Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden : Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden
36 800 XIV Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (XIV) en het Diergezondheidsfonds (F) voor het jaar 2026
Nr. 8
VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 20 november 2025
De vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, belast met
het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te
brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.
De vragen zijn op 2 oktober 2025 voorgelegd aan de Minister en de Staatssecretaris
van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Bij brief van 13 november 2025
zijn ze door de Minister en de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid
en Natuur beantwoord.
Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van
het wetsvoorstel voldoende voorbereid.
De fungerend voorzitter van de commissie, Podt
De griffier van de commissie, Van den Brule-Holtjer
Vragen en antwoorden
1
Hoeveel mensen zijn er werkzaam in de landbouw en welk aandeel hieruit bestaat uit
arbeidsmigranten?
Er werken structureel ongeveer 300.000 arbeidskrachten in de landbouwsector, in de
zomermaanden neemt het aantal sterk toe vanwege seizoenswerk. De statistieken over
het aantal arbeidsmigranten zijn onzeker en lopen erg uiteen. Volgens de migrantenmonitor
van het CBS waren er in 2023 ongeveer 25.740 mensen uit een andere EU-lidstaat werkzaam
in Nederland in de landbouw, bosbouw en visserij. Hierin worden arbeidsmigranten die
als werknemer via een uitzendbureau worden gedetacheerd niet meegenomen. Volgens een
studie uit 2023 van KBA Nijmegen in opdracht van ABU en NBBU werkten er 461.431 arbeidsmigranten
via een uitzendbureau waarvan 21% in de tuinbouw en 6% in de landbouw.
2
Hoe heeft het aandeel landbouw en veeteelt (in hectare) dat in bezit is van de tien
grootste landbouw- en veeteeltbedrijven (in omzet) zich de afgelopen twintig jaar
ontwikkeld?
In de statistiek worden de grootste land- en tuinbouwbedrijven weergegeven met een
standaard opbrengst (SO) van 3 miljoen euro of meer. Het aantal bedrijven in deze
klasse is in de periode van 2004 tot 2024 toegenomen van 260 tot 1.265. Het oppervlakte
cultuurgrond in gebruik bij deze bedrijven is gestegen van 14.301 ha naar 71.203 ha
in 2024 (CBS, 2025).
3
Gezien het feit dat eerder een maatregelenpakket voor het terugdringen van stikstof
werd aangekondigd dat tot en met 2035 21,3 miljard euro zou kosten, op welke manier
zijn dit maatregelenpakket en deze kosten terug te vinden in de Landbouw, Visserij,
Voedselzekerheid en Natuur (LVVN)-begroting?
Het kabinet heeft besloten tot een startpakket1 (voorjaar 2025) en een vervolgpakket (Prinsjesdag)2. Deze twee pakketten tellen samen op tot een bedrag van € 5,6 miljard. Zoals de Minister
van LVVN heeft aangegeven in de brief over het vervolgpakket gaat Nederland met deze
inzet nog niet volledig van het slot en is blijvende inzet nodig. In de begroting
is geen bedrag van € 21,3 miljard vrijgemaakt voor het terugdringen van stikstofuitstoot.
Eventuele vervolgbesluitvorming over additionele maatregelen en bijbehorende dekking
is aan een volgend kabinet.
4
Hoeveel hennen van legrassen kwamen er in 2022, 2023 en 2024 uit in Nederlandse broederijen?
Hoeveel van deze hennen werden als eendagskuiken geëxporteerd in deze periode? Kunt
u dit uitsplitsen naar land van bestemming? Hoeveel eendagshaantjes werden er in deze
periode op de broederij gedood?
In het registratiesysteem worden geen specifieke gegevens vastgelegd over hennen van
legrassen. Er zijn in 2022 ongeveer 180 miljoen eendagskuikens geëxporteerd, waarvan
ruim 169 miljoen naar lidstaten en 11 miljoen naar landen buiten de EU. Binnen de
EU zijn ruim 115 miljoen eendagskuikens verplaatst naar Duitsland, een kleine 20 miljoen
naar België en ruim 15 miljoen naar Polen. De grootste ontvangers buiten de EU zijn
Ghana en Ivoorkust. In 2023 zijn er ongeveer 178 miljoen eendagskuikens geëxporteerd,
waarvan ruim 168 miljoen naar lidstaten en een kleine 10 miljoen naar landen buiten
de EU. Binnen de EU zijn bijna 109 miljoen eendagskuikens verplaatst naar Duitsland,
ruim 24 miljoen naar Polen en bijna 16 miljoen naar België. De grootste ontvangers
buiten de EU zijn Ghana en Ivoorkust. In 2024 zijn er ongeveer 175 miljoen eendagskuikens
naar andere lidstaten verplaatst, waarvan bijna 163 miljoen naar lidstaten en bijna
12 miljoen naar landen buiten de EU. Binnen de EU zijn bijna 115 miljoen eendagskuikens
verplaatst naar Duitsland, ruim 18 miljoen naar Polen en 13 miljoen naar België. De
grootste ontvangers buiten de EU zijn Ghana en Oeganda. Het laatste cijfer dat bekend
is over het aantal eendagshaantjes dat gedood wordt op de broederij, komt uit het
rapport «Scenario’s voor het vraagstuk «het doden van eendagshaantjes van legrassen»»
en dateert uit 2018. In dat jaar ging het om 44 miljoen eendagshaantjes. De stuurgroep
eendagshaantjes werkt middels de roadmap «Uitfaseren van het doden van eendagshaantjes
van legrassen» aan het verminderen van het aantal eendagshaantjes. Onderdeel van deze
aanpak is monitoring zodat de komende jaren een actuele stand kan worden gemeld.
5
Hoeveel leghennen werden in 2023 en 2024 gehouden in koloniekooisystemen of verandasystemen?
Om hoeveel bedrijven ging dit?
In 2023 werden 4,3 miljoen hennen op een legpluimveebedrijf met de houderijvorm kolonie
gehouden op 42 bedrijven en in 2024 waren dit 4,3 miljoen hennen op 39 bedrijven.
Aanvullende gegevens zoals verandasystemen worden niet geregistreerd.
6
Hoeveel vleeskuikenouderdieren werden in 2023 en 2024 gehouden in verandasystemen?
Om hoeveel bedrijven ging dit?
Aanvullende gegevens voor marktconcepten zoals verandasystemen worden niet geregistreerd.
7
Hoeveel vleeskuikens werden in 2023 en 2024 gehouden in patiosystemen? Om hoeveel
bedrijven ging dit?
Aanvullende gegevens voor marktconcepten zoals patiosystemen worden niet geregistreerd.
8
Hoeveel broederijen zijn er in Nederland geregistreerd? Hoeveel hiervan hebben voorzieningen
voor early feeding (voorzien van water en voer aan kuikens op de broederij)?
Op dit moment staan 47 Nederlandse broederijen geregistreerd. Aanvullende gegevens
zoals voorzieningen voor early feeding worden niet geregistreerd
9
Wat is op dit moment het handhaafbeleid van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit
(NVWA) voor early feeding? Wordt hierin onderscheid gemaakt tussen kuikens van leg-
en vleesrassen? Hoeveel inspecties hebben er plaatsgevonden in 2023 en 2024, en hoeveel
overtredingen zijn daarbij geconstateerd? Welke sancties zijn hiervoor opgelegd?
Het handhavingsbeleid van de NVWA met betrekking tot voer- en waterverstrekking bij
broederijen van vleeskuikens is vooralsnog ongewijzigd sinds de uitspraak van het
CBb in februari 2025, waarin de handhavingsmethodiek is bevestigd. Ten behoeve van
voer- en waterverstrekking bij broederijen aan legkipkuikens loopt momenteel nog een
wetenschappelijk onderzoek. De NVWA wacht de uitkomsten van dit onderzoek af. In 2023
hebben 2 inspecties plaatsgevonden bij broederijen. Daarbij zijn geen overtredingen
aangetroffen. In 2024 hebben geen inspecties bij broederijen plaatsgevonden.
