Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Wingelaar over de sluiting van fabriek Fibrant op Chemelot
Vragen van het lid Wingelaar (Nieuw Sociaal Contract) aan de Ministers voor Klimaat en Groene Groei en van Economische Zaken over de sluiting van fabriek Fibrant op Chemelot (ingezonden 24 oktober 2025).
Antwoord van Minister Hermans (Klimaat en Groene Groei), mede namens de Minister van
Economische Zaken (ontvangen 17 november 2025).
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Fabriek Fibrant op Chemelot gaat sluiten, honderd
werknemers ontslagen: vrees voor domino-effect»?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Wat is uw reactie op de sluiting van Fibrant, waarbij 100 banen verloren gaan en de
productie wordt verplaatst naar China?
Antwoord 2
Het kabinet deelt de zorgen over de voorgenomen sluiting van een aantal fabrieken
van Fibrant op Chemelot. Allereerst, voor de betrokken medewerkers die op dit moment
in grote onzekerheid zijn over hun baan. Verder deelt het kabinet de zorgen van de
Provincie Limburg en het cluster Chemelot, waar Fibrant één van de grotere bedrijven
is. Chemelot is een sterk geïntegreerd cluster, waardoor een herstructurering bij
één bedrijf mogelijk ook andere bedrijven op het cluster zal raken. Het is op dit
moment echter te voorbarig om te spreken over een definitief besluit.
Op 21 oktober jl. heeft Fibrant in een persbericht het voorgenomen besluit tot herstructurering
van de organisatie naar buiten gebracht. Door dit voorgenomen besluit zouden circa
100 medewerkers gedwongen hun baan verliezen. Fibrant heeft het voorgenomen besluit
voorgelegd aan de ondernemingsraad (OR) voor advies. Pas na een advies van de OR zal
er een definitief besluit worden genomen.
De ontwikkelingen bij Fibrant zijn zorgwekkend en passen in een beeld dat we helaas
vaker zien, waarbij bedrijven in de energie-intensieve industrie (EII) in Nederland
moeilijk kunnen concurreren. De financiële uitdagende situatie bij Fibrant komt volgens
het bedrijf onder meer door aanhoudende druk op de productiekosten in combinatie met
overcapaciteit op de (Europese) markt. Deze overcapaciteit is mede het gevolg van
toenemende productiecapaciteit in landen zoals China, al is in dit specifieke geval
geen sprake van verplaatsing van productie. Het kabinet herkent deze signalen over
de concurrentiepositie van de industrie en deelt deze zorgen.
Vraag 3
Hoe verhoudt deze sluiting zich tot de doelstellingen van het kabinet om de maakindustrie
en werkgelegenheid in Nederland te behouden en om de regio Zuid-Limburg economisch
te versterken?
Antwoord 3
Het voorgenomen besluit voor sluiting van de caprolactam-fabrieken van Fibrant op
Chemelot laat zien dat het vestigingsklimaat in Nederland onder druk staat. Het kabinet
heeft in haar recente brief met het Toekomstperspectief voor de EII benadrukt dat
bedrijven gestimuleerd moeten worden om in Nederland te blijven produceren, maar wel
anders dan nu: schoner, concurrerender en minder afhankelijk van fossiele energie
en kwetsbare importketens.2 Het behouden van de EII is cruciaal voor het Nederlandse verdienvermogen en het streven
naar strategische autonomie. Fibrant heeft de afgelopen jaren al grote investeringen
gedaan om deze stap richting een schonere productie te realiseren en behoort tot de
meest efficiënte en duurzame sites voor de productie van caprolactam in Europa. De
sterke verwevenheid van Fibrant met het cluster Chemelot, waarbij bedrijven grondstoffen
aan elkaar leveren of restwarmte met elkaar delen, maakt dat de gevolgen van een eventuele
sluiting ook breder gevoeld zullen worden. De werkgelegenheid en economische activiteiten
op het cluster zijn van groot belang voor de regionale economie.
