Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Dobbe en Dijk over belangenverstrengeling door enkele wetenschappers
Vragen van de leden Dobbe en Dijk (beiden SP) aan de Staatssecretaris en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over belangenverstrengeling door enkele wetenschappers (ingezonden 10 november 2025).
Antwoord van Minister Bruijn (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) (ontvangen 27 november
2025).
Vraag 1
Wat is uw reactie op het bericht «Wetenschappers met belangen beïnvloeden obesitasdebat
met «zeer overdreven» cijfers»?1
Antwoord 1
Ik heb kennisgenomen van de berichtgeving naar aanleiding van het onderzoek van Zembla.
Het is nooit goed als (de schijn van) belangenverstrengeling wetenschappelijke stellingname
verdacht maakt. Ter nuancering zou ik wel willen meegeven dat publiek-private samenwerking
tussen de academie en farmaceutische industrie belangrijk is. Zo kunnen zij ieder
vanuit hun eigen expertise en ervaring bijdragen aan geneesmiddelenontwikkeling. Het
is vooral belangrijk dat er openheid is. Als onderzoekers transparant zijn over hun
belangen, kan daarmee rekening worden gehouden. In dit geval heeft het Universitair
Medisch Centrum Groningen (UMCG), waar de wetenschappers aan verbonden zijn, aangegeven
dat de onderzoekers zich niet aan de Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit
(NGWI) hebben gehouden en dat de nevenbetrekkingen en mogelijke belangenverstrengeling
vermeld hadden moeten worden bij ondertekening van het manifest.
Wat betreft de maatschappelijke kosten die worden genoemd, wijs ik graag op de beantwoording
van schriftelijke vragen van de Tweede Kamer die naar aanleiding van publicatie van
het genoemde onderzoek zijn gesteld in 2023.2 Hoewel we inmiddels verder in de tijd zijn, is de reflectie in deze beantwoording
op het onderzoek ongewijzigd:
«Het bedrag van 79 miljard aan maatschappelijke kosten wordt niet in het onderzoek,
maar in het bijgaande persbericht genoemd. In het onderzoek worden maatschappelijke
kosten per respondent per jaar berekend (€ 11.463). De onderzoekers geven daarnaast
aan dat er beperkingen zitten aan de extrapolatie van deze kosten waardoor het niet
mogelijk is – volgens de onderzoekers – om de resultaten te generaliseren naar de
gehele Nederlandse bevolking. De onderzoeksgroep is een selecte en niet-representatieve
populatie van mensen met overgewicht en obesitas. Zo is het percentage mensen met
obesitas in deze studiepopulatie 54 procent, terwijl dit aandeel binnen de groep Nederlanders
met overgewicht ongeveer 25 procent is. Desondanks geeft het onderzoek de urgentie
aan van de noodzaak om het aantal mensen met overgewicht terug te dringen.»
Vraag 2
Deelt u de mening dat het onwenselijk is indien wetenschappers een rol spelen in het
maatschappelijke en politieke debat, maar tegelijkertijd ook betaald worden door commerciële
bedrijven die baat hebben bij een bepaalde uitkomst van dat debat?
Antwoord 2
De wetenschap is een sector die niet geïsoleerd werkt. Zij staat in verbinding met
de samenleving, werkt daarmee samen en wordt daar ook door gefinancierd. Het is voor
de innovatiekracht van ons land daarom van meerwaarde dat wetenschap en bedrijfsleven
in nauwe verbinding staat met elkaar. Nieuwe wetenschappelijke inzichten kunnen op
die manier sneller worden vertaald naar praktijkoplossingen. Transparantie is hierbij
wel essentieel. Zo mag de financieringsbron van een leerstoel of onderzoek geen invloed
hebben op de integriteit van wetenschappelijk onderzoek. Het is daarbij belangrijk
dat de NGWI door wetenschappers en instellingen wordt gevolgd en dat er bij deelname
aan het publieke debat open en eerlijk wordt gecommuniceerd over de rol waarin die
deelname plaatsvindt en mogelijke belangenconflicten. Voor financiële relaties in
de zorg is er het Transparantieregister Zorg, waarin zorgprofessionals (niet zijnde
gezondheidseconomen) en zorgorganisaties, waaronder patiëntenorganisaties, hun relaties
met bedrijven kunnen aangeven.
