteit in gezinshuizen?
Hoeveel sinds 2020?
Antwoord 10
De IGJ registreert meldingen die ze ontvangen op naam van de jeugdhulpaanbieder. Meldingen
specifiek over het type jeugdhulpaanbieder «gezinshuis» hebben zij niet voorhanden.
In maart 2025 heeft de inspectie een overkoepelend rapport gepubliceerd over het toezicht
naar de kwaliteit en veiligheid van de jeugdhulp in gezinshuizen5. Hiervoor analyseerde de inspectie handmatig 139 signalen en meldingen over gezinshuizen
in 2023 en 2024.
Vraag 11
Hoe staat het met de uitvoering van de motie Ceder c.s. over onderzoeken in hoeverre
de bestaande bestuurdersaansprakelijkheid beter onder de aandacht gebracht kan worden
bij slachtoffers (Kamerstuk 31 015, nr. 289)?
Antwoord 11
Iedereen die te maken heeft met jeugdzorg kan bij een onafhankelijke vertrouwenspersoon
van Jeugdstem terecht voor informatie, advies of ondersteuning. Jeugdstem kan advies
geven over de mogelijke stappen die gezet kunnen worden, bijvoorbeeld bij het indienen
van een klacht. In deze communicatie nemen zij ook de mogelijkheden voor bestuurdersaansprakelijkheid
mee. Jeugdstem draagt bij aan de bekendheid van de procedure door de cliënt erop te
wijzen de mogelijkheden te bespreken met een advocaat vanwege de complexe juridische
aard. Gezien de complexiteit van deze trajecten, zien we op dit moment geen andere
realistische mogelijkheid om dit ook nog op andere manieren verder onder de aandacht
te brengen van slachtoffers.
Vraag 12
Klopt het dat kinderen waarvan het gezag bij ouders is weggenomen, als gevolg van
een besluit op basis van artikel 1:266 lid 1 BW, door de uitwerking van de maatregel
en de uitvoering door de GI, vaak volledig aan het zicht onttrokken worden van de
rechtbank? Klopt het en vindt u het wenselijk dat ouders vrijwel niet worden geïnformeerd
of betrokken bij het toezicht op hun kind?
Antwoord 12
Bij een uithuisplaatsing in het kader van een ondertoezichtstelling blijft de kinderrechter
op vaste momenten betrokken, omdat de maatregel periodiek moet worden verlengd. Bij
een voogdijmaatregel is dat inderdaad anders: deze loopt in beginsel door tot de meerderjarigheid
van het kind en wordt niet periodiek door de kinderrechter getoetst.
De GI is (wettelijk) verantwoordelijk voor zicht op de veiligheid en ontwikkeling
van een minderjarige onder voogdij. Daarnaast hebben ouders, ook na gezagsbeëindiging,
op grond van artikel 377c BW recht op informatie over hun kind.
We herkennen dat het ontbreken van onafhankelijk toezicht op het welzijn en de positie
van minderjarigen onder voogdij als een tekortkoming. Daarom wordt in het wetsvoorstel
«Wet ter versterking van de rechtsbescherming in de jeugdbescherming» de Raad voor
de Kinderbescherming belast met een jaarlijkse evaluatie van het welzijn en de veiligheid
van deze kinderen. De RvdK spreekt daarbij met de minderjarige, de ouders, de eventuele
pleegouders en degene die een vertrouwensband met de minderjarige heeft.
Vraag 13
Erkent u dat ouders na een gezagsbeëindiging nauwelijks meer zicht hebben op hun kinderen
en dat dit ertoe kan leiden dat zij als enige in staat zijn misstanden te signaleren
maar juridisch niet gehoord worden? Hoe beoordeelt u dat in zowel de Vlaardingen-zaak
als deze zaak de ouders de enige waren die de misstanden zagen, maar door hun rechtspositie
genegeerd werden?
Antwoord 13
We erkennen dat ouders na een gezagsbeëindiging een beperkte formele positie hebben
en dat dit kan betekenen dat zij minder zicht hebben op de dagelijkse situatie van
hun kind. Tegelijk blijven ouders ook na gezagsbeëindiging op grond van artikel 377c
BW recht houden op informatie over hun kind. In de praktijk wordt echter ervaren dat
dit recht niet altijd voldoende invulling krijgt, waardoor ouders zich onvoldoende
gehoord kunnen voelen wanneer zij zorgen hebben.