Het belang van een sterke en groene basischemie voor het toekomstig verdienvermogen
van Nederland wordt ook onderschreven door het Perspectief voor de chemiesector3 en innovatieve chemie is door het kabinet recent aangemerkt als strategische markt
die van groot belang is voor onze economie, maatschappelijke uitdagingen en economische
weerbaarheid.4 De eventuele sluiting van een aantal fabrieken van het bedrijf op Chemelot zou niet
bijdragen aan deze beleidsdoelstellingen en het verlies van deze kennis en productiecapaciteit
in Nederland zou betreurenswaardig zijn voor de regionale, nationale en Europese economie
en autonomie.
Vraag 4
Bent u ermee bekend dat Fibrant eerder dit jaar nog subsidie ontving in het kader
van de regeling «Klimaat en Groene Groei» om de ammoniakuitstoot te reduceren, samen
met OCI en Rockwool? Hoeveel subsidie is daadwerkelijk toegezegd en uitgekeerd aan
Fibrant? Wat gebeurt er met die middelen nu de fabriek sluit?
Antwoord 4
Ja, dit is bekend. In maart 2025 heeft Fibrant vanuit de Rijksoverheid een subsidie
van € 30 miljoen toegekend gekregen om haar ammoniakuitstoot significant te reduceren.
Deze subsidie is verstrekt vanuit de Aanpak Piekbelasting Industrie (API) om bij te
dragen aan een duurzamere en schonere basisindustrie.5 Zoals eerder is aangegeven ligt er op dit moment nog een aantal toekomstscenario's
op tafel. Het is daarom nog te voorbarig om uitspraken te doen over de mogelijk impact
voor dit reductieproject.
Na een beschikking wordt het subsidiebedrag, zoals gebruikelijk bij dergelijke subsidies,
in tranches bevoorschot, in lijn met de voortgang van het betreffende project. Onderdeel
van deze subsidiebeschikking is een prestatieafspraak. Indien het project niet wordt
gerealiseerd, moet het eerder voorgeschoten bedrag door het bedrijf worden terugbetaald.
Tot nog toe is circa € 5 mln. als voorschot aan Fibrant uitgekeerd. Zodra meer duidelijk
is over de toekomst van Fibrant, kan ook inzicht worden gegeven in wat de mogelijke
impact is op de voortgang van dit specifieke project.
Vraag 5
Hoe beoordeelt u het dat overheidsgeld is ingezet om verduurzaming te ondersteunen,
terwijl de buitenlandse eigenaar vervolgens besluit de productie volledig naar China
te verplaatsen?
Antwoord 5
Zoals in de beantwoording van vraag 2 is aangegeven, betreft het voorgenomen besluit
van Fibrant een mogelijke sluiting van de caprolactam-installaties op Chemelot en
niet een verplaatsing (naar China of elders). Een eventuele sluiting van deze activiteiten
ziet het kabinet, zoals hiervoor aangegeven, als zorgwekkend.
Het kabinet zet zich in voor het behoud van de EII in Nederland, door te zorgen voor
de noodzakelijke randvoorwaarden voor investeringen in verduurzaming. Zoals het kabinet
eerder heeft aangegeven moeten bedrijven in Nederland kunnen verduurzamen, een toekomst
kunnen hebben en concurrerend kunnen zijn.6 Naast het verbeteren en realiseren van de randvoorwaarden, is een brede waaier aan
instrumenten beschikbaar om bedrijven te ondersteunen bij het realiseren van hun verduurzamingsambities
in Nederland.
Met de reeds genomen en aangekondigde maatregelen blijven er uitdagingen voor (de
verduurzaming van) bedrijven in de industrie. Bij de (formatie van) een nieuwe kabinet
zal ook gekeken moeten worden naar welke (nieuwe) maatregelen eventueel nodig zijn
om bedrijven en banen in de industrie te behouden.
