Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Bikker en Ceder over beleid rond inclusiviteit op hogescholen
Vragen van de leden Bikker en Ceder (beiden ChristenUnie) aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over beleid rond inclusiviteit op hogescholen (ingezonden 1 oktober 2025).
Antwoord van Minister Moes (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen 18 november
2025).
Vraag 1
Acht u het wenselijk dat onderwijsinstellingen uit zichzelf traditionele en cultureel
diep verankerde religieuze feestdagen hernoemen of schrappen in het kader van inclusiviteit?
Antwoord 1
Ik vind het belangrijk dat onderwijsinstellingen zich bewust zijn van wat er leeft
in de maatschappij en bij hun studenten en medewerkers. Onderwijsinstellingen hebben
de verantwoordelijkheid en bevoegdheid om zelf hun onderwijs, interne inclusiviteitsbeleid
en onderwijskalenders vorm te geven.
Vanwege deze institutionele autonomie heeft het Ministerie van OCW geen beleid op
hoe hbo- en wo-instellingen feestdagen moeten noemen. De Rijksoverheid communiceert
jaarlijks wanneer er officiële feestdagen zijn (waaronder Pasen, Hemelvaart, Pinksteren
en Kerstmis) en wanneer er schoolvakanties zijn in het funderend onderwijs. Die feestdagen
benoemen wij en dat blijven wij ook doen. Hiernaast roept het kabinet in de Strategie
Bestrijding Antisemitisme (2024)1 onder andere onderwijsinstellingen op om naast christelijke dagen ook met andere
religieuze dagen, zoals Joodse en Islamitische feestdagen meer rekening te houden.
De wijze waarop hbo- en wo-instellingen dit invullen en hun jaarkalenders inrichten
is uiteindelijk aan hen.
Vraag 2
Bent u het eens dat dit de noodzaak tot het ontwikkelen naar een inclusieve samenleving
ondergraaft omdat het burgers niet meer stimuleert om via dialoog en samenwerking
elkaar religieuzes tradities te leren kennen?
Antwoord 2
Ik vind het zeer wenselijk dat op de onderwijsinstelling het gesprek wordt gevoerd
over identiteit en (religieuze) tradities en hoe deze in ere worden gehouden. Ook
het gesprek omtrent het vieren van feestdagen hoort hier bij. In de dialoog kan de
medezeggenschap een rol spelen. Het is echter niet aan de Minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap om te oordelen over de uitkomst van dit gesprek en het beleid
van de instelling dat hieruit voortvloeit.
Vraag 3
Kunt u, naar aanleiding van het nieuws van het schrappen van de benamingen van christelijke
feestdagen door de HU, uiteenzetten welke rol u voor uzelf ziet als stelselverantwoordelijke
en welke rol bij de instellingen zelf ligt als het gaat om beleid rondom inclusiviteit?
Antwoord 3
Onderwijsinstellingen hebben de verantwoordelijkheid en bevoegdheid om zelf het onderwijs
vorm te geven, inclusief bijbehorend inclusiviteitsbeleid. Bij mij ligt de taak om
ervoor te zorgen dat er ruimte, aandacht en middelen zijn waarmee instellingen aan
die verantwoordelijkheid invulling kunnen geven en waarbij er ruimte is voor pluriformiteit
en onderlinge (veilige) dialoog.
Vraag 4
Op welke manier zet u zich in zodat elke student zich veilig voelt binnen het hoger
onderwijs, ongeacht bijvoorbeeld geslacht, afkomst, geaardheid, beperking of levensovertuiging?
Antwoord 4
De onderwijsinstellingen dragen zorg voor een (sociaal) veilige leer- en werkomgeving
waar eenieder zich vrij kan uiten, zich thuis voelt en kan ontwikkelen. Als Minister
stimuleer en help ik de instellingen om de sociale veiligheid van hun studenten en
medewerkers te bevorderen. Dit doe ik middels de integrale aanpak sociale veiligheid,
die samen met het veld is opgesteld en bestaat uit verschillende maatregelen. Zo loopt
er momenteel een landelijk programma waarmee universiteiten, hogescholen, medewerker-,
promovendi- en studentenorganisaties worden gestimuleerd om samen te werken bij het
vergroten van sociale veiligheid. Voor het landelijk programma sociale veiligheid
is gedurende 2024–2027 jaarlijks € 4 miljoen beschikbaar gesteld. Daarnaast ontvangen
instellingen tot en met 2031 jaarlijks € 4 miljoen voor uitvoering van afspraken over
sociale veiligheid uit het bestuursakkoord. Verder werk ik aan de ontwikkeling van
een wetsvoorstel zorgplicht veiligheid in het vervolgonderwijs, die ook voorziet in
versterking van het toezicht op veiligheidsbeleid van instellingen. Daarnaast heb
ik een onderzoek naar klacht- en meldprocedures laten uitvoeren; mijn beleidsreactie
ontvangt uw Kamer in november.
Vraag 5
Erkent u dat inclusiviteitsbeleid een intrinsieke spanning in zich heeft en beleid
dat door de ene student verwelkomt, door een andere student als «exclusief» kan worden
ervaren?
Antwoord 5
Inclusie gaat in de kern om het creëren van een omgeving waar een verscheidenheid
aan identiteiten, culturen, perspectieven worden verwelkomd, benut, erkend en gewaardeerd.
Het is mijn stellige overtuiging dat dit mogelijk moet zijn zonder dat dit ertoe leidt
dat anderen worden buitengesloten.
Vraag 6
Bent u het eens dat de invulling van inclusiviteitsbeleid van onderwijsinstellingen
al snel raakt aan de vrijheid van onderwijs, juist vanwege de identiteitscomponent
en bent u het eens dat onderwijsinstellingen, binnen wet- en regelgeving, een zeer
grote mate van vrijheid hebben hoe ze dit beleid invullen?
Antwoord 6
Colleges van bestuur gaan, binnen wet- en regelgeving, zelf over het beleid ten aanzien
van hun instelling, inclusief het beleid ten aanzien van inclusiviteit. Ik hecht grote
waarde aan het feit dat onderwijsinstellingen die vrijheid hebben.
Vraag 7
In hoeverre kunnen instellingen in het (hoger) onderwijs via bijvoorbeeld een cao
gebonden worden aan bepaald inclusiviteitsbeleid? Kunnen ze bijvoorbeeld worden verplicht
tot het inwisselbaar maken van feestdagen, het opstellen van een bepaalde jaarkalender
of het aanpassen van de naam van een feestdag?
Antwoord 7
Uit de wet volgt niet welke feestdagen iemand vrij is. Werkgevers en werknemers, of
een vertegenwoordiging daarvan, kunnen in een cao afspraken maken over welke feestdagen
gedurende het kalenderjaar een vrije dag zijn. Ook kan daarbij de mogelijkheid voor
personeel om een feestdag te ruilen worden vastgelegd. Als partijen daarbij een bepaalde
jaarkalender willen opstellen of de naam van een feestdag aan willen passen, dan kan
dat binnen het cao recht. De cao wordt afgesloten door (een vertegenwoordiging van)
werkgevers en werknemers. Cao-afspraken zijn bindend voor de instellingen die onder
de werkingssfeer van die cao vallen.
Vraag 8
Kunt u garanderen dat dit hoort bij de autonomie die een individuele onderwijsinstelling
heeft? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 8
Instellingen worden bij de cao-onderhandelingen vertegenwoordigd door de werkgeversverenigingen.
Individuele instellingen hebben inspraak op de cao-inzet van deze verenigingen. Ook
vindt er een achterbanraadpleging plaats na het afsluiten van een cao-akkoord. Via
deze systematiek hebben instellingen invloed op de cao. Wanneer afspraken in de cao
worden opgenomen zijn deze bindend.
Vraag 9
Bent u bereid om met onderwijsinstellingen in gesprek te gaan over hoe zij inclusiviteit
vormgeven en daarbij expliciet aandacht te vragen voor het behoud van ruimte voor
religieuze en culturele tradities, waaronder christelijke feestdagen?
Antwoord 9
Ja, dit onderwerp is belangrijk in het kader van het welzijn, thuisgevoel en de sociale
veiligheid van studenten en medewerkers op hun onderwijsinstelling. Over deze onderwerpen
heb ik regelmatig gesprekken met het veld. Ik zal dit onderwerp blijven meenemen in
mijn gesprekken met onderwijsinstellingen.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
G. Moes, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.