Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Flach over Natuurdoelen voor de Westerschelde
Vragen van het lid Flach (SGP) aan de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over de natuurdoelen voor de Westerschelde (ingezonden 17 oktober 2025).
Antwoord van Staatssecretaris Rummenie (Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur)
(ontvangen 2 december 2025). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026,
nr. 353.
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van de bezwaren van de provincie Zeeland bij de uitbreidingsdoelstelling
voor het habitattype Estuaria (H1130)?1
Antwoord 1
Ja, ik heb hiervan kennisgenomen. Ik zal deze zienswijze van de provincie Zeeland
betrekken bij het vaststellen van de vernieuwde landelijke doelen voor Natura 2000-habitattypen.
Vraag 2
Is de veronderstelling juist dat de uitbreidingsdoelstelling vooral is bedoeld om
kwaliteitsverbetering te realiseren met behoud van de huidige vaargeuldiepte?
Antwoord 2
Nee, de uitbreidingsdoelstelling komt niet alleen voort uit gevolgen van vaargeulverdieping,
maar ook uit gevolgen van onder meer inpoldering en zandwinning. De Westerschelde
is door deze veranderingen dieper en smaller geworden, wat heeft geleid tot een hogere
stroomsnelheid van het water. Hierdoor heeft een geleidelijke afname plaatsgevonden
van het areaal intergetijdengebied met een lage stroomsnelheid. De relatief geringe
omvang van dit type areaal binnen het totale habitattype estuaria, maakt dat er een
disbalans is in de variatie die er binnen estuaria zou moeten zijn. Dat is een belangrijke
oorzaak waarom de kwaliteit van het habitattype estuaria onvoldoende is. Om de kwaliteit
op dit punt te verbeteren is uitbreiding van het areaal estuaria nodig door de Westerschelde
meer ruimte te geven.2
Vraag 3
Is de veronderstelling juist dat de gewenste kwaliteitsverbetering bezien vanuit de
Habitatrichtlijn ook kan worden gerealiseerd door het verondiepen van de vaargeulen,
waardoor uitbreiding niet of minder noodzakelijk is?
Antwoord 3
Het effect van actief verondiepen van nevengeulen is onzeker en kan ook negatieve
effecten op natuur hebben. Het kan de balans in het huidige meergeulensysteem verstoren
waardoor de variatie van leefgebieden afneemt. Tegelijkertijd vraagt actieve verondieping
wel om grote investeringen. Bovendien zou dan de recreatievaart en binnenvaart uit
de nevengeul verplaatsen naar de hoofdgeul, wat een risico is voor de scheepvaartveiligheid.
Als gekozen zou worden voor het laten verondiepen van de hoofdvaargeul, dan is dat
een proces waarbij de bodem zich heel geleidelijk aanpast. Natuureffecten treden dan
pas na ongeveer een eeuw op. Dit blijkt uit expert-analyses in het rapport «Langetermijnperspectief
voor de Natuur van het Schelde-estuarium»3. Gezien de slechte staat van instandhouding van estuaria is realisatie van natuurdoelen
over een eeuw onvoldoende, ook in het licht van de verplichtingen van de Natuurherstelverordening.
Bovendien is verondiepen van de hoofdvaargeul in strijd met verdrag-afspraken met
Vlaanderen over behoud van de vaardiepte van de Westerschelde ten behoeve van de bereikbaarheid
van de haven van Antwerpen.
Vraag 4
Hoe verhoudt het afgeven van baggervergunningen voor het op diepte houden van de vaargeul
in de Westerschelde zich tot de geconstateerde problemen met de staat van instandhouding
van het habitattype estuaria?
Antwoord 4
De staat van instandhouding is meegenomen in de toetsing voor de vergunning die mijn
ambtsvoorganger heeft verleend, als bevoegd gezag voor de vergunningaanvraag voor
deze werkzaamheden om de vaargeul op diepte te houden. De Passende Beoordeling voor
dit project onderbouwt dat dit project niet leidt tot aantasting van de natuurlijke
kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden. Dit omvat onder andere de conclusies
dat het project niet leidt tot verslechtering en er niet toe leidt dat het onmogelijk
wordt om de instandhoudingsdoelen te halen. Om dit te borgen stelt de vergunning een
reeks voorschriften. Een belangrijk onderdeel van de Passende Beoordeling en de voorschriften
is dat is vastgelegd op welke wijze het baggeren en het storten van het gebaggerd
materiaal wordt uitgevoerd en gemonitord.