Vraag 6
Welke gevolgen heeft deze sluiting voor andere bedrijven op Chemelot, waaronder OCI
en SABIC, en voor de honderden toeleveranciers en onderhoudsbedrijven die afhankelijk
zijn van deze keten?
Antwoord 6
Zie antwoord vraag 2.
Vraag 7
Wordt er momenteel interdepartementaal overleg gevoerd met de Ministeries van Economische
Zaken, Sociale Zaken en Werkgelegenheid, en met de provincie Limburg om de gevolgen
voor werkgelegenheid en regionale economie op te vangen? Zo ja, welke concrete stappen
worden gezet? Zo nee, bent u bereid dit alsnog op te starten?
Antwoord 7
Het kabinet heeft, samen met Provincie Limburg, zeer intensief contact met de bedrijven
over de ontwikkelingen op Chemelot. Zoals gezegd liggen er op dit moment nog meerdere
scenario's op tafel, waarbij het doel is om zoveel mogelijk werkgelegenheid en economische
activiteit te behouden. Het kabinet deelt de zorgen over de voorgenomen sluiting van
een aantal van fabrieken van Fibrant op Chemelot.
Vooralsnog zal het kabinet inzetten op het voorkomen van ontslagen en het behoud van
werkgelegenheid in het cluster. Indien er onverhoopt toch wordt overgegaan tot sluiting
en daarmee gedwongen ontslagen voor werknemers, dan zal het kabinet, aansluitend op
de afspraken tussen de werkgever en werknemers en de inzet op «van werk naar werk»
en in nauwe samenwerking met de Ministeries van Economische Zaken en van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid, provincie Limburg, gemeenten, UWV en andere betrokken partijen,
zich richten op goede begeleiding van getroffen medewerkers naar nieuw werk.
In dat geval kan, aansluitend op de afspraken tussen werkgever en werknemers, het
vinden van nieuw werk worden ondersteund door de werkgeversdienst-verlening van UWV
en gemeenten. Vanuit de regionale samenwerkingsverbanden in Zuid-Limburg is goed zicht
op de arbeidsmarkt en op de beschikbare personeelsvraag bij andere bedrijven. Deze
partners kunnen gezamenlijk maatwerk bieden, gericht op het voorkomen van langdurige
werkloosheid en het benutten van kansen in en voor de regio.
Vraag 8
Erkent u de uitspraak van de vakbonden dat dit een «zware klap» is voor de regio,
en welke maatregelen overweegt u om de gevolgen voor de getroffen werknemers en de
regio te beperken?
Antwoord 8
Zie antwoord op vraag 7.
Vraag 9
Deelt u de zorg dat hoge energieprijzen, onzeker energiebeleid en complexe regelgeving
bijdragen aan een verslechterd investeringsklimaat voor de Nederlandse industrie?
Zo ja, wat gaat u daaraan doen om een gelijk speelveld met het buitenland te creëren?
Antwoord 9
Het kabinet herkent de signalen en deelt de zorgen over de verslechterde concurrentiepositie
van de industrie in Nederland. De beschreven ontwikkelingen zijn herkenbaar: bij veel
bedrijfstakken in de Nederlandse industrie staat de productie onder druk door een
combinatie van factoren zoals de hoge energie-prijzen, complexe regelgeving en de
sterk gestegen loonkosten. Een gunstig ondernemingsklimaat, met optimale randvoorwaarden
en een gelijk speelveld, zijn van cruciaal belang voor het welslagen en de ontwikkeling
van duurzame bedrijvigheid in Nederland.
Deze factoren zijn immers bepalend voor de concurrentiepositie en marktkansen van
bedrijven. Het is essentieel dat ondernemers kunnen opereren onder gelijkwaardige
voorwaarden en niet worden verdrongen door buitenlandse concurrenten die onder gunstiger
omstandigheden en regelgeving kunnen opereren. Dat is niet alleen van belang voor
de bedrijven, maar ook voor ons verdienvermogen.
