Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Bruyning over spoeduithuisplaatsingen door Veilig Thuis zonder rechterlijke toetsing
Vragen van het lid Bruyning (Nieuw Sociaal Contract) aan de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid over spoeduithuisplaatsingen door Veilig Thuis zonder rechterlijke toetsing (ingezonden 24 september 2025).
Antwoord van Staatssecretaris Pouw-Verweij (Volksgezondheid, Welzijn en Sport), mede
namens de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staatssecretaris
van Justitie en Veiligheid (ontvangen 19 november 2025). Zie ook Aanhangsel Handelingen,
vergaderjaar 2025–2026, nr. 251.
Vraag 1
Herinnert u zich uw brief van 18 november 2022 waarin u onder meer wees op het gebrek
aan rechtsbescherming bij spoeduithuisplaatsingen en aankondigde dat advocatenbijstand
bij de eerste uithuisplaatsing zou worden ingevoerd?
Antwoord 1
Ja, de brief van mijn voorganger.
Vraag 2
Is het u bekend dat Veilig Thuis Oost-Brabant (VTOB), en mogelijk ook andere Veilig
Thuis-organisaties, in de praktijk spoeduithuisplaatsingen blijven realiseren zonder
rechterlijke toetsing en zonder wettelijke grondslag alsmede dat hier geen advocaten
bij betrokken zijn?
Antwoord 2
We hebben kennisgenomen van de specifieke casus met betrekking tot Veilig Thuis Oost-Brabant
en de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch1. Daarnaast herken ik de gevoeligheid en complexiteit rondom vrijwillige (spoed)uithuisplaatsingen
in bredere zin. Dergelijke onderwerpen en actualiteiten worden geregeld besproken
in overleggen met het landelijk netwerk van Veilig Thuis. Deze casus heeft daarbij
onze bijzondere aandacht.
Kinderen kunnen vrijwillig uit huis worden geplaatst, bijvoorbeeld tijdelijk of voltijds
bij een familielid of pleeggezin. Als de vrijwillige uithuisplaatsing plaatsvindt
in overeenstemming en zonder dwang, brengt dit geen rechtelijke toetsing of betrokkenheid
van een advocaat met zich mee. Dit is alleen mogelijk op verzoek van de ouder(s) of
het kind, of wanneer de ouder(s) met gezag daar vrijwillig mee instemmen2. Ouders moeten daarbij begrijpelijke informatie krijgen over de redenen, duur, gevolgen
en alternatieven om, zonder druk, geïnformeerde toestemming te kunnen geven. Het is
cruciaal dat zij zich gehoord voelen en vrijelijk toestemming kunnen geven. Duidelijke
informatie en communicatie door professionals is essentieel om keuzevrijheid te waarborgen.
Een uithuisplaatsing in het vrijwillig kader kan en mag niet plaatsvinden tegen de
wil van een gezaghebbende ouder. Dat geldt ook wanneer sprake is van zorgen over de
acute onveiligheid van een kind, waardoor een kind met spoed uit huis wordt geplaatst.
Hoewel deze specifieke situatie vraagt om snel en adequaat handelen, is en blijft
het van groot belang dat er sprake is van geïnformeerde toestemming van de gezaghebbende
ouder(s). Wanneer partijen hier gezamenlijk niet met elkaar uit komen of als consensus
ontbreekt, kan een professional bij grote zorgen over de ontwikkeling of veiligheid
van een kind een verzoek tot onderzoek naar de noodzaak tot een kinderbeschermingsmaatregel
indienen bij de Raad voor de Kinderbescherming. Daar is de bevoegdheid belegd om in
te schatten of een gedwongen maatregel met uithuisplaatsing noodzakelijk wordt geacht.
Wanneer deze van oordeel is dat een (spoed)uithuisplaatsing inderdaad noodzakelijk
is, kan een (spoed)verzoek worden ingediend bij de kinderrechter. In dat geval vindt
een rechterlijke toetsing plaats en kunnen ouders aanspraak maken op kosteloze rechtsbijstand.
Wij vinden het van groot belang dat te allen tijde duidelijk is voor ouders en kinderen
wanneer hulp vanuit het vrijwillige of het gedwongen kader wordt ingezet. Veilig Thuis
mag zoals beschreven niet meewerken aan een niet-vrijwillige uithuisplaatsing zonder
rechterlijke toetsing.
Vraag 3
Deelt u de mening dat het uitvoeren van dergelijke spoeduithuisplaatsingen door Veilig
Thuis, zonder rechterlijke machtiging en vaak onder geheimhouding van de verblijfplaats,
een ernstige schending vormt van artikel 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de
Mens (EVRM) (recht op gezinsleven) en van de nationale wettelijke kaders? Zo nee,
waarom niet?
