Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Slagt-Tichelman en Westerveld over het voorkomen van massadonatie
Vragen van de leden Slagt-Tichelman en Westerveld (beiden GroenLinks-PvdA) aan de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het voorkomen van massadonatie (ingezonden 21 oktober 2025).
Antwoord van Staatssecretaris Tielen (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) (ontvangen
25 november 2025). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 369.
Vraag 1
Bent u bekend met het artikel «Donorkinderen geschokt door nieuwe misstanden: kliniek
omzeilt verplichte registratie spermadonoren»?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Hoe wordt erop toegezien dat een donorkliniek alle donoren registreert en hoe wordt
voorkomen dat klinieken de wet kunnen omzeilen?
Antwoord 2
Artsen en klinieken zijn gehouden aan de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting
(Wdkb) waarin per 1 april 2025 is vastgelegd dat het sperma van één donor kan worden
gebruikt bij maximaal 12 vrouwen. Dit betekent in de praktijk dat iedere donor een
donorcode krijgt en dat hieraan maximaal 12 zogenoemde moedercodes gekoppeld kunnen
worden. Een kliniek reserveert bij het College donorgegevens kunstmatige bevruchting
(Cdkb) een moedercode voordat een behandeling gaat starten. Als de behandeling leidt
tot een doorgaande zwangerschap2, is deze moedercode daarna niet meer beschikbaar. Als alle 12 moedercodes gebruikt
zijn, mag het sperma van de donor in Nederland niet meer worden ingezet bij een behandeling.
De kliniek hoeft de man niet te registreren als donor bij het Cdkb wanneer er tijdens
de vruchtbaarheidsbehandeling gebruik wordt gemaakt van sperma van een echtgenoot,
geregistreerd partner of levensgezel3, omdat het in dat geval geen kunstmatige donorbevruchting betreft zoals vastgelegd
in de Wdkb. Deze wet geeft echter geen expliciete invulling aan het begrip «levensgezel».
Binnen de beroepsgroep bestaat hierover ook geen eenduidig standpunt. De Inspectie
Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) heeft dit bij mij en veldpartijen onder de aandacht
gebracht.
De IGJ houdt toezicht op klinieken op basis van onder andere wettelijke voorschriften
uit de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz), de Wdkb en de Wet veiligheid
en kwaliteit lichaamsmateriaal (Wvkl). Onderdeel van dat toezicht is dat klinieken
de donoren registreren bij het Cdkb. De IGJ heeft tijdens een routine-inspectie in
het kader van de Wvkl4, opgemerkt dat de fertiliteitskliniek in een aantal gevallen de definitie «conceptiepartner»
hanteert. Het woord «conceptiepartner» komt niet voor in de Wdkb. Uit gesprekken die
ik met de kliniek heb gevoerd, blijkt dat zij de definitie conceptiepartner gebruikt
voor een levensgezel. Het gaat hierbij om een behandeling met zaad van een man die
als «co-ouder» juridische rechten en plichten heeft naar het toekomstige kind, en
die tevens betrokken is bij de opvoeding. Daarom is hier volgens de kliniek geen sprake
van een «donor» in de zin van de Wdkb. Om mogelijke onduidelijkheid te voorkomen is
het een eis van de kliniek dat er in zo’n geval een notariële akte (een co-ouderschapscontract) door de wensouder(s) en co-ouder opgesteld is, waarin de verantwoordelijkheden
van de wensouder(s) en co-ouder worden vastgelegd. In het notarieel contract worden
afspraken gemaakt over ten minste de financiële verantwoordelijkheden van de ouders
en de omgangsregeling met het kind. De biologische vader is als co-ouder géén donor
in de zin van de Wdkb, en dus is er geen sprake van omzeiling van de wet.
Vraag 3 en 4
Kunt u schetsen welke stappen er zijn genomen sinds de schriftelijke vragen van GroenLinks-PvdA
uit april om massadonatie te voorkomen?5 Is volgens u de huidige wetgeving afdoende? Zo nee, welke gaten in de huidige wetgeving
constateert u nog?
Op welke manier gaat een register bijdragen aan het voorkomen van massadonatie van
gameten?
Antwoord 3 en 4
De herziene Wdkb is sinds 1 april 2025 in werking getreden. Daarin is vastgelegd dat
het sperma van één donor kan worden gebruikt bij maximaal 12 vrouwen. Klinieken moeten
een donorcode bij het Cdkb opvragen en pas als zij beschikken over een donor- en moedercode,
kunnen zij de behandeling met gedoneerde geslachtscellen uitvoeren. Het is echter
ook duidelijk dat het probleem van grote aantallen nakomelingen van een enkele donor
niet volledig opgelost kan worden met (Nederlandse) wetgeving. Het Cdkb heeft alleen
zicht op de behandelingen die in Nederlandse klinieken plaatsvinden, en niet op de
behandelingen in het buitenland en op spermadonaties in de privésfeer. In een aantal
fertiliteitsklinieken wordt gebruik gemaakt van gedoneerd zaad afkomstig uit het buitenland.