Vraag 5
Bent u voornemens de gewenste kwaliteitsverbetering vooral te bereiken via verondieping
en/of buitendijkse maatregelen in plaats van ontpoldering?
Antwoord 5
De keuze van maatregelen ligt niet volledig bij mij, maar bij meerdere samenwerkingsverbanden
tussen het Rijk en regionale overheden, waar LVVN in verschillende rollen bij betrokken
is. De belangrijkste trajecten zijn de actualisatie van het Natura 2000 beheerplan
voor dit gebied, de ontwikkeling van het Natuurplan voor de Natuurherstelverordening,
de Programmatische Aanpak Grote Wateren, de herijking van de integrale Langetermijnvisie
van de Vlaams-Nederlandse Scheldecommissie en de samenwerking vanuit het Gebiedsoverleg
Zuidwesterlijke Delta. Ik stimuleer in deze samenwerkingsverbanden een realistische
en sobere uitvoering van natuurbeleid waarbij meervoudig ruimtegebruik prioriteit
heeft. Het Ministerie van LVVN draagt dit uit in de verschillende processen waarin
LVVN met medeoverheden werkt aan de natuur van de Westerschelde. Ik kan niet vooruitlopen
op de maatregelen die in elk van deze processen zullen worden bepaald voor verbetering
va de kwaliteit van estuaria.
Vraag 6
Deelt u de mening dat na de pijnlijke ontpoldering van onder meer de Hedwigepolder
eventuele nieuwe ontpolderingen in strijd zouden zijn met de verplichting in de Habitatrichtlijn
dat «in de op grond van deze richtlijn genomen maatregelen [...] rekening [wordt]
gehouden met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied, en met de regionale
en lokale bijzonderheden» (artikel 2, derde lid)?
Antwoord 6
Een eventuele nieuwe ontpoldering is niet in strijd met de verplichtingen die voortvloeien
uit de Habitatrichtlijn. De richtlijn geeft aan dat bij het bepalen van instandhoudingsmaatregelen
rekening wordt gehouden met onder meer argumenten op economisch, sociaal en cultureel
gebied, naast de ecologische vereisten. Dat is van groot belang. Deze argumenten wegen
mee bij het bepalen van het tempo van maatregelen en de selectie van gebieden waar
uitbreidingsdoelstellingen worden gerealiseerd. De mate waarin argumenten op economisch,
sociaal en cultureel gebied meewegen is echter wel begrensd. Vanuit de Habitatrichtlijn
geldt het vereiste dat op landelijk niveau een gunstige staat van instandhouding wordt
bereikt, voor zover dat ecologisch haalbaar is. De noodzaak van maatregelen is dus
uiteindelijk afhankelijk van de landelijke staat van instandhouding en ecologische
haalbaarheid. Een nadere toelichting op deze aspecten van de Habitatrichtlijn staat
in de Doorlichting Natura 2000, die in 2020 aan de Kamer is gezonden. Sinds 2024 gelden daarnaast vanuit de Natuurherstelverordening
een aantal verplichtingen voor het tempo waarin lidstaten maatregelen realiseren die
toewerken naar een gunstige staat van instandhouding van habitattypen, waaronder het
habitattype estuaria.
Vraag 7
Deelt u de mening dat met de inmiddels gerealiseerde ontpolderingen al wordt voldaan
aan de uitbreidingsdoelstelling en nieuwe uitbreiding onwenselijk is?
Antwoord 7
Deze maatregelen zijn onderdeel van het Natuurpakket Westerschelde. Nederland heeft
dit pakket begin 2005 vastgesteld als «een belangrijke eerste fase» voor realisatie
van een grotere opgave op lange termijn. Aan die grotere opgave is nog niet voldaan
nu dit eerste pakket maatregelen is uitgevoerd. Aanvullende maatregelen zijn noodzakelijk.
