Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Flach over de brandbrief van burgemeesters inzake de wolf
Vragen van het lid Flach (SGP) aan de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de Minister van Justitie en Veiligheid over de brandbrief van burgemeesters inzake de wolf (ingezonden 23 september 2025).
Antwoord van Staatssecretaris Rummenie (Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur)
(ontvangen 19 november 2025). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026,
nrs. 178 en 237.
Vraag 1 en 2
Heeft u kennisgenomen van de brandbrief van Gelderse gemeenten over de toenemende
aanwezigheid van wolven en de gevolgen hiervan voor mens en dier (Kamerstuk 2025D40213) (Kamerstuk 2025D40232)?
Herkent u de grote zorgen van deze burgervaders?
Antwoord 1 en 2
Ik snap de zorgen die lokaal leven heel goed. Een flink aantal burgemeesters die te
maken hebben met wolven in hun gemeente wil kunnen handelen als de veiligheid van
mensen in het geding komt, en dat begrijp ik. Ook ik wil dat we zo snel mogelijk kunnen
ingrijpen om confrontaties tussen mensen, dieren en probleemwolven te voorkomen en,
als ze toch ontstaan, direct en daadkrachtig op te treden.
Vraag 3
Wat betekent de constatering dat een aantal individuele wolven in toenemende mate
hun natuurlijke schuwheid verliest en zich steeds vaker in de nabijheid van mensen
en bebouwing begeeft, waarbij sprake is van een groeiend aantal incidenten, voor uw
beleid?
Antwoord 3
Het verliezen van schuwheid zoals door u gesignaleerd zal naar mijn verwachting leiden
tot meer probleemwolven. Ik maak mij zorgen over het toenemend aantal incidenten met
wolven. In een klein en dichtbevolkt land als Nederland is maar beperkt ruimte voor
wolven. Juist daarom is goed beleid essentieel. We moeten er alles aan doen om incidenten
zoveel mogelijk te voorkomen. En als ze zich toch voordoen, wil ik dat we snel en
daadkrachtig kunnen optreden. Daarom werk ik aan nationale regelgeving waar ook lokale
bestuurders, zoals burgemeesters, goed mee uit de voeten kunnen.
Ik wil dat er betere mogelijkheden komen om in te grijpen bij incidenten met wolven.
In de Landelijke Aanpak Wolven (LAW, Kamerstuk 33 576, nr. 405) heb ik verschillende stappen opgenomen om dit te realiseren, zoals het in regelgeving
vastleggen van een definitie van «probleemwolf» en «probleemsituatie». Die definities
gaan burgemeesters en provincies helpen om sneller op te kunnen treden in geval van
een probleemwolf of een probleemsituatie met een wolf. Deze wetgeving wordt op dit
moment behandeld door uw Kamer en de Eerste Kamer.
Vraag 4
Bent u van mening dat de juridische ruimte om wolven te verjagen en aversief te conditioneren,
gegeven de verlaagde beschermingsstatus van de wolf, voldoende wordt benut?
Antwoord 4
De verlaging van de beschermingsstatus van de wolf van «strikt beschermd» naar «beschermd»
geeft lidstaten de mogelijkheid om aanvullende maatregelen te nemen. In Nederland
is dit aangegrepen om de nationale regelgeving aan te passen. De bijbehorende AMvB
wordt momenteel behandeld door uw Kamer en door de Eerste Kamer. De brandbrief van
de Gelderse gemeenten toont aan dat het van groot belang is dit juridisch kader zo
spoedig mogelijk in werking te laten treden.
Vraag 5 en 6
Op welke wijze worden situaties van contact tussen wolven en mensen geregistreerd?
Bent u voornemens ervoor te zorgen dat incidenten met honden ook als zodanig worden
geregistreerd?
Antwoord 5 en 6
Ik zou graag één centrale plek zien waar ook incidenten tussen wolven en honden worden
geregistreerd. Daarom ben ik in gesprek met de provincies om te kijken hoe we dit
kunnen verbeteren, mogelijk in het kader van het Landelijk Informatiepunt Wolven.
Vraag 7 en 8
Wordt ervoor gezorgd dat onder meer gemeenten een beroep kunnen doen op een deskundigencrisisteam
voor advies bij acute situaties?
Deelt u de analyse van de burgemeesters dat zij vrij weinig kunnen met de noodbevoegdheden
vanuit de Gemeentewet?
