Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Postma, Thijssen, Sneller en Inge van Dijk over de kabinetsinzet bij de Ministeriële Conferentie van ESA 2025
Vragen van de leden Postma (Nieuw Sociaal Contract), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Sneller (D66) en Inge van Dijk (CDA) aan de Minister van Economische Zaken over de kabinetsinzet bij de Ministeriële Conferentie van ESA 2025 (ingezonden 16 oktober 2025).
Antwoord van Minister Karremans (Economische Zaken) (ontvangen 24 november 2025).
Vraag 1
Waarom kiest u ervoor om bij de komende Ministeriële Conferentie (MC25) van de Europese
Ruimtevaartorganisatie (ESA) op hetzelfde nominale niveau van € 170 miljoen in te
schrijven als in 2022, terwijl toen nog sprake was van € 53,6 miljoen aan incidentele
ophogingen?1
Antwoord 1
Zoals aangegeven in de Kamerbrief en de eerder gestuurde kabinetsreactie op de Lange-termijn
Ruimtevaartagenda (LTR) onderschrijf ik het belang van ruimtevaart voor Nederland.
Er is echter binnen de budgettaire kaders van het demissionaire kabinet een beperkte
financiële armslag om alle doelstellingen te behalen die in de LTR staan beschreven.
Omdat de ruimtevaartsector belangrijk is, is het kabinet er na dit voorjaar wel in
geslaagd om de basisbijdrage op peil te houden (exclusief de incidentele ophogingen
vanuit NGF en de ophoging vanuit de begrotingsbehandeling).
Ondanks dat er geen ruimte voor investeringen in ESA is gevonden in het voorjaar,
ben ik naar aanleiding van zorgen vanuit ESA aan het verkennen of er nog aanvullende
middelen gevonden kunnen worden voor de conferentie.
Vraag 2
Klopt het dat Nederland daarmee opnieuw ver onder de ESA-norm blijft (ongeveer 2,4%
in plaats van 4,7% naar rato van het bruto binnenlands product (bbp)? Welke overwegingen
liggen aan dit besluit ten grondslag?
Antwoord 2
De inzet voor de ESA-bijdrage vanuit EZ en OCW bedraagt samen € 343 miljoen voor de
aankomende drie jaar. Nederland behoort volgens de ESA-norm momenteel 4,85% van de
totale ESA-begroting bij te dragen. Op dit moment streeft ESA naar een totale inschrijving
van € 22 miljard door alle lidstaten, wat zou neerkomen op ruim € 1 miljard voor Nederland
voor de komende drie jaar. Zie voor de overwegingen van het kabinet om te komen tot
de huidige inzet en de verkenning voor aanvullende middelen het antwoord onder vraag
1.
Vraag 3
Erkent u dat deze nominale bevriezing, gecorrigeerd voor inflatie, feitelijk neerkomt
op een reële bezuiniging van ongeveer 25%, zoals het Netherlands Space Office (NSO)
in zijn advies constateert?2
Antwoord 3
Nee, het kabinet heeft niet actief bezuinigd op het ruimtevaartbudget. Wel geldt,
zoals aangegeven in de Kamerbrief, dat er een tweetal incidentele ophogingen van in
totaal € 53,5 miljoen nu vervallen in het ESA-budget. Het nu beschikbaar gestelde
budget is daardoor ruim 25% lager dan de Nederlandse investeringen in 2022. Ook is
het reële budget lager doordat er nu geen inflatiecorrectie is toegepast op het ESA-budget.
Desondanks ben ik aan het verkennen of er nog aanvullende inschrijvingen mogelijk
zijn.
Vraag 4
Hoe beoordeelt u de constatering in het NSO-advies dat het huidige budget «circa 25
procent lager ligt dan wat Nederland in 2022 heeft ingeschreven in technologieontwikkelingen
en productie via ESA-samenwerkingen» en dat hierdoor «invloed en toegang tot cruciale
diensten onder druk staan»?
Antwoord 4
De inschrijvingen in ESA-programma’s leiden via de geo-return tot een Nederlands aandeel
in technologieontwikkeling en productie van ESA-projecten waarin samen met andere
ESA-lidstaten wordt samengewerkt. Zie voor een toelichting op het circa 25 procent
lagere budget het antwoord bij vraag 3.
