Advies Afdeling advisering Raad van State en Nader rapport : Advies Afdeling advisering Raad van State en Nader rapport
36 859 Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 ter bestendiging van de bevoegdheid om biometrische gegevens van vreemdelingen af te nemen en te verwerken
Nr. 4
ADVIES AFDELING ADVISERING RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT
Hieronder zijn opgenomen het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State
d.d. 8 oktober 2025 en het nader rapport d.d. 14 november 2025, aangeboden aan de
Koning door de Minister van Asiel en Migratie. Het advies van de Afdeling advisering
van de Raad van State is cursief afgedrukt.
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw Kabinet van 9 juli 2025, nr. no.2025001544,
machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake
het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies,
gedateerd 8 oktober 2025, nr. W03.25.00170/II, bied ik U hierbij aan.
De tekst van het advies treft u hieronder cursief aan, voorzien van mijn reactie.
Bij Kabinetsmissive van 9 juli 2025, no.2025001544, heeft Uwe Majesteit, op voordracht
van de Minister van Asiel en Migratie, bij de Afdeling advisering van de Raad van
State ter overweging aanhangig gemaakt het wetsvoorstel tot wijziging van de Vreemdelingenwet
2000 ter bestendiging van de bevoegdheid om biometrische gegevens van vreemdelingen
af te nemen en te verwerken, met memorie van toelichting.
Met het wetsvoorstel wordt de nationale bevoegdheid om biometrische gegevens van vreemdelingen
af te nemen en te verwerken bestendigd. Deze bevoegdheid is wettelijk vastgelegd in
de Vreemdelingenwet 2000, maar komt op grond van een horizonbepaling in dezelfde wet
op 1 maart 2026 te vervallen. Om te voorkomen dat het na deze datum niet meer mogelijk
is om biometrische gegevens af te nemen en te verwerken als daarin niet is voorzien
in Europese verordeningen, wordt de horizonbepaling met dit wetsvoorstel geschrapt.
De regering beoogt hiermee de doelmatige en doeltreffende uitvoering van het vreemdelingenbeleid
te bewaken.
Sinds de introductie van de nationale bevoegdheid hebben veel ontwikkelingen plaatsgevonden
op het terrein van Europese regelgeving met betrekking tot biometrische gegevens.
Waar het schrappen van een horizonbepaling een beperkte handeling lijkt, verdient
het vanwege deze grote veranderingen nadere overweging.
In dat kader maakt de Afdeling advisering van de Raad van State een opmerking over
de meerwaarde van de nationale grondslag om biometrische gegevens te verwerken. Zij
adviseert om de noodzaak van de nationale bevoegdheid in het licht van de al bestaande
bevoegdheden op grond van Europese verordeningen nader te motiveren en het wetsvoorstel
zo nodig aan te passen.
De Afdeling gaat vervolgens in op de mogelijkheid om de vingerafdrukken en gezichtsopnamen
van vreemdelingen te gebruiken voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten.
Voor dit doeleinde worden de gezichtsopnamen, die net als de vingerafdrukken zijn
opgeslagen in de Basis Voorziening Vreemdelingen, gekopieerd naar het systeem CATCH-vreemdelingen.
Dat systeem kan op verzoek van de politie worden geraadpleegd om gezichtsopnamen te
vergelijken.
De Afdeling adviseert om toe te lichten op basis van welke juridische grondslag het
verwerken van gegevens in CATCH-vreemdelingen plaatsvindt, de noodzakelijkheid van
deze gegevensverwerking dragend te motiveren en de bewaartermijnen voor de opslag
van gezichtsopnamen in CATCH-vreemdelingen wettelijk te regelen. Indien dit niet mogelijk
is, adviseert de Afdeling om de verwerking van deze gegevens in deze vorm aan te passen
of stop te zetten.
De Afdeling merkt daarnaast op dat de voorwaarden voor het gebruik van gezichtsopnamen
van vreemdelingen ten behoeve van de opsporing en vervolging van strafbare feiten
niet wettelijk zijn vastgelegd. Voor het gebruik van vingerafdrukken met het oog op
de opsporing en vervolging van strafbare feiten zijn dergelijke voorwaarden wel in
de wet vastgelegd. De Afdeling adviseert om de voorwaarden zoals deze gelden voor
het gebruik van vingerafdrukken ten behoeve van de opsporing van strafbare feiten
ook wettelijk vast te leggen voor het gebruik van gezichtsopnamen voor dit doel.