Antwoord 3
Ik deel de mening niet dat een vrijwillige uithuisplaatsing een ernstige schending
zou vormen van artikel 8 EVRM en de nationale wetten en kaders. Voorwaarde hierbij
is dat een dergelijke plaatsing buiten het gezin – mits aan alle eerder beschreven
randvoorwaarden en zorgvuldigheden is voldaan – een vrijwillig karakter heeft. Er
doen zich ook situaties voor waarbij de gezaghebbende ouder(s) zelf vinden dat zij
de zorg voor hun kind (tijdelijk) niet kunnen dragen en hulp nodig hebben. Een geheime
plaatsing verhoudt zich niet tot het karakter van een vrijwillige uithuisplaatsing,
aangezien de vrijwillige plaatsing juist plaats hoort te vinden in wederzijds overleg
en op basis van geïnformeerde toestemming.
Een vrijwillige uithuisplaatsing kan alleen wanneer de gezaghebbende ouder(s) in alle
vrijheid (geïnformeerde) toestemming geven en zonder dat zij daar druk toe ervaren.
Dit principe geldt nog meer in de gevallen dat een snelle beslissing nodig is. Dit
vraagt zodoende om goede gesprekstechnieken van de betrokken professional en dat betrokkenen
kunnen beschikken over betrouwbare en begrijpelijke informatie. Om de informatiepositie
van de direct betrokkenen te versterken, werken we in overleg met ouders, jongeren
en professionals aan eenduidig en helder voorlichtingsmateriaal over hulpverleningssituaties
op het snijvlak van het vrijwillig en gedwongen kader. Naar verwachting is dit voorlichtingsmateriaal
begin 2026 gereed.
Tegelijk merken wij dat er regelmatig maatschappelijke zorgen en vragen zijn over
situaties waarin gezaghebbende ouders zich onder druk gezet kunnen voelen, vooral
bij dringende adviezen voor een vrijwillige uithuisplaatsing. Daarom willen we dit
aspect meenemen in de uitvoering van de motie van het lid Ceder c.s., die pleit voor
het instellen van een staatscommissie om uithuisplaatsingen te onderzoeken.
Vraag 4
Kunt u bevestigen dat ouders in deze situaties verstoken zijn van rechtsbijstand,
onder grote druk staan en zich in een oneigenlijke machtsverhouding bevinden, waardoor
geen sprake kan zijn van vrijwilligheid? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 4
Helder moet zijn dat de gezaghebbende ouder(s) zélf beslissen over vrijwillige uithuisplaatsing
en over het verblijf van een kind buiten het gezin en dat zij altijd op deze beslissing
mogen terugkomen. De gesprekken tussen betrokken professionals en het gezin zijn vaak
niet makkelijk, zeker als de zorgen over mogelijke onveiligheid tegelijkertijd groot
zijn. Het gaat in deze gesprekken om het overbrengen en bespreken van de zorgen en
het samen zoeken naar passende oplossingen en mogelijkheden. Veilig Thuis begrijpt
zijn positie en relatie ten opzichte van het gezin goed, en is zich bewust dat het
wordt vaak betrokken in emotionele en kwetsbare situaties voor een gezin. Ervaringsdeskundigen
geven tegelijkertijd met regelmaat aan dat deze situaties, hoe lastig ook, juist het
moment kunnen zijn om negatieve patronen te doorbreken en positieve verandering in
gang te zetten. Dit vraagt veel zorgvuldigheid van Veilig Thuis. Deze context is bij
uitstek ook het terrein waar Veilig Thuis in werkt en waar het veel ervaring in heeft.
Veilig Thuis moet zich daarom maximaal inzetten op transparantie, duidelijke communicatie
en het waarborgen van keuzevrijheid, zodat de eventuele toestemming daadwerkelijk
vrijwillig kan worden gegeven.
Daarbij is het belangrijk dat ouders en kinderen weten wat hun rechten en plichten
zijn en daarbij ondersteuning kunnen krijgen, bijvoorbeeld van de vertrouwenspersonen
van Jeugdstem. Een goede informatiepositie versterkt de rechtspositie van ouders en
draagt bij aan het maken van een vrijwillige en weloverwogen keuze.
Vraag 5
Hoeveel kinderen zijn in 2024 en 2025 door VTOB uit huis geplaatst zonder rechterlijke
machtiging, en hoeveel kinderen in Nederland in totaal door Veilig Thuis-organisaties
(al dan niet in samenwerking met de Raad voor de Kinderbescherming) zonder rechterlijke
toetsing? Wat zeggen deze cijfers u?