Voor de verbetering van het gelijke speelveld voor bedrijven in de EII heeft het kabinet
met Prinsjesdag een aantal nieuwe maatregelen aangekondigd, een uitwerking van het
Pakket voor Groene Groei gericht op een gelijker speelveld.7 Het kabinet heeft onder andere aangekondigd de subsidieregeling indirecte kostencompensatie
ETS (IKC-ETS) te verlengen tot en met 2028, om de elektriciteitskosten concurrerender
te maken. Verder heeft het kabinet een werkgroep ingesteld met als opdracht om tot
een alternatief te komen voor de nationale CO2-heffing, waarmee invulling wordt gegeven aan de brede wens van de Kamer om verbetering
van de concurrentiepositie van de industrie in Nederland te realiseren. Het kabinet
erkent dat de hoge nettarieven in Nederland een uitdaging zijn voor de industrie en
onderzoekt mogelijkheden om de hoge elektriciteitskosten voor de EII te verlagen.
Het kabinet zet zich ook in voor het verbeteren van belangrijke randvoorwaarden, zoals
vermindering van de regeldruk, beschikbaarheid van talent, netcongestie en betere
werking van de EU interne markt. Bij investeringsbeslissingen is ook stabiliteit van
beleid op de lange termijn voor bedrijven belangrijk. Naast inzet op randvoorwaarden
is strategisch beleid nodig gericht op het stimuleren van investeringen in sectoren
en gebieden relevant voor verdienvermogen, maatschappelijke opgaven en weerbaarheid.
In dit licht is de Kamer recent geïnformeerd over de productiviteits-agenda8, het aanpakken van regeldruk9 en het nieuwe industriebeleid.10
Vraag 10
Bent u bereid om samen met betrokken bedrijven, provincie en kennisinstellingen te
werken aan een toekomstplan voor de Chemelot-site, gericht op behoud van hoogwaardige
werkgelegenheid, innovatie en circulaire productie?
Antwoord 10
Het voorgenomen besluit van Fibrant om haar caprolactam-activiteiten te stoppen is
nog niet definitief. Het kabinet is nauw betrokken bij de huidige ontwikkelingen rondom
Fibrant, waarbij wordt gezocht naar passende en toekomstgerichte oplossingen, gericht
op het beperken van de impact op de regio. Het kabinet heeft recent samen met de Provincie
Limburg gevraagd aan Mark Verheijen, clusterregisseur Chemelot, en Koos van Haasteren,
Executive Director Chemelot om samen met betrokken private partijen een gedragen plan
uit te werken, waarbij zoveel mogelijk werkgelegenheid en economische activiteiten
kunnen worden behouden voor een toekomstbestendig en duurzaam cluster. Het kabinet
zal daarbij ook bezien hoe deze plannen, waar passend en mogelijk, eventueel kunnen
worden ondersteund.
Er lopen momenteel ook verschillende (maatwerk)gesprekken met het cluster en de Provincie
Limburg die passen binnen het bredere actieplan «Limburgs Bod voor een Duurzaam Chemelot».
Het einddoel is een circulaire, CO2-neutrale én toekomstbestendige site rond 2040. Een goed voorbeeld van de maatwerkaanpak
is de Joint Letter of Intent die op 8 juli jl. met AnQore en de Provincie Limburg
is getekend. De nationaal groeifondsprogramma’s Circulair Plastics NL en BioBased
Circular zijn voorbeelden van reeds bestaande publieke financiering in samenwerking
met kennisinstellingen Brightlands Chemelot Campus, Universiteit Maastricht en TNO.
Beide programma's zijn samen goed voor € 558 miljoen aan publieke financiering, naast
regulier nationaal instrumentarium.
