Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over het ontwerpbesluit houdende de Subsidieregeling Verduurzaming voor Verenigingen van Eigenaars (SVVE) 2026 (Kamerstuk 30196-853)
30 196 Duurzame ontwikkeling en beleid
Nr. 856
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 21 november 2025
De vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening heeft een aantal
vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke
Ordening over de brief van 19 september 2025 over het ontwerpbesluit houdende de Subsidieregeling
Verduurzaming voor Verenigingen van Eigenaars (SVVE) 2026 (Kamerstuk 30 196, nr. 853).
De vragen en opmerkingen zijn op 5 november 2025 aan de Minister van Volkshuisvesting
en Ruimtelijke Ordening voorgelegd. Bij brief van 21 november 2025 zijn de vragen
beantwoord.
De fungerend voorzitter van de commissie, Beckerman
De griffier van de commissie, De Vos
I Vragen/opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
II Antwoord/reactie van de Minister
I Vraag/opmerking van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het Ontwerpbesluit
houdende de Subsidieregeling Verduurzaming voor Verenigingen van Eigenaren (SVVE)
en hebben over een aantal onderwerpen nog vragen voor de Minister.
Op blz. 9 van het Ontwerpbesluit valt te lezen dat de looptijd van de regeling is
verlengd tot en met 2030 en het subsidieplafond voor verduurzamingsmaatregelen en
ondersteunend onderzoek en advies ten behoeve van verduurzaming is opgehoogd met meer
dan honderd miljoen euro. De leden van de PVV-fractie willen de Minister vragen of
er tussentijdse evaluaties plaatsvinden om te kijken hoe de regeling wordt gebruikt,
wat gebeurt met eventueel overtollig beschikbaar budget in 2030 en of het volledig
beschikbare bedrag juridisch gebonden is.
II Antwoord/reactie van de Minister
De SVVE is in 2023 gestart. Voor subsidieregelingen geldt dat deze in principe elke
5 jaar geëvalueerd moeten worden. Volgens de planning zal de regeling daarom in 2028
geëvalueerd worden door een onafhankelijke partij. Mocht de evaluatie daar aanleiding
toe geven kan de regeling op dat moment worden herzien en verbeterd. Daarnaast wordt
de regeling continu gemonitord door RVO. Het CBS heeft tot slot recent een dashboard
gepubliceerd waar recente cijfers in terug te vinden zijn van verschillende (subsidie)regelingen,
o.a. de SVVE. In dit dashboard is zichtbaar dat het gebruik van de SVVE de afgelopen
jaren is toegenomen. Het dashboard is te vinden via: https://dashboards.cbs.nl/energiesubsidies_woningen/
Het toegevoegde budget is gebaseerd op de prognoses voor gebruik van de regeling.
De verwachting is daarom dat het budget volledig aangevraagd zal worden om verduurzaming
bij VvE’s mogelijk te maken. Het budget is volledig juridisch verplicht voor de SVVE
en komt grotendeels vanuit het Klimaatfonds. In het geval het budget niet volledig
wordt aangevraagd t/m 2030, zal het resterende deel terugvloeien in het Klimaatfonds.
I Vraag/opmerking van de leden van de PVV-fractie
Tevens valt op blz. 9 van het Ontwerpbesluit te lezen dat vanaf 2024 in de SVVE een
bonus geldt voor de toepassing van milieuvriendelijke biobased isolatiematerialen,
zoals vlas en vezelhennep, aangezien deze vooralsnog duurder zijn dan niet-duurzame
isolatiematerialen.
Deze leden willen van de Minister weten hoe hoog de meerkosten zijn van biobased isolatiematerialen
ten opzichte van «reguliere» isolatiematerialen, hoe biobased isolatiematerialen kwalitatief
scoren ten opzichte van reguliere isolatiematerialen (levensduur, veiligheidsaspecten,
gebruiksgemak etc.) en wat mogelijke gevolgen zijn als genoemde bonus geschrapt zou
worden.
II Antwoord/reactie van de Minister
Milieuvriendelijke biobased isolatiematerialen hebben in de regel een lagere milieudruk
dan minerale of synthetische isolatiematerialen. Zo wordt bij een vergelijkbare Rc-waarde
over de gehele levensduur gemiddeld minder CO2 uitgestoten bij de toepassing van biobased isolatiemateriaal dan bij andere isolatiematerialen.1, 2, 3 Mede daarom werkt het Rijk aan de opschaling van de teelt, verwerking en toepassing
van deze materialen via de Nationale Aanpak Biobased Bouwen.4
Op dit moment zijn biobased isolatiematerialen nog duurder dan «reguliere» isolatiematerialen.