10
Wat is de gemiddelde bezetting (aantal dieren per vierkante meter) op niet-biologische
leghenbedrijven in Nederland?
Deze gegevens worden niet geregistreerd.
11
Wat is de gemiddelde bezetting (aantal dieren per vierkante meter) op niet-biologische
vleeskuikenouderdierbedrijven in Nederland?
Deze gegevens worden niet geregistreerd.
12
Wat is de gemiddelde bezetting (aantal dieren per vierkante meter) op niet-biologische
opfoklegbedrijven in Nederland?
Deze gegevens worden niet geregistreerd.
13
Wat is de gemiddelde bezetting (aantal dieren per vierkante meter en kilogram per
vierkante meter) op niet-biologische vleeskuikenbedrijven in Nederland? Kan hierin
onderscheid worden gemaakt tussen bedrijven met reguliere en trager groeiende vleeskuikens?
Deze gegevens worden niet geregistreerd.
14
Wat was in 2023 en 2024 het aantal kalveren, uitgesplitst per land van herkomst, dat
een transport van meer dan acht uur heeft ondergaan voordat ze in Nederland aankwamen?
Hoe lang duurde het langste transport?
In 2023 zijn er in totaal 798.011 kalveren in de leeftijd tot 1 jaar oud geïmporteerd.
In 2024 gaat het om 749.549 geïmporteerde kalveren in de leeftijd tot 1 jaar. In onderstaande
tabel staan aantallen weergegeven per land van herkomst. Er worden geen gegevens met
betrekking tot transportduur geregistreerd.
Import kalveren in de leeftijd tot 1 jaar met LAND VAN HERKOMST
2023
2024
BELGIË
47.209
51.878
DENEMARKEN
47.270
43.312
DUITSLAND
542.007
543.528
ESTLAND
3.894
280
FRANKRIJK
16.695
9.017
IERLAND
107.540
78.843
ITALIË
1
2
LETLAND
7.701
1.399
LITOUWEN
2.056
0
LUXEMBURG
21.966
20.545
OOSTENRIJK
3
1
PORTUGAL
0
3
ROEMENIË
0
46
POLEN
177
0
SLOWAKIJE
149
0
SPANJE
45
0
TSJECHIË
1.292
692
ZWEDEN
1
2
ZWITSERLAND
5
1
15
Wat was in 2023 en 2024 het aantal kalveren dat een transport langer dan acht uur
heeft ondergaan, uitgesplitst per land van bestemming, voordat ze vanuit Nederland
op de plaats van bestemming aankwamen? Hoe lang duurde het langste transport?
In 2023 zijn in totaal 227.143 kalveren in de leeftijd tot 1 jaar geëxporteerd. In
2024 gaat het om 237.590 geëxporteerde kalveren in de leeftijd tot 1 jaar. Er worden
geen gegevens met betrekking tot transportduur, land van bestemming en met welk doel
runderen worden geëxporteerd geregistreerd.
16
Hoeveel exporten over de weg zijn in 2023 en 2024 gecertificeerd? Kunt u dit uitsplitsen
per diercategorie? Hoeveel van deze transporten vonden plaats in de maanden april
tot en met september? Kunt u dit uitsplitsen per diercategorie?
In de tabel staat per diercategorie vermeld hoeveel transporten over de weg gecertificeerd
zijn voor het jaar 2023 en 2024. De laatste 2 kolommen betreffen het aantal transporten
per diercategorie in de maanden april tot en met september voor het jaar 2023 en 2024.
Diercategorie
2023
2024
2023 (apr t/m sep)
2024 (apr t/m sep)
Bijen/bestuivers
876
757
506
397
Biologische bestrijders
165
204
92
116
In gevangenschap gehouden vogels
469
470
233
177
Rundachtigen
3.461
3.492
1.838
1.864
Schapen/geiten
476
286
260
121
Paard
12.188
13.005
6.082
6.796
Overige dieren
10
6
5
3
Overige zoogdieren (honden, katten, primaten, roofdieren)
288
230
141
124
Varkens
16.248
15.746
8.248
7.710
Pluimvee
9.632
9.328
5.220
5.030
Reptielen
10
9
5
6
Vissen
165
133
61
87
Totaal
43.988
43.666
22.691
22.431
17
Hoeveel exporten zijn in 2023 en 2024 niet gecertificeerd in verband met te hoge verwachte
temperaturen onderweg (30 graden of meer)? Kunt u dit uitsplitsen per diercategorie?
In 2023 zijn er voor zover bekend ongeveer 15 aanvragen voor exportcertificering van
diertransporten langer dan 8 uur afgewezen in verband met te hoge verwachte temperaturen
onderweg. Dit betrof enkel transporten van varkens. In 2024 zijn voor zover bekend
ongeveer 26 aanvragen voor exportcertificering van diertransporten langer dan 8 uur
afgewezen in verband met te hoge verwachte temperaturen onderweg. Dit betrof 24 transporten
van varkens en 2 transporten van runderen.
18
Bij hoeveel van de gecertificeerde exporten is achteraf data aangeleverd om het temperatuursverloop
tijdens de reis te monitoren? Kunt u dit uitsplitsen per diercategorie? In hoeveel
gevallen oversteeg de temperatuur tijdens de reis de toegestane 35 graden? Welke sancties
zijn hierbij opgelegd? Kunt u dit uitsplitsen per diercategorie?
In 2023 werden er van 1.040 transporten die langer dan 8 uur duurden gegevens aangeleverd
voor het monitoren van het temperatuursverloop tijdens de reis. 76% daarvan betrof
transport van varkens. 23% betrof transport van runderen en 1% betrof transport van
overige dieren (transporten van paarden, schapen en geiten). Bij 20 transporten van
varkens en 5 transporten van runderen was de geregistreerde temperatuur in het vervoermiddel
op enig moment tijdens de reis hoger dan 35 graden Celsius. Er werd drie keer een
bestuurlijke boete opgelegd. Er werd zes keer een notificatie gestuurd naar de bevoegde
autoriteit van de lidstaat die de vervoersvergunning heeft afgegeven. In 16 gevallen
is geen sanctie opgelegd, omdat sprake was van een overschrijding van zeer korte duur
of omdat de temperatuuroverschrijding plaatsvond tijdens het laden/lossen. Op het
moment van laden/lossen kon niet worden vastgesteld of dieren vervoerd werden, waardoor
een overtreding niet kon worden bewezen.
In 2024 werden er van 828 transporten die langer dan 8 uur duurden gegevens aangeleverd
voor het monitoren van het temperatuursverloop tijdens de reis. 72% betrof transport
van varkens. 18% betrof transport van runderen en minder dan 1% betrof transport van
overige dieren (transporten van schapen en geiten). Bij 29 transporten van varkens
was de geregistreerde temperatuur in het vervoermiddel op enig moment tijdens de reis
hoger dan 35 graden Celsius. Er werd 2 keer een bestuurlijke boete opgelegd. Er werd
2 keer een notificatie gestuurd naar de bevoegde autoriteit van de lidstaat die de
vervoersvergunning heeft afgegeven. In 24 gevallen is geen sanctie opgelegd, omdat
sprake was van een overschrijding van zeer korte duur of omdat een sensor defect bleek.
19
Hoeveel overtredingen op de 35-graden beleidsregel voor transport op Nederlands grondgebied
zijn in 2023 en 2024 geconstateerd? Welke sancties zijn hierbij opgelegd? Kunt u dit
uitsplitsen per diercategorie?