Vraag 11
Welke lessen trekt u uit eerdere bedrijfssluitingen zoals Apollo Vredestein en Batavus?
Waarom is het niet gelukt om soortgelijke besluiten te voorkomen, ondanks eerdere
waarschuwingen?
Antwoord 11
Vooropgesteld moet worden geconstateerd dat deze casussen allemaal uniek zijn. Het
voorgenomen besluit van Fibrant betreft een andere casus dan eerdere bedrijfssluitingen
van de bedrijven Apollo Vredestein en Batavus. Met het bedrijf Apollo Vredestein is,
zoals ook is toegelicht in de beantwoording van Kamervragen van de leden Saris en
Postma, intensief contact geweest tussen de overheid en het bestuur van Vredestein.11 Het kabinet heeft geprobeerd het bedrijf te overtuigen van de voordelen van productie
in Nederland, met name door te focussen op hoogwaardige, innovatieve productie. Daarbij
is door het kabinet ondersteuning aangeboden om de business case hier aantrekkelijker
te maken.
De eigenaren van Apollo Vredestein hebben echter steeds benadrukt dat het bedrijf
zich, vanwege de ervaren concurrentiedruk, genoodzaakt ziet vooral op kosten te sturen.
Deze aanpak sluit niet aan bij het Nederlandse industriebeleid, dat juist gericht
is op een hoogwaardige, kennisintensieve maakindustrie. Uiteindelijk bleek het verschil
in visie te groot om tot een gezamenlijke oplossing te komen.
In algemene zin bevestigt het voorgenomen besluit om de fabrieken van Fibrant te sluiten
de noodzaak van het realiseren van een gelijk speelveld voor duurzame en concurrerende
bedrijven. Het kabinet blijf zich inzetten voor het verbeteren van belangrijke randvoorwaarden,
zoals energiekosten en nettarieven, de vermindering regeldruk, de beschikbaarheid
van talent, netcongestie en (Europese) marktcreatie voor duurzame producten.
Naast inzet op randvoorwaarden is strategisch beleid nodig gericht op het stimuleren
van investeringen in sectoren en gebieden relevant voor verdienvermogen, maatschappelijke
opgaven en weerbaarheid. In dit licht heeft het kabinet de Kamer de afgelopen periode
geïnformeerd over haar productiviteitsagenda, het aanpakken van regeldruk, het toekomstperspectief
voor de EII en chemie en het nieuwe industriebeleid.
Vraag 12
Klopt het dat Fibrant de afgelopen jaren publieke steun heeft ontvangen van het Rijk
of via Europese of provinciale regelingen voor verduurzaming of innovatie van productieprocessen?
Hoe wordt binnen dergelijke regelingen geborgd dat bedrijven die publieke middelen
ontvangen hun productie niet kort daarna beëindigen of verplaatsen? Wordt in dit geval
onderzocht of terugvordering van (een deel van) de steun aan de orde is?
Antwoord 12
De afgelopen jaren heeft Fibrant vanuit de Rijksoverheid via nationale subsidies,
deels uitgevoerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), een aantal
subsidies ontvangen of toegekend gekregen voor het verduurzamen van haar fabrieken
op Chemelot. Dit betreft de eerder genoemde toekenning van een subsidie van € 30 miljoen
in 2025 voor de reductie van ammoniakuitstoot, als onderdeel van de API. Daarnaast
heeft het bedrijf een DEI+-subsidie toegekend gekregen van € 3,5 miljoen en heeft
het bedrijf deelgenomen aan een PPS-toeslagproject, maar hiervoor ontvangt het bedrijf
geen PPS-toeslag of subsidie. Er is ook een subsidie in de vorm van een renteloze
lening van € 27 miljoen voor de reductie van Fibrant’s lachgasemissie gegeven door
het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Deze lening uit 2019 was onderdeel
van het pakket Urgenda-maatregelen.
Bij het beoordelen van een subsidieaanvraag en tijdens de looptijd van een project
wordt getoetst of een subsidieontvanger voldoet aan de verplichtingen of voorwaarden
die zijn opgenomen in de regeling of subsidievoorwaarden. Subsidie-ontvangers hebben
een meldingsplicht om substantiële afwijkingen hiervan proactief door te geven aan
RVO of het Ministerie. Bij dergelijke wijzigingen in een project wordt er altijd getoetst
of de wijziging in overeenstemming met de subsidieregeling is. Als dit niet het geval
is, kan dat effect hebben op het vast te stellen subsidiebedrag.
Indien tijdens de looptijd van een project bedrijfsbeëindiging of bedrijfs-verplaatsing
plaatsvindt, betekent dat dat het bedrijf (de subsidieontvanger) niet of niet langer
aan de voorwaarden of verplichtingen uit de subsidieregeling voldoet. De subsidieaanvraag
kan dan worden geweigerd, de subsidieverlening kan worden ingetrokken of de subsidie
kan lager worden vastgesteld. Eventueel reeds bevoorschotte of ingezette subsidies
kunnen dan worden teruggevorderd. Omdat er op dit moment alleen nog een voorgenomen
besluit is kenbaar gemaakt over de eventuele sluiting van een aantal fabrieken van
Fibrant, is het nog te vroeg om vooruit te lopen op terugvordering van de subsidies.
Vraag 13
Houdt u systematisch bij hoeveel industriële bedrijven de afgelopen jaren hun productie
geheel of gedeeltelijk hebben beëindigd in Nederland en wat de belangrijkste oorzaken
daarvan zijn? Zo nee, bent u bereid dit structureel te monitoren en daarover periodiek
aan de Kamer te rapporteren?
Antwoord 13
De Rijksoverheid heeft een redelijk goed beeld van dergelijke besluiten voor zover
die publiekelijk kenbaar zijn, maar houdt die op dit moment niet systematisch bij.
Dit gebeurt niet, omdat een dergelijke monitor een vertekend en eenzijdig beeld zou
kunnen geven van de dynamiek binnen de industrie, waar altijd sprake is van volatiliteit
in de productie. Dat neemt niet weg dat de trend goed inzichtelijk is voor de overheid.
De Rijksoverheid staat via verschillende (overleg)structuren, bijvoorbeeld via het
NPVI en de clusterorganisaties, in nauw contact met vertegenwoordigers uit het de
industrie en het bredere bedrijfsleven in Nederland. Daarnaast worden de ontwikkelingen
nauwlettend in de gaten gehouden, met behulp van de Top 60-rapportage voor de inventarisatie
van knelpunten bij CO2-reductieplannen in de EII, de Regeldrukmonitor en de bredere monitor Ondernemingsklimaat.
Als bedrijven op grote schaal besluiten om hun productie te verminderen of te beëindigen
in Nederland vanwege randvoorwaarden die niet op orde zijn of vanwege een ongelijk
speelveld is dat zorgelijk. Wel wijst het kabinet er op dat in een gezonde economie
sprake is van voortdurende vernieuwing en herstructurering: sommige bedrijven verdwijnen
of verplaatsen hun activiteiten, terwijl andere juist ontstaan of uitbreiden. Dat
is inherent aan een goed functionerende economie. Dat neemt niet weg dat een inperking
van bedrijfsactiviteiten – zeker op de korte termijn – ingrijpend en zeer vervelend
kan zijn voor de betrokken medewerkers.
Vraag 14
Kunt u deze vragen, gezien de ernst van de situatie, binnen een week beantwoorden?
Antwoord 14
Het kabinet heeft deze vragen zo snel mogelijk beantwoord. Helaas is dat niet gelukt
binnen een week.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
S.T.M. Hermans, minister van Klimaat en Groene Groei -
Mede namens
V.P.G. Karremans, minister van Economische Zaken
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.