Wat betreft de tweede constatering: het NSO doelt erop dat Nederland pas meer zeggingskracht
heeft bij overleggen van ESA en de EU over nieuwe ruimtemissies, als het zelf ook
hoogwaardige technologie actief inbrengt. Zo kan Nederland sturen op missies en toepassingen
die van direct nationaal belang zijn, bijvoorbeeld het sneller in beeld brengen van
overstromingsrisico’s. Naarmate een land meer financieel en technologisch bijdraagt,
groeit de invloed in de ontwikkeling van de diensten en missies. Een lagere bijdrage
kan daarentegen mogelijk de toegang tot diensten die specifiek voor Nederland van
groot belang kunnen zijn beperken. Daarbij komt dat op gebieden waar Nederland tot
de top behoort, zoals in atmosfeerinstrumenten, Nederland haar leidende positie zou
kunnen verliezen ten opzichte van andere landen.
Vraag 5
Het NSO adviseert om het ruimtebudget «zo snel mogelijk in lijn te brengen met de
door het kabinet onderschreven belangen en ambities» en waarschuwt dat Nederland anders
«niet een stap voorwaarts maar een stap achteruit» zet, dit advies is nu niet opgevolgd;
welke mogelijkheden ziet u nog om de investeringen in de ruimtevaart in lijn te brengen
met de kabinetsreactie op de Langetermijnagenda Ruimtevaart? Bent u bereid dit in
kaart te brengen voor de formatiegesprekken? (zie ook vraag 12)
Antwoord 5
Zoals ook toegelicht in de kabinetsreactie op de Lange-termijn Ruimtevaartagenda (LTR),
onderschrijft het kabinet de visie en missies in de LTR, maar geldt dat het nationale
ruimtevaartbudget ontoereikend is om alle doelstellingen in de LTR te behalen. Het
kabinet kijkt daarom nadrukkelijk naar zowel acties die binnen de huidige budgetruimte
genomen kunnen worden, als naar verkennende activiteiten die gestart kunnen worden
om de investeringen op het benodigde niveau te krijgen. De keuze voor deze investeringen
is niet aan het huidige kabinet. De inschrijvingen van Nederland tijdens de Ministeriële
Conferentie van ESA vormen een belangrijke basis om te werken aan de doelstellingen
uit de LTR, maar zijn lager dan de ESA-norm voorschrijft en niet voldoende om alle
doelstellingen uit de LTR te halen. Naar aanleiding van zorgen vanuit ESA ben ik wel
aan het verkennen of er nog aanvullende middelen gevonden kunnen worden voor de conferentie.
Daarnaast wordt ook gekeken naar andere manieren om voldoende middelen bij elkaar
te krijgen voor de financiering van de LTR. Zo zal de verdere invulling van de Defensie
Ruimte Agenda (DRA) ook mede in samenhang met de LTR gebeuren. In dat kader wordt
besproken welke missies uit de LTR ook relevant kunnen zijn voor Defensie. Deze sector
is namelijk van groot belang voor ons land zoals ook tot uiting komt in zowel de LTR
als de DRA. Vervolgens is ook het volgende EU Space Programme vanuit de EU van belang, zodat een deel van de doelstellingen uit de LTR behaald
zouden kunnen worden via Europese programma’s. Bij de onderhandelingen over het nieuwe
EU Space Programme van 2027–2034 zullen de doelstellingen uit de LTR leidend zijn voor Nederland. Ook
zal ik conform de motie Thijssen cs. uw Kamer voorafgaand aan de inhoudelijke formatiegesprekken
informeren over welke financiële middelen nodig zijn om de Nederlandse ruimtevaartclusters
te versterken.
Vraag 6
Welke gevolgen heeft deze lagere ESA-inzet voor de Nederlandse geo-return (NL: geografische teruggave) en voor de opdrachten aan de kennis- en industriële
partners die nu deelnemen aan programma’s zoals Ariane 6, Vega-C en Artemis?
Antwoord 6
ESA-opdrachten worden in competitie verworven, maar landen hebben wel de zekerheid
dat een gegarandeerd percentage van hun inzet in hun land besteed wordt («georeturn»).
Een lagere ESA-inzet leidt er dan ook toe dat de investeringen in de Nederlandse ruimtevaartindustrie
vanuit ESA kleiner worden.