Voor dat donorzaad gelden dezelfde voorwaarden als voor gebruik binnen Nederland.
Het komt echter voor dat het donorzaad van diezelfde donor ook gebruikt wordt in andere
landen, zodat er grotere aantallen nakomelingen kunnen ontstaan. Op dit specifieke
punt biedt het Nederlandse register dus geen oplossing. Ik ben in gesprek met verschillende
betrokken partijen over de mogelijkheden en wenselijkheid om nadere maatregelen te
treffen tegen het gebruik van donorzaad dat in internationaal verband bij meer dan
12 vrouwen wordt ingezet. Nederland heeft eerder het probleem van «massadonatie» in
Europa geagendeerd en zal dat blijven doen in diverse gremia. Met het in kaart brengen
van mogelijke maatregelen geef ik opvolging aan de aangenomen motie van het lid Van
Dijk (SGP) om massadonatie in woord en daad te ontmoedigen6. Ik zal uw Kamer hier in het eerste kwartaal van 2026 over informeren.
Vraag 5
Op welke manier vindt er controle plaats dat er maar één registratienummer is voor
één donor? Is deze controle volgens u voldoende en waarom?
Antwoord 5
Voordat een fertiliteitskliniek behandelingen met de geslachtscellen van een donor
mag uitvoeren, moet de kliniek eerst een «donorcode» bij het Cdkb aanvragen. Deze
code hoort bij één specifieke donor. Het Cdkb controleert aan de hand van BSN, volledige
naam en geboortedatum of donorregistraties van klinieken dezelfde persoon betreffen
en kent zo één centrale donorcode per persoon toe. De herziening van de Wdkb – met
de huidige centrale registratie en het toekennen van unieke codes aan donoren en vrouwen
– is een belangrijke verbetering.
Hiermee wordt o.a. voorkomen dat datzelfde donor in verschillende klinieken nakomelingen
verwekt, zonder dat klinieken dat van elkaar weten. Het blijft essentieel dat klinieken
en het Cdkb de registratie en controles zorgvuldig uitvoeren. De IGJ ziet hierop toe.
De IGJ gaat in 2026 relevante klinieken bezoeken in het kader van de registratie van
moeder- en donorcodes.
Vraag 6
Op welke manier worden er waarborgen gecreëerd om massadonatie van gameten aan banden
te leggen? Kunt u een afweging geven in de balans van het beschermen van mentaal welzijn
van massa-donorkinderen en het aan de markt overlaten van najagen van winst in de
miljardenindustrie van gametendonatie internationaal? In hoeverre moeten volgens de
nationale wetgeving de winstmarges van deze bedrijven binnen altruïstische normen
vallen?
Antwoord 6
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 3 en 4 verken ik momenteel de mogelijkheden
en wenselijkheid om nadere maatregelen te treffen tegen het gebruik van donorzaad
dat in internationaal verband bij meer dan 12 vrouwen wordt ingezet. Laat ik vooropstellen
dat het belang van (het psychosociale welzijn van) donorkinderen centraal heeft gestaan
bij de totstandkoming van het huidige wettelijke kader in Nederland. Dat laat onverlet
dat commerciële donorbanken die (vanuit het buitenland) donorzaad verkopen, winst
mogen maken. Dit hoeft niet op gespannen voet te staan met altruïstische normen. Die
norm geldt namelijk voor donoren. In Nederland is in de Embryowet geborgd dat zowel
sperma- als eiceldonatie geen financieel voordeel mag opleveren7; enkel de gemaakte onkosten worden vergoed. Dit staat bekend als het «om niet» principe
bij donatie.
Vraag 7
Is volgens u voldoende bekend over de gevolgen voor het sociaal welbevinden van kinderen
die zijn verwekt door een massadonor? Zo nee, bent u het eens dat hier oog voor moet
zijn en bent u bereid om dit in kaart te brengen, zodat het belang van kinderen expliciet
kan worden meegenomen in het afwegingskader voor toekomstige wetgeving?
Antwoord 7
Ik stel het belang van kinderen voorop in de vormgeving van maatregelen en wetgeving,
dat is verplicht op grond van artikel 3, eerste lid van het Verdrag inzake de Rechten
van het Kind. Ik vind het belangrijk dat maatregelen en wetgeving zijn gebaseerd op
wetenschappelijke bevindingen. Fiom deed al eerder onderzoek naar het psychologische
effect van het hebben van veel halfbroers en -zussen op donorkinderen8,
9, wat relevant is wanneer een donorkind is verwerkt met een (ongewilde) massadonor.
