Verslag van een werkbezoek : Verslag van een werkbezoek van een delegatie uit de vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp aan de OESO van 9 tot en met 10 maart 2025
36 800 XVII Vaststelling van de begrotingsstaat voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp (XVII) voor het jaar 2026
Nr. 11 VERSLAG VAN EEN WERKBEZOEK VAN EEN DELEGATIE UIT DE VASTE COMMISSIE VOOR BUITENLANDSE
HANDEL EN ONTWIKKELINGSHULP AAN DE OESO VAN 9 TOT EN MET 10 MAART 2025
Vastgesteld 17 november 2025
Een delegatie uit de vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp
heeft van zondag 9 tot en met maandag 10 maart 2025 een werkbezoek gebracht aan de
Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) in Parijs. De delegatie
bestond uit de leden De Vries (delegatieleider, VVD), Ram (PVV), Hirsch (GroenLinks-PvdA),
Kamminga (VVD), Bamenga (D66) en Dobbe (SP).
De OESO speelt een belangrijke rol binnen het werkterrein van de commissie, met name
op het gebied van ontwikkelingshulp, internationale handel en internationaal maatschappelijk
verantwoord ondernemen (IMVO). Tijdens het werkbezoek is de delegatie in gesprek gaan
met leiders en experts van de OESO over bovengenoemde thema’s en over de bredere rol
van de OESO bij mondiale vraagstukken zoals kritieke grondstoffen en internationaal
klimaatbeleid.
De delegatie dankt alle gesprekspartners en degenen die betrokken zijn geweest bij
het organiseren van dit werkbezoek. In het bijzonder wil de delegatie haar waardering
uitspreken voor de inzet van de Nederlandse permanente vertegenwoordiging bij de OESO
en haar medewerkers bij de voorbereiding van het programma en tijdens het werkbezoek.
De hartelijke ontvangst en goede begeleiding van de delegatie hebben in belangrijke
mate bijgedragen aan het welslagen van het bezoek.
De commissievoorzitter, Thijssen
De griffier van de delegatie, Prenger
Zondag 9 maart 2025
Het werkbezoek begon met een werkdiner op de residentie van de Nederlandse ambassadeur
in Frankrijk, de heer Versteeg. Naast de ambassadeur, waren de permanent vertegenwoordiger
van Nederland bij de OESO, de heer Wiers, de tweede secretaris politieke zaken, mevrouw
Defossez en de economisch en financieel raad bij de PV OESO, de heer van Boxtel, aanwezig.
Tijdens het diner werd onder meer gesproken over recente ontwikkelingen binnen de
OESO en over de actuele politieke, economische en sociale situatie in Frankrijk.
Maandag 10 maart 2025
De dag begon met een gesprek met de permanent vertegenwoordiger van Nederland bij
de OESO, de heer Wiers, en de financieel en economische raad, de heer van Boxtel.
De heer Wiers lichtte door middel van een presentatie de werkzaamheden van de OESO
toe. De OESO brengt gelijkgestemde landen samen rond gedeelde waarden zoals democratie,
rechtsstatelijkheid, open markten en transparante regelgeving. Ook vervult de organisatie
een belangrijke rol als denktank en kennishub binnen het multilaterale systeem. Zij
publiceert beleidsanalyses over uiteenlopende thema’s als economie, handel, energie,
onderwijs en digitalisering. Daarnaast ontwikkelt en verspreidt de OESO internationale
standaarden op uiteenlopende beleidsterreinen, variërend van belastingbeleid en onderwijs
tot ontwikkelingshulp, milieu en duurzaam ondernemerschap. De OESO blijkt vaak effectief
in het stellen van normen wanneer in andere internationale fora, zoals de Verenigde
Naties, onvoldoende voortgang wordt geboekt.
Het hoogste beslissingsorgaan is de Raad, waarin alle 38 lidstaten plus de Europese
Commissie zijn vertegenwoordigd. De Raad bepaalt de strategische koers van de organisatie
en stelt de werkagenda vast. Daarnaast werkt de OESO via een uitgebreid netwerk van
meer dan 300 comités, expert- en werkgroepen, die zich richten op uiteenlopende beleidsthema’s.