De gebeurtenis in Vlaardingen laat zien dat signalen over mogelijke misstanden altijd
serieus moeten worden genomen, ongeacht van wie deze afkomstig zijn. Het is onwenselijk
als zorgen van ouders – of van anderen die dicht bij het kind staan – niet worden
opgepakt. Daarom wordt in het wetsvoorstel «Wet ter versterking van de rechtsbescherming
in de jeugdbescherming» voorzien in onafhankelijk toezicht op kinderen onder voogdij
door de Raad voor de Kinderbescherming. Dit toezicht omvat onder meer een periodiek
gesprek met de ouders, zodat hun signalen jaarlijks worden meegenomen. Hiermee wordt
gewaarborgd dat ook na gezagsbeëindiging signalen van ouders kunnen leiden tot onderzoek
en eventuele vervolgstappen wanneer daar aanleiding toe is.
Vraag 14
Klopt het dat door het inzetten van de gezagsbeëindigende maatregel deze kinderen
ook buiten beeld komen van de rechter, waardoor een toetsing of het goed gaat met
het kind in de nieuwe setting niet meer plaatsvindt? Vindt u dat wenselijk?
Antwoord 14
Zie het antwoord op vraag 12.
Vraag 15
Wat vindt u van het feit het dat ouders, bij wie problemen zijn met het opvoeden van
hun kinderen, het gezag ontnomen kan worden? Wat vindt u van het creëren van een tussenliggende
maatregel waarbij de beslissingsbevoegdheid, al dan niet tijdelijk, ontnomen wordt?
Antwoord 15
Het beëindigen van het ouderlijk gezag is een zeer ingrijpende maatregel. Soms is
het helaas noodzakelijk voor de veiligheid en ontwikkeling van een kind. Volgens het
Europees Hof voor de Rechten van de Mens mag gezagsbeëindiging alleen plaatsvinden
als duidelijk is dat voortzetting van het gezag schadelijk is voor het kind.
Om hierbij beter aan te sluiten, wordt in het wetsvoorstel «Wet ter versterking van
de rechtsbescherming in de jeugdbescherming» het noodzakelijkheidscriterium toegevoegd:
gezagsbeëindiging kan alleen als dit écht onvermijdelijk is. Daarnaast introduceert
het wetsvoorstel, via het wettelijk vastleggen van het perspectiefbesluit, een minder
vergaande maatregel. Een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing
kunnen voor onbepaalde tijd worden voortgezet wanneer dat in het belang van het kind
is. Daarmee ontstaat een alternatief voor gezagsbeëindiging, waarbij ouders niet volledig
hun beslissingsbevoegdheid verliezen.
Vraag 16
Bent u bereid te onderzoeken of de rechtspositie van ouders na gezagsbeëindiging moet
worden herzien, zodat hun signalen over mishandeling van hun eigen kinderen in situaties
van pleegzorg, gezinshuizen of instellingen niet langer structureel kunnen worden
genegeerd, mede gezien het risico dat kinderen van de radar verdwijnen binnen deze
vormen van jeugdzorg?
Antwoord 16
We herkennen de zorg dat signalen over het welzijn van minderjarigen onder voogdij
serieus moeten worden genomen. Het ontbreken van onafhankelijk toezicht op deze groep
is inderdaad een tekortkoming in de huidige praktijk. Daarom wordt in het wetsvoorstel
onafhankelijk toezicht op minderjarigen onder voogdij wettelijk geborgd, zodat problemen
in bijvoorbeeld een pleeggezin of gezinshuis niet buiten beeld kunnen blijven en kinderen
niet van de radar verdwijnen. Met de ouder(s) wordt door de RvdK – in het kader van
de evaluatie – een gesprek gevoerd. In dit gesprek kunnen zij hun mening en ideeën
over het welzijn en de veiligheid van de minderjarige kenbaar maken. Als er gegronde
zorgen uit dit gesprek blijken dan kan de RvdK, als GI en RvdK een verschil van visie
hebben en hier onderling niet uitkomen, het visieverschil voorleggen aan de kinderrechter
Vraag 17
Wilt u deze vragen beantwoorden voor het debat over de rapporten «Kwetsbare kinderen,
kwetsbaar stelsel» van de Inspectie Gezonheidszorg en Jeugd en «Als zelfs overheidsingrijpen
kinderen geen bescherming biedt» van de Inspectie Justitie en Veiligheid?
Antwoord 17
Ja.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
A.C.L. Rutte, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid -
Mede namens
J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.