Antwoord 7 en 8
Ik realiseer me dat de bevoegdheden van burgemeesters in de praktijk niet altijd voldoende
mogelijkheden bieden om onmiddellijk op te treden bij acute incidenten met wolven.
Als onderdeel van de LAW kijk ik daarom of vanuit het belang van openbare veiligheid
een optimalisatie van het bestaand handelingsperspectief kan worden gecreëerd bij
het optreden tegen probleemwolven.
Vraag 9
Bent u voornemens in overleg met burgemeesters ervoor te zorgen dat zij een ruimer
handelingskader krijgen om in te (laten) grijpen bij onveilige situaties?
Antwoord 9
In de overleggen tussen de betrokken ministeries en met Vereniging van Nederlandse
Gemeenten en het Nederlands Genootschap van Burgemeesters over mogelijk aanvullende
noodbevoegdheden is naar voren gekomen dat de bevoegdheden van gedeputeerde staten
en burgemeesters in beginsel volstaan en dat een uitbreiding van burgemeestersbevoegdheden
in gevallen die niet meer acuut zijn, de wettelijke verantwoordelijkheden van gedeputeerde
staten zouden doorkruisen. Daarbij was in de Tweede Kamer in maart 2025 geen draagvlak
voor een onderzoek naar aanpassing van de Politiewet of de Gemeentewet.1
Dit laat onverlet dat dit onderwerp de aandacht heeft. Zo ben ik op 8 oktober jl.
op bezoek geweest bij de Gelderse burgemeesters die de brandbrief hebben opgesteld.
Hier heb ik hen gesproken over de lokale impact van de aanwezigheid van wolven en
de zorgen omtrent de openbare veiligheid in hun gemeenten. Mocht in de toekomst blijken
dat de lopende aanpassingen van de nationale regelgeving, het bestaande handelingsperspectief,
de verbeterde registratie van incidenten en de verbeterde informatievoorziening alsnog
onvoldoende zijn, dan ga ik graag met de Eerste en Tweede Kamer in gesprek om te zoeken
naar alternatieve mogelijkheden voor burgemeesters. Waar aan de orde zal ik daarbij
ook andere bewindspersonen betrekken.
Vraag 10
Maken provincies in uw ogen voldoende gebruik van de ruimte die zij nu hebben om op
grond van de verlaagde beschermingsstatus van de wolf beheermaatregelen te nemen om
onveilige situaties te voorkomen?
Antwoord 10
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 4 heb aangegeven, wordt de nationale regelgeving
aangepast om provincies meer ruimte te geven om op te treden tegen probleemwolven.
De bijbehorende AMvB wordt momenteel behandeld door uw Kamer en door de Eerste Kamer.
De brandbrief van de Gelderse gemeenten toont aan dat het van groot belang is dit
juridisch kader zo spoedig mogelijk in werking te laten treden.
Vraag 11
Bent u bereid te kijken naar verdere aanscherping van het aan de Kamer voorgelegde
Ontwerpbesluit met betrekking tot het beheer van de wolf (Kamerstuk 33 118, nr. 295)?
Antwoord 11
Over mijn aanpassingen van het ontwerpbesluit in reactie op het advies van de Raad
van State heb ik uw Kamer op 10 oktober jl. geïnformeerd (Kamerstuk 33 118, nr. 306).
Vraag 12 en 13
Gaat u zorgen voor het aanwijzen van gebieden in Nederland die, gelet op het ecosysteem,
de wildstand en de nabijheid van mensen en vee, niet geschikt zijn voor duurzame vestiging
van een wolf of wolvenroedel, zodat in deze gebieden vroegtijdig kan worden ingegrepen?
Deelt u de mening dat de populatieontwikkeling van de wolf, gelet op de groei van
het aantal roedels in de afgelopen jaren, zowel in Nederland als bij de Centraal Europese
wolvenpopulatie als geheel, voldoende ruimte biedt om eerder in te grijpen om onveilige
situaties te voorkomen, ook al ligt de populatie nog niet op het niveau dat mogelijk
nodig zou zijn voor een gunstige staat van instandhouding?2
Antwoord 12 en 13
Het is nog niet duidelijk welke rol populatieontwikkelingen van wolven in Nederland
en onze buurlanden kan spelen bij adequater ingrijpen bij incidenten. Ook is de staat
van instandhouding van wolven in Nederland nog niet bekend. Recent onderzoek van Wageningen
University & Research (Kamerstuk 33 576, nr. 466) heeft aangetoond dat Nederland alleen een bijdrage kan leveren aan een duurzame
wolvenpopulatie in Europees verband binnen de Centraal-Europese wolvenpopulatie. Om
duidelijk beleid te kunnen maken voor onveilige situaties met wolven laat ik aanvullend
onderzoek uitvoeren, waarbij wordt getoetst aan de haalbaarheid voor de specifieke
Nederlandse situatie. Nederland is namelijk een van de meest dichtstbevolkte landen
in de wereld. De natuur in Nederland ligt bovendien ook nog eens vaak ingeklemd tussen
dorpen, steden en agrarische bedrijven. Ik maak mij ernstige zorgen over de toegenomen
aanwezigheid van wolven in Nederland.