Zowel tijdens transport van dieren op Nederlands grondgebied en na aanvoer van dieren
in slachthuizen zijn in 2023 en 2024 geen overtredingen geconstateerd op de 35-graden
beleidsregel.
20
Beperkt het beleid tegen het fokken de handel in dieren met schadelijke uiterlijke
kenmerken zich in 2026 tot een houd- en vertoningsverbod, of wordt er tevens geïnvesteerd
in de verdere ontwikkeling en intensivering van de handhaving op andere schadelijke
erfelijke kenmerken?
Het houdverbod (en daarmee ook handelsverbod) voor katten met vouworen en naaktkatten zal op 1 januari
2026 in werking treden. Op basis van de risico-inventarisatie van Bureau Risicobeoordeling
en Onderzoek (Buro) zal in 2026 worden bepaald of dit houdverbod kan en moet worden
uitgebreid met andere kenmerken. Dit zal dan gaan om kenmerken waarvan is vastgesteld
dat ieder individueel dier met het kenmerk altijd lijdt.
In 2026 wordt ook verder gewerkt aan een verbod op deelname aan wedstrijden, tentoonstellingen en keuringen voor dieren met schadelijke uiterlijke kenmerken. De resultaten van het onderzoek
van Buro zullen onder andere worden gebruikt om te bepalen voor welke kenmerken dit
verbod gaat gelden. Zoals aangegeven in de verzamelbrief welzijn dieren buiten de
veehouderij3 – algemeen van 3 juli 2025, voert de Staatssecretaris van LVVN daarnaast gesprekken
met de reclamesector over zelfregulering ten aanzien van reclame-uitingen met dieren met schadelijke uiterlijke kenmerken.
Het is al verboden om te fokken met dieren met schadelijke erfelijke kenmerken. In 2026 zal verder worden geïnvesteerd
in ontwikkeling van beleid ten aanzien van schadelijke erfelijke kenmerken. Het is
echter niet doenlijk om voor alle kenmerken en ziektes een beleidsregel op te stellen
zoals voor kortsnuitige honden is gedaan. Daarom is het Expertisecentrum Genetica
Diergeneeskunde gevraagd om een voorstel te maken voor een systeem waarin wordt geborgd
dat er met een gezonde hond is gefokt. Er draait momenteel een pilot, waarvan de resultaten
naar verwachting begin 2026 met de Kamer gedeeld kunnen worden.
21
Hoe kijkt u naar een mogelijke uitbreiding van de identificatie- en registratieplicht
naar álle huisdieren en welke visie hanteert u ten aanzien van een integrale en toekomstbestendige
aanpak van dit vraagstuk?
Op dit moment werken we aan de identificatie- en registratieplicht (I&R) voor katten.
Hiermee lopen we voorop op de verwachting dat honden, katten en fretten in de toekomst
vanuit Europese regelgeving ook I&R-plichtig gaan worden. Het uitbreiden van I&R naar
álle huisdieren zou zeer kostbaar zijn, veel regeldruk opleveren, moeilijk te handhaven
zijn en geringe voordelen opleveren voor het welzijn en gezondheid van dier en mens.
Hierom zijn er geen plannen om dit uit te voeren.
22
Bent u bekend met de impactanalyse van Wageningen Social & Economic Research (WECR)
en agriconneting en food waaruit blijkt dat tussen de 4,4 en 5 miljard euro nodig
is voor eenmalige investeringen voor de uitvoering van de maatregelen die zijn opgenomen
in de conceptplannen van aanpak van de sectoren op het gebied van dierwaardigheid?
Hoeveel van deze middelen zijn terug te zien op de begroting?
Het kabinet is bekend met de economische impactanalyse over de financiële gevolgen
van voorgenomen regels in de ontwerp algemene maatregel van bestuur dierwaardige veehouderij.
Uit deze analyse blijkt dat de voorgestelde maatregelen aanzienlijke financiële impact
kunnen hebben. Deze impactanalyse is daarom bij de uitwerking van zowel het convenant
als de AMvB nadrukkelijk betrokken onder meer door een goed verdienmodel als belangrijke
randvoorwaarde op te nemen. Er zijn geen middelen voor opgenomen in de LVVN begroting.
23
Wat is het totale geraamde bedrag in 2026 voor natuurherstel op de Noordzee, Waddenzee
en de Grote Wateren per onderdeel?
Er worden in 2026 middelen ingezet voor de ondersteuning van het Natuurbeleid op de
Noordzee: 934.000 euro. Voor het programma Natuurversterking Noordzee is het geraamde
bedrag voor 2026 29 miljoen euro. Voor natuur en biodiversiteit Grote wateren (inclusief
Waddenzee) is dat 7 miljoen euro.
24
Welke beleidsinstrumenten (subsidies, opdrachten, bijdragen aan (zelfstandig bestuursorgaan
(ZBO’s)/Rechtspersoon met wettelijke taak (RWT’s)), mede-financiering) worden ingezet
voor natuurherstel?
De middelen voor natuurherstel zijn geraamd op artikel 22 van de Ontwerpbegroting
LVVN 2026. Deze middelen staan onder de subsidies, opdrachten en onder bijdragen aan
mede-overheden.
25
Welke uitgaven uit het Diergezondheidsfonds (F) hebben een relatie met natuurherstel
voor de Noordzee, Waddenzee en de Grote Wateren?
Vanuit het Diergezondheidsfonds worden geen uitgaven gedaan die een relatie hebben
met natuurherstel voor de Noordzee, Waddenzee en de Grote Wateren.
26
Welk bedrag van het totaal geraamde bedrag voor natuurherstel is juridisch verplicht
in 2026? Welk deel is beleidsmatig gereserveerd en welk deel niet-verplicht?
De geraamde middelen voor natuurherstel zijn opgenomen op artikel 22 van de Ontwerpbegroting
van LVVN. Op dit artikel is circa € 181 miljoen geraamd direct voor natuurherstel,
zowel op land als in de grote wateren. Hiervan is het volledige bedrag juridisch verplicht,
bestuurlijk gebonden of beleidsmatig gereserveerd. Dit is in onderstaande tabel weergegeven.
Middelen voor natuurherstel op land en in de grote wateren (bedragen x € 1.000)
Status middelen
Percentage
Bedrag
Juridisch verplicht
77,8%
€ 140.764
Bestuurlijk gebonden
21,6%
€ 39.011
Beleidsmatig gereserveerd
0,6%
€ 1.197
Nog niet ingevuld
0%
€ 0
Totaal
100%
€ 180.972
27
Kunt u een uitsplitsing geven van de bedragen waar het gaat om de volgende deelgebieden:
Noordzee, Waddenzee, Grote Wateren (IJsselmeergebied/Markermeer/Delta-/Rijn-Maas-gebied)
en rivieren?
Ja. Voor de middelen van de Noordzee wordt u verwezen naar de beantwoording van vraag
23. Voor de Waddenzee is 1,1 miljoen euro beschikbaar en voor de Grote Wateren 5,9
miljoen euro.
28
Kunt u per doeltypen natuurherstel (bijvoorbeeld herstel onderwaternatuur, oester-/mosselbanken,
vismigratie, zoet-zoutovergangen, rietmoeras, uiterwaarden, oeverherstel) aangeven hoe deze worden gefinancierd?
Voor de Grote Wateren (incl. Waddenzee) zijn er verschillende programma’s en financieringsbronnen
die bijdragen aan natuurherstel. Het gaat dan om onder meer programma's zoals de Programmatische
Aanpak Grote Wateren, de Natura 2000-beheerplannen, het Programma Natuur en het programma
Ruimte voor Rivieren.