Op Ariane 6 en VEGA wordt de bestaande lijn voortgezet (zie ook verderop het antwoord
op vraag 7), maar er zal geen ruimte zijn voor Nederlandse partijen om mee te werken
aan nieuwe ontwikkelingen, zoals herbruikbare draagraketten. Bij het de verwachte
inzet voor het ESA-exploratie programma, deels ondersteunend aan het ARTEMIS-maan
programma, zal naar verwachting industrieel werk (zonnepanelen voor de maancapsule)
uit Nederland verdwijnen. Dit heeft beperkte gevolgen voor de werkgelegenheid, vanwege
toename van robuuste commerciële activiteiten.
Vraag 7
Klopt het dat de Nederlandse bijdrage aan ESA’s lanceerdersprogramma (€ 40–45 miljoen)
grotendeels verplicht is vanwege eerder aangegane toezeggingen bij de conferentie
in 2021 en dus weinig ruimte laat voor nieuwe strategische investeringen?
Antwoord 7
Voor een deel van deze bijdrage geldt inderdaad dat het een verplichting betreft vanuit
de Sevilla conferentie uit 2023. De rest van de investering is grotendeels gericht
op het behoud en de versterking van de Europese toegang tot de ruimte door doorontwikkeling
en kostenverlaging van de Ariane-6 en VEGA-raketten. Daarmee is inderdaad voor geheel
nieuwe investeringen beperkte ruimte met het huidige budget.
Vraag 8
Kunt u inzichtelijk maken hoe het budget met € 60 miljoen per jaar kan worden opgehoogd
naar het niveau zoals in de kabinetsreactie op de Langetermijn Ruimtevaartagenda wordt
voorgesteld?3
Antwoord 8
De kabinetsreactie op de Lange-termijn Ruimtevaartagenda (LTR) beschrijft welke budgettaire
scenario’s mogelijk zijn om het ruimtevaartbudget in de komende jaren te verhogen,
maar gaf aan dat een beslissing daarover in het voorjaar van 2025 zou vallen. Uiteindelijk
heeft het kabinet tijdens de integrale weging in het voorjaar besloten het budget
niet te verhogen. Desondanks ben ik naar aanleiding van zorgen vanuit ESA aan het
verkennen of er nog aanvullende investeringen mogelijk zijn voor deze conferentie.
Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 1.
Vraag 9
Bent u bekend met het recente interview van de ESA-topman in NRC: «ESA-baas: «Met
zo’n lage bijdrage zal Nederland ruimtevaartactiviteiten verliezen»»?4 Wat vindt u ervan dat ESA activiteiten gaat weghalen bij het Europees Ruimteonderzoek-
en Technologie Centrum (ESTEC) in Noordwijk omdat de Nederlandse bijdrage relatief
veel lager is dan die van andere ESA-lidstaten? Vindt u het wenselijk dat met uw ambitie
om meer te investeren in innovatie en onderzoek, in deze tijden van geopolitieke spanningen
waarbij ruimtevaart essentieel is om de Europese veiligheid te waarborgen, ruimtevaartactiviteiten
in Nederland worden weggehaald?
Antwoord 9
Ja, ik ben bekend met artikel. Een structureel lage investering in ESA kan ertoe leiden
dat ESTEC gedeeltelijk activiteiten inricht in andere landen. Dat is bijvoorbeeld
gebeurd met de verplaatsing van de directie van het Human and Robotic Exploration-centrum
naar Keulen. Alhoewel het risico van verplaatsing van ESTEC-onderdelen reëel is, zet
ik mij ten volle in om Nederland de thuisbasis te laten zijn van ESTEC en dat dit
ook zo zal blijven in de toekomst. ESTEC is het technologisch hart van ESA en de grootste
ruimtevaart onderzoeksfaciliteit in Europa. De vestiging van ESTEC in Nederland is
van grote waarde voor de innovatiekracht, het verdienvermogen en de weerbaarheid van
zowel Nederland als Europa. Ik ben dan ook in goed en continu overleg met de organisatie
om de aantrekkelijkheid van Nederland voor ESTEC verder te versterken en daarbij hun
zorgen zo goed mogelijk te adresseren.
Vraag 10
Bent u zich ervan bewust dat dit besluit concrete negatieve consequenties gaat hebben
voor de Nederlandse ruimtevaartindustrie? Hoewel de woorden in de brief mooi zijn
en spreken van ambitie, verhouden zij zich niet tot de gepresenteerde getallen in
de Kamerbrief; heeft u scherp of wegblijvende overheidsinvesteringen zullen zorgen
voor het vertrekken van hoogwaardige kennisbedrijven uit Nederland?
