Amendement : Amendement van het lid Stultiens over maximering van de EIA en MIA op de daadwerkelijk gemaakte winst
36 812 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2026)
Nr. 40
AMENDEMENT VAN HET LID STULTIENS
Ontvangen 20 november 2025
De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:
I
Na artikel II wordt een artikel ingevoegd, luidende:
ARTIKEL aIIA
De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2029 als volgt gewijzigd:
1. Aan artikel 3.42 worden zes leden toegevoegd, luidende:
9. In afwijking van het eerste en derde lid bedraagt het bedrag van de energie-investeringsaftrek
niet meer dan het bedrag van de winst uit de onderneming. Indien toepassing van de
eerste zin tot een verlaging van het bedrag van de energie-investeringsaftrek leidt,
wordt het bedrag waarmee de energie-investeringsaftrek is verlaagd aangemerkt als
niet-gerealiseerde energie-investeringsaftrek.
10. De inspecteur stelt het bedrag van de niet-gerealiseerde energie-investeringsaftrek
vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. Artikel 3.151, derde tot en met zesde lid,
is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat daarbij voor verlies uit
werk en woning of ondernemingsverlies wordt gelezen: niet-gerealiseerde energie-investeringsaftrek.
11. De niet-gerealiseerde energie-investeringsaftrek wordt in de volgende negen kalenderjaren
verrekend door in die jaren een verhoging van de energie-investeringsaftrek in aanmerking
te nemen. Deze verhoging bedraagt maximaal het bedrag waarmee de winst de energie-investeringsaftrek
van dat jaar overtreft. Verrekening van niet-gerealiseerde energie-investeringsaftrek
vindt plaats in de volgorde waarin deze niet-gerealiseerde energie-investeringsaftrek
is ontstaan.
12. Het verrekenen van niet-gerealiseerde energie-investeringsaftrek in een volgend kalenderjaar
vindt plaats bij voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur. In de beschikking
wordt tevens vastgesteld welk bedrag van de niet-gerealiseerde energie-investeringsaftrek
wordt verrekend. De inspecteur geeft de beschikking gelijktijdig met het vaststellen
van de aanslag over het jaar waarin de niet-gerealiseerde energie-investeringsaftrek
wordt verrekend. Het bedrag van de verrekende niet-gerealiseerde energie-investeringsaftrek
wordt op het aanslagbiljet afzonderlijk vermeld.
13. Rechtsmiddelen tegen de beschikking, bedoeld in het twaalfde lid, kunnen uitsluitend
betrekking hebben op de toepassing van het elfde lid.
14. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder winst verstaan: het bedrag van de
winst zonder toepassing van dit artikel die de belastingplichtige als ondernemer uit
de onderneming geniet.
2. Aan artikel 3.42a worden zes leden toegevoegd, luidende:
10. In afwijking van het eerste en derde lid bedraagt het bedrag van de milieu-investeringsaftrek
niet meer dan het bedrag van de winst uit de onderneming. Indien toepassing van de
eerste zin tot een verlaging van het bedrag van de milieu-investeringsaftrek leidt,
wordt het bedrag waarmee de milieu-investeringsaftrek is verlaagd aangemerkt als niet-gerealiseerde
milieu-investeringsaftrek.
11. De inspecteur stelt het bedrag van de niet-gerealiseerde milieu-investeringsaftrek
vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. Artikel 3.151, derde tot en met zesde lid,
is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat daarbij voor verlies uit
werk en woning of ondernemingsverlies wordt gelezen: niet-gerealiseerde milieu-investeringsaftrek.
12. De niet-gerealiseerde milieu-investeringsaftrek wordt in de volgende negen kalenderjaren
verrekend door in die jaren een verhoging van de milieu-investeringsaftrek in aanmerking
te nemen. Deze verhoging bedraagt maximaal het bedrag waarmee de winst de milieu-investeringsaftrek
van dat jaar overtreft. Verrekening van niet-gerealiseerde milieu-investeringsaftrek
vindt plaats in de volgorde waarin deze niet-gerealiseerde milieu-investeringsaftrek
is ontstaan.
13. Het verrekenen van niet-gerealiseerde milieu-investeringsaftrek in een volgend kalenderjaar
vindt plaats bij voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur. In de beschikking
wordt tevens vastgesteld welk bedrag van de niet-gerealiseerde milieu-investeringsaftrek
wordt verrekend. De inspecteur geeft de beschikking gelijktijdig met het vaststellen
van de aanslag over het jaar waarin de niet-gerealiseerde milieu-investeringsaftrek
wordt verrekend. Het bedrag van de verrekende niet-gerealiseerde milieu-investeringsaftrek
wordt op het aanslagbiljet afzonderlijk vermeld.
14. Rechtsmiddelen tegen de beschikking, bedoeld in het dertiende lid, kunnen uitsluitend
betrekking hebben op de toepassing van het twaalfde lid.
15. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder winst verstaan: het bedrag van de
winst zonder toepassing van dit artikel die de belastingplichtige als ondernemer uit
de onderneming geniet.