Fiom start in 2026 met de voorbereidingen voor verder onderzoek naar grote verwantschapsnetwerken
en het psychosociale effect hiervan op donorkinderen. Het verwekt zijn door een donor
met 25 of meer nakomelingen maakt daar onderdeel van uit.
Vraag 8 en 9
Kunt u toelichten of en zo ja in hoeverre er juridische grondslag is voor een mogelijkheid
om als donorkind een massadonor aansprakelijk te stellen?
Wat vindt u van het idee om massadonatie van gameten van meer dan een toegestaan aantal
verwekte kinderen door donorzaad strafbaar te stellen en zo de aansprakelijkheid expliciet
bij de donor te leggen?
Antwoord 8 en 9
Allereerst, het is niet altijd door eigen toedoen dat een donor een «massadonor» is.
Het woord «massadonor» kan stigmatiserend zijn voor donoren van wie het sperma zonder
dat ze het weten bij te veel behandelingen is ingezet.
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 3 en 4 is massadonatie door het nationale register
niet meer mogelijk bij donaties die plaatsvinden binnen het kader van de Wdkb. Buiten
dat wettelijke kader kan het donorzaad van één donor wel bij meer dan 12 moeders worden
ingezet, namelijk in de privésfeer of in het buitenland. Indien de donor welbewust
bij meer dan 12 gezinnen heeft gedoneerd, zijn de mogelijkheden om een donor aansprakelijk
te stellen om een aantal redenen zeer beperkt. Ten eerste is donatie in de privésfeer
niet wettelijk gereguleerd. Het stellen van een maximum aan het aantal zaadceldonaties
in de privésfeer zou een vorm van geboortebeperking zijn die diep ingrijpt op de persoonlijke
levenssfeer van betrokkenen. Naar mijn mening zijn er onvoldoende redenen voor een
dergelijke ingrijpende maatregel. Als wensouders kiezen voor een eigen donor wordt
geadviseerd om een donorcontract op te stellen. Afspraken kunnen dan privaatrechtelijk
worden vastgelegd, zo nodig gecombineerd met een boetebeding. Op het moment dat wensouders
erachter komen dat de donor de overeenkomst heeft geschonden, kunnen zij ervoor kiezen
juridische stappen tegen de donor te ondernemen.
In het recente verleden zijn rechtszaken gevoerd tegen spermadonoren. In 2023 deed
de voorzieningenrechter in Den Haag uitspraak in een kort geding van Stichting Donorkind
en een moeder tegen een spermadonor met, voor zover bekend, honderden nakomelingen.
De donor werd veroordeeld om te stoppen met het doneren van zijn sperma aan nieuwe
wensouders. De voorzieningenrechter was van oordeel dat de belangen van de donorkinderen
en hun ouders bij een verbod om nog langer sperma te doneren aan nieuwe wensouders
zwaarder wegen dan het belang van de donor om daarmee door te gaan10. De rechtbank kwam tot deze uitspraak na een toetsing aan de hand van grondrechten
die in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens zijn vastgelegd.
Naast zaadceldonaties in de privésfeer kunnen grote verwantschapsnetwerken sinds de
inwerkingtreding van de herziene Wdkb alleen nog ontstaan doordat donorzaad in verschillende
landen wordt gebruikt. Dat is mogelijk, omdat elk land zijn eigen normen stelt voor
een maximumaantal nakomelingen of gezinnen. In een dergelijk geval wordt de wet in
de betreffende landen dus niet overtreden en kan de massadonor niet aansprakelijk
worden gesteld.
Vraag 10
Kunt u weergeven waar je als wensouder het register van donoren kunt checken? Als
dit nog niet kan, hoe gaat u ervoor zorgen dat dit wel kan?
Antwoord 10
De Wdkb waarborgt het recht van kinderen om hun afstammingsinformatie (gegevens over
de donor) te achterhalen. Wensouders hebben ten tijde van de behandeling in de fertiliteitskliniek
toegang tot het donorpaspoort. Ook hebben wensouders totdat het kind 12 jaar is de
mogelijkheid om, namens het kind,
de sociale en fysieke donorgegevens op te vragen bij het Ckdb. Dit recht van de ouders
vervalt als het kind de leeftijd van 12 jaar bereikt en het kind zelf een aanvraag
kan doen. De persoonsidentificerende gegevens van de donor kan alleen het kind zelf
aanvragen vanaf 16-jarige leeftijd.
Vraag 11
Bent u op de hoogte dat het voor een particulier persoon lastig is om een donorkind
aan te melden in het register? Wat gaat u hieraan doen om dit makkelijker te maken?