De Afdeling merkt tot slot op dat de biometrische gegevens van vreemdelingen in de
Basis Voorziening Vreemdelingen niet altijd tijdig worden vernietigd. De Afdeling
adviseert om in de toelichting uiteen te zetten welke maatregelen worden genomen om
te voorkomen dat biometrische gegevens langer worden bewaard dan wettelijk is toegestaan
en een evaluatiebepaling in het wetsvoorstel op te nemen.
In verband daarmee dient het wetsvoorstel nader te worden overwogen.
1. Inhoud en achtergrond van het wetsvoorstel
Met de Wet biometrie vreemdelingenketen1 is in 2014 een algemene grondslag voor het afnemen en verwerken van biometrische
gegevens van vreemdelingen opgenomen in de Vreemdelingenwet 2000. Deze grondslag voorziet
in de bevoegdheid tot het afnemen en verwerken van tien vingerafdrukken en een gezichtsopname,
voor zover dat niet mogelijk is op grond van de Europese verordeningen die betrekking
hebben op biometrische gegevens.2
Met deze bevoegdheid is beoogd te voorzien in een betrouwbare vaststelling en registratie
van de identiteit van vreemdelingen, ter bevordering van de uitvoering van het vreemdelingenbeleid.3 De biometrische gegevens worden opgeslagen in de Basis Voorziening Vreemdelingen,
die door de ketenpartners in de migratieketen kan worden geraadpleegd ter vaststelling
en verificatie van de identiteit van een vreemdeling. De gegevens kunnen daarnaast
voor een beperkt aantal andere doeleinden worden gebruikt, waaronder de opsporing
en vervolging van strafbare feiten.4
Omdat met de Wet biometrie vreemdelingenketen inbreuk wordt gemaakt op het recht op
bescherming van de persoonlijke levenssfeer van vreemdelingen, is er tijdens de wetsbehandeling
voor gekozen een horizonbepaling in de Vreemdelingenwet 2000 op te nemen.5 Uit deze bepaling volgde dat de bevoegdheid om een gezichtsopname en vingerafdrukken
van een vreemdeling af te nemen en te verwerken, zeven jaar na de inwerkintreding
van de Wet biometrie vreemdelingenketen zou komen te vervallen.6 Ook zouden de gegevens die op grond van de Wet biometrie vreemdelingenketen waren
verzameld, op dat moment vernietigd moeten worden.
Na twee evaluaties is er in 2021 echter voor gekozen om de horizonbepaling aan te
passen en de bevoegdheid om biometrische gegevens van vreemdelingen af te nemen en
te verwerken met vijf jaar te verlengen.7 Met het onderhavige wetsvoorstel wordt beoogd deze bevoegdheid nu definitief te maken
en de horizonbepaling te schrappen.
De Afdeling heeft eerder geadviseerd over de bevoegdheid om gezichtsopnamen en vingerafdrukken
van vreemdelingen af te nemen en te verwerken bij de introductie van de Wet biometrie
vreemdelingenketen.8 Na de inwerkingtreding van deze wet hebben zich echter verschillende relevante ontwikkelingen
voorgedaan, waaronder de inwerkingtreding van de Algemene Verordening Gegevensbescherming9 (hierna: AVG) en de Richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging10.
Daarnaast bieden Europese verordeningen tegenwoordig meer mogelijkheden tot het afnemen
en verwerken van biometrische gegevens van vreemdelingen dan ten tijde van de introductie
en verlenging van de Wet biometrie vreemdelingenketen. De Afdeling adviseert in het
licht van deze ontwikkelingen over de bestendiging van de nationale bevoegdheid van
het gebruik van biometrische gegevens in de vreemdelingenketen.
2. Noodzakelijkheid nationale bevoegdheid
De bevoegdheid tot het gebruik van biometrie leidt tot een inmenging in de grondrechten
van vreemdelingen, in het bijzonder het recht op eerbiediging van de persoonlijke
levenssfeer.11 Met het oog daarop is van belang dat zorgvuldig wordt afgewogen in hoeverre het gebruik
van biometrie noodzakelijk is, gelet op het ermee beoogde doel. Een inmenging in grondrechten
kan alleen worden gerechtvaardigd als het nagestreefde doel voldoende zwaarwegend
is in verhouding tot die inmenging, en als de inmenging niet verdergaat dan noodzakelijk
is voor het bereiken van dit doel (de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit).