II
Na artikel IX wordt een artikel ingevoegd, luidende:
ARTIKEL IXA
In de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt in artikel 8, eerste lid, «3.31»
vervangen door «3.31 tot en met 3.42, eerste tot en met achtste lid, 3.42a, eerste
tot en met negende lid, 3.43».
Toelichting
Dit amendement heeft als doel om een fiscale ontwijkingsconstructie die gebruik maakt
van de energie-investeringsaftrek (EIA) en milieu-investeringsaftrek (MIA) tegen te
gaan. Daartoe regelt het amendement dat EIA en MIA niet kunnen leiden tot een negatieve
winst uit onderneming in box 1 van de inkomstenbelasting, vergelijkbaar met de werking
van de zelfstandigenaftrek.
EIA en MIA zijn fiscale subsidies met als doel investeringen in energiezuinige en
milieuvriendelijke technieken te bevorderen. Gebruik ervan leidt tot een lagere fiscale
winst en dus een lager bedrag aan verschuldigde belasting over die winst, maar niet
alle bedrijven die in aanmerking komen voor EIA en MIA zijn in staat om deze volledig
te verzilveren, omdat zij in sommige gevallen geen of maar beperkt winst maken. Een
«grondslag-leenconstructie» stelt hen in staat EIA en MIA te delen met particulieren
met hoge inkomens die hun belastingdruk omlaag willen brengen. Daarvoor «investeren»
deze particulieren, al dan niet deels gefinancierd met leningen om een hefboomeffect
te creëren, in energiezuinige of milieuvriendelijke technologie, waarna zij de aangekochte
bedrijfsmiddelen direct weer leasen aan de verkoper. Dit stelt hen in staat EIA en
MIA te benutten zonder dat er daadwerkelijk sprake is van extra duurzame investeringen.
Dit amendement beoogt deze constructies in ieder geval deels tegen te gaan door EIA
en MIA te maximeren op de daadwerkelijk gemaakte winst van een ondernemer in de inkomstenbelasting.
Daarmee kan de ondernemer/belegger niet langer EIA en MIA gebruiken om zijn fiscale
inkomen uit andere bronnen te verlagen.
Budgettaire gevolgen
Door deze maatregel valt de budgetuitputting van de EIA en de MIA lager uit. Doordat
de EIA en de MIA gebudgetteerde regelingen zijn resulteert dit niet direct in een
opbrengst. Hiervoor zou het budget van de EIA en de MIA gelijktijdig met deze maatregel
moeten worden verlaagd. De maatregel resulteert in een lagere budgetuitputting van
€ 7 mln. in 2029 aflopend naar een structureel lagere budgetuitputting van € 6 mln.
vanaf 2032 in prijspeil 2025. De lagere budgetuitputting komt naar verwachting voor
€ 4 mln. terecht bij de EIA en voor € 2 mln. bij de MIA. In de raming is ervan uit
gegaan dat een beperkt deel van de belastingplichtigen deze aftrek in latere jaren
niet meer kan verzilveren. Daarnaast is een gedragseffect te verwachten waarbij enkele
belastingplichtigen besluiten geen gebruik meer te maken van de EIA of de MIA.
Onderdeel I (artikelen 3.42 en 3.42a van de Wet inkomstenbelasting 2001)
Onderdeel I wijzigt de artikelen 3.42 en 3.42a van de Wet inkomstenbelasting 2001
(Wet IB 2001). Deze wijziging regelt dat het bedrag van de energie-investeringsaftrek
(EIA) en milieu-investeringsaftrek (MIA) dat in een jaar van de winst kan worden afgetrokken,
wordt beperkt tot het bedrag van de winst uit de betreffende onderneming zoals die
winst wordt vastgesteld zonder het gebruik van de EIA respectievelijk MIA. Bedragen
aan EIA en MIA die in een jaar niet gerealiseerd kunnen worden, kunnen in de volgende
negen kalenderjaren alsnog in aanmerking worden genomen.
Ten overvloede wordt opgemerkt dat in de Wet IB 2001 een horizonbepaling is opgenomen
met betrekking tot de EIA en de MIA. Een horizonbepaling betekent dat een regeling
eindig is. Zonder expliciete besluitvorming te zijner tijd vervallen de artikelen
waarin de EIA en de MIA zijn opgenomen per 1 januari 2029.1
Onderdeel II (artikel 8 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969)
Onderdeel II wijzigt artikel 8, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting
1969. Daardoor werken de voorgestelde aanpassingen in de artikelen 3.42 en 3.42a Wet
IB 2001 niet door naar de vennootschapsbelasting. De vennootschapsbelasting wordt
geheven naar het belastbare bedrag en maakt geen onderscheid tussen inkomenscategorieën
zoals in box 1 van de inkomstenbelasting wel het geval is (daarbinnen vallen onder
andere belastbare winst uit onderneming, belastbaar loon en de belastbare inkomsten
uit eigen woning).
Stultiens
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
Luc Stultiens, Tweede Kamerlid