Deze comités bestaan uit ambtenaren en inhoudelijke experts uit de lidstaten, soms
aangevuld met academici of vertegenwoordigers uit het bedrijfsleven en maatschappelijke
organisaties.
Waar de OESO in het verleden vaak werd aangeduid als een «rijke landenclub», is deze
kwalificatie inmiddels achterhaald. De organisatie telt vandaag de dag 38 lidstaten,
waaronder meerdere middeninkomenslanden. Daarnaast zijn er acht kandidaat-lidstaten,
waaronder Indonesië, Thailand en Peru. Het toetredingsproces tot de OESO is omvangrijk
en veeleisend: kandidaat-lidstaten moeten door meer dan dertig technische commissies
worden beoordeeld, een proces dat minstens vijf jaar in beslag neemt. Dit proces fungeert
als een belangrijke aanjager voor hervormingen.
Tot slot sprak de heer Wiers over de tweejaarlijkse OESO Economic Survey van Nederland,
die in juni 2025 zal worden gepubliceerd. Deze periodieke doorlichting biedt een diepgaande
analyse van de economische ontwikkelingen in Nederland, met afzonderlijke hoofdstukken
over de belangrijkste beleidsuitdagingen en aanbevelingen om deze aan te pakken. De
heer Wiers gaf aan dat de OESO graag bereid is het rapport nader toe te lichten in
de Kamer.
Aansluitend kreeg de delegatie een presentatie van twee medewerkers van het parlementaire
netwerk van de OESO. Dit wereldwijde netwerk fungeert als een kennisbub voor parlementariërs,
en staat open voor zowel OESO- als niet-OESO-landen, inclusief subnationale parlementen
en het Europees Parlement. Het netwerk biedt leden toegang tot OESO-analyses en aanbevelingen
over actuele beleidskwesties en stimuleert internationale samenwerking via de uitwisseling
van best practices. Jaarlijks wordt een plenaire bijeenkomst georganiseerd, de eerstvolgende
zal plaatsvinden van 11 tot en met 13 maart 2026 in Parijs.
Vervolgens sprak de delegatie met de heer Staur, voorzitter van het Development Assistance Committee (DAC) van de OESO. Het DAC stelt internationale normen vast voor officiële ontwikkelingshulp
(ODA), publiceert statistieken hierover en monitort de uitvoering van het VN-doel
dat ontwikkelde landen 0,7% van hun bruto nationaal inkomen (BNI) aan ODA besteden.
Daarnaast bevordert het DAC de uitwisseling van best practices en voert het periodieke
peer reviews uit (elke vier tot zes jaar) om de kwaliteit en effectiviteit van het
ontwikkelingsbeleid van lidstaten te verbeteren. Het centrale doel is het terugdringen
en uiteindelijk uitbannen van armoede wereldwijd.
De heer Staur stond in het bijzonder stil bij twee grote uitdagingen op het gebied
van ontwikkelingshulp. Ten eerste de trend van bezuinigingen door donorlanden op ontwikkelingshulp,
mede als gevolg van de COVID-19-pandemie en stijgende uitgaven aan defensie. Volgens
Staur is het onwenselijk dat ontwikkelingslanden hiervan de rekening gepresenteerd
krijgen, juist omdat mondiale uitdagingen zoals klimaatverandering en pandemieën niet
verdwijnen. Tegelijkertijd erkende hij dat donorlanden onder de huidige geopolitieke
en economische omstandigheden moeilijke keuzes moeten maken. Het streven naar 0,7%
van het BNI voor ontwikkelingshulp moet echter richtinggevend blijven. Ten tweede
zullen de komende jaren circa 800 miljoen jongeren in ontwikkelingslanden de arbeidsmarkt
betreden, terwijl er onvoldoende banen beschikbaar zijn. Banencreatie in lage- en
middeninkomenslanden is daarom cruciaal, aldus de heer Staur. Dit vergt een combinatie
van hulp en handel, met gerichte investeringen, open handelskanalen en het versterken
van toegevoegde waarde binnen deze landen zelf. Tegelijkertijd zet de mondiale trend
van terugtrekkende globalisering de economische vooruitzichten in veel ontwikkelingslanden
onder druk. Het nalaten van actie op dit vlak zal onvermijdelijk leiden tot grotere
migratiestromen en toenemende instabiliteit, aldus de heer Staur.