Antwoord 10
De relatief lage bijdrage van Nederland aan ESA blijft een belangrijk punt van zorg,
juist ook omdat een dergelijke stap impact kan hebben op het ruimtevaart ecosysteem,
met name in Zuid-Holland. De Nederlandse ruimtevaartsector telt circa 10,500 FTE,
vertegenwoordigt 0,3% van het bbp en omvat ruim 300 bedrijven waarvan een groot deel
zich bevindt in het gebied rondom ESTEC. Vergelijkbaar met het semicon-ecosysteem
in Eindhoven dat een belangrijk wereldwijd knooppunt is als het gaat om halfgeleiders,
behoort het ecosysteem in Zuid-Holland in belangrijke niches tot de wereldtop op het
gebied van ruimtevaarttechnologie. Nederlandse ruimtevaart bedrijven opereren ook
in het buitenland en hebben in het verleden ook een deel van hun activiteiten naar
het buitenland verplaatst. De redenen om dit te doen variëren per bedrijf. Sommige
ondernemingen kunnen van mening zijn dat overheidsinvesteringen uitblijven en als
gevolg daarvan naar het buitenland vertrekken.
Ik zet mij daarnaast in om het brede vestigingsklimaat in Nederland te versterken.
Alhoewel overheidsinvesteringen daarbij een onderdeel kunnen vormen, zijn er meer
factoren die ertoe leiden dat Nederland aantrekkelijk is en blijft voor bedrijven,
zoals het fiscale klimaat en de aanwezigheid van een goed ecosysteem. Door te richten
op al deze elementen, probeer ik een aantrekkelijk vestigingsklimaat te creëren voor
bedrijven, zelfs als er minder financiële middelen beschikbaar zijn in tijden van
budgettaire krapte.
Vraag 11
Bent u zich ervan bewust dat ruimtevaart in negen van de 10 Nationale Technologiestrategiegebieden
een rol speelt? Ziet u dat deze brief daar haaks op staat?
Antwoord 11
In de ruimtevaart worden negen van de tien NTS-technologieën toegepast en verder ontwikkeld.
De brief waarin de kabinetsinzet bij de Ministeriële Conferentie van ESA 2025 wordt
beschreven, staat hier niet haaks op aangezien er nog steeds honderden miljoenen in
ESA geïnvesteerd worden de komende jaren. Elke geïnvesteerde euro in ESA zorgt namelijk
ook voor een bijdrage aan de technologieën uit de NTS. De brief geeft wel aan dat
op dit moment de budgettaire mogelijkheden om meer in te zetten op ruimtevaart beperkt
zijn. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 1.
Vraag 12
Met het actieplan om 3% van het bruto nationaal product (bnp) te besteden aan innovatie
en onderzoek laat u zien te willen investeren in innovatie; dragen bestedingen aan
ruimtevaart bij aan innovatie en onderzoek en daarmee aan het behalen van de 3% norm?
Hoeveel euro krijgt de samenleving terug voor elke euro die wordt besteed aan ruimtevaart?
Bent u het ermee eens dat deze brief over ruimtevaart en effectief een LAGER budget
voor ruimtevaart haaks staan op de brief over de 3% innovatie en onderzoek norm? Bent
u het ermee eens dat deze ruimtevaartbrief daarmee haaks staat op het lange termijn
verdienvermogen van Nederland?5
Antwoord 12
De investeringen in ruimtevaart kunnen bijdragen aan het behalen van de genoemde 3%-doelstelling
als deze plaatsvinden op het gebied van R&D. Ondanks de lagere ruimtevaartbudgetten,
geldt dat dit kabinet vasthoudt aan het actieplan. Een lager budget voor ruimtevaart
als gevolg van de huidige budgettaire mogelijkheden, zoals ook aangegeven in het antwoord
op vraag één, leidt er niet toe dat de 3% norm direct uit zicht verdwijnt. Immers,
dit percentage kan bijvoorbeeld ook worden gerealiseerd door vanuit andere relevante
sectoren meer te investeren. Voor wat betreft het financiële rendement op het gebied
van de ruimtevaartsector geldt dat hiervoor in Nederland geen specifiek onderzoek
is uitgevoerd.
Vraag 13
Bent u zich ervan bewust dat ruimtevaart per definitie een kritieke infrastructuur
is en daarmee dual-use (NL: voor tweeërlei gebruik) is (1,5% bovenop het reguliere defensiebudget)?