Antwoord 11
De Wdkb ziet toe op medisch geassisteerde voortplanting en omvat dus alleen registraties
van kunstmatige bevruchtingen die binnen Nederlandse klinieken hebben plaatsgevonden.
De klinieken zijn verantwoordelijk voor het registreren van behandelingen bij het
Cdkb.
Sommige wensouders besluiten om geen gebruik te maken van de behandelopties via de
kliniek, maar om in de privésfeer een kind te verwekken. Zij hebben zelf de verantwoordelijkheid
om hiervoor een geschikte partner te vinden en het recht op afstammingsinformatie
te waarborgen voor het kind. De overheid speelt geen rol bij verwekkingen in de privésfeer.
Het betrouwbaar registreren van deze zwangerschappen door de overheid is niet mogelijk,
onder andere omdat de aangeleverde informatie door particulieren niet te controleren
is op juistheid en volledigheid. Bovendien vind ik dit een onwenselijke inmenging
in de privésfeer.
Vraag 12
Welke stappen heeft u ondernomen afgelopen jaar om een Europees register op te richten,
en welke stappen neemt u aankomend jaar hierin?
Antwoord 12
Nederland heeft in de afgelopen jaren het probleem van «massadonatie» in Europa geagendeerd.
Zo is bij de onderhandelingen over de Europese Verordening lichaamsmateriaal geprobeerd
om op Europees niveau afspraken te maken over een maximering van het aantal vrouwen/gezinnen
per donor. Een maximering zal pas effectief zijn als er ook een gezamenlijk register
komt. Er bleek echter onvoldoende draagvlak onder de lidstaten voor een dergelijke
maximering. In sommige landen wordt een groot aantal nakomelingen per donor niet als
een probleem ervaren. Hoewel deze ethische kwestie een nationale bevoegdheid is, zal
ik me hard blijven maken voor een maximering op Europees niveau.
Vraag 13 en 14
Wat gaat u doen om de expertise op dit onderwerp te bundelen? Bent u ervan op de hoogte
dat kinderen, jongeren en jongvolwassenen soms specifieke vragen hebben hierover en
het fijn is als ze bij een expert hulpverlener terecht kunnen? In hoeverre is dit
nu al mogelijk? Wat gaat u doen om dit mogelijk te maken? Kan hier binnen de GGZ een
benaderbaar gespecialiseerde plek voor komen?
Welke stappen bent u bereid te nemen om nazorg voor deze kinderen/ jongeren/jongvolwassenen
en eventueel ouders mogelijk te maken?
Antwoord 13 en 14
Ik ben ervan op de hoogte dat kinderen, jongeren en jongvolwassenen soms specifieke
vragen hebben met betrekking tot hun ontstaansgeschiedenis en afstammingsgegevens.
Hulp en ondersteuning van een (expert) hulpverlener kan daarbij gewenst zijn. Donorkinderen,
ouders, donoren en hun gezinnen, kunnen hiervoor terecht bij Fiom. Fiom is het onafhankelijk
expertisecentrum op het terrein van ongewenste zwangerschap, verwantschapsvragen en
adoptie.
Het Landelijk informatiepunt donorconceptie (LIDC) levert via Donorcenceptie.nl betrouwbare
informatie voor donorkinderen, (wens)ouders en (aspirant)donoren. De informatie wordt
vastgesteld door de redactieraad, die bestaat uit partijen die op verschillende manieren
betrokken zijn bij donorconceptie, namelijk Stichting Meer dan Gewenst11, Stichting Donorkind, Fiom, de NVOG12 en POINT Netwerk13.
Het Cdkb heeft de wettelijke taak om zorg te dragen voor de begeleiding bij de verstrekking
van de persoonsidentificerende gegevens van donoren aan donorkinderen. Het Cdkb heeft
deze taak voor een deel neergelegd bij Fiom, dat ondersteuning en begeleiding biedt
in de fase van informatieverstrekking van donorgegevens. Het Ministerie van VWS financiert
deze begeleiding via de instellingssubsidie aan Fiom. Fiom faciliteert het contact
tussen een donorkind en diens verwanten en biedt buiten het moment van informatieverstrekking
kortdurende ondersteuning in de vorm van één of twee gesprekken. Desgewenst brengt
Fiom hen in contact met ervaringsdeskundige professionals via Stichting Donorkind.
Indien er behoefte blijkt aan langduriger ondersteuning, hulpverlening of behandeling,
dan verwijst Fiom hiervoor door naar bijvoorbeeld hulpverlening in de buurt (jeugdhulp,
wijkteam, huisarts) of de reguliere GGZ. Ik ben niet voornemens de dienstverlening
van Fiom verder uit te breiden.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.