Maatregelen vanuit het programma Natuurversterking Noordzee worden gefinancierd uit
de begroting Natuurversterking Noordzee op basis van directe opdrachten en aanbestedingen
en een te ontwikkelen subsidieregeling. Voor de Noordzee richt het programma Natuurversterking
zich op:
– vogelprojecten gericht op de staat van instandhouding te verbeteren van zeevogels,
in het bijzonder de kritische zeevogels in relatie tot de wind op zee opgave, in en
rond de Noordzee;
– het bodemleven om de algehele biodiversiteit te verhogen en habitats te regenereren
die functioneren als vestigingsgebied, foerageergebied, voortplantings- en opgroeigebied
voor rifgeassocieerde en rifbezoekende soorten;
– vispopulaties die een belangrijke rol spelen in de voedselketen zoals ansjovis, haring,
spiering, sprot, zandspiering en de Noorse zandspiering. Ook is er aandacht voor kwetsbare
en beschermde vissoorten, zoals trekvissen, haaien en roggen.
29
Welke rechtspersonen ontvangen in 2026 middelen voor natuurherstel in de Noordzee,
Waddenzee, de Grote Wateren en de rivieren? Kunt u per ontvanger aangeven de naam
en type (niet-gouvernementele organisatie (NGO)/maatschappelijke organisatie/kennisinstelling/bedrijf),
Kamer van Koophandel (KvK)-/Rechtspersonen en Samenwerkingsverbanden Informatienummer
(RSIN), project of regeling, deelgebied en natuurdoel, toegekend bedrag 2026 en meerjarig
kas-/verplichtingenpad, juridische basis (EU of nationaal), bronartikel en instrument?
Kunt u deze lijst aanleveren in een open, doorzoekbaar formaat (CSV of XLSX)? Welke
top tien NGO’s ontvangen in 2026 gezamenlijk het grootste bedrag, met per NGO het
bedrag en het percentage van het totaal?
Hieronder vindt uw Kamer een overzicht met de verwachte betalingen vanaf de LVVN-begroting
per organisatie voor natuurherstel in de Noordzee, Waddenzee, de Grote Wateren en
de rivieren. Dit overzicht is een momentopname op basis van vastgelegde juridische
verplichtingen per 10 oktober 2025. De uitgaven op de LVVN-begroting in 2026 worden
verantwoord in het Jaarverslag van LVVN 2026. In dit overzicht zijn ook de verwachte
meerjarige betalingen aangegeven, evenals het type organisatie. De overige gegevens
die uw Kamer vraagt, zijn niet voorhanden. In veel gevallen kunt u de gevraagde informatie
vinden in de jaarverslagen van de betreffende organisatie of opvragen via de Kamer
van Koophandel.
Begrotingsjaren
Naam organisatie
2026
2027
2028
2029
Type organisatie
Staatsbosbeheer
2.708.863
2.475.000
2.486.800
ZBO
Stichting Natuur en Milieu
1.460.000
1.460.000
NGO
Rijksuniversiteit Groningen
800.000
Onderwijsinstituut
Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Vogels
788.646
864.600
1.729.200
NGO
Rijkswaterstaat
144.822
144.822
144.822
144.822
Agentschap
Ebbing Tides
127.510
Bedrijf
Stichting Zilte Zones
125.000
NGO
Stichting Ecoshape, Building with Nature
119.427
NGO
Norddeutsche Landesbank
113.860
113.860
Bank
Stichting Waddenacademie
94.592
NGO
Provincie Groningen
62.000
Provincie
Seaward
60.485
Bedrijf
Mariene Informatie Service «Maris»
60.379
Bedrijf
Altenburg & Wymenga Ecologisch Onderzoek
60.210
Bedrijf
Bureau Waardenburg
59.679
Bedrijf
Stichting Merk Fryslân
59.679
59.679
NGO
Forschungs- und Entwicklungszentrum
59.242
Bedrijf
Stichting Het PON & Telos
58.479
NGO
Nederlandse Elasmobranchen Vereniging.
48.400
NGO
Stichting Landschap Noord-Holland
44.008
NGO
Tethys: aquatic ecosystem advice
36.300
NGO
Voxx Content in Context
25.047
Bedrijf
Witteveen+Bos Raadgevende Ingenieurs
15.125
Bedrijf
Leene Communicatie
14.331
Bedrijf
Sovon Vogelonderzoek Nederland
11.958
360.031
NGO
YeYo – Innerlijk Kind
9.728
Bedrijf
Stichting Het Groninger Landschap
8.581
NGO
It Fryske Gea
7.688
123.123
NGO
HaskoningDHV Nederland
6.171
Bedrijf
Bureau voor ruimte & vrije tijd
5.627
Bedrijf
Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland
3.925
23.000
NGO
Agrarische Natuurvereniging «Waddenvogels»
0
10.980
NGO
Landelijke Vereniging tot Behoud van de Waddenzee
0
195.000
99.165
NGO
Stichting Deltares Delft
49.915
Stichting
Totaal
7.199.760
5.732.170
4.508.662
243.987
30
Kunt u per subsidie en/of regeling aangeven of er sprake is van openstelling met selectiecriteria,
of van (door)verdeling via convenanten of bestuursafspraken? Kunt u per subsidie en/of
regeling kort toelichten wat de procedure is en wat de datum van besluit of openstelling
is? Welke prestatie- en resultaatindicatoren gelden per project of regeling (bijvoorbeeld
hectares hersteld, kilometers oever, vispasseerbaarheid, biodiversiteitsindicatoren),
en hoe wordt monitoring en evaluatie ingericht en door wie? Welke eisen aan cofinanciering
of eigen bijdrage gelden voor NGO’s, uitgesplitst per regeling en met vermelding van
het gemiddeld percentage? Welke betalingsmijlpalen en terugvorderings- of claw-back-bepalingen
gelden indien resultaten niet worden gehaald?
In de Ontwerpbegroting 2026 van LVVN is in bijlage 3 het Subsidieoverzicht opgenomen
(pag. 99), met daarin alle subsidieregelingen en budgetten voor subsidies in 2026.
In de Staatscourant4 is alle informatie over de subsidieregelingen te vinden. Daarnaast is via RVO.nl5 meer informatie te vinden over openstellingen van subsidieregelingen, en een overzicht
van alle regelingen die momenteel open staan.
31
Wat is het meerjarig verplichtingen- en kaspad (2026–2030) voor de uitgaven aan NGO’s
per artikel en deelgebied? Welke lopende meerjarige verplichtingen (contracten of
beschikkingen) lopen door na 2026 en met welk bedrag? Welke nieuwe verplichtingen
worden in 2026 aangegaan specifiek voor de genoemde gebieden en wat is de beschikbare
ruimte op het verplichtingenbudget?
De begroting is opgesteld met als doel om de Tweede Kamer het gevraagde inzicht te
verschaffen. Het antwoord op uw vraag kan niet gegeven worden op het detailniveau
dat gevraagd wordt. In algemene zin kunnen verplichtingen na autorisatie van de begroting
doorlopend worden aangegaan. De budgetten voor 2026 zijn grotendeels verplicht en
de beschikbare ruimte op het verplichtingenbudget is beperkt. Voor artikel 21 is 3,3%
van het budget beleidsmatig gebonden en 0,0% vrij te besteden, voor artikel 22 is
1,2% van het budget beleidsmatig gebonden en 0,0% vrij te besteden. Meer gedetailleerde
informatie is te vinden in de jaarverslagen van de betreffende NGO’s en de nog op
te stellen jaarverslagen van LVVN.
