Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Mutluer over onveilige plekken voor vrouwen
Vragen van het lid Mutluer (GroenLinks-PvdA) aan de Ministers van Justitie en Veiligheid en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over onveilige plekken voor vrouwen (ingezonden 1 oktober 2025).
Antwoord van Minister Van Oosten (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 21 november 2025).
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 265.
Vraag 1
Bent u bekend met het onderzoek van Pointer en het Algemeen Dagblad waaruit blijkt
dat meldingen en aangiftes van vrouwen over onveilige plekken vaak zonder opvolging
blijven?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Wat is uw verklaring voor het feit dat slechts een minderheid van de meldingen en
aangiftes leidt tot actie door politie of gemeente?
Antwoord 2
Het is van groot belang dat meldingen en aangiftes bij de politie of gemeenten over
onveilige situaties of plekken adequate opvolging krijgen. Afhankelijk van de aard
van de onveiligheid kunnen mensen zich melden bij de gemeente, als het gaat om de
inrichting van openbare plekken, of de politie, als het gaat om veiligheidsincidenten.
Zowel gemeenten als politie nemen dit uiterst serieus. Ik herken me dan ook niet in
het beeld dat gemeenten en politie weinig opvolging geven aan meldingen of aangiften.
Alle meldingen en aangiften worden bewaard en waar mogelijk zal er een terugkoppeling
worden gegeven. Er zijn echter verschillende verklaringen waarom niet alle meldingen
en aangiftes leiden tot directe actie.
Verschillende (grote) gemeenten geven prioriteit aan de veiligheid in de openbare
ruimte. Meldingen die bij de gemeente worden gedaan over een onveilige inrichting
van de openbare ruimte leiden niet altijd automatisch tot aanpassing van de openbare
ruimte. Per situatie beziet de gemeente welke maatregelen passend en haalbaar zijn.
Hoewel niet iedere melding direct leidt tot aanpassingen, tellen alle meldingen mee
en worden er soms naar verloop van tijd, als er meer meldingen binnenkomen, alsnog
maatregelen genomen. Helaas wordt de veiligheid(sbeleving) niet altijd op iedere plek
significant beter door maatregelen in de omgeving of door meer (sociaal) toezicht.
Daarnaast is het niet altijd mogelijk om contact te zoeken met de melder of naderhand
een terugkoppeling te geven, bijvoorbeeld als een melding weinig informatie bevat
en/of anoniem is.
Als vrouwen, of wie dan ook, een veiligheidsincident bij de politie melden en er sprake
is van een strafbaar feit dan kan hiervan altijd aangifte worden gedaan. De keuze
is aan het slachtoffer. Voor het starten van een opsporingsonderzoek door de politie
is het van belang dat hiervoor voldoende aanknopingspunten zijn. Bovendien speelt
bij de opvolging van een aangifte ook een rol dat opsporingscapaciteit beperkt is,
wat het noodzakelijk maakt om keuzes te maken in welke onderzoeken door de politie
worden opgepakt. Deze keuze wordt onderbouwd gemaakt door de officier van justitie,
als bevoegd gezag over de opsporing.
Vraag 3
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat meldingen en aangiftes van vrouwen structureel
serieuzer en sneller worden opgepakt?
Antwoord 3
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, nemen gemeenten en de politie meldingen
over de onveiligheid van vrouwen, of wie dan ook, uiterst serieus. De Vereniging van
Nederlandse Gemeenten (VNG) brengt samen met enkele gemeenten in kaart wat eventuele
knelpunten zijn die gemeenten ervaren bij de aanpak van dit thema. Daarbij onderzoeken
zij ook hoe de VNG gemeenten het beste kan ondersteunen bij het verbeteren van signalering,
opvolging en samenwerking met politie en ketenpartners. Het signaal dat meldingen
van vrouwen niet altijd adequaat worden opgevolgd, wordt nadrukkelijk meegenomen mee
in deze inventarisatie.
Als het gaat om meldingen van seksuele misdrijven is door de politie de afgelopen
jaren flink ingezet op het verbeteren van de manier waarop zij omgaat met slachtoffers.