Antwoord 13
Ruimtevaarttechnologie heeft (doorgaans) een dual-use karakter en kent civiele en
militaire toepassingen. Met de verslechterde internationale veiligheidssituatie en
daarmee het toegenomen belang van het militaire gebruik van de ruimte neemt de zwaarte
en importantie van militaire toepassingen in dual-use toe. Synergie is daarom nodig
om overlap van publiek gefinancierde activiteiten te voorkomen en om met bedrijven
en kennisinstellingen te werken aan een robuust en concurrerend ruimte-ecosysteem
in Nederland. Door de sterk veranderde veiligheidssituatie is het van belang dat Nederland
haar weerbaarheid verhoogt, Defensie haar militaire paraatheid verhoogt en investeringen
in het ruimtedomein dragen daaraan bij. Een eigen sterke technologische en industriële
basis voor het ruimte-ecosysteem is daarin essentieel.
Vraag 14
Kunt u voor de formatiegesprekken een BNC-fiche klaar hebben liggen waarin aangegeven
wordt waaruit de 60 miljoen euro per jaar gehaald zou kunnen worden zodat, mochten
de formerende partijen daartoe besluiten, deze alsnog neergelegd kan worden via de
formatie?
Antwoord 14
Conform de motie Thijssen cs. zal ik uw Kamer voorafgaand aan de inhoudelijke formatiegesprekken
informeren over welke financiële middelen nodig zijn om de Nederlandse ruimtevaartclusters
te versterken. Ik zal géén BNC-fiche klaar hebben liggen. In een BNC-fiche wordt het
standpunt van de Nederlandse regering ten aanzien van een (nieuw) voorstel van de
Europese Commissie opgenomen. Daar is nu geen sprake van, aangezien ESA geen onderdeel
van de EU is.
Vraag 15
Wat is de inzet van Nederland voor de Ministeriële Conferentie die over vier weken
plaatsvindt? Bent u bereid om naar zoveel mogelijk financiële middelen te zoeken zodat
hier meer neergelegd kan worden dan in de brief wordt aangegeven?6
Antwoord 15
De Nederlandse inzet is beschreven in mijn brief over de kabinetsinzet bij de Ministeriële
Conferentie van ESA 2025. Het kabinet moet continu lastige keuzes maken met financiële
schaarste en de middelen op de EZ-begroting zijn daarbij beperkt. Daarbij zijn er
in de uiteindelijke afweging geen extra middelen voor de Ministeriële Conferentie
gevonden. Daarnaast is het niet mogelijk buiten de integrale weging van het voorjaar
nieuwe middelen te alloceren. Desondanks zal ik de mogelijkheden voor aanvullende
middelen vooraf aan de conferentie verkennen. Eventuele keuzes over additionele structurele
middelen is voorbehouden aan het volgende kabinet.
Hierbij is het belangrijk om te vermelden dat er specifieke afspraken bestaan over
het achteraf extra middelen toekennen aan ESA. In bepaalde programma's wordt direct
na de Ministeriële Conferentie het werk verdeeld over de deelnemende landen. Daarbij
is achteraf inschrijving niet mogelijk. Er zijn ook programma's waarbij het wel achteraf
mogelijk is om extra budget in te schrijven, bijvoorbeeld ten aanzien van algemene
technologieprogramma's.
Vraag 16
Bent u bereid de Kamer vóór de ESA-Ministeriële Conferentie te informeren over:
a. de exacte verdeling van de Nederlandse inschrijvingen per ESA-programma (communicatie,
aardobservatie, navigatie, lanceerders, exploratie);
b. de verschillen met 2022;
c. de verwachte geo-return; zodat de Kamer haar controlerende rol tijdig kan uitoefenen?
Antwoord 16
Nee, dit kan ik niet toezeggen aangezien de definitieve verdeling van de ESA-middelen
over de verschillende programma’s pas tijdens de Ministeriële Conferentie wordt bepaald.
Alhoewel de indicatieve inzet is toegelicht in de Kamerbrief, wordt een marge aangehouden
om tijdens de conferentie zelf in kunnen spelen op aanpassingen in de voorstellen
vanuit ESA. Wel ben ik voornemens om in het eerste kwartaal van 2026 uw Kamer te informeren
over de uitkomst van de conferentie. Daarin kan ik dan ook ingaan op de gevraagde
uiteenzetting.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
V.P.G. Karremans, minister van Economische Zaken
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.