Aansluitend had de delegatie een gesprek met mevrouw Norton en mevrouw Bijeljic, beiden
werkzaam bij het centrum voor IMVO van de OESO. Het gesprek ging voornamelijk over
de herziening van de Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD), waarover momenteel binnen de EU wordt onderhandeld. Vanuit de OESO werd
onder meer toegelicht dat de CSDDD in grote lijnen voortbouwt op de OESO-richtlijnen
voor IMVO, maar dat in de voorgestelde herziening de reikwijdte van gepaste zorgvuldigheid
wordt beperkt tot directe zakenrelaties (tier 1). Daarbij werd opgemerkt dat ernstige
risico’s, zoals dwangarbeid, zich vaak verderop in de toeleveringsketen voordoen,
waardoor dergelijke risico’s mogelijk minder goed in beeld komen. Ook werd besproken
dat een dergelijke beperking kan leiden tot een meer reactieve, in plaats van proactieve
benadering van gepaste zorgvuldigheid. Verder wezen de sprekers op de lancering van
het «Inclusive Platform on Due Diligence Policy Cooperation» van de OESO. Dit platform heeft als doel internationale samenwerking en kennisuitwisseling
op het terrein van gepaste zorgvuldigheid te versterken, en biedt overheden, bedrijven
en maatschappelijke organisaties een structureel kader om ervaringen en best practices
en met elkaar te delen.
Tijdens de lunch sprak de delegatie met de heer Dahou, plaatsvervangend directeur
Global Relations and Cooperation. In het gesprek kwamen onder meer de toetreding van nieuwe landen tot de OESO, strategische
partnerschappen en het belang van veilige en verantwoorde toeleveringsketens van kritieke
grondstoffen aan bod.
Vervolgens sprak de delegatie met de heer Drummond, hoofd van de directie Handel.
Een belangrijke prioriteit van de OESO is het bevorderen van een gelijk speelveld
in de internationale handel. Door middel van onderzoek en beleidsevaluaties ondersteunt
de OESO landen bij de ontwikkeling van een open, eerlijk en duurzaam handelssysteem.
De werkzaamheden worden gestuurd door het Trade Committee, waarin hoge ambtenaren uit de lidstaten zitting hebben en die het mandaat en de
onderzoeksagenda bepaalt. Volgens Drummond hebben het toenemende protectionisme en
de oplegging van tariefmaatregelen duidelijke negatieve economische gevolgen. Op korte
termijn leiden ze tot verlies van banen en verstoringen in toeleveringsketens; op
langere termijn remmen ze investeringen en innovatie, met negatieve effecten op groei
en werkgelegenheid. Hij benadrukte dat de Verenigde Staten en China voor veel landen
de belangrijkste handelspartners zijn, en dat duurzame economische groei alleen mogelijk
is door sterke multilaterale samenwerking. In een context van toenemende geopolitieke
spanningen is samenwerking tussen gelijkgezinde landen dan ook belangrijker dan ooit.
Het werkbezoek werd afgesloten met een gesprek met mevrouw Gavornikova, hoofd van
de afdeling exportkredietverzekeringen (ekv). De OESO fungeert als het belangrijkste
multilaterale onderhandelingsforum waar afspraken over ekv en handelsgerelateerde
gebonden hulp worden gemaakt en de uitvoering daarvan wordt gemonitord. Deze afspraken,
vastgelegd in het Arrangement on Officially Supported Export Credits, zijn erop gericht een gelijk speelveld te behouden tussen aanbieders, het beperken
van marktverstorende overheidssteun en het bevorderen van transparantie tussen exportkredietverzekering
agentschappen. Daarnaast zijn er aanvullende aanbevelingen opgesteld om milieu, sociale
en mensenrechtenaspecten, evenals principes voor duurzame kredietverlening, structureel
mee te wegen bij het verstrekken van ekv. In het gesprek werd verder stilgestaan bij
de recente opgerichte MAnufacturing Groups and Industrial Corporation (MAGIC) database. Deze database bevat gegevens op bedrijfsniveau over de grootste
ondernemingen in 14 belangrijke industriesectoren en biedt daarmee waardevolle informatie
over de mate en typen van overheidssteun die bedrijven ontvangen, waaronder subsidies
en belastingvoordelen.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Prenger, griffier