32
In hoeverre worden dezelfde natuurhersteldoelen mede gedekt via andere begrotingen/fondsen
(bijvoorbeeld van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat voor de Kaderrichtlijn
Water (KRW)/Grote Wateren, regionaal via provincies/waterschappen, Deltafonds)?
De inzet vanuit andere begrotingen kunnen ook bijdragen aan de natuurherstelopgave
voor LVVN. Maar deze komen voort uit specifieke doelen en verantwoordelijkheden van
de andere ministeries, zoals verantwoordelijkheden voor de KRW en het beheer van Natura
2000-gebieden. LVVN heeft samen met IenW een gedeelde inzet via de Programmatische
Aanpak Grote Wateren (PAGW), gericht op systeemmaatregelen ten behoeve van ecologische
waterkwaliteit en natuur. De middelen voor de uitvoering van de PAGW komen van het
Deltafonds. Het budget dat voor de PAGW gereserveerd is op de begroting van LVVN is
voor de inzet van RVO en Staatsbosbeheer, dit overlapt niet met de inzet van het budget
uit het Deltafonds. Daarnaast wordt er in PAGW-projecten samengewerkt met provincies
en waterschappen. Hier wordt duidelijk onderscheid gemaakt tussen de inzet vanuit
de regio (voor binnendijkse natuur, recreatie, dijkversterking en pompen) en de inzet
van het Rijk (PAGW-doelbereik). Er zijn voor het programma Natuurversterking Noordzee
geen middelen beschikbaar via andere begrotingen of fondsen.
33
Hoe wordt dubbelfinanciering voorkomen bij projecten met meerdere geldstromen (van
het Ministerie van LVVN of provinciale middelen)?
Artikel 6 van het Kaderbesluit nationale EZK en LNV-subsidies vormt de grondslag om
ontoelaatbare cumulatie van steun niet toe te staan. Bij de aanvraag tot verlening
en de aanvraag tot vaststelling van een subsidie dient de subsidieontvanger aan te
geven of sprake is van andere financieringsbronnen.
Bij de beoordeling van subsidieaanvragen voor subsidieregelingen wordt standaard een
toets op cumulatie en dubbele financiering uitgevoerd. Zowel binnen de openstellingen
van het ministerie als bij provinciale openstellingen wordt gecontroleerd of voor
dezelfde activiteiten niet op meerdere plaatsen subsidie is aangevraagd. Aanvragen
worden daarbij onder meer vergeleken op relatienummer en de aard van de activiteiten.
Een aanvrager kan aan meerdere regelingen deelnemen, mits niet voor dezelfde activiteiten
subsidie wordt verstrekt.
Aanvullend geldt dat indien op basis van de subsidievoorwaarden een controleverklaring
bij de projectverantwoording gevoegd moet worden, een accountant op basis van het
controleprotocol van het ministerie bij de uitvoering van de controle vast dient te
stellen dat de subsidieontvanger opgave heeft gedaan van alle opbrengsten, waaronder
alle subsidies waarmee het programma/de activiteit waarop de subsidie betrekking heeft,
mede is gefinancierd.
34
Kunt u een gespecificeerde bijlage per NGO worden verstrekken, met per project: doeltype,
locatie (coördinaten of kaartblad), start- en einddatum, totaalbudget, LVVN-bijdrage
2026, EU-bijdrage, nationale cofinanciering, indicatoren en mijlpalen? Kunt u tevens
ervoor zorgen voor publicatie van alle toekenningen en beschikkingen over 2026 op
projectniveau, inclusief open data-bestanden?
De begroting is opgesteld met als doel om de Tweede Kamer het gevraagde inzicht te
verschaffen. Het antwoord op uw vraag kan niet gegeven worden op het detailniveau
dat gevraagd wordt. De gevraagde informatie is niet bekend in de administratie van
LVVN. Graag verwijs ik u door naar de jaarverslagen van de betreffende NGO’s.
35
Wordt er geld besteed aan het programma Natuurherstel Noordzee? Zo ja, hoeveel geld
gaat er naar dit programma per jaar?
Ja, voor deze maatregel is tot en met 2030 € 105,8 miljoen begroot op de LVVN-begroting.
De meerjarenbegroting ziet er als volgt uit:
2026: 29,0 miljoen euro.
2027: 29,8 miljoen euro.
2028: 29,9 miljoen euro.
2029: 18,8 miljoen euro.
2030: 13,8 miljoen euro.
36
Wordt er in de begroting LVVN 2026 geld uitgetrokken voor oesterherstelprojecten?
Zo ja, hoeveel geld gaat er naar dit programma per jaar?
Ja, op dit moment wordt een incidentele subsidie voor diverse partijen uitgewerkt
ter grootte van circa 18 miljoen euro voor diverse rifherstelprojecten, waarbij het
overgrote gedeelte gericht is op oesterherstel. Ook voor de langere termijn wordt
een substantieel deel van de begroting ingezet op rif- en oesterherstel. Dit wordt
op een later moment geconcretiseerd.
37
Wat houdt het project in waarbij twintig miljoen euro wordt geïnvesteerd in de leefgebieden
langs de Markermeerkust? Op welke specifieke soorten vogels en vissen richt het zich
en waarom zijn juist deze soorten belangrijk? Over welk deel van de kust en welke
omvang van het gebied hebben de maatregelen betrekking, welke concrete ingrepen worden
uitgevoerd, hoe verloopt de samenwerking met Rijk, provincie en gemeenten en welke
ecologische resultaten worden met deze investering verwacht te bereiken?
Het project Noord-Hollandse Markermeerkust is onderdeel van de Programmatische Aanpak
Grote Wateren (PAGW), dit is een gezamenlijk programma van het Ministerie van IenW
en het Ministerie van LVVN. Het budget is onderdeel van het Deltafonds. Het programma
richt zich niet op specifieke soorten, maar werkt op systeemniveau aan het toekomstbestendig
maken van de grote wateren, waarbij goede ecologische waterkwaliteit en hoogwaardige
natuur samengaat met een krachtige economie. In de streefbeelden PAGW is de ecologische
ambitie voor de grote wateren uitgewerkt. Dit project brengt het IJsselmeergebied
een stap dichter bij dit streefbeeld.
Het project heeft als doel om de robuustheid van het ecosysteem te versterken door
het verbeteren en creëren van leefgebieden voor vogels en vissen, dit levert een positieve
bijdrage aan het behalen van de instandhoudingsdoelen voor N2000 en de KRW-normen.
Het project bevindt zich in de verkenningsfase, waarin wordt onderzocht welke maatregelen
kansrijk zijn. Voordat het project verder gaat naar de planuitwerking worden de resultaten
van de verkenning ter inzage gelegd in een ontwerp voorkeursbeslissing.
In deze beslissing zijn vier locaties opgenomen, waarvan er één geldt als reservelocatie.
Dit zijn Kinselbaai, de Nes, Schardammer Kogen en Uiterdijk (reserve). Per locatie
worden maatregelen uitgewerkt. Het gaat om het verbinden van de voorlanden met het
Markermeer en het realiseren van leefgebieden, zoals helofytenmoeras, overstromingsgrasland
en ondiep water met ondergedoken waterplanten. Hierdoor ontstaat er leefgebied (circa
85 hectare) voor moerasvogels, paaigrond voor vissen en komen er natuurlijke nutriënten
in het Markermeer. Voor een meer gedetailleerde uitwerking kunt u de ontwerp voorkeursbeslissing,
die na de herfst wordt gepubliceerd, raadplegen. In de verkenningsfase is samengewerkt
met Rijkswaterstaat, RVO, Staatsbosbeheer, provincie Noord-Holland en Natuurmonumenten.
Dit is vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst. De regio en stakeholders zijn
middels werksessies, bijeenkomsten en individuele gesprekken betrokken bij de verkenningsfase.