De politie is daardoor steeds meer en beter in staat om te kijken naar de behoefte
van een slachtoffer. Die behoefte ligt niet altijd in het strafrecht, maar kan ook
liggen in een vorm van hulpverlening of bijvoorbeeld herstel. Door nauwe samenwerking
met ketenpartners is de politie beter in staat sneller een passende interventie in
te schakelen, die beter aan de behoefte van een slachtoffer voldoet; ook als strafrecht
geen optie blijkt te zijn. Als er aangifte wordt gedaan van een seksueel misdrijf
zullen de politie en het Openbaar Ministerie (OM) deze aangifte samen beoordelen aan
de hand van een sturingsmodel, waarbij op basis van vaststaande criteria zaken geprioriteerd
worden. Verder wordt er door de organisaties in de strafrechtketen gewerkt aan het
verkorten van de doorlooptijden in zedenzaken. Voor de politie geldt dat de doorlooptijd
van aangifte bij de politie tot inzending van het strafdossier bij het OM in 2024
gelijk is gebleven, terwijl de instroom van zedenzaken in dat jaar met 8% is toegenomen
ten opzichte van het voorgaande jaar. Over de doorlooptijden in de strafrechtketen
wordt uw Kamer jaarlijks geïnformeerd met de voortgangsbrief over de strafrechtketen
en de bijbehorende factsheet.2
Tot slot wordt er momenteel gewerkt aan de implementatie van de EU-richtlijn ter bestrijding
van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Richtlijn (EU) 2024/1385). Hiermee wordt
het mogelijk dat vrouwen (ook) laagdrempelig online een aangifte kunnen doen van (huiselijk)
geweld en hier geen fysieke afspraak voor hoeft te worden gemaakt. De wetgeving hierover
wordt op 1 juli 2027 van kracht. Ik verwijs u graag ook naar het antwoord op vraag
8.
Vraag 4
Hoe komt het dat vrouwen bij de gemeente nog minder vaak een terugkoppeling ontvangen
dan bij de politie?
Antwoord 4
Zoals hierboven beschreven, zal de VNG dit onderzoeken, waarbij ook in kaart wordt
gebracht hoe gemeenten hierin ondersteund kunnen worden. Iedere gemeente heeft haar
eigen verantwoordelijkheid als het gaat om de inrichting van de openbare ruimte en
het veilig maken en houden hiervan. Het is essentieel dat alle gemeenten zich inzetten
voor een serieuze behandeling van meldingen over onveilige openbare ruimte en passende
maatregelen nemen binnen deze verantwoordelijkheden.
Vraag 5
Bent u bereid samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten na te gaan hoe door
alle gemeenten dit verbeterd kan worden? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 5
Ja, ik ben de VNG erkentelijk dat zij bereid is een rol te spelen in de aanpak hiervan.
We zullen samen optrekken om, waar nodig, de opvolging van meldingen te verbeteren.
Vraag 6
Deelt u de mening dat het argument dat maatregelen om plekken veiliger te maken «te
duur» zijn, niet opweegt tegen het feit dat vrouwen zich onveilig voelen? Zo ja, waarom?
Zo nee, waarom niet?
Antwoord 6
Ja, het is onwenselijk dat financiële overwegingen zwaarder wegen dan de noodzaak
om vrouwen zich veilig te laten voelen en zijn in publieke ruimtes. Door op een goede
manier te investeren in de publieke ruimte kan dit ook kosten op de lange termijn
voorkomen. Ook de concept-nota Ruimte van de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke
Ordening benoemt dat de publieke ruimte sociaal veilig en toegankelijk dient te zijn,
juist ook voor kwetsbare groepen.
De inrichting van de openbare ruimte is de taak van gemeenten. Het is daarmee aan
de gemeenten om deze afweging te maken. Ik zet me op verschillende manieren in om
kennis hierover te delen en gemeenten te stimuleren actief aan de slag te gaan met
de veilige inrichting van de openbare ruimte. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag
8.