Deze afweging van de noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit van het
nationale gebruik van biometrie is eerder gemaakt bij de introductie van de Wet biometrie
vreemdelingenketen. De wet werd toen ingevoerd omdat op dat moment onvoldoende gebruik
kon worden gemaakt van biometrische gegevens om de identiteit van een vreemdeling
te kunnen vaststellen en verifiëren.12 Bij de verlenging van de bevoegdheid tot het gebruik van biometrie is opnieuw een
afweging gemaakt met behulp van een zogeheten «privacy impact assessment».13
Naar aanleiding van kritische consultatiereacties heeft de regering toen afgezien
van een definitieve regeling van de bevoegdheid om biometrische gegevens af te nemen
en te verwerken, en in plaats daarvan de geldigheidsduur van die bevoegdheid met vijf
jaar verlengd.14 Met het wetsvoorstel wil de regering deze bevoegdheid alsnog definitief maken.
De Afdeling wijst erop dat zich niet alleen sinds de invoering van de verwerkingsbevoegdheid
in 2014, maar ook sinds de verlenging van die bevoegdheid in 2021 vele (Europese)
ontwikkelingen op het terrein van biometrische gegevens hebben voorgedaan. Te denken
valt aan de – ook in de toelichting bij het wetsvoorstel genoemde – Eurodacverordening.
Op grond daarvan houden de lidstaten van de EU een database met gegevens van asielzoekers
bij. Ingevolge de huidige verordening worden deze gegevens gebruikt om te bepalen
welke lidstaat verantwoordelijk is voor een verzoek om internationale bescherming,
en mogen zij onder voorwaarden worden geraadpleegd met het oog op rechtshandhavingsdoeleinden.15
Met ingang van 12 juni 2026, wanneer de nieuwe Eurodacverordening van toepassing wordt,
kunnen de verzamelde gegevens voor nog meer doeleinden worden gebruikt, zoals het
voorkomen, opsporen en onderzoeken van terroristische of andere ernstige strafbare
feiten, en het ondersteunen van empirisch onderbouwde beleidsvorming.16 Ook wordt het mogelijk om behalve vingerafdrukgegevens ook gezichtsopnames op te
slaan.
Tegen de achtergrond van deze en soortgelijke ontwikkelingen rijst de vraag in hoeverre
een aanvullende nationale bevoegdheid tot het afnemen en verwerken van gezichtsopnamen
en vingerafdrukken (nog) noodzakelijk is.17 Wanneer een situatie onder de reikwijdte van een Europese verordening valt, kan immers
worden beargumenteerd dat de Uniewetgever al heeft bepaald welke gegevensverwerking
voldoende zou moeten zijn. De vraag of aanvullende maatregelen in dit licht echt noodzakelijk
zijn, en hoe deze zich verhouden tot wat al Europees geregeld is, wordt in de toelichting
onvoldoende beantwoord.
De Afdeling merkt op dat het raadzaam is om de toelichting hierop aan te vullen. Daarbij
zou de regering ook expliciet moeten ingaan op de verhouding van het wetsvoorstel
tot de AVG. In het bijzonder artikel 9, op basis waarvan het in beginsel verboden
is om biometrische gegevens te verwerken, verdient in dit verband bespreking.
De Afdeling adviseert om de noodzaak van de nationale bevoegdheid tot het afnemen
en verwerken van biometrische gegevens in het licht van de al bestaande bevoegdheden
op grond van Europese verordeningen nader te motiveren en het wetsvoorstel zo nodig
aan te passen.
Naar aanleiding van dit advies is in de memorie van toelichting getoetst aan artikel
9 van de AVG, waarmee deze verwerking van biometrische gegevens in overeenstemming
is. Het gebruik van biometrische gegevens is noodzakelijk voor een zorgvuldige en
eenduidige vaststelling van de identiteit van vreemdelingen in de gehele vreemdelingenketen.
Dit is essentieel voor de integriteit van het toelatingsproces en het voorkomen van
potentiële fraude en administratieve onregelmatigheden, wat van belang is voor het
beschermen van de openbare en de nationale veiligheid en het voorkomen van wanordelijkheden
en strafbare feiten. Dit komt aan de orde in paragraaf 2.5 van de memorie van toelichting.
Hoewel Europese instrumenten zoals de Eurodac- en de VIS-verordening identiteitscontrole
met behulp van biometrische kenmerken mogelijk maken binnen hun eigen toepassingsbereik,
zoals asiel- of visumprocedures, bieden zij geen grondslag voor identiteitsvaststelling
in nationale toelatingsprocedures.