Dit prijsverschil is niet in één getal te vatten, want het varieert per materiaalsoort
(bijvoorbeeld houtwol en hennepwol) en per toepassingsgebied (bijvoorbeeld dakisolatie
en vloerisolatie). In de SVVE is dit verschil zo goed mogelijk gereflecteerd door
een variatie in de subsidiebedragen van € 1/m2 (bodemisolatie) tot € 6/m2 (dakisolatie). De subsidiebonus is bedoeld als een tijdelijke stimulans totdat het
prijsverschil fors is verkleind en milieuvriendelijke biobased materialen kunnen concurreren
met minerale en synthetische materialen, onder andere door de net genoemde opschaling.
Er is overigens geen intrinsieke reden dat biobased materialen duurder zijn: het is
veelal een gebrek aan schaal omdat de materialen pas sinds kort geproduceerd worden.
Als de genoemde bonus voortijdig geschrapt wordt, zal de stimulans voor biobased isolatiemateriaal
wegvallen, waardoor het minder wordt verkocht. Bijgevolg stijgt de milieu-impact van
de verduurzaming van de gebouwde omgeving. Een belangrijk onderdeel en effect van
de Nationale Aanpak Biobased Bouwen valt daarmee weg of wordt vertraagd, namelijk
de opschaling van teelt, verwerking en toepassing van biobased materialen. Het wordt
ook lastiger voor Nederlandse boeren om bepaalde gewassen, zoals vlas of hennep, te
telen en te verkopen aan partijen uit de bouwsector. Hiermee valt een alternatief
verdienmodel voor de boeren weg.
I Vraag/opmerking van de leden van de PVV-fractie
Op blz. 10 van het Ontwerpbesluit staat dat de SVVE nauw samenhangt met de Investeringssubsidie
Duurzame Energie en Energiebesparing (ISDE) en de Subsidieregeling Verduurzaming en
Onderhoud Huurwoningen (SVOH). De leden van de PVV-fractie willen zo uitgebreid mogelijk
van de Minister weten waar precies de toegevoegde waarde zit van de SVVE ten opzichte
van de andere regelingen en hoe wordt gemonitord of de regelingen elkaar mogelijk
niet in de weg lopen.
II Antwoord/reactie van de Minister
De genoemde regelingen zijn beschikbaar voor verschillende doelgroepen:
– Eigenaren van koopwoningen: de ISDE is beschikbaar voor isolatie en duurzame warmtetechnieken voor eigenaar-bewoners
van koopwoningen en is voor duurzame warmtetechnieken beschikbaar voor zakelijke gebruikers
zoals bedrijven, woningcorporaties en overheden.
– Private verhuurders: de SVOH is beschikbaar voor isolatie, energiezuinige ventilatie, onderhoud en duurzame
warmtetechnieken voor particuliere en overige verhuurders, met uitzondering van woningcorporaties.
– VvE’s: de SVVE is beschikbaar voor ondersteunend onderzoek, advies en procesbegeleiding,
isolatie, duurzame warmtetechnieken en basislaadinfrastructuur voor verenigingen (voornamelijk
VvE’s).
Voor VvE’s is een aparte regeling beschikbaar omdat dit een vrij complexe doelgroep
is waar de verduurzaming achterblijft, vergeleken met woningen die geen onderdeel
zijn van een VvE. Bewoners van VvE’s ondervinden de nadelen hiervan in de vorm van
hogere energierekeningen, tocht, schimmel en een lager wooncomfort. Dat de verduurzaming
van woningen die onderdeel zijn van een VvE nog achterloopt op de verduurzaming van
andere woningen is goed te begrijpen. Appartementseigenaars moeten gezamenlijk besluiten
over onderhoud en verduurzaming van het gebouw. Ook de vele verschillende soorten
VvE-gebouwen wat betreft bouwjaar en bouwtypen bemoeilijken de verduurzaming. Hierdoor
is er geen uniform pakket van verduurzamingsmaatregelen voor alle VvE-gebouwen. Daarnaast
zijn VvE’s niet allemaal professioneel georganiseerd, hoewel ook voor professioneel
geleide VvE’s het verduurzamen van het gebouw geen dagelijkse gang van zaken is. Hiervoor
is inzicht nodig in de bouwkundige, energetische, juridische en financiële mogelijkheden.
Naast dat de SVVE verduurzaming financieel aantrekkelijker maakt, helpt de SVVE om
ondersteuning bij verduurzaming en het benodigde inzicht te kunnen regelen. Via de
SVVE wordt dan ook meer maatwerk geboden dan via de bredere subsidieregeling ISDE.