Deze partijen en stakeholders worden ook betrokken bij de verdere uitwerking van de
maatregelen.
38
Wat is de jaarlijkse omzet van dierenartsen gericht op gezelschapsdieren?
Er zijn geen data beschikbaar op sectorniveau van de jaarlijkse omzet van dierenartsenzorg
voor gezelschapsdieren.
39
Hoeveel bedrijven beoogt u te laten stoppen met de brede beëindigingsregeling?
Het aantal veehouderijlocaties dat kan en wil deelnemen aan de Vrijwillige beëindigingsregeling
veehouderijlocaties (Vbr) is onder meer afhankelijk van de exacte vormgeving van de
regeling, waaronder de hoogte van het subsidiepercentage. Dit ligt pas vast na Europese
goedkeuring. De notificatie die hiervoor moet worden doorlopen moet nog starten. Aangezien
de Vbr een vrijwillige regeling betreft, spelen ook externe factoren mee die de deelname
beïnvloeden. Te denken valt bijvoorbeeld aan marktomstandigheden op het moment van
openstelling. Het is daarom te vroeg om nu al een inschatting te maken van het aantal
veehouderijlocaties dat zal kunnen deelnemen aan de Vbr.
40
Hoeveel stikstofreductie (of reductie van ammoniakemissie) wordt beoogd met de brede
beëindigingsregeling?
De stikstofreductie of ammoniakemissiereductie is afhankelijk van het aantal en type
veehouderijlocaties dat zal deelnemen aan de Vrijwillige beëindigingsregeling veehouderijlocaties.
De regeling is nog concept en dient nog bij de Europese Commissie te worden genotificeerd.
Gezien het vrijwillige karakter van de regeling en het feit dat belangrijke aspecten
zoals subsidiecategorieën en subsidiepercentages pas vastliggen na Europese goedkeuring
is geen inschatting te maken van de ammoniakemissiereductie van de Vbr.
41
Wat zijn de overwegingen om te kiezen voor een brede beëindigingsregeling?
De keuze voor een dergelijke regeling is in het hoofdlijnenakkoord vastgelegd. Tijdens
het uitwerken van de conceptregeling zijn er een aantal ontwikkelingen geweest die
mede invulling hebben gegeven aan de richting die de Vrijwillige beëindigingsregeling
veehouderijlocaties (Vbr) heeft gekregen. Belangrijk in dit verband is de uitspraak
in de bodemprocedure bij de rechtbank Den Haag aangaande stikstof tussen Greenpeace
en de Staat. Dit heeft er onder andere toe geleid dat de Minister van LVVN de Vbr
zoveel mogelijk richt op de gebieden met stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden.
Hieraan wordt invulling gegeven door het voornemen om veehouderijlocaties gelegen
binnen 1.000 meter van overbelaste Natura 2000-gebieden op basis van «wie het eerst
komt, wie het eerst maalt» met voorrang aanspraak te laten maken op subsidie op grond
van de Vbr. In het geval dat er budget resteert, wordt dat ingezet voor de veehouderijlocaties
die zijn gelegen buiten 1.000 meter van overbelaste Natura 2000-gebieden, waarbij
geldt dat de toekenning zal plaatsvinden middels een rangschikking op basis van het
aantal euro subsidie per kilogram ammoniakemissiereductie.
42
Waarom is niet gekozen voor een afgebakende regeling die is gericht op de meest kwetsbare
natuurgebieden, zoals de Veluwe en de Peel?
De Vrijwillige beëindigingsregeling veehouderijlocaties richt zich in eerste plaats
op veehouderijlocaties rond overbelaste Natura 2000-gebieden. Er is gekozen voor een
brede inzet van deze regeling, omdat het realiseren van natuurherstel in alle overbelaste
Natura 2000-gebieden van belang is. Dat is onder meer belangrijk om vergunningverlening
door heel Nederland weer mogelijk te maken. Een gerichte inzet op alleen de Veluwe
en de Peel geeft een onvolledige invulling aan dit doel. Dat neemt niet weg dat er
voor de Veluwe en de Peel een specifieke situatie is met een grote opgave. Het kabinet
heeft daarom 600 miljoen vrijgemaakt speciaal voor een regionale maatwerkaanpak in
deze gebieden, aanvullend op het generieke beleid.
43
Waarin verschilt de nieuwe beëindigingsregeling van de Landelijke beëindigingsregeling
veehouderijlocaties (Lbv) en de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties
met piekbelasting (Lbv-plus)?
De Vrijwillige beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Vbr) bouwt voort op de mal
van de Lbv en de Lbv-plus. De opzet van die regelingen is namelijk bekend bij ondernemers,
bedrijfsadviseurs, RVO en de Europese Commissie. Er zijn een aantal belangrijke verschillen,
zo zijn de Lbv regelingen gericht op de reductie van depositie van stikstof en richt
de Vbr zich op de reductie van (ammoniak)emissie. De Vbr kent verder een tweedeling.
Veehouderijlocaties die zijn gelegen binnen 1.000 meter rondom overbelaste Natura 2000-gebieden,
kunnen via «wie het eerst komt, wie het eerst maalt» met voorrang in aanmerking komen
voor subsidie op grond van de Vbr. Indien er budget resteert, zal dat worden ingezet
voor veehouderijlocaties buiten 1.000 meter rondom overbelaste Natura 2000-gebieden.
Daarbij geldt dat de toekenning zal plaatsvinden middels een rangschikking op basis
van het aantal euro subsidie per kilogram ammoniakemissiereductie. Dit verschilt met
de Lbv en Lbv-plus waarbij enkel veehouderijlocaties mochten deelnemen die boven de
drempelwaarde van stikstofneerslag op overbelast Natura 2000-gebieden uitkomen.
44
Verwacht u met de nieuwe beëindigingsregeling een andere groep ondernemers te bereiken
dan de groep die gebruik kon maken van de Lbv en Lbv-plus?
Deelnemers aan vrijwillige beëindigingsregelingen hebben individuele overwegingen
om deel te nemen. Deze overwegingen zijn zeer divers, maar zullen voor de deelnemers
van de Vrijwillige beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Vbr) niet anders zijn
dan voor de Lbv-regelingen. In dat opzicht spreekt de regeling geen andere doelgroep
aan. Wel is het zo dat de Vbr door andere criteria (o.a. afstandsgrens en rangschikking
op euro per kilo ammoniakemissie) een aanvullende groep ondernemers ten opzichte van
de Lbv-regelingen deel kan nemen aan de regeling.
45
Hoe draagt de nieuwe beëindigingsregeling bij aan de bescherming van de meest kwetsbare
Natura 2000-gebieden, zoals de Veluwe en de Peel?
Overbelasting met stikstof vormt een drukfactor op de bescherming van veel Natura
2000-gebieden, waaronder zeker ook de meest kwetsbare gebieden. De Vrijwillige beëindigingsregeling
veehouderijlocaties heeft tot doel om de ammoniakemissie te verminderen, waarmee de
regeling de druk op overbelaste Natura 2000-gebieden verlicht en natuurherstel bevordert.
De regeling doet dit door veehouderijlocaties die zijn gelegen binnen 1.000 meter
rondom overbelaste Natura 2000-gebieden, die in de regel bovenmatig veel bijdragen
aan overbelasting, met voorrang in aanmerking laten komen voor subsidie. Deelname
voor deze groep vindt plaats middels «first come, first served». Indien er middelen
resteren kunnen veehouderijlocaties buiten 1.000 meter van overbelaste Natura 2000-gebieden
deelnemen, waarbij een rangschikking op basis van kostenefficiëntie zal plaatsvinden
(aantal euro subsidie per kilogram ammoniakemissie). Hiermee worden ammoniakemissies
in heel Nederland op een zo doeltreffend mogelijke manier verminderd.
