Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Boswijk en Krul over het artikel ‘Jongerengeweld zoals in Beverwijk speelt in het hele land: Vechtpartijen zijn van alle tijden maar er is een nieuwe dimensie bij gekomen’
Vragen van de leden Boswijk en Krul (beiden CDA) aan de Minister van Justitie en Veiligheid over het bericht «Jongerengeweld zoals in Beverwijk speelt in het hele land: «Vechtpartijen zijn van alle tijden, maar er is een nieuwe dimensie bij gekomen»» (ingezonden 17 oktober 2025).
Antwoord van Minister Van Oosten (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 28 november 2025).
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 363.
Vraag 1
Bent u bekend met de berichten over rivaliserende jongerengroepen in de IJmond en
de zorgen van bewoners over de toegenomen onveiligheid en spanningen?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
In hoeverre spelen volgens u sociale media een rol bij het organiseren, aanwakkeren
of zichtbaar maken van deze rivaliteit tussen jongeren? Zijn er aanwijzingen dat online
conflicten of filmpjes leiden tot escalatie op straat?
Antwoord 2
Rivaliteit onder jongeren is een decennialang bestaand verschijnsel, waarbij gebeurtenissen
leiden tot escalatie. Dat sociale media inmiddels een grote rol spelen bij de wijze
waarop jongeren uiting geven aan onderlinge rivaliteit is bekend. Geweldsincidenten
onder rivaliserende jongeren kennen vaak ook een online aanleiding, zo is door onderzoekers
bevestigd.2 Online uitingen kunnen hierbij functioneren als een katalysator. Het fenomeen kenmerkt
zich door een hybride en fluïde karakter, waarin online en offline interacties en
geweldsvormen met elkaar verweven zijn en ook de samenstelling van groepen regelmatig
verandert.
Vraag 3 en 4
Hoe wordt binnen de politie en gemeenten omgegaan met het signaleren van spanningen
op sociale media en worden jongeren of ouders hier actief over geïnformeerd of gewaarschuwd?
Hoe verloopt de samenwerking tussen politie, gemeente, jongerenwerk en het Openbaar
Ministerie in de aanpak van deze problematiek?
Antwoord 3 en 4
Verschillende partijen spelen een rol bij het signaleren van spanningen in de hybride
leefwereld van jongeren. Zo kunnen primair ouders zorgelijk gedrag signaleren. Er
zijn diverse organisaties die ouders hierbij handelingsperspectief bieden en ook scholen
proberen hierin een rol te vervullen richting ouders. Binnen de basisteams van de
politie zijn digitale wijkagenten actief die spanningen kunnen signaleren. De digitale
wijkagent heeft in de praktijk diverse taken; naast de basispolitiezorg, surveilleert
hij online en monitort hij open bronnen. Een digitale wijkagent staat in verbinding
met de wijkagenten op het basisteam, soms ook met jongerenwerkers en (jeugd-)boa’s
en weet wat er speelt op lokaal niveau in de digitale wereld (zoals op sociale media).
Voor de aanpak van problematische jeugdgroepen wordt onder regie van de burgemeester
samengewerkt met de politie, jongerenwerk en het Openbaar Ministerie. Afhankelijk
van de lokale problematiek sluiten ook andere partners aan, zoals (jeugd-)reclassering
en partners vanuit het sociaal domein. Voor deze aanpak is een model opgesteld ten
behoeve van lokale samenwerkingsverbanden, het zogeheten 7-stappen-model voor jeugdgroepen.
Aan de hand van zeven te doorlopen stappen wordt beschreven welke rol alle betrokken
partijen hebben en welke informatie ze daarbij van elkaar nodig hebben om optimaal
te kunnen samenwerken.3 Waar nodig kan vanuit deze groepsaanpak worden opgeschaald naar een persoonsgerichte
aanpak, bijvoorbeeld in het Zorg- en Veiligheidshuis. Door de combinatie van preventie,
zorg en repressie kan zo een effectieve aanpak worden neergezet.
Deze samenwerking kan lokaal nader vormgegeven worden en kan per gemeente verschillen.
Partners werken samen aan het in beeld brengen van de jeugdgroep,4 het bepalen of en hoe de leden van de groep aangepakt of benaderd worden en het daadwerkelijk
aanpakken van de geprioriteerde jeugdgroepen. Bijvoorbeeld het bieden van passende
hulp en begeleiding of een strafrechtelijke aanpak.
Professionals in de wijk kennen de jongeren en hun omgeving het beste en zij schatten
ook het beste in wie welke zorg en ondersteuning nodig hebben. Elke gemeente is verantwoordelijk
voor de eigen preventieve aanpak van (jeugd)criminaliteit en maakt eigen afwegingen
over de inzet van professionals. Zo kan jongerenwerk (sommige gemeenten zetten straatcoaches
of jeugdboa’s in), door het laagdrempelige contact met jongeren, een belangrijke rol
spelen bij het vroegtijdig signaleren van spanningen, waardoor mogelijke escalatie
kan worden voorkomen.
Binnen het jeugdstrafrecht wordt een persoonsgerichte aanpak toegepast, gericht op
het verminderen van het risico op recidive door criminogene factoren te beperken en
beschermende factoren te versterken door de inzet van passende interventies. Strafrechtelijk
optreden alleen is vaak ontoereikend om jeugdcriminaliteit terug te dringen en dient
te worden ingebed in een keten van preventie tot en met nazorg.
Vraag 5
Ziet u aanleiding om een proefaanpak te ontwikkelen voor kleinere gemeenten die te
maken hebben met grootstedelijke problematiek, zoals rivaliserende jongerengroepen,
sociale media-incidenten of jeugdcriminaliteit, om hen beter te ondersteunen met kennis,
capaciteit en preventieprogramma’s?
Antwoord 5
Ik onderschrijf het belang van een effectieve lokale aanpak. Ik zie geen aanleiding
voor een proefaanpak. Gemeenten kunnen al gebruik maken van het 7-stappen-model. Op
de site van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid is hierover meer
informatie beschikbaar.
Naast deze modelaanpak zijn een aantal gemeenten, met middelen vanuit mijn ministerie,
bezig met de doorontwikkeling van een specifieke aanpak voor deze problematiek. Daar
wordt ervaring opgedaan met een regionale aanpak tussen gemeenten en met een aanpak
van geweld tussen groepen. Op basis van een analyse wie er verantwoordelijk is voor
het geweld wordt geacteerd richting bepaalde jongeren. Met deze aanpak wordt momenteel
ervaring opgedaan en de geleerde lessen kunnen gedeeld worden gedeeld met de andere
gemeenten.
Vanuit het lerend programma Preventie met Gezag zetten we gericht in op 27 gemeenten
met structurele middelen, in die wijken waar de problematiek daarom het meeste vraagt.
Zoals het nieuwsbericht aangeeft, zijn er ook (kleinere) gemeenten die te maken hebben
met (georganiseerde en ondermijnende) jeugdcriminaliteit van relatief grote omvang.
Daarom is in 2024 besloten om voor 20 (kleinere) gemeenten naast de meerjarige aanpak
voor 27 gemeenten, een tijdelijke impuls te bieden. Deze ondersteuning dient als vliegwiel,
waarbij de gemeenten binnen drie jaar meer focus kunnen aanbrengen en impact kunnen
maken met hun lokale aanpak voor het voorkomen van jeugdcriminaliteit. Ik zet mij
in om de geleerde lessen vanuit Preventie met Gezag breder te delen, bijvoorbeeld
via de digitale vindplaats van het lerend netwerk Preventie met Gezag (met thema’s
als online en grenzen stellend jongerenwerk en Veiligheid in en om de School).
Ik begrijp dat betrokken gemeenten de ambitie hebben om hun weerbaarheid te verhogen
en juich dat ook toe. Het is de realiteit dat niet alle gemeenten in Nederland financieel
kunnen worden ondersteund. Des te belangrijker is het bouwen van een netwerk en het
verspreiden van kennis en ervaring over de aanpak van jeugdcriminaliteit. Gemeenten
kunnen deze lessen overnemen, en toepassen in de eigen context.
Vraag 6
Kunt u toezeggen de Kamer te informeren over de voortgang van de aanpak van deze jongerengroepen,
en de lessen die daaruit getrokken kunnen worden voor andere gemeenten waar vergelijkbare
problemen spelen?
Antwoord 6
Het is uitdrukkelijk het voornemen om andere gemeenten met vergelijkbare problemen
te informeren over de werkwijze en resultaten die hierin bereikt zijn. Ik ben graag
bereid uw Kamer hierover te informeren.
Vraag 7
Bent u bereid om maatregelen te nemen om online jongerengeweld effectiever te bestrijden
en voorkomen en zo ja, op welke manier gaat u dit doen?
Antwoord 7
Ik zet mij via verschillende wegen al in voor het voorkomen en bestrijden van online
jongerengeweld. De Kamer is eerder geïnformeerd over de inzet op het versterken van
het online jongerenwerk.5 Jongerenwerkers kunnen door hun aanwezigheid op straat en in jongerencentra een offlinebeeld
koppelen aan de online inzichten die zij op sociale media verzamelen. Dit maakt dat
zij een bijzondere positie kunnen innemen binnen het lokale jeugdveld. Door kennisdeling
vanuit het online jongerenwerk kunnen professionals en ouders beter zicht op de online
leefwereld van jongeren verkrijgen. Tevens biedt de online aanwezigheid van jongerenwerkers
voor jongeren een plek waar zij online terecht kunnen met hun onveiligheidsgevoelens
en andere zorgen. Uit deze werkzaamheden van het online jongerenwerk kan een signalerende,
normerende en preventieve rol volgen.
Daarnaast is het lespakket Mijn Cyberrijbewijs kosteloos beschikbaar voor scholen.
Dit lespakket, dat zich richt op kinderen van groep 7 en 8 van het primair onderwijs,
beoogt de digitale weerbaarheid van leerlingen te verhogen. Zo leren zij hoe ze onveilige
situaties kunnen voorkomen en wat ze kunnen doen als ze toch in een vervelende situatie
terecht komen.
Naast de al lopende maatregelen heeft mijn ambtsvoorganger uw Kamer in het voorjaar
geïnformeerd over het onderzoek dat ik door het Verwey-Jonker instituut laat doen
naar de aanpak van online geweld, als onderdeel van de aanpak van geweld in het publieke-
en semipublieke domein.6 In dit onderzoek hebben de onderzoekers ook aandacht voor de invloed van online uitingen
op het ontstaan en de escalatie van daadwerkelijk geweld. Uw Kamer wordt dit najaar
nog geïnformeerd over de uitkomsten van dit onderzoek en de beleidsvoornemens die
ik hieraan verbind.
Vraag 8
Deelt u de mening dat het plaatsen van beelden van slachtoffers op sociale media strafbaar
moet worden?
Antwoord 8
De Kamerleden Kuik (CDA) en Mutluer (GL-PvdA) hebben op 22 juni 2023 een initiatiefwetsvoorstel
ingediend tot strafbaarstelling van het openbaar maken van beeldmateriaal van slachtoffers.7 Het lid Boswijk heeft in januari 2024 de verdediging van het voorstel overgenomen
van Kuik. Met het initiatiefvoorstel wordt een strafbaarstelling voorgesteld voor
het opzettelijk openbaar maken van afbeeldingen van personen die dringend hulp nodig
hebben of die ten gevolge van die situatie zijn overleden. Het wetsvoorstel heeft
als doel de persoonlijke levenssfeer van slachtoffers te beschermen. Over dit voorstel
heeft de Afdeling advisering van Raad van State op 4 oktober 2023 advies uitgebracht.8 In het verslag van de Tweede Kamer en in het advies van de tijdelijke commissie Grondrechten
en constitutionele toetsing worden diverse vragen gesteld over de voorgestelde strafbaarstelling.9 Het is nu aan de initiatiefnemers om deze vragen te beantwoorden. Het kabinet zal,
zoals gebruikelijk, een inhoudelijk standpunt over dit voorstel innemen bij de plenaire
behandeling ervan.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
F. van Oosten, minister van Justitie en Veiligheid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.