Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Westerveld over het bericht 'Bijna 60 miljoen voor passend onderwijs ligt nog op de plank'
Vragen van het lid Westerveld (GroenLinks-PvdA) aan de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over het bericht «Bijna 60 miljoen voor passend onderwijs ligt nog op de plank» (ingezonden 6 november 2025).
Antwoord van Staatssecretaris Becking (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen
1 december 2025).
Vraag 1
Wat vindt u ervan dat de financiële reserves van samenwerkingsverbanden passend onderwijs
weer zijn toegenomen, zoals blijkt uit de analyse van de Algemene Onderwijsbond?1
Antwoord 1
Het is belangrijk dat geld wordt besteed aan waar het voor bedoeld is: aan extra ondersteuning
voor leerlingen die dat nodig hebben. Daarom is een bovenmatig eigen vermogen bij
samenwerkingsverbanden passend onderwijs ongewenst. De afgelopen jaren zijn de reserves
van de samenwerkingsverbanden sterk afgenomen. In 2020 was het bovenmatig eigen vermogen
nog € 160 miljoen, inmiddels is dit gedaald naar ongeveer € 59 miljoen. Dat is een
positieve ontwikkeling. Dat het bovenmatig eigen vermogen in 2024 niet verder afgenomen
is ten opzichte van 2023 is geen wenselijke ontwikkeling. Wel is op de website Dashboard FPO 2024 te zien dat de samenwerkingsverbanden verwachten in de toekomst verder in te teren
op hun eigen vermogen. Ik verwacht van de samenwerkingsverbanden dat ze daar ook echt
werk van maken, zodat het geld ingezet wordt voor de ondersteuning van leerlingen.
Vraag 2
Was het bij u bekend dat de financiële reserves weer zijn toegenomen? Zo ja, hoe verhoudt
zich dit tot de antwoorden op eerdere Kamervragen waarin u aangeeft dat is gewerkt
aan «het afbouwen van reserves»?2
Antwoord 2
Medio september 2025 zijn door mijn ministerie de macro-gegevens van de jaarverslagen
over 2024 gepubliceerd op de website Dashboard FPO 2024. Daar is te zien dat er bij samenwerkingsverbanden op een totale baten van ca. € 3,0 miljard
een positief resultaat was van ca. € 7,0 miljoen (i.c. 0,23%). Dit heeft geleid tot
een beperkte toename van het eigen vermogen ten opzichte van 2023 van € 7 miljoen
naar € 152 miljoen. Echter, het (mogelijk) bovenmatig eigen vermogen van samenwerkingsverbanden
is ten opzichte van 2023 gelijk gebleven, namelijk € 59 miljoen. Dat het eigen vermogen
stijgt zonder dat het bovenmatige eigen vermogen stijgt komt bijvoorbeeld doordat
de stijging plaatsvindt bij een samenwerkingsverband waar het eigen vermogen beperkt
is en onder de signaleringswaarde voor (mogelijk) bovenmatig eigen vermogen ligt.
In de afgelopen jaren hebben samenwerkingsverbanden werk gemaakt van het verlagen
van het (bovenmatig) eigen vermogen. Ik verwacht van de samenwerkingsverbanden dat
ze komende jaren werk maken van het verder verlagen van de reserves, zoals ze dat
ook van plan zijn blijkens hun meerjarenbegrotingen.
Vraag 3
Hoe kan het dat samenwerkingsverbanden aan u vertelden verder «in te teren op hun
eigen vermogen» terwijl dit juist is toegenomen, wat is de verwachting voor komende
jaren en wanneer denkt u dat de bovenmatige financiële reserves besteedt worden aan
waar ze voor zijn bedoeld, namelijk passend onderwijs en ondersteuning aan leerlingen?
Antwoord 3
De afgelopen jaren is het (bovenmatige) eigen vermogen van samenwerkingsverbanden
teruggebracht, zoals ook te zien is op de website Dashboard FPO 2024. Deze zijn namelijk gedaald van € 160 miljoen in 2020 naar € 59 miljoen in 2023.