De nationale bevoegdheden tot het afnemen en verwerken van biometrische gegevens zijn
essentieel voor een betrouwbare vaststelling van de identiteit van een vreemdeling
in het kader van deze procedures. Daarmee wordt de betrouwbaarheid van nationale toelatingsprocedures
gewaarborgd en de effectiviteit van het vreemdelingenbeleid versterkt. Bovendien ondersteunen
de nationale bevoegdheden een uniforme benadering van biometrische gegevens doordat
op grond van deze bevoegdheden voor alle processen in de vreemdelingenketen dezelfde
biometrische gegevens kunnen worden afgenomen en gebruikt ten behoeve van de identiteitsvaststelling.
Dit bevordert de samenwerking tussen de ketenpartners en met internationale partners.
3. Opsporing en vervolging van strafbare feiten
a. Rechtmatigheid van het systeem CATCH-vreemdelingen
De vingerafdrukken en gezichtsopnamen die in de Basis Voorziening Vreemdelingen zijn
opgeslagen, worden niet uitsluitend gebruikt voor een goede uitvoering van de Vreemdelingenwet
2000. De wet regelt dat deze biometrische gegevens ook beschikbaar kunnen worden gesteld
voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten.18
Om gezichtsopnamen te kunnen gebruiken voor gezichtsvergelijking in het kader van
de opsporing en vervolging van strafbare feiten, worden de gezichtsopnamen van alle
vreemdelingen uit de Basis Voorziening Vreemdelingen (hierna: BVV) gekopieerd naar
een systeem genaamd CATCH-vreemdelingen.19 In dit systeem worden vervolgens onder de verantwoordelijkheid van de Minister van
Asiel en Migratie door de politie de biometrische waarden van de gezichtsopnamen berekend
en toegevoegd. Daarmee is het mogelijk om een vergelijking tussen gezichtsopnamen
te maken met het oog op de opsporing en vervolging van strafbare feiten.20
Op grond van de AVG mogen biometrische gegevens alleen onder strikte voorwaarden worden
verwerkt. Wanneer dit gebeurt om redenen van zwaarwegend algemeen belang, dient de
verwerking gebaseerd te zijn op Unierecht of lidstatelijk recht. Een beroep op een
zwaarwegend algemeen belang vereist daarnaast een verscherpte motivering en afweging
van de noodzakelijkheid en proportionaliteit van de gegevensverwerking.21 Ook dient de verwerking beperkt te zijn tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden
waarvoor de gegevens worden verwerkt (het beginsel van minimale gegevensverwerking)
en mogen zij niet langer worden bewaard dan daarvoor noodzakelijk is.22
De vraag rijst in hoeverre het systeem CATCH-vreemdelingen voldoet aan deze vereisten
uit de AVG. Uit de toelichting blijkt niet op basis van welke juridische grondslag
CATCH-vreemdelingen wordt gebruikt. In artikel 107 van de Vreemdelingenwet 2000 is
een grondslag opgenomen voor het beschikbaar stellen van de gegevens uit de vreemdelingenadministratie
met het oog op de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Daaruit volgt echter
niet zonder meer dat de gezichtsopnamen van alle vreemdelingen – zonder een daaraan
voorafgaand individueel verzoek – mogen worden opgenomen in het separaat van het BVV
opererende CATCH-systeem, inclusief de daarin toegevoegde biometrische waarden van
de gezichtsopnamen.
De Afdeling wijst in dit verband op de toelichting bij de Wet biometrie vreemdelingenketen,
waarmee deze grondslag werd geïntroduceerd. Die toelichting duidt er eerder op dat
de gegevens van vreemdelingen op incidentele basis beschikbaar kunnen worden gesteld,
dan dat de gegevens van alle vreemdelingen bij voorbaat mogen worden geplaatst in
een separaat systeem dat geheel is ingericht op de eventuele toekomstige opsporing
en vervolging van daarin opgenomen personen.23 Mocht de regering dit anders zien, is het raadzaam om de toelichting daarop aan te
vullen, zodat het parlementaire debat hierover kan worden gevoerd.
De Afdeling merkt in verband daarmee verder op dat wanneer de gezichtsopnamen van
alle vreemdelingen worden opgenomen – zonder te differentiëren op basis van, bijvoorbeeld,
hun eventuele criminele verleden – dit op gespannen voet staat met het vereiste van
minimale gegevensverwerking. Opvallend in dit opzicht is dat voor Nederlanders en
Unieburgers op dit moment geldt dat zij uitsluitend in een systeem met gezichtsherkenningssoftware
ten behoeve van de opsporing en vervolging van strafbare feiten worden opgenomen indien
zij verdachte zijn van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.24 Voor opname in CATCH-vreemdelingen geldt dit criterium niet.