De veiligheid en het welzijn van mensen en dieren, staan wat mij betreft altijd voorop.
Om onveilige situaties te voorkomen werk ik ook aan stevige nationale maatregelen,
zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 3.
Vraag 14
Wordt in het aanvullende onderzoek naar de Nederlandse bijdrage aan een gunstige staat
van instandhouding van de wolf (Kamerstuk 33 576, nr. 466) ook gekeken naar de habitatgeschiktheid in andere Europese landen waar de Centraal
Europese wolvenpopulatie aanwezig is en de reële Nederlandse bijdrage vanuit het perspectief
van habitatgeschiktheid?
Antwoord 14
Ik laat een aanvullend onderzoek uitvoeren door een internationale deskundige onderzoekspartij.
Ik wil dat dit onderzoek zich opnieuw richt op de staat van instandhouding van wolven
in Nederland en ook een eigen analyse uitvoert van de habitatgeschiktheid voor wolven
in Nederland. Ik heb de betrokken onderzoekspartij gevraagd om in dit nieuwe onderzoek
de specifieke situatie voor Nederland als klein en dichtbevolkt land te betrekken
en dus juist ook andere relevante perspectieven zoals socio-economische overwegingen
en fysieke veiligheid hier expliciet in mee te nemen.
Vraag 15
Is in andere Europese landen al vastgesteld wat de gunstige populatieomvang zou moeten
zijn?
Antwoord 15
Lidstaten rapporteren elke zes jaar de gegevens over soorten uit de Habitatrichtlijn
aan de Europese Commissie (EC). Hierbij wordt ook over de wolven gerapporteerd en
daarbij wordt door sommige lidstaten een Favourable reference population (FRP) genoemd.
De meeste recente rapportagegegevens uit 2019 zijn te vinden op de website van de
EC.3 De gegevens van de rapportage van 2025 zijn nog niet openbaar gemaakt.
Vraag 16
Deelt u de mening dat voor een gunstige staat van instandhouding van de Centraal Europese
wolvenpopulatie een relatief grotere bijdrage mag worden verwacht van meer dunbevolkte
landen en een relatief kleinere bijdrage van meer dichtbevolkte landen?
Antwoord 16
Ja. Nederland kan niet zelfstandig komen tot het bereiken van een gunstige staat van
instandhouding van wolven. Nederland kan alleen een bijdrage leveren aan een duurzame
wolvenpopulatie binnen de Centraal-Europese wolvenpopulatie.
Nederland dient net als de andere landen waarmee wij de Centraal-Europese wolvenpopulatie
delen, naar redelijkheid bij te dragen aan het bereiken van een gunstige staat van
instandhouding.
Nederland zet zich daarom in om samen te werken met de buurlanden toe te werken naar
een gunstige Staat van Instandhouding van de Centraal-Europese wolvenpopulatie, waarbij
de betrokken landen hierbij naar redelijkheid bijdragen.
De bijdragen die van landen mag worden verwacht is daarbij vooral afhankelijk van
het potentieel geschikte habitat voor wolven. Ik ben daarbij van mening dat dichtbevolkte
gebieden minder geschikt habitat bevatten in vergelijking tot dunner bevolkte gebieden.
Vraag 17
Wat is de stand van zaken met betrekking tot het overleg met Duitsland en andere Europese
landen waar de Centraal Europese wolvenpopulatie gevestigd is over de ontwikkeling
van deze populatie en het beheer ervan?
Antwoord 17
Recent hebben op verschillende niveaus gesprekken plaatsgevonden met verschillende
buurlanden, waarbij het wolvendossier onderdeel was van het gesprek. Dit is onderdeel
van een doorlopend proces van samenwerking, afstemming en ervaringen delen met de
buurlanden.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.F. Rummenie, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.