In 2024 is het (bovenmatig) eigen vermogen nagenoeg gelijk gebleven ten opzichte van
2023. Dat is niet wenselijk. Ik verwacht, op basis van hun meerjarenbegrotingen, dat
samenwerkingsverbanden blijven werken aan het afbouwen van het (bovenmatige) eigen
vermogen. Ik blijf de ontwikkeling van de bovenmatig eigen vermogens bij de samenwerkingsverbanden
monitoren. Daarom is het bovenmatig eigen vermogen tijdens de reguliere onderzoeken
van de Inspectie van het Onderwijs standaard onderwerp van gesprek met het bestuur
en de raad van toezicht. Ook wordt de ontwikkeling van het bovenmatig eigen vermogen
met ONSwv (de vertegenwoordiger van de samenwerkingsverbanden) besproken.
Vraag 4
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat de rechter een streep heeft gezet door de financiële
sanctie die uw voorganger eerder aan samenwerkingsverbanden heeft opgelegd terwijl
deze maatregel volgens uw voorganger de beste manier was om uitvoering te geven aan
de breed gesteunde motie om te hoge financiële reserves omlaag te brengen?3
Antwoord 4
Mede op verzoek van uw Kamer is de samenwerkingsverbanden in 2023 een generieke korting
opgelegd, omdat de bovenmatige eigen reserves niet snel genoeg werden afgebouwd. De
samenwerkingsverbanden hebben besloten om daartegen in bezwaar en beroep te gaan.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het geheel aan regelingen en besluiten dat is gekozen
voor het doorvoeren van de generieke korting onrechtmatig is. De rechtbank oordeelde
dat de wijze waarop de generieke korting is toegepast, met een compensatie van de
samenwerkingsverbanden op basis van alleen het bovenmatig eigen vermogen, juridisch
niet correct is, onder andere omdat hiervoor op basis van de gebruikte compensatieregeling
verschillen zijn ontstaan tussen het bedrag per leerling dat samenwerkingsverbanden
hebben ontvangen. Er is door mijn voorganger, mede op basis van juridisch advies van
de Landsadvocaat, besloten om niet in hoger beroep te gaan. Hierbij speelde mee dat
de bovenmatige reserves van samenwerkingsverbanden de laatste jaren al duidelijk afnemen,
waarschijnlijk mede door de (dreigende) korting.
Vraag 5
Wat zegt het gegeven dat het al jaren niet lukt om de financiële reserves omlaag te
brengen, ondanks dat de Staatssecretaris én de Tweede Kamer hierop aandringen, volgens
u over de sturing op het stelsel en moet hierin iets veranderen wat u betreft?
Antwoord 5
Het (bovenmatig) eigen vermogen van samenwerkingsverbanden is, ondanks de onwenselijke
stagnatie in 2024, de afgelopen jaren sterk afgenomen. De maatregelen hiervoor en
aandacht hierop vanuit uw Kamer en het ministerie hebben daaraan bijgedragen. We blijven
de ontwikkelingen van de reserves van samenwerkingsverbanden volgen.
Vraag 6
Bent u het eens dat het – mild gezegd – teleurstellend is dat ruim tien jaar na de
invoering van passend onderwijs alle doelen verder weg liggen dan ooit en bent u het
eens dat het stelsel de opstartfase voorbij is? Zo ja, bent u ook bereid om grondig
te analyseren of het huidige bestuurlijke stelsel in bestuurlijke en rechtmatige zin
voldoet?
Antwoord 6
Er is de afgelopen jaren stevige vooruitgang geboekt met de verbetering van passend
onderwijs, via de uitvoering van de maatregelen uit de verbeteraanpak. Steeds meer
maatregelen daarvan zijn afgerond of in een afrondende fase. Zo hebben samenwerkingsverbanden
ouder- en jeugdsteunpunten ingericht, hebben leerlingen vanaf 1 augustus 2025 hoorrecht
over hun eigen ontwikkelingsperspectief, zijn er 16 coalities van scholen en samenwerkingsverbanden
verspreid over het land aan de slag met regionale voorzieningen voor digitaal afstandsonderwijs
en hebben duizenden kinderen een plek gekregen bij onderwijszorgvoorzieningen. Zoals
met uw Kamer gedeeld in april zien we ook dat we er nog niet zijn omdat teveel kinderen
niet de ondersteuning krijgen die nodig is, en dat voor het aanpakken van de knelpunten
samenwerking in het sociaal domein cruciaal is.4 Op die samenwerking zetten we de komende periode verder in, en we blijven samen met
het veld werken aan de maatregelen uit de verbeteraanpak passend onderwijs en de inzet
op de beweging naar inclusief onderwijs. Ik informeer uw Kamer in het voorjaar verder
over de nadere stappen, in het kader van de jaarlijkse voortgangsrapportage over passend
onderwijs.
Vraag 7
Bent u het eens dat het niet is uit te leggen dat er 60 miljoen financiële reserve
is bij samenwerkingsverbanden, maar initiatieven die thuiszitters helpen om school
weer op te pakken in financiële nood zitten vanwege een gebrek aan financiën? Zo ja,
ziet u een mogelijkheid om met samenwerkingsverbanden afspraken te maken om een deel
van hun eigen vermogen uit te keren aan bewezen effectieve initiatieven? Zo nee, waarom
niet?
Antwoord 7
Het is belangrijk dat geld wordt besteed aan waar het voor bedoeld is: aan extra ondersteuning
voor leerlingen die dat nodig hebben. Daarom is een bovenmatig eigen vermogen bij
samenwerkingsverbanden ongewenst. Ik ben blij dat de reserves van samenwerkingsverbanden
de afgelopen jaren sterk zijn afgenomen. De samenwerkingsverbanden moeten zich blijven
inspannen om ervoor te zorgen dat geld dat bestemd is voor extra ondersteuning ook
aan de leerlingen wordt besteed die dat nodig hebben. Daarbij geldt dat ik gericht
extra investeer in initiatieven voor kinderen die thuiszitten of dreigen thuis te
komen zitten. De afgelopen jaren heb ik dat bijvoorbeeld gedaan via de Subsidieregeling
Wel in Ontwikkeling, en voor de kalenderjaren 2025 tot 2028 doe ik dat verder via
de Subsidieregeling Ondersteuning en preventie thuiszittende jongeren, waarvoor in
totaal € 24 miljoen beschikbaar is. Samenwerkingsverbanden kunnen hiervoor ook initiatieven
die thuiszitters helpen om weer naar school te gaan inzetten.
Vraag 8
Hoe heeft u de gehoor gegeven aan de toezegging uit het 2024 om de samenwerkingsverbanden
op te roepen om onbenutte reserves en het geld dat bestemd is voor speciale ondersteuning
te besteden aan de leerlingen die dat nodig hebben, waaronder aan programma’s voor
leerlingen met autisme?5
Antwoord 8
We hebben dit verzoek mondeling en per brief aan de koepel van samenwerkingsverbanden
(ONSwv) doorgeleid.
Vraag 9
Is er inmiddels een goed beeld van het aantal thuiszitters per samenwerkingsverband?
Zo nee, wanneer ontvangt de Kamer dit overzicht?
Antwoord 9
Uw Kamer ontvangt ieder jaar de door DUO opgemaakte rapportage van de leerplichttellingen.
Deze leerplichttellingen omvatten onder meer cijfers over het aantal leerlingen dat
langdurig relatief verzuimt6 en het aantal leerlingen dat absoluut verzuimt7. Deze cijfers worden uitgesplitst op gemeentelijk niveau, niet per samenwerkingsverband.
De belangrijkste reden hiervoor is dat de leerplicht onder de verantwoordelijkheid
van gemeenten valt. Bij gemeenten zijn er daarom wel gecentraliseerd gegevens beschikbaar
over verzuim, bij samenwerkingsverbanden is dat niet het geval. Bovendien komen de
regio’s en leerlingen van samenwerkingsverbanden niet altijd overeen met die van gemeenten.
Hierdoor is er op basis van de gemeentelijke cijfers niet een zuiver beeld te maken
van het aantal verzuimende leerlingen per samenwerkingsverband.