46
Gaat u met de 2,6 miljard euro die aan de begroting is toegevoegd beginnen met maatregelen
rondom de meest kwetsbare natuurgebieden, zoals De Veluwe en De Peel, zoals de rechter
heeft gezegd?
Op Prinsjesdag heeft het kabinet onder andere aangekondigd € 2,6 miljard incidenteel
en € 287,5 miljoen structureel vrij te maken voor maatregelen gericht op reductie
van stikstofemissies en op natuurherstel. Dit komt bovenop de reeds beschikbare middelen
die met het startpakket beschikbaar zijn gekomen, waaronder de € 600 miljoen voor
de Veluwe en de Peel. Met deze middelen realiseert het kabinet onder andere een aanpak
gericht op specifieke gebieden (onder andere de Veluwe en de Peel). Met de aanpak
worden maatregelen getroffen om te werken aan geborgd natuurherstel en stikstofreductie.
Deze maatregelen worden gericht ingezet. Zo geldt bijvoorbeeld voor de vrijwillige
beëindigingsregeling dat de Minister van LVVN beoogt om veehouderijlocaties die gelegen
zijn binnen 1.000 meter rondom de overbelaste Natura 2000-gebieden met voorrang in
aanmerking te laten komen voor een subsidie. De middelen die met Prinsjesdag zijn
aangekondigd staan op artikel 51 van de LVVN begroting. Momenteel vindt verfijning
en uitwerking plaats. Vervolgens zullen middelen via budgettaire besluitvormingsmomenten
nader worden verdeeld en worden overgeheveld naar de specifieke beleidsartikelen.
47
Gaat u doelsturing ook gebiedsgericht uitrollen, gegeven het feit dat in sommige gebieden
meer nodig is dan de generieke reductiedoelstelling die zij in haar startpakket heeft
gepresenteerd?
Om Nederland van het slot te krijgen, is in sommige gebieden aanvullend op de generieke
emissiereductie meer nodig. Op dit moment wordt doelsturing in de vorm van generieke
emissienormen voor stikstof en klimaat uitgewerkt. Er worden daarnaast verschillende
opties voor gebiedsgerichte normering met het oog op aanvullende emissiereductie onderzocht.
Daaronder valt bijvoorbeeld een lokale aanscherping van de landelijke bedrijfsnorm,
of een aanvullende norm die stuurt op extensivering. Hierbij wordt meegewogen dat
zo’n aanvullende of aangescherpte gebiedsgerichte norm haalbaar moet zijn voor ondernemers,
en wordt bekeken op welke manier dit kan worden ondersteund met faciliterend beleid.
Met de verdere uitwerking van het gebiedsgerichte beleid wordt bekeken hoe doelsturing
gebiedsgericht kan worden ingezet. Daarbij is het uitgangspunt dat de generieke doelsturing
en een gebiedsgerichte vorm van normering bij elkaar aansluiten, zodat dit leidt tot
een uitvoerbaar en doenbaar geheel. Deze uitwerking is aan een volgend kabinet.
Op dit moment zijn sommige provincies ook al zelf aan de slag met de uitwerking van
gebiedsgerichte doelsturing, zoals provincie Gelderland. Over de aansluiting met generieke
doelsturing zijn en blijven wij in gesprek.
48
Hoe gaat u de beschikbare 2,6 miljard euro precies uitgeven?
Op Prinsjesdag heeft het kabinet onder andere aangekondigd incidenteel € 2,6 miljard
vrij te maken voor de reductie van stikstofemissies en voor natuurherstel. Deze middelen
zijn geplaatst op artikel 51 van de begroting van LVVN, nog onverdeeld. Momenteel
vindt een nadere uitwerking en concretisering van de maatregelen plaats, voordat de
middelen naar een ander begrotingsartikel worden overgeheveld. In de brief van 16 september
jl. is een tabel opgenomen met een richtinggevende verdeling op de onderdelen: vrijwillige
beëindiging, natuurherstel, innovatie en een gebiedsgerichte aanpak.
49
Wat zijn de meest effectieve maatregelen die u kan nemen om met de beschikbare 2,6
miljard euro maximale stikstofemissiereductie in de buurt van kwetsbare natuurgebieden,
zoals de Veluwe en de Peel, te bereiken?
Voor een maximaal effectief pakket om de stikstofuitstoot te reduceren, dient er sprake
te zijn van een samenhangend pakket. Verschillende maatregelen kunnen immers met elkaar
interacteren. Bij de verdere uitwerking van maatregelen is oog voor deze samenhang.
Eén van de aspecten waar nadrukkelijk aandacht voor is, is het maximeren van de effectiviteit
van het pakket, evenals de haalbaarheid en sociaaleconomische effecten van de maatregelen.
50
Gaat de Minister zorgen dat de aanvullende middelen voor agrarische natuurbeheer ten
goede komt aan gebieden rondom kwetsbare Natura 2000-gebieden zodat de staat van deze
natuurgebieden daarmee ook verbetert?
Ja, inzet in en rond stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden is onderdeel van de prioriteiten
voor inzet van de middelen uit het startpakket voor Agrarisch natuurbeheer. In de
Kamerbrief Uitwerking contouren agrarisch natuurbeheer6 heeft het kabinet aangegeven hoe de extra middelen voor agrarisch natuurbeheer worden
ingezet. Met € 200 miljoen per jaar is het niet mogelijk om via het ANB met resultaat
aan alle doelen en in alle gebieden te werken. Deze structurele middelen zijn wel
een belangrijke eerste stap richting het uitbreiden van het ANB, vooral het ANLb.
Daarnaast geeft het startpakket mij de mogelijkheid om de instrumenten in het Agrarisch
Natuurbeheer te versterken, vergoedingen te actualiseren, het ANLb te verbeteren en
nieuwe instrumenten te ontwikkelen. Daardoor kunnen boeren die deelnemen aan ANB optimaal
bijdragen aan de doelen in gebieden. Het kabinet is voornemens om de extra middelen
uit het Startpakket met prioriteit in te zetten in leefgebieden voor de grutto, en
in gebieden rond stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden.
51
Hoe gaat u met de middelen voor agrarisch natuurbeheer zorgen dat agrariërs langdurige
zekerheid krijgen over financiering van agrarisch natuurbeheer en een hogere conforme
vergoeding krijgen zodat meer agrariërs gaan deelnemen?
Het bieden van langjarige zekerheid is onderdeel van de ambities voor uitbreiding
van het agrarisch natuurbeheer. Om contracten te kunnen bieden die langere zekerheid
bieden dan de huidige 6 jaar moeten er juridische en financiële vraagstukken worden
opgelost. De middelen in het startpakket worden ook ingezet om actuele vergoedingen
te kunnen bieden. De tarieven zijn recent geactualiseerd. Hiertoe heeft LVVN het gemiddelde
tarief per hectare reeds verhoogd, zodat dekking beschikbaar is. De gemiddelde hectarevergoeding
zal periodiek worden herzien op basis van data over o.a. gederfde inkomsten. De volgende
actualisatie wordt verwacht in 2028.
52
Hoeveel kilogram glyfosaat wordt er jaarlijks in Nederland gebruikt? Kan dit worden
uitgesplitst per type teelt?
Er zijn geen actuele data beschikbaar over het (jaarlijkse) gebruik van glyfosaat
in specifieke teelten. De WUR heeft hier in opdracht van het Ministerie van LVVN in
2024 onderzoek naar gedaan, waarover de Kamer eind 2024 is geïnformeerd7. In deze rapportage8 treft u gegevens aan over gebruik van glyfosaat uitgesplitst per teelt over de jaren
2020–2022. Het CBS zal in 2026 nieuwe gegevens publiceren over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen,
waaronder glyfosaat.