Zowel de SVVE, SVOH als de ISDE worden uitgevoerd door RVO en deze regelingen worden
continue gemonitord, verder verbeterd en op elkaar afgestemd. Deze regelingen zijn
elk gericht op een eigen doelgroep en lopen elkaar niet in de weg.
I Vraag/opmerking van de leden van de PVV-fractie
Op blz. 11 van het Ontwerpbesluit staat opgetekend dat de wijziging leidt tot een
toename van de uitvoeringslasten voor de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).
Het aantal aanvragen zal naar verwachting toenemen vanwege de ophoging van het budget
en verlenging van de looptijd van de regeling. Deze leden willen de Minister vragen
of de RVO voldoende is toegerust om een toename van aanvragen en uitvoeringslasten
op te vangen.
II Antwoord/reactie van de Minister
Het voornaamste doel van de wijziging is het verlengen van de looptijd, in combinatie
met het beschikbaar stellen van budget over de gehele looptijd. Het budget voor de
SVVE t/m 2030 komt uit het Klimaatfonds meerjarenramingen 2023 en 2024 en staat al
langer op onze begroting. De RVO is daar ook mee bekend en houdt er dus al langer
rekening mee dat de regeling t/m 2030 zal doorlopen. Tot en met 2030 is er ook uitvoeringsbudget
beschikbaar voor de RVO voor het uitvoeren van deze regeling. RVO is dan ook voldoende
toegerust om de aanvragen en uitvoeringslasten op te vangen de komende jaren.
I Vraag/opmerking van de leden van de PVV-fractie
Op dezelfde bladzijde valt te lezen dat er verschillende reacties zijn binnengekomen
over de voorwaarde met betrekking tot het opnemen van de terugverdientijd als onderdeel
van het financieel haalbaarheidsonderzoek. Deze voorwaarde zou namelijk soms een remmend
effect kunnen hebben op de besluitvorming binnen VvE’s en is om die reden geschrapt.
De leden van de PVV-fractie zijn van mening dat de terugverdientijd een essentieel
onderdeel is van het financieel haalbaarheidsonderzoek en willen daarom de Minister
vragen waar het veronderstelde remmend effect op is gebaseerd en hoe wordt voorkomen
dat VvE’s worden geconfronteerd met lange terugverdientijden met alle mogelijke gevolgen
van dien. Is voor de Minister het hoofddoel van CO2-reductie belangrijker dan de financiële gesteldheid van VvE’s?
II Antwoord/reactie van de Minister
Nee, CO2-reductie is niet belangrijker dan de financiële gesteldheid van VvE’s. Tijdens de
internetconsultatie, die liep in de zomerperiode, zijn een aantal reacties binnengekomen
over de verplichting van de terugverdientijd als onderdeel van het financieel haalbaarheidsonderzoek.
Daarbij is aangegeven dat de focus op terugverdientijd soms een eenzijdig beeld geeft
van de financiële kosten van de verduurzaming en een remmend effect kan hebben op
de besluitvorming binnen VvE’s. Dit is gebaseerd op ervaringen van adviseurs/procesondersteuners
tijdens ALV-vergaderingen.
Het is mogelijk om via de SVVE subsidie aan te vragen voor een financieel haalbaarheidsonderzoek
indien er voor minimaal twee verduurzamingsmaatregelen onderzoek is gedaan naar de
financiële haalbaarheid van de investeringen. Het belangrijkste criterium als het
gaat het om de financiële haalbaarheid van de verduurzaming is voor veel VvE-leden
de verandering van de maandelijkse servicekosten van de VvE. Dit weerspiegelt wat
de maatregelen voor bewoners in financieel opzicht betekenen en of deze kosten betaalbaar
zijn voor bewoners. De verandering van de maandelijkse servicekosten blijft een verplicht
onderdeel van het financieel haalbaarheidsonderzoek. De besluitvorming dient uiteindelijk
ook in samenhang te worden bezien met andere aspecten van de verduurzaming zoals verlaging
van de energierekening voor bewoners, toegenomen comfort, mogelijk beter binnenklimaat,
waardestijging van de woningen en lagere afhankelijkheid van fluctuerende gasprijzen/energieleveranciers.
Met deze aangepaste voorwaarde is het overigens nog steeds mogelijk om de terugverdientijd
op te nemen in het financieel haalbaarheidsonderzoek, het is alleen geen verplichting
meer.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
S.M. Beckerman, voorzitter van de vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening -
Mede ondertekenaar
A.C.W. de Vos, griffier