Het is daarnaast onduidelijk op welke wijze wordt geborgd dat de gegevens in CATCH-vreemdelingen
niet langer worden bewaard dan noodzakelijk is. Voor de opslag van vingerafdrukken
en gezichtsopnamen in de Basis Voorziening Vreemdelingen zijn in het Vreemdelingenbesluit
2000 bewaartermijnen opgenomen (zie punt 4).25 Deze bewaartermijnen gelden echter niet zonder meer voor de opslag van gezichtsopnamen,
biometrische waarden en persoonsgegevens in het systeem CATCH-vreemdelingen.
De Afdeling adviseert om toe te lichten op basis van welke juridische grondslag de
verwerking van gegevens in CATCH-vreemdelingen plaatsvindt, de noodzakelijkheid van
deze gegevensverwerking dragend te motiveren en de bewaartermijnen voor de opslag
van gezichtsopnamen in CATCH-vreemdelingen wettelijk te regelen. Indien dit niet mogelijk
is, adviseert de Afdeling om de verwerking van deze gegevens in deze vorm aan te passen
of stop te zetten.
Naar aanleiding van dit advies is besloten een verkenning te starten naar CATCH-vreemdelingen.
Uitgangspunt daarbij is dat de verwerking van biometrische gegevens van vreemdelingen
in ieder geval moet voldoen aan de eisen die de AVG daaraan stelt. In het kader van
deze verkenning zal worden gekeken naar technische mogelijkheden om het systeem anders
in te richten en naar de juridische inbedding, inclusief de bewaartermijnen, hiervan.
b. Voorwaarden voor het gebruik van CATCH-vreemdelingen
Wanneer in een concreet geval gegevens uit CATCH-vreemdelingen aan de politie worden
verstrekt, wordt de politie verantwoordelijk voor de verstrekte gegevens. Op deze
gegevensverwerking is daarom niet de AVG, maar de Richtlijn gegevensbescherming opsporing
en vervolging van toepassing.26 Op grond van deze richtlijn mogen biometrische gegevens uitsluitend worden verwerkt
indien dat strikt noodzakelijk is.27
In dit kader regelt de wet dat vingerafdrukken alleen voor de opsporing en vervolging
van strafbare feiten mogen worden gebruikt indien sprake is van een misdrijf waarvoor
voorlopige hechtenis is toegelaten en na schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris
op vordering van de officier van justitie.28 Daarbij dient er een redelijk vermoeden te bestaan dat de verdachte een vreemdeling
is of dient de verstrekking van de vingerafdrukken in het belang te zijn van het onderzoek
indien het opsporingsonderzoek op een dood spoor is beland, dan wel snel resultaat
geboden is bij de opheldering van het misdrijf.
Voor het gebruik van gezichtsopnamen zijn zulke voorwaarden niet in de wet opgenomen.
Uit de tweede evaluatie van de Wet biometrie vreemdelingenketen blijkt echter dat
het aantal raadplegingen van gezichtsopnamen voor opsporing en vervolging hoger is
dan het aantal raadplegingen van vingerafdrukken, omdat bij gevonden gezichtsopnamen
eerder sprake zou zijn van een redelijk vermoeden dat de verdachte een vreemdeling
is.29
Gelet op de inbreuk die met deze verwerking wordt gemaakt op het recht op bescherming
van de persoonlijke levenssfeer, is het wenselijk dat de wettelijke voorwaarden die
gelden voor de raadpleging van vingerafdrukken in de Basis Voorziening Vreemdelingen,
ook wettelijk van toepassing worden verklaard op het raadplegen van gezichtsopnamen
in het systeem CATCH-vreemdelingen.30
De Afdeling adviseert om de voorwaarden zoals deze gelden voor het gebruik van vingerafdrukken
ten behoeve van de opsporing van strafbare feiten ook wettelijk vast te leggen voor
het gebruik van gezichtsopnamen voor dit doel.
Dit advies is opgevolgd. Artikel 107, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 wordt
met het wetsvoorstel gewijzigd zodat de voorwaarden die op dit moment alleen gelden
voor de verstrekking van vingerafdrukken van vreemdelingen ten behoeve van de opsporing
en vervolging van strafbare feiten, na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel ook gelden
voor de verstrekking van gezichtsopnames van vreemdelingen voor dit doel.