Antwoord 5
Veilig Thuis registreert geen specifieke regionale of landelijke cijfers over wanneer
het een vrijwillige uithuisplaatsing adviseert. In 2022 heeft het CBS naar aanleiding
van een extra uitvraag een rapportage gemaakt over het aantal jongeren dat in vrijwillig
kader jeugdhulp met verblijf ontvangt (inclusief een uitsplitsing naar pleegzorg,
gezinsgericht, gesloten plaatsing en verblijf overig). Een jongere kan op een specifieke
peildatum namelijk niet zowel in vrijwillig kader als in gedwongen kader jeugdhulp
met verblijf ontvangen. Op peildatum 31 december 2022 ging het om 17.785 jongeren
die jeugdhulp met verblijf ontvingen zonder kinderbeschermingsmaatregel (vrijwillig
kader). Dat bij een jeugdige sprake is van jeugdhulp met verblijf zegt echter niets
over de omstandigheden in het gezin, de reden voor het vrijwillige verblijf en/of
dit mogelijk als niet vrijblijvend is ervaren. Bij een deel van de jongeren kan het
gaan om intensieve bemoeienis van hulpverlening vanwege onveiligheid in het gezin,
maar bijvoorbeeld ook om opnames van jongeren bij verslaving of een eetstoornis. Er
zijn daarom vanuit de beschikbare data geen gegevens over de groep jongeren die uit
huis zijn geplaatst in vrijwillig kader waarbij sprake is van zorgen over onveiligheid
thuis.
Vraag 6
Is het u bekend dat in ten minste één casus een meisje driemaal door VTOB is overgeplaatst
zonder dat ouders enig zicht hadden op de situatie, terwijl de kinderrechter pas na
meer dan een maand door tussenkomst van de Raad werd ingeschakeld?
Antwoord 6
Bij ons is bekend dat Veilig Thuis Oost Brabant een interne evaluatie uitvoert naar
aanleiding van deze specifieke casus. De resultaten van de interne evaluatie van VT
Oost-Brabant worden gedeeld met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis. Wij betrekken
deze resultaten in de periodieke overleggen met het Landelijk Netwerk om de werkwijze
rondom vrijwillige uithuisplaatsingen te verbeteren.
Vraag 7
Bent u bereid deze praktijken per direct te laten beëindigen en de betrokken instanties
te instrueren dat spoeduithuisplaatsingen uitsluitend door of na tussenkomst van de
kinderrechter kunnen plaatsvinden? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 7
Nee, ik ben niet bereid om de instanties te instrueren dat spoeduithuisplaatsingen
uitsluitend door of na tussenkomst van de kinderrechter kunnen plaatsvinden. Belangrijkste
reden is dat een vrijwillige plaatsing buiten het gezin – mits aan alle eerder beschreven
randvoorwaarden en zorgvuldigheden is voldaan – ook in het belang van het kind en
het gezin kan zijn. Wanneer de gezaghebbende ouder(s) in goed overleg akkoord gaan
met een vrijwillige uithuisplaatsing, dan is er (vooralsnog) geen reden om de gang
naar de kinderrechter te maken. Zoals in antwoord op vraag 3 al verwoord zien wij
ook dat er situaties zijn waarbij de gezaghebbende ouder(s) zich onverhoopt toch onder
druk gezet voelen, juist in die situatie waar een vrijwillige uithuisplaatsing met
spoed/direct wordt geadviseerd. Daarom ga ik hier met het Landelijk Netwerk Veilig
Thuis over in gesprek hoe we dit risico kunnen beperken. Ook geven wij uitvoering
aan de motie3 van het lid Ceder c.s., over het instellen van een staatscommissie die onderzoek
doet naar uithuisplaatsingen. Onderdeel van de opdracht van deze staatscommissie is
een fundamentele herbezinning op de rol en legitimiteit van de overheid bij ingrijpen
in gezinnen en huishoudens in gevallen van (vermoedelijke) onveiligheid.
Vraag 8
Bent u het eens met de stelling dat een dergelijke handelwijze van Veilig Thuis in
feite neerkomt op een onttrekking aan het ouderlijk gezag als bedoeld in artikel 279
van het Wetboek van Strafrecht? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 8
De beoordeling of aan de bestanddelen van artikel 279 Sr is voldaan, is aan het Openbaar
Ministerie en vervolgens de (straf)rechter. Het uitoefenen van ouderlijk gezag, inclusief
het bepalen van de verblijfplaats van een kind, is een fundamenteel onderdeel van
het recht op gezinsleven zoals vastgelegd in artikel 8 EVRM. Het is daarom belangrijk
dat Veilig Thuis bij het adviseren van een vrijwillige uithuisplaatsing werkt met
geïnformeerde toestemming: de uitdrukkelijke, vrije en ondubbelzinnige toestemming
van de gezaghebbende ouder(s) en, waarbij ook de stem van het kind – afhankelijk van
de leeftijd4 – wordt meegenomen. Als aan de randvoorwaarden van geïnformeerde toestemming is voldaan,
zal geen sprake zijn van het (tegen de wil van ouders) onttrekken aan het gezag.
Vraag 9
Hoe gaat u voorkomen dat medewerkers van Veilig Thuis, ouders en kinderen opnieuw
in onveilige en juridisch onhoudbare situaties belanden doordat uithuisplaatsingen
plaatsvinden buiten de wettelijke kaders?
Antwoord 9
Wanneer aan alle eerdergenoemde randvoorwaarden en zorgvuldigheden is voldaan, is
er geen sprake van vrijwillige uithuisplaatsingen buiten de wettelijke kaders. Wanneer
Veilig Thuis niet over uitdrukkelijke, vrije en ondubbelzinnige toestemming van de
gezaghebbende ouder(s) beschikt, die is gebaseerd op geïnformeerde toestemming – zal
Veilig Thuis zoals eerder genoemd niet kunnen overgaan tot het adviseren van een vrijwillige
uithuisplaatsing. Zoals bij antwoord op vraag 7 is vermeld wordt dit thema onderdeel
van de opdracht van de in te richten staatscommissie en is dit op de kortere termijn
ook onderwerp van gesprek met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis.
Vraag 10
Bent u bekend met het artikel van kinderrechter en hoogleraar Bart Tromp uit het Nederlands
Juristenblad van 17 mei 2024 waarin hij pleit voor een totaal andere aanpak van de
spoeduithuisplaatsingspraktijk?
Antwoord 10
Ja.
Vraag 11
Deelt u de mening dat, met deze voorbeelden en cijfers, er snel verandering moet komen
in de uitvoeringspraktijk van (spoed)uithuisplaatsingen en dat de lijn die Tromp voorstelt
nader onderzocht moet gaan worden voor wat betreft wenselijkheid en uitvoerbaarheid?
Zo nee waarom niet?
Antwoord 11
Het artikel van Bart Tromp gaat over spoedverzoeken bij kinderbeschermingsmaatregelen.
In het wetsvoorstel «Wet versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming» van
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, wordt de wettelijke termijn waarbinnen
een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing ter zitting moet worden behandeld verkort
van veertien naar zeven dagen, als verbeterstap in de rechtsbescherming bij spoedmaatregelen5. Daarnaast voorziet het wetsvoorstel in kosteloze rechtsbijstand voor ouders vanaf
het moment dat om een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing wordt verzocht, zodat zij
adequaat juridisch worden ondersteund.
Vraag 12
Deelt u de mening dat bij organisaties die bij een uithuisplaatsing de wettelijke
kaders schenden, de organisatie, in casu de bestuurder, hoofdelijk aansprakelijk gesteld
moet worden voor alle schade en kosten die als gevolg van het niet volgen van de vigerende
wet en regelgeving ontstaat? Ben u bereid om dit in wetgeving vast te leggen? Zo nee
waarom niet?
Antwoord 12
Het uitgangspunt in ons recht is dat de organisatie als rechtspersoon aansprakelijk
is voor schade die ontstaat door onrechtmatig handelen bij de uitvoering van zijn
taken. Dit geldt ook voor instellingen die (in dit geval) namens het college van Burgemeesters
en Wethouders publieke taken uitvoeren, zoals Veilig Thuis. Het aansprakelijkheidsrecht
biedt nu al ruimte om de rechtspersoon aan te spreken voor schadevergoeding.
Voor bestuurders geldt een aanvullend regime. Uit de vaste jurisprudentie van de Hoge
Raad volgt dat een bestuurder alleen persoonlijk aansprakelijk kan zijn indien sprake
is van een ernstig persoonlijk verwijt. Dat doet zich slechts voor in uitzonderlijke
situaties, bijvoorbeeld wanneer een bestuurder bewust buiten de wettelijke kaders
treedt of met opzet of grove schuld derden benadeelt. Of aan de criteria voor bestuurdersaansprakelijk
wordt voldaan, hangt af van de omstandigheden en is in een voorkomend geval ter beoordeling
aan de rechter. In algemene zin is hierop geen bevestigend antwoord te geven.
Verder bestaat er op basis van de wet (artikel 298 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek)
de mogelijkheid voor een belanghebbende of het openbaar ministerie om de rechtbank
te verzoeken een bestuurder van een stichting te ontslaan wegens (voor zover hier
relevant) verwaarlozing van zijn taak of andere gewichtige redenen.
De huidige wettelijke regeling biedt voldoende mogelijkheden om de organisaties en/of
hun bestuurders aansprakelijk te stellen of anderszins op te treden in geval van schending
van wet- of regelgeving. Ik zie daarom geen reden voor nadere wetgeving.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
N.J.F. Pouw-Verweij, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede namens
J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede namens
A.C.L. Rutte, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.