53
Wat is de onderuitputting op de begroting LVVN 2026? Op welke beleidsartikelen?
Onderuitputting kan zich voordoen gedurende de uitvoering van de begroting. Aangezien
de uitvoering van de begroting 2026 nog niet gestart is, is er op dit moment geen
onderuitputting op de LVVN-begroting 2026.
54
Zijn de doelstellingen per beleidsartikel concreet en meetbaar, zodat de Kamer volgend
jaar kan toetsen of ze zijn gehaald?
De doelstellingen per beleidsartikel zijn doorlopend in ontwikkeling, waarbij het
streven is dat ze zo specifiek, meetbaar, realistisch en tijdgebonden als mogelijk
worden. Hiermee wordt opvolging gegeven aan conclusies uit verschillende beleidsdoorlichtingen,
periodieke rapportages en conclusies van de Algemene Rekenkamer. Zo heeft de Minister
van LVVN op basis van de in 2025 afgeronde periodieke rapportage van het kennis- en
innovatiebeleid een actualisatieslag gemaakt op de structuur van het begrotingsartikel
23, de beleidstheorie en de evaluatieprogrammering op dit thema. Dat kunt u teruglezen
in de begroting onder thema 4 van de Strategische Evaluatie Agenda (SEA). Momenteel
wordt een periodieke rapportage van het land- en tuinbouw beleid (begrotingsartikel 21)
uitgevoerd. Het is voorstelbaar dat de conclusies daaruit ook richting kunnen geven
aan de herziening van de doelen in de begroting.
55
Hoe wordt het structurele tekort gedekt en is dat houdbaar op langere termijn gezien
het feit dat de totale uitgaven 4,26 miljard euro bedragen, terwijl de ontvangsten
slechts 104 miljoen euro zijn?
De Rijksbegroting heeft een inkomstenkant en een uitgavenkant. De inkomsten, met name
belastingen, dekken grotendeels de uitgaven. De begroting van LVVN behoort tot de
uitgavenkant, en wordt dus – afgezien van enkele niet-belastingontvangsten – indirect
door belastingen bekostigd. De LVVN-begroting kan daardoor veel meer uitgaven dan
inkomsten bevatten. In de Macro Economische Verkenning van het CPB wordt de houdbaarheid
van de overheidsfinanciën op de middellange termijn toegelicht.
56
Hoeveel van dit budget gaat naar verduurzaming en transitie (kringlooplandbouw, stikstofreductie,
klimaatdoelen) en hoeveel blijft beschikbaar voor traditionele landbouwsubsidies?
In de ontwerpbegroting LVVN 2026 is op artikel 21 € 1,44 miljard gereserveerd voor
subsidies voor landbouw. In 2026 is er vanuit het GLB € 338 miljoen beschikbaar voor
traditionele landbouwsubsidies. In 2026 is het overige subsidiebudget op artikel 21,
€ 1,1 miljard bedoeld door verduurzaming en transitie. Voorbeeld hiervan is een stimuleringssubsidie
voor verduurzaming van landbouwwerktuigen.
57
Hoe wordt voorkomen dat subsidies alleen bij grote bedrijven terechtkomen in plaats
dat ook kleinschalige boeren hier gebruik van kunnen maken?
Er wordt over het algemeen bij landbouwsubsidies geen onderscheid gemaakt in bedrijfsgrootte.
In de praktijk komen subsidies zowel bij kleine als grote bedrijven terecht. Dat geldt
ook voor de subsidies van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, waaronder inkomenssteun
en eco-regeling. Voor de hectare gebonden inkomenssteun uit het GLB geldt dat er een
extra bijdrage is voor de eerste 40 hectares van elk bedrijf, waardoor kleinere landbouwbedrijven
meer steun per hectare ontvangen dan grotere bedrijven.
58
Wat is de reden voor de relatief sterke stijging van de uitgaven voor kennis en innovatie?
Welke concrete onderzoeksprojecten krijgen prioriteit? Hoe wordt voorkomen dat deze
investeringen niet alleen academisch blijven, maar ook leiden tot toepasbare innovaties
in de praktijk van boeren en vissers?
Er is geen sprake van een stijging van de uitgaven voor kennis en innovatie. Het budget
voor 2025 stand voorjaarsnota is € 430 miljoen voor 2025, het budget voor 2026 stand
ontwerpbegroting bedraagt € 380 miljoen Door een herindeling van het begrotingsartikel lijkt er in de budgettaire tabel
inderdaad sprake van een stijging.
Innovatie vormt een onmisbaar spoor om onze maatschappelijke doelen te halen. LVVN
blijft daar fors op inzetten door het ontwikkelen van kennis voor beleid en samenleving,
het verspreiden van werkende ideeën en oplossingen en de ingebruikname hiervan binnen
het gehele domein van LVVN.
In 2026 zet LVVN onder meer in op:
• De programma’s digitalisering en robotisering, deze programma’s zijn bedoeld om de
ontwikkeling van automatisering te versnellen ook op het boerenerf
• Experimenteerlocaties, kennis en innovaties worden doorontwikkeld en opgeschaald zodat
deze beter aansluiten bij de dagelijkse praktijk van het boerenerf
• Meer toepassingsgericht onderzoek door met name Wageningen Research
59
Gezien het feit dat uitvoeringskosten hoog zijn, hoe wordt beoordeeld of dit bedrag
doelmatig wordt besteed?
Onder de uitvoeringskosten van begrotingsartikel 24 zijn alle uitvoerings-en toezichtstaken
opgenomen. Dit betreft ook de uitvoering van Europese regelgeving en fondsen.
LVVN heeft een vaste aanpak om de doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid en
uitvoering te toetsen. De Strategische Evaluatie Agenda (SEA) bevat een meerjarenprogramma
van evaluaties waarmee systematisch wordt onderzocht of de ingezette middelen efficiënt
worden gebruikt.
60
Tot welke resultaten heeft het actieprogramma vergunningverlening tot nu toe geleid?
Het kabinet is binnen het MCEN traject gestart met een grote inzet op het lostrekken
van vergunningverlening. In dit spoor 1 wordt gewerkt aan concrete oplossingen binnen
en buiten de kaders van het huidige systeem. Het kabinet wil, na het uitvoeren van
de daarvoor noodzakelijke uitvoeringsstappen, de rekenkundige ondergrens, definitief
invoeren. Bovendien wil het kabinet de natuurdoelanalyses verbeteren via een aangepaste
handreiking. Daarnaast werkt het kabinet aan een spoed-AMVB voor verduurzamingsactiviteiten
en aan aanpassingen van het vergunningstelsel. Ook werkt het kabinet aan een wetsvoorstel
met een juridisch houdbaar alternatief voor de doelen die zijn gebaseerd op de kritische
depositiewaarden (KDW). Dit in combinatie met een wettelijk programma met geborgde
maatregelen. Het wetsvoorstel is voorgelegd aan de Afdeling advisering van de Raad
van State voor spoedadvies. Op deze manier, samen met de inspanningen voor spoor 2,
zet het kabinet in om stap voor stap vergunningverlening weer mogelijk te maken.
61
Wanneer komt de door de Kamer gevraagde juridische duidelijkheid (via aanpassing van
de Omgevingsregeling) over het opnemen van intern salderen in de voortoets als activiteiten
onlosmakelijk aan elkaar verbonden zijn, naar aanleiding van de motie van het lid
Flach (SGP) c.s. (Kamerstuk 35 334, nr. 392)?
De motie verzoekt de regering te bezien hoe door aanpassing van de Omgevingsregeling
juridische duidelijkheid gegeven kan worden over de ