Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Oostenbrink en Wijen-Nass over het artikel ‘Middelbare scholen in Beverwijk en Heemskerk dicht vanwege jongerengeweld'
Vragen van de leden Oostenbrink en Wijen-Nass (beiden BBB) aan de Minister van Justitie en Veiligheid en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over het artikel «Middelbare scholen in Beverwijk en Heemskerk dicht vanwege jongerengeweld» (ingezonden 15 september 2025).
Antwoord van Minister Van Oosten (Justitie en Veiligheid), mede namens de Staatssecretaris
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (ontvangen 17 november 2025). Zie ook Aanhangsel
Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 198.
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht: «Middelbare scholen in Beverwijk en Heemskerk dicht
vanwege jongerengeweld»?1 Herkent u in de recente gebeurtenissen in Beverwijk en Heemskerk een bredere maatschappelijke
dreiging, waarbij jongerengeweld, sociale media en digitale intimidatie elkaar versterken?
Antwoord 1
Dit bericht is mij bekend. Rivaliserende jeugdgroepen in Nederland zijn een fenomeen
dat al langer bestaat. De rivaliteit wordt versterkt door uitingen op sociale media
over en weer, die om de zoveel tijd leiden tot daadwerkelijk gewelddadige incidenten.
Dergelijke incidenten, waarbij er sprake is van daadwerkelijk geweld met een online
component, noemen we hybride straatgeweld. Sinds het begin van deze eeuw zijn er verschillende
momenten geweest waarop spanningen tussen jeugdgroepen, vaak met een etnische, territoriale
of subculturele achtergrond, vanwege geweldsincidenten het nieuws haalden. Vanaf ongeveer
2018 laten cijfers en meldingen bij politie en gemeenten een (lichte) toename te zien
van conflicten tussen jeugdgroepen in stedelijke gebieden.
Vraag 2
Hoe beoordeelt u het feit dat scholen hun deuren moeten sluiten vanwege dreiging en
onveiligheidsgevoelens onder jongeren? Acht u dit een incident of een symptoom van
een structureel probleem?
Antwoord 2
Het is dieptriest dat scholen hiertoe hebben moeten besluiten. Door de lokale autoriteiten
is aangegeven dat de reden van de sluiting lag in de gevoelens van angst en onrust
onder leerlingen en ouders/verzorgers.
De kern van dit probleem lag niet bij de scholen. Het is dan ook niet aan de orde
om te spreken van een structureel probleem. Wel onderstrepen geweldsincidenten als
deze hoe belangrijk preventief handelen is bij signalen van grensoverschrijdend gedrag
onder jeugdigen.
Vraag 3
Welke rol speelt de georganiseerde jongerencriminaliteit in deze incidenten? Wordt
dit actief gemonitord en aangepakt door politie, Openbaar Ministerie (OM) en Veiligheidshuizen?
Antwoord 3
De (politie)onderzoeken zijn nog in volle gang, waardoor het te vroeg is om een duidelijke
conclusie te kunnen trekken over de eventuele rol van georganiseerde criminaliteit
bij deze incidenten.
In geval van lokale veiligheidsincidenten, zoals in Beverwijk en Heemskerk, is het
aan de veiligheidsdriehoek om op basis van de beschikbare feiten passend op te treden.
Specifiek voor problematiek rond jeugdgroepen kan gekozen worden voor een zogenaamde
groepsaanpak, waarbij ook opgeschaald kan worden naar een persoonsgerichte aanpak
in het Zorg- en Veiligheidshuis (ZVH). Wanneer, in navolging van deze incidenten,
jongeren worden aangemeld, dan zal de persoon, het systeem en de omgeving worden meegenomen
in een (persoonsgerichte) aanpak.
Vraag 4
Hoe beoordeelt u het gebruik van AI en deepfakes bij het verspreiden van dreigende
beelden van geweld en explosies op scholen? Wordt dit gezien als een vorm van digitale
ondermijning?
Antwoord 4
Het is kwalijk dat AI en deepfakes worden gebruikt voor het maken van dreigende beelden.
Het is goed voorstelbaar dat het verspreiden van beelden van explosies op scholen
een grote impact heeft op het veiligheidsgevoel van leerlingen, ouders, het personeel
van de school en de omgeving. Het gebruik van AI of deepfakes is niet automatisch
een vorm van digitale ondermijning, hiervoor moet AI als middel worden gebruikt door
criminelen om de samenleving te ontwrichten om criminele handelingen uit te voeren.
Om met zekerheid te kunnen stellen of er in deze situatie gebruik wordt gemaakt van
AI om te ondermijnen zou er eerst meer duidelijkheid moeten zijn over het incident.
Vraag 5
Welke rol spelen sociale media zoals TikTok en Snapchat in het aanwakkeren of verspreiden
van geweld tussen jongeren en welke mogelijkheden ziet u om hier snel en effectief
op in te grijpen?
Antwoord 5
Jongeren zijn veelvuldig online en actief op verschillende sociale media platformen,
waaronder TikTok en Snapchat. Deze platformen worden helaas ook gebruikt voor negatieve
doeleinden, waarbij online uitingen kunnen leiden tot (verdere) escalatie naar daadwerkelijke
fysieke confrontaties. In eerste instantie zijn de online platformen aan zet om te
zorgen dat hun gebruikers online veilig zijn. De Digital Service Act (DSA) legt zorgvuldigheidsverplichtingen
op aan online platformen om bij te dragen aan het creëren van een veilige online omgeving.
Met de platformen ben ik in dialoog over de uitdagingen die daarmee samenhangen.
In het voorjaar heb ik uw Kamer geïnformeerd over het onderzoek dat ik door het Verwey-Jonker
Instituut laat doen naar de aanpak van online geweld, als onderdeel van de aanpak
van geweld in het publieke- en semipublieke domein.2 In dit onderzoek is er ook aandacht voor de invloed van online uitingen op het ontstaan
en de escalatie van daadwerkelijk geweld. Later dit jaar wordt uw Kamer geïnformeerd
over de uitkomsten van dit onderzoek en de beleidsvoornemens die ik hieraan verbind.
Vanuit de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) wordt via
de Versterkte Aanpak Online ook gewerkt aan een gecoördineerde aanpak van onlineterrorisme
en extremisme. Over de voortgang van deze aanpak heb ik uw Kamer recentelijk geïnformeerd,
met daarbij speciale aandacht voor het voorkomen van online radicalisering onder jongeren.3 Daartoe wordt onder meer in samenwerking met gemeenten ingezet op het verhogen van
de digitale weerbaarheid van jongeren.
Vraag 6
Hoe wordt de samenwerking tussen politie, OM en Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding
en Veiligheid versterkt om sneller te reageren op digitale dreiging die leidt tot
paniek en schoolsluiting?
Antwoord 6
In beginsel is de veiligheid van personen, objecten en diensten decentraal georganiseerd.
Op basis van dreiging en risico kunnen er maatregelen worden getroffen door het lokaal
bevoegd gezag. Bijvoorbeeld via samenwerking binnen de driehoek. Daarnaast hebben
de lokaal adviseurs van de NCTV doorlopend contact met politie, gemeenten en het Openbaar
Ministerie over het lokale dreigingsbeeld op grond van terrorisme en extremisme.
Vraag 7
Wordt overwogen om geweldsverheerlijking via sociale media strafbaar te stellen als
digitale opruiing?
Antwoord 7
Er kan op dit moment al strafrechtelijk worden opgetreden. Bijvoorbeeld wanneer de
online uitingen kunnen worden gekwalificeerd als opruiing (zoals het oproepen tot
geweld), voorbereiding van openlijke geweldpleging, smaad, laster of uitlokking tot
een strafbaar feit.
Vraag 8
Hoe wordt de aanpak van jongerengeweld afgestemd op de bredere strategie tegen High
Impact Crimes en ondermijning?
Antwoord 8
Geweldsdelicten behoren tot de High Impact Crimes. In de strategische aanpak van High
Impact Crimes gaat het in de kern om het treffen van dadergerichte, slachtoffergerichte
en situationele preventieve maatregelen, waar nodig in combinatie met een repressief
optreden. Randvoorwaarden in deze strategie zijn onder meer het opstellen van een
beleidsanalyse naar de aard, omvang, oorzaken en risicofactoren, het inzetten van
wetenschappelijk onderbouwde effectieve maatregelen en de (door)ontwikkeling van innovatieve
en veelbelovende maatregelen, inclusief de evaluatie van deze inzet, alsmede de samenwerking
tussen publieke en private partijen bij de uitvoering van de preventieve maatregelen.
Ook communicatie, waar nodig wetgeving en de borging van de maatregelen vormen belangrijke
elementen in de HIC-aanpak. In het geval van geweld gepleegd door jongeren krijgt
deze strategie onder meer gestalte door de inzet van effectieve of veelbelovende interventies
zoals Alleen jij bepaalt wie je bent, de Integrale Persoonsgerichte Toeleiding naar
Arbeid, de Re-integratieofficier en het – ook voor de aanpak van ondermijning relevante
– traject Veilig In en Om School (VIOS).4 In bredere zin worden verder algemene preventieve maatregelen getroffen, zoals tegen
geweld op school, in het uitgaansleven, openbaar vervoer, de sport en online, waarover
ik uw Kamer eerder dit jaar informeerde.5 Ten slotte is het in dit kader relevant te wijzen op het voornemen van dit kabinet
om te komen tot een verhoging van de strafmaxima voor openlijke geweldpleging met
een derde. Dit wetsvoorstel is inmiddels in voorbereiding. Ook daarvan gaat een belangrijk
signaal naar de samenleving dat geweld onacceptabel is.
Vraag 9
Hoe beoordeelt u het instellen van een noodbevel, inclusief samenscholingsverbod en
preventief fouilleren, in deze context?
Antwoord 9
De burgemeester is op grond van de Gemeentewet belast met de handhaving van de openbare
orde. Afhankelijk van de omstandigheden kan hij verschillende bevelen geven waaronder
het instellen van een samenscholingsverbod en de aanwijzing van een veiligheidsrisicogebied.
Of en wanneer hij dat doet, is ter beoordeling aan de burgemeester. Desgevraagd is
hij hierover verantwoording verschuldigd aan de gemeenteraad. Specifiek voor het preventief
fouilleren geldt dat hiervoor toestemming van de officier van justitie nodig is.
Vraag 10
Welke structurele maatregelen worden genomen om gemeenten te ondersteunen bij het
voorkomen van escalatie, bijvoorbeeld via extra inzet van wijkagenten, digitale recherche
en jongerenwerk?
Antwoord 10
Elke gemeente is verantwoordelijk voor de eigen preventieve aanpak van (jeugd)criminaliteit
en maakt op basis van de lokale problematiek eigen afwegingen, zoals over de inzet
van professionals die zich richten op jongeren en jongvolwassenen. Zo kan (online)
jongerenwerk, door het laagdrempelige contact met jongeren, een belangrijke rol spelen
bij het vroegtijdig signaleren van spanningen en daarmee mogelijk escalatie voorkomen.
Ook kunnen straatcoaches en/of jeugdboa’s door gemeenten worden ingezet om vroegtijdig
te signaleren en in te grijpen.
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid stimuleert, onder andere door het delen
van best practices, de inzet van integrale schoolveiligheidsaanpakken. Dit gebeurt
onder meer via het programma Preventie met Gezag (PmG). Dit is een lerende aanpak.
Binnen PmG zijn er lerende netwerken ingericht met de gemeenten, justitiepartners
en wetenschappers. School en veiligheid is één van de onderwerpen waar vanaf de start
van deze netwerken aandacht voor is en waar kennis en ervaringen worden gedeeld. Hier
worden onder andere ervaringen uitgewisseld over de inzet van integrale schoolveiligheidsaanpakken
zoals VIOS. In dit soort aanpakken werken scholen onder andere samen met jongerenwerk,
agenten in de wijk, straatcoaches en wijkteams aan een gedeelde verantwoordelijkheid
voor een veilige omgeving, het voorkomen van escalatie en het bieden van perspectief
aan jongeren. Een ander voorbeeld dat binnen het lerende netwerk wordt opgepakt betreft
de ervaringen met het online jongerenwerk. De geleerde lessen vanuit zowel de aanpak
als de lerende netwerken van PmG worden gedeeld met de rest van Nederland via onder
andere de digitale vindplaats. Gemeenten die geen onderdeel zijn van PmG kunnen deze
lessen overnemen, en toepassen in de lokale context. Naar aanleiding van de onregelmatigheden
met jongeren in Beverwijk en Heemskerk is er vanuit het Ministerie van Justitie en
Veiligheid contact met de regio IJmond, waar deze gemeenten toe behoren, deze gemeenten
zijn gewezen op de mogelijkheid om in contact te treden met gemeenten die te maken
hebben met vergelijkbare problematiek om onderling ervaringen uit te wisselen.
De inzet van agenten wordt lokaal bepaald door het bevoegde gezag (burgemeester en
officier van justitie) en besproken in de lokale driehoek. Signalen over (dreigende)
onrusten tussen jongeren worden daar met elkaar gedeeld. Als het gezag extra inzet
nodig acht om escalatie te voorkomen, dan zal het die keuze in overleg met de politie
maken. Naar verwachting zal de driehoek ook rekening houden met de rol die andere
professionals, zoals jongerenwerkers, kunnen spelen, zodat preventie wordt ingezet
waar mogelijk en repressie waar noodzakelijk. De eventuele extra politie-inzet moet
gevonden worden binnen de beschikbare capaciteit van de betreffende eenheid. Gezien
de druk op de politiecapaciteit vraagt dit om scherpe keuzes door de lokale driehoek.
Vraag 11
Welke impact heeft deze situatie op de scholieren, het onderwijs en de continuïteit
van het leerproces? Welke ondersteuning wordt de komende periode aan deze school geboden?
Antwoord 11
Het gevoel van dreiging onder leerlingen, ouders en medewerkers was groot. Op alle
betrokken scholen is er na afloop van de gebeurtenissen een bijeenkomst geweest met
personeel om de gebeurtenissen een plek te geven en te bespreken hoe de docententeams
dit met de leerlingen konden bespreken. Daarnaast is er op ouderavonden die al gepland
stonden, uitvoerig gesproken hierover en op twee scholen zijn er nog extra ouderavonden
georganiseerd met specifieke informatie over de online wereld, waarbij experts langskomen
om erover te vertellen en vragen te beantwoorden. Ouders hebben positief gereageerd
op hoe de school de situatie afgehandeld heeft: de zorgvuldigheid, de ouderavonden
en de extra aandacht die gegeven werd aan kinderen die het moeilijker hebben. Daarnaast
zijn de scholen door het Ministerie van OCW gewezen op het aanbod van Stichting School
& Veiligheid. Scholen kunnen hier altijd terecht voor advies over en ondersteuning
bij het creëren van een veilig schoolklimaat.
Vraag 12
Welke rol ziet u voor scholen in het vroegtijdig signaleren van spanningen en het
bieden van preventieve ondersteuning?
Antwoord 12
Scholen zijn op dit moment al verplicht om veiligheidsbeleid te voeren. Dat betekent
concreet dat zij antipestbeleid maken, een antipestcoördinator hebben en zicht hebben
op de veiligheidsbeleving van leerlingen.
Met het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs geeft het kabinet nadere inkleuring
aan de zorgplicht. Zo zorgen we ervoor dat er meer leerlingen worden bevraagd op hun
veiligheidsbeleving, moeten scholen verplicht een interne en externe vertrouwenspersoon
aanstellen en moeten scholen hun veiligheidsbeleid jaarlijks evalueren. Ook komt er
een incidentenregistratie en een meldplicht voor ernstige veiligheidsincidenten bij
de Inspectie van het Onderwijs. De beoogde inwerkingtreding is 1 augustus 2026. Met
deze wet beoogt de regering dat scholen eventuele spanningen sneller in beeld krijgen,
en dus ook sneller ondersteuning kunnen bieden. Scholen kunnen hiervoor terecht bij
Stichting School & Veiligheid.
Vraag 13
Bent u bereid om scholen in risicogebieden structureel te ondersteunen met preventiemedewerkers,
schoolmaatschappelijk werk en samenwerking met jongerenhubs?
Antwoord 13
De overheid ondersteunt scholen en gemeenten op dit moment bij het werken aan een
veilig schoolklimaat. Gemeenten die deelnemen aan het programma Preventie met Gezag
worden structureel ondersteund vanuit het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Veel
van de deelnemende gemeenten werken samen met onder andere scholen, politie en jongerenwerk
om te zorgen voor veilige scholen. Verder heeft het kabinet met het programma Brugfunctionaris
meerjarig geld beschikbaar gesteld waarmee scholen een brugfunctionaris kunnen aanstellen.
Ook stelt het kabinet met het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs een interne en
externe vertrouwenspersoon verplicht. Tot slot ondersteunt Stichting School & Veiligheid
scholen bij het werken aan een veilig schoolklimaat.
Vraag 14
Hoe wordt de rol van leraren versterkt in het signaleren van spanningen en het begeleiden
van leerlingen die betrokken zijn bij of slachtoffer zijn van online geweld?
Antwoord 14
Alhoewel leraren niet alle maatschappelijke problemen in hun eentje kunnen én hoeven
oplossen, hebben leraren wel een belangrijke rol in het signaleren van afwijkend gedrag.
Stichting School & Veiligheid biedt hiervoor ondersteuning, bijvoorbeeld middels het
«niet-pluisinstrument». Daarnaast heeft ook de vertrouwenspersoon een belangrijke
rol in het ondersteunen van leerlingen die slachtoffer zijn geworden van online geweld.
Daarnaast adviseert het kabinet scholen om altijd aangifte te doen als er strafbare
feiten zijn gepleegd. Dit kunnen scholen ook namens een leerling of personeelslid
doen.
Zoals benoemd onder vraag 10 stimuleert het Ministerie van Justitie en Veiligheid
de inzet van integrale schoolveiligheidsaanpakken. Het creëren van een sterk netwerk
rondom de school kan ook positief bijdragen aan het versterken van de positie van
zowel leraren als het onderwijs ondersteund personeel in het tijdig signaleren en
de opvolging van dergelijke signalen en incidenten.
Vraag 15
Hoe wordt de veiligheid van onderwijspersoneel geborgd in situaties van dreiging en
geweld? Wordt dit meegenomen in het lerarenbeleid?
Antwoord 15
Onderwijspersoneel moet altijd veilig kunnen werken. Immers, geen goed onderwijs zonder
onderwijspersoneel dat daartoe in staat wordt gesteld. Werkgevers hebben vanuit de
arbo-regelgeving al de plicht om zorg te dragen voor een veilige werkomgeving. Met
het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs geeft het kabinet nadere inkleuring aan
de zorgplicht voor de veiligheid op scholen. Dat is ook van toepassing op onderwijspersoneel.
Daarnaast adviseert het kabinet om bij strafbare situaties altijd aangifte te doen.
Dit kunnen scholen ook namens een leerling of personeelslid doen.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
F. van Oosten, minister van Justitie en Veiligheid -
Mede namens
K.M. Becking, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.