Vraag 3
Is dit met meer medicijnen of hulpmiddelen gebeurd? Hoe houdt u hier zicht en controle
op?
Antwoord 3
De meeste wetenschappelijke tijdschriften vragen om vermelding van nevenfuncties en
belangen van de auteurs van hun artikelen. In Nederland hebben de wetenschappelijke
instellingen ook gedragscodes waarin staat dat eventuele (tegenstrijdige) belangen
vermeld dienen te worden. Zoals reeds genoemd is publiek-private samenwerking tussen
academische onderzoekers en de farmaceutische industrie wenselijk en dit gebeurt dan
ook regelmatig. Ik heb geen exacte cijfers over hoe vaak dit voorkomt, of hoe vaak
nevenfuncties of belangen niet vermeld worden.
Vraag 4
Maakt u zich zorgen over de beïnvloeding van commerciële belangen van bedrijven op
politieke besluitvorming?
Antwoord 4
Het is altijd goed om hier alert op te blijven. Vanuit het Ministerie van VWS is er
regelmatig contact met commerciële partijen en, waar dat passend is en kan bijdragen
aan beleidsdoelstellingen, wordt ook met hen samengewerkt. Uiteraard blijven ambtenaren
in deze contacten bewust van de belangen die spelen en staat bij het maken van afspraken
het publieke belang voorop. Er zijn grote verschillen tussen industrieën en bedrijven
en er is daarom niet één manier om hiermee om te gaan. Zo zijn de belangen van de
tabaksindustrie fundamenteel onverenigbaar met ons volksgezondheidsbeleid. Op grond
van het WHO-verdrag FCTC hebben we geen contact met (belangenbehartigers voor) de
tabaksindustrie. Bij de farmaceutische industrie ligt dit genuanceerder. Ten eerste
vanwege het grote maatschappelijke belang van geneesmiddelen en het beleid zich dus
ook richt op de stimulering en facilitering van geneesmiddelenontwikkeling en -productie.
Maar ook hier is terughoudendheid de norm, en moet contact het publieke belang dienen.
Bovendien is het belangrijk om algemeen beleid te scheiden van individuele casuïstiek,
zoals onderhandelingen over de prijs van een geneesmiddel of artikel 3, lid 2 verzoeken
binnen de Wet geneesmiddelenprijzen.
Het uitgangspunt voor beleidsvraagstukken is mede daarom dat contact hierover via
de brancheverenigingen loopt en niet met individuele bedrijven. Al kunnen er uitzonderingen
zijn.
Vraag 5
Welke waarborgen zijn er momenteel om dit soort belangenverstrengeling te voorkomen?
In hoeverre zijn deze voldoende?
Antwoord 5
Het kabinet hecht groot belang aan de transparantie van belangenvertegenwoordiging.
Zo regelt de gedragscode integriteit bewindspersonen dat een bewindspersoon in het contact met derden transparantie en gelijke toegang
nastreeft. Verder zijn de openbare agenda’s bedoeld om inzichtelijk te maken wie contact
hebben met bewindspersonen en waarover zij spreken. Naast het voornoemde Transparantieregister
Zorg, waarmee de financiële belangen van zorgverleners- en instellingen inzichtelijk
worden gemaakt voor de samenleving, zijn dit waarborgen die erop gericht zijn om verschillende
belangen die het besluitvormingsproces trachten te beïnvloeden inzichtelijk te maken.
In een recente Kamerbrief heeft het kabinet uw Kamer laten weten welke maatregelen
getroffen worden om transparantie van besluitvorming verder te bevorderen.3
Vraag 6
Welke consequenties volgen er indien een wetenschapper diens nevenfuncties niet vermeld
en daarmee economische belangen boven publieke belangen zet? In hoeverre zijn deze
voldoende?
Antwoord 6
Om de wetenschappelijke integriteit zo goed mogelijk te waarborgen, zijn er verschillende
regelingen. Voor alle universiteiten geldt de Sectorale regeling nevenwerkzaamheden Nederlandse universiteiten. Op basis van de regeling moeten hoogleraren transparant zijn over hun nevenfuncties
en moeten zij betaalde nevenfuncties waarbij mogelijk sprake is van belangenverstrengeling
melden bij hun universiteit. Daarnaast geldt zoals gezegd de NGWI voor wetenschappers
en hun werkgevers. Als één van de normen voor wetenschappers is daarin opgenomen:
«Wees open en volledig over de rol van externe belanghebbenden, opdrachtgevers, financiers,
mogelijke belangenconflicten en relevante nevenwerkzaamheden.»
Bij (vermeende) schendingen van wetenschappelijke integriteit, zoals het niet benoemen
van nevenfuncties, is het aan de instellingen (werkgever) om de wetenschapper (werknemer)
hierop aan te spreken. De NGWI biedt hiervoor een toetsingskader waarmee deze schendingen
beoordeeld kunnen worden, en indien nodig, kunnen er maatregelen genomen worden. Een
voorbeeld hiervan is een correctie op een publicatie. Ik vind deze regelingen voldoende.
Vraag 7
In hoeverre is op het Ministerie van VWS en door het Zorginstituut het manifest waarbij
deze belangenverstrengeling plaatsvond meegewogen bij het besluit om afslankmedicatie
wel of niet te vergoeden?
Antwoord 7
Bij de beoordeling van geneesmiddelen kijkt het Zorginstituut niet alleen naar effectiviteit,
maar ook de noodzakelijkheid, kosteneffectiviteit en uitvoerbaarheid. Bij de beoordeling
van de kosteneffectiviteit wordt ook, waar relevant en wetenschappelijk onderbouwd,
gekeken naar maatschappelijke kosten en baten, zoals arbeidsproductiviteit, van de
aandoening en het geneesmiddel. Het manifest geldt niet als wetenschappelijke onderbouwing
en wordt niet meegenomen in de beoordeling.
Het Zorginstituut heeft in juli 2024, voordat dit manifest is gepubliceerd, geadviseerd
om het geneesmiddel Wegovy voor de indicatie obesitas niet op te nemen in het basispakket
van de zorgverzekering. Het Zorginstituut kondigde op 6 november jl. aan dat zij een
getrapte aanpak gaat hanteren bij de beoordeling van de nieuwe obesitasmiddelen. Bij
de herbeoordeling van Wegovy en de nieuwe beoordeling van Mounjaro, twee geneesmiddelen
voor de indicatie obesitas, wordt voorlopig alleen gekeken naar de effectiviteit en
gezondheidswinst voor twee verschillende patiëntengroepen. Dit zijn mensen met een
BMI vanaf 30 met ziektes die daarmee samenhangen, en mensen met ernstige of zeer ernstige
obesitas met een BMI vanaf 35. De gekozen aanpak heeft de brede steun van zorgprofessionals,
patiëntenverenigingen en zorgverzekeraars.
Vraag 8
Deelt u de mening dat een nationaal geneesmiddelenfonds een begin zou kunnen zijn
om dit soort commerciële belangen in de zorg voor mensen te voorkomen?
Antwoord 8
Ik zie een nationaal geneesmiddelenfonds niet als een oplossing om mogelijke belangenverstrengeling
te voorkomen. Ik wil hier ook nogmaals benadrukken dat ik publiek-private samenwerking
tussen de academie en de farmaceutische industrie belangrijk vind. Eerder dit jaar4 heb ik een schets voor een nationaal fonds voor geneesmiddelenontwikkeling met uw
Kamer gedeeld. Daarbij heb ik aangegeven dat ik het onwenselijk vind om als overheid
wetenschappers in dienst te nemen die zelf geneesmiddelen ontwikkelen. In plaats daarvan
beschrijft de schets een samenhangend stelsel voor financiering met onderzoekssubsidies
per fase van geneesmiddelenontwikkeling. In het algemeen kunnen we niet zonder de
expertise van de farmaceutische industrie, vooral voor de latere fase van ontwikkeling,
grootschalige productie van geneesmiddelen en het faciliteren van toegang en beschikbaarheid
buiten Nederland. Het is voor academische ontwikkelaars meestal niet haalbaar om dit
zelf te doen. Ik zet daarom in op synergie, zodat alle betrokken partijen hun expertise
kunnen inzetten, en ondersteun initiatieven vanuit zowel de academie, als vanuit commerciële
partijen. Bij trajecten waar individuen of organisaties een belang hebben is belangenverstrengeling
altijd een risico. Dit valt niet te voorkomen. Dit geldt ook voor academici of publieke
onderzoeks- en ontwikkeltrajecten. Om dit te ondervangen moet je dit onderkennen en
door gedragscodes, wederzijdse transparantie en afspraken ondervangen.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.A. Bruijn, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.