4. Vernietiging van biometrische gegevens
In het Vreemdelingenbesluit 2000 is geregeld dat de biometrische gegevens die zijn
opgeslagen in de Basis Voorziening Vreemdelingen niet langer mogen worden bewaard
dan vijf jaar nadat 1) een machtiging tot voorlopig verblijf is afgewezen, 2) een
vreemdeling wiens rechtmatig verblijf is geëindigd Nederland aantoonbaar heeft verlaten
of 3) de geldigheidsduur van een inreisverbod of ongewenstverklaring is verstreken.31 De vingerafdrukken en gezichtsopnames dienen daarnaast direct te worden verwijderd
wanneer een vreemdeling de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen, omdat in dat
geval niet langer wordt voldaan aan de definitie van vreemdeling in artikel 1 van
de Vreemdelingenwet 2000.
Uit de derde evaluatie van de Wet biometrie vreemdelingenketen blijkt dat de biometrische
gegevens niet altijd tijdig worden vernietigd.32 Een belangrijke oorzaak hiervoor is het feit dat niet altijd bekend is of een vreemdeling
Nederland heeft verlaten. Wanneer hier geen uitsluitsel over bestaat, wordt ervoor
gekozen om de gegevens niet te verwijderen. Ook reageren ketenpartners niet altijd
tijdig op de vraag of bepaalde gegevens verwijderd kunnen worden, waarna soms wordt
besloten om geen nieuwe gegevens ter verwijdering voor te leggen.
Uit de evaluatie blijkt daarnaast dat ook de gegevens van genaturaliseerde personen
niet altijd worden vernietigd, omdat het proces niet zo is ingericht dat de gegevens
van deze personen bij naturalisatie direct worden verwijderd. Tot slot blijken er
onterecht gegevens van EU-burgers te zijn opgenomen in de Basis Voorziening Vreemdelingen.
Hoewel al in 2019 werd aangegeven dat deze gegevens zouden worden vernietigd, is dit
nog steeds niet volledig gebeurd.
In de toelichting wordt ten aanzien van deze problematiek opgemerkt dat wordt uitgewerkt
hoe interne controlemechanismen en procedures rond gegevensbeheer kunnen worden aangescherpt.33 Uit de toelichting blijkt echter niet welke concrete maatregelen worden getroffen
om de bestaande onwettige situatie met betrekking tot de opslag van biometrische gegevens
op te heffen. Om te voorkomen dat deze situatie ook na de bestendiging van de bevoegdheid
tot het gebruik van biometrie voortduurt, is het wenselijk dat in de toelichting wordt
ingegaan op de wijze waarop de interne controlemechanismen worden vormgegeven.
In dit kader adviseert de Afdeling een evaluatiebepaling in het wetsvoorstel op te
nemen.34 Tijdens deze evaluatie zou kunnen worden geconstateerd of de bovengenoemde knelpunten
inmiddels zijn opgelost en of verdere aanscherping van de werkwijze nodig is.
De Afdeling adviseert om in de toelichting uiteen te zetten welke maatregelen worden
genomen om te voorkomen dat biometrische gegevens langer worden bewaard dan wettelijk
is toegestaan en een evaluatiebepaling in het wetsvoorstel op te nemen.
Dit advies is opgevolgd. De memorie van toelichting is op dit punt aangevuld. In paragraaf
3 zijn de maatregelen genoemd die worden genomen om ervoor te zorgen dat de voorschriften
met betrekking tot gegevensverwerking, en in het bijzonder de bewaartermijnen, worden
nageleefd. In het wetsvoorstel is daarnaast een evaluatiebepaling opgenomen die specifiek
ziet op de verwerking en vernietiging van biometrische gegevens van vreemdelingen
in de vreemdelingenadministratie. Het rapport van de evaluatie die daarop betrekking
heeft zal uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal
worden aangeboden.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal bezwaren bij het voorstel
en adviseert het voorstel niet bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen,
tenzij het is aangepast.
De Vice-President van de Raad van State,
Th.C. de Graaf
Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om de memorie van toelichting de ontvangst van
de adviezen van de Autoriteit Persoonsgegevens en van de Adviesraad Migratie te vermelden.
Daarnaast zijn in de memorie van toelichting enkele tekstuele verbeteringen aangebracht.
Ik verzoek U het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie
van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.
De Minister van Asiel en Migratie,
D.M. van Weel
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
Th.C. de Graaf, vicepresident van de Raad van State -
Mede ondertekenaar
D.M. van Weel, minister van Asiel en Migratie
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.