Die fasering geldt overigens ook voor het Vlaamse deel van de Schelde. Deze besluiten
van de Nederlandse en Vlaamse regeringen zijn vastgelegd in het verdrag Ontwikkelingsschets
20104. Het doelbereik voor habitattype estuaria is in beeld gebracht in de doeluitwerking
die dit jaar in opdracht van Rijkswaterstaat is opgesteld voor de actualisatie van
het Natura 2000 beheerplan voor Westerschelde & Saeftinghe5. Dit rapport constateert dat er nog niet is voldaan aan de uitbreidingsdoelstelling.
Vraag 8
Is de veronderstelling juist dat met de sinds de aanwijzing van de Westerschelde als
Habitatrichtlijngebied gerealiseerde toename van het oppervlak laagdynamisch intergetijdegebied
geen sprake is van verslechtering en juist sprake is van kwaliteitsverbetering?6
Antwoord 8
Het bij antwoord 7 genoemde rapport voor actualisatie van het Natura 2000 beheerplan
van dit gebied, vergelijkt onder meer de habitattype-kaart rond de periode van aanwijzing
met de meest recente habitattype-kaart. Het rapport stelt dat de kwaliteit van estuaria
meerdere aspecten heeft, die deels zijn verbeterd, deels verslechterd en deels stabiel
gebleven. Er zijn ook kwaliteitsaspecten waarvoor nog onvoldoende informatie beschikbaar
is. Er is daardoor geen algemene uitspraak te doen of de kwaliteit van estuaria is
verslechterd of verbeterd. Wel constateert dit rapport dat er meerdere knelpunten
zijn waardoor de kwaliteit nog niet voldoende is. Voorbeelden van knelpunten zijn
de inrichting van het watersysteem (zie het antwoord op vraag 2) en verontreiniging
die (ondanks gedeeltelijke verbetering) nog niet aan de normen voldoet.
Vraag 9
Hoe gaat u nieuwe ontpolderingen rond de Westerschelde voorkomen?
Antwoord 9
Er zijn momenteel geen ontpolderingen in het Westerscheldegebied geprogrammeerd. LVVN,
IenW en regionale overheden werken in verschillende trajecten aan de ontwikkeling
van maatregelen voor het doelbereik van het habitattype estuaria. Zie ook het antwoord
op vraag 5. Ik stimuleer daarbij samen met de Minister van IenW een goede ruimtelijke
inpassing en meervoudig ruimtegebruik, zodat natuurmaatregelen ook bijdragen aan andere
belangen en negatieve effecten voor gebruiksfuncties zo veel mogelijk worden beperkt.
Een voorbeeld hiervan zijn synergiekansen met waterveiligheid op lange termijn. Ik
werk aan een realistische doelbepaling door doelen af te bakenen tot wat nodig is
voor de Europese verplichtingen en goed te kijken of dat ook ecologisch haalbaar is.
Daarbij blijkt uit meerdere studies dat ruimte geven aan de Westerschelde een noodzakelijke
maatregel is om aan de Natura 2000-verbeterdoelstelling te kunnen voldoen.
Vraag 10
Gaat u ervoor zorgen dat Nederland in de Vlaams-Nederlandse Scheldecommissie aanstuurt
op het voorkomen van nieuwe ontpolderingen?
Antwoord 10
De Vlaams-Nederlandse Scheldecommissie (VNSC) zet in op realistisch natuurbeleid en
maatregelen met meervoudig ruimtegebruik. In 2024 zijn de expert-analyses en de verschillende
visies van belanghebbenden op het gebied van natuur gerapporteerd («Langetermijnperspectief
voor de Natuur van het Schelde-estuarium»). De VNSC betrekt deze inzichten bij de
herijking van de integrale Langetermijnvisie Schelde-estuarium. De opgave voor natuur
wordt daarbij bezien in verbinding met de waterveiligheid en toegankelijkheid van
dit gebied.
In januari 2026 bespreken Nederlandse en Vlaamse vertegenwoordigers de probleemanalyse
en aanpak voor deze herijking. LVVN zal daarin de koers inbrengen die ik in bovenstaande
antwoorden heb beschreven.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.F. Rummenie, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.