Ik vind het belangrijk dat het zicht op verzuim verbetert. Daarom ligt het wetsvoorstel
terugdringen schoolverzuim in uw Kamer. Met dit wetsvoorstel worden scholen verplicht
verzuim te registreren in vaststaande categorieën en worden verzuimgegevens op geaggregeerd
niveau gedeeld met de gemeente, het samenwerkingsverband en mijn ministerie. Hierdoor
ontstaat een actueel en accuraat beeld van het totale verzuim op scholen, binnen samenwerkingsverbanden
en binnen gemeenten. De precieze uitwerking van deze gegevensverstrekking is nader
uitgewerkt in de algemene maatregel van bestuur terugdringen schoolverzuim, die 24 november
jl. in internetconsultatie is gegaan.8 Over het bijbehorende wetsvoorstel ga ik graag zo snel mogelijk met uw Kamer in debat.
Vraag 10
Krijgt de Onderwijsinspectie iedere drie maanden een overzicht van het aantal thuiszitters
van de samenwerkingsverbanden? Zo ja, waarom is dit geen openbare informatie? Zo nee,
waarom staat het dan op de website?9
Antwoord 10
De Inspectie van het Onderwijs vraagt voor toezichtdoeleinden eens per kwartaal aan
samenwerkingsverbanden een overzicht van de aan hen bekend gemaakte thuiszittende
jongeren uit. Deze kwartaaluitvraag is een toezichtsinstrument waarmee samenwerkingsverbanden
kunnen laten zien dat ze zicht hebben op de thuiszittende jongeren in de regio en
hoe het hen lukt om het aantal thuiszittende jongeren in de regio terug te dringen.
Van het samenwerkingsverband wordt verwacht dat verzuim of thuiszitten niet aan nalatigheid
van het samenwerkingsverband te wijten is.
Zoals in het antwoord op vraag 9 genoemd, zijn er geen centraal verzamelde gegevens
beschikbaar van het verzuim per samenwerkingsverband. Samenwerkingsverbanden zijn
op dit moment dus aangewezen op hun eigen uitvraag of monitoringsinstrument. Dit maakt
de gegevens niet geschikt voor aggregatie in een (totaal)beeld over thuiszittende
jongeren en daarmee ook niet geschikt voor publicatie. Zoals ook in het antwoord op
vraag 9 genoemd, wil ik hierin verandering brengen met de gegevensdeling en informatieverstrekking
van het besluit terugdringen schoolverzuim. Hiermee zou op termijn ook de kwartaaluitvraag
zoals die nu door de Inspectie plaatsvindt kunnen komen te vervallen.
Vraag 11
In uw antwoord op eerdere Kamervragen gaf u aan doorlopend met samenwerkingsverbanden
in gesprek te zijn over afspraken om thuiszitters terug te dringen, wat is hier concreet
afgesproken en met welk resultaat?10
Antwoord 11
Ik vind het van belang dat we het aantal jongeren dat geen onderwijs volgt terugdringen.
Samenwerkingsverbanden hebben hierin een belangrijke rol en voelen zelf ook een grote
verantwoordelijkheid voor het terugdringen van het aantal thuiszitters. Zij hebben
de wettelijke taak om een dekkend netwerk van ondersteuningsvoorzieningen te organiseren,
zodat iedere leerling het onderwijs krijgt dat bij hem of haar past.
Ik ben voortdurend in gesprek met samenwerkingsverbanden en andere betrokken partijen
over hoe we verzuim kunnen terugdringen en voorkomen.11 Omdat de problematiek van thuiszittende jongeren complex is, vragen oplossingen vaak
intensieve samenwerking en maatwerk. Om samenwerkingsverbanden en scholen hierin te
ondersteunen, wordt – naast het hierboven genoemde wetsvoorstel terugdringen schoolverzuim
– vanuit mijn ministerie extra ruimte voor maatwerk geboden, onder meer met digitaal
afstandsonderwijs, het experiment onderwijszorgarrangementen en de subsidieregeling
«ondersteuning en preventie thuiszittende leerlingen». Zie hiervoor ook de antwoorden
op vraag 6 en 7 hierboven.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
K.M. Becking, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.