Vraag 7
Wat is het tekort nu en het verwachte tekort aan capaciteit bij de politie om meldingen
van seksueel grensoverschrijdend gedrag dan wel zedendelicten tijdig en goed te behandelen?
Welke acties worden hiertoe genomen?
Antwoord 7
De teams seksuele misdrijven zijn belast met de opsporing van seksuele misdrijven.3 Op 31 augustus 2025 is de formatie van deze teams 710 fte en de bezetting 664 fte.
Daarmee is er sprake van een onderbezetting van 46 fte.
De afgelopen jaren is de formatie van deze teams flink uitgebreid. Hoewel het is gelukt
om extra capaciteit voor de teams seksuele misdrijven te werven, zie ik dat het onder
andere door de pensioenuitstroom (relatief veel ervaren politiemedewerkers stromen
uit) en de krappe arbeidsmarkt momenteel een grote uitdaging is om de bezetting op
peil te houden. In het halfjaarbericht politie wordt uw Kamer halfjaarlijks geïnformeerd
over de capaciteit van de teams seksuele misdrijven en de maatregelen om de werkvoorraden
op het terrein van zedenzaken terug te dringen.
Vraag 8
Zijn of worden er extra middelen vrij gemaakt om gemeenten te ondersteunen bij de
aanpak van onveilige plekken die vrouwen zelf hebben aangegeven? Zo ja hoeveel? Zo
nee, waarom niet?
Antwoord 8
Er wordt op verschillende manieren ingezet op de aanpak van onveilige plekken. Deze
acties worden voortgezet en waar nodig en mogelijk geïntensiveerd.
De inzet voor de aanpak van onveilige plekken gebeurt veelal langs principes van Crime
Prevention Through Environmental Design (CPTED, in het Nederlands ook bekend als Veilig
Ontwerp en Beheer). CPTED is een vorm van situationele preventie die zich richt op
het ontwerpen en beheren van de fysieke omgeving op zo’n manier dat het crimineel
gedrag ontmoedigt en veiligheid(sgevoelens) bevordert. Dit wordt bereikt door op de
juiste manier gebruik te maken van bijvoorbeeld elementen als verlichting, zichtlijnen,
natuurlijke surveillance, toegankelijkheid en eigenaarschap.
Het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid heeft de Veiligheidseffectrapportage
(VER) ontwikkelt. Dit is een procesinstrument voor het toepassen van de CPTED-principes.
Daarnaast is het CCV beschikbaar om vanuit hun expertise mee te denken over vraagstukken
op dit thema en zijn zij ook beschikbaar om de VER of quickscan, een verkorte versie
van de VER, uit te voeren.
Daarnaast biedt de onderzoeksgroep CPTED bij Inholland waardevolle ondersteuning en
expertise op dit gebied, gefinancierd door het Ministerie van Volkshuisvesting en
Ruimtelijke Ordening en het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Zij richten zich
op het ontwikkelen, delen en toepassen van kennis op dit gebied. Ze onderzoeken hoe
fysieke en sociale omgevingen veiliger, leefbaarder en duurzamer kunnen worden ingericht
en passen deze kennis toe in verschillende gemeenten, waaronder NPLV-gebieden, in
Nederland. Ook delen zij de kennis breder door het schrijven van artikelen en het
organiseren van een inspiratiebijeenkomst. Er wordt momenteel ook, in samenwerking
met NPLV, gekeken naar het opzetten van een leerkring over CPTED.
Het «Nieuw handboek Veilig Ontwerp en Beheer» is recentelijk uitgebracht, dat richtlijnen,
handvatten en goede praktijkvoorbeelden bevat voor het veilig inrichten en beheren
van de openbare ruimte. Het handboek is gericht op gemeenteambtenaren ruimtelijke
ordening, stedelijk beheer en openbare orde en veiligheid, maar ook architecten, stedenbouwkundigen,
woningcorporaties en studenten en docenten.
Met het programma Veilige Steden (looptijd 2023–2026) ondersteunt het Ministerie van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 25 gemeenten met kennis en financiële middelen. Deze
gemeenten zetten zich bij uitstek in voor het verbeteren van de veiligheid van de
openbare ruimte en bij het uitgaan. Binnen het programma zijn er enkele steden, die
daarbij expliciet aandacht hebben voor het ontwerp en de inrichting van de buitenruimte.
Dit komt voort uit de bewustwording dat vrouwen andere ervaringen hebben als het gaat
om veiligheid. Kennisdeling over onderzoek en projecten over dit thema worden gedeeld
via de website van Veilige Steden. De effecten van het programma Veilige Steden worden geëvalueerd, de resultaten zijn
in het voorjaar van 2026 beschikbaar.
Ook binnen Regio Deals en via het Volkshuisvestingsfonds is aandacht besteed aan veilige
openbare ruimten, waarbij middelen vanuit de Regio Deals of het genoemde fonds zijn
ingezet om specifieke gebieden leefbaarder en veiliger te maken.
Ik ben me ervan bewust dat hiermee momenteel niet alle gemeenten worden bereikt. Ik
zal samen met de andere betrokken ministeries en met bovengenoemde partners verkennen
waar we verdere kennisdeling kunnen bevorderen en bereik en impact kunnen vergroten.
Vraag 9
Welke maatregelen acht u passend om onveilige plekken veiliger te maken?
Antwoord 9
Het is belangrijk om te erkennen dat de passende maatregelen sterk afhankelijk zijn
van de specifieke situatie en locatie. Wat werkt in de ene omgeving, kan minder effectief
zijn in een andere. Een gedetailleerde analyse van de plaatselijke omstandigheden
is essentieel, om daar de inrichting van de openbare ruimte op aan te passen. De gemeente
is hier primair verantwoordelijk voor. Er zijn verschillende instrumenten die kunnen
helpen met de analyse en de mogelijke maatregelen, zoals het «Nieuw Handboek Veilig
Ontwerp en Beheer» en de VER.
Vraag 10
Hoe gaat u ervoor zorgen dat gemeenten met vrouwen en buurtbewoners betrokken worden
bij maatregelen om onveilige plekkenveiliger te maken?
Antwoord 10
Veel gemeenten betrekken inwoners al actief via bijvoorbeeld buurtschouwen met bewoners
en vertegenwoordigers van specifieke doelgroepen, waaronder vrouwen en jongeren. Dergelijke
participatieve werkwijzen sluiten aan bij de bredere inzet op Veilige Steden, waarbij
gemeenten, politie, maatschappelijke partners en bewoners gezamenlijk werken aan het
signaleren en aanpakken van onveilige situaties in de openbare ruimte. Ik zal dit
samen met de andere betrokken ministeries en partners blijvend stimuleren.
Vraag 11
Bent u bereid jaarlijks te rapporteren over hoe er met deze meldingen wordt omgegaan,
hoe daar opvolging aan is gegeven en welke effecten dat op de veiligheidsbeleving
van vrouwen heeft?
Antwoord 11
Ik zal uw Kamer via verschillende wegen op de hoogte houden van de voortgang van de
verschillende trajecten. In het halfjaarbericht politie wordt uw Kamer halfjaarlijks
geïnformeerd over de capaciteit van de teams seksuele misdrijven en de maatregelen
om de werkvoorraden op het terrein van zedenzaken terug te dringen. Over de doorlooptijden
in de strafrechtketen wordt uw Kamer jaarlijks geïnformeerd met de voortgangsbrief
over de strafrechtketen.
Ook wordt tweejaarlijks de Veiligheidsmonitor gehouden. De Veiligheidsmonitor is een
groot bevolkingsonderzoek naar veiligheid, leefbaarheid en slachtofferschap van veelvoorkomende
criminaliteit. Hierin is ook aandacht voor de veiligheid(sgevoelens) van vrouwen.
In maart 2026 komt de nieuwe Veiligheidsmonitor uit, waarna uw Kamer daarover wordt
geïnformeerd.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
F. van Oosten, minister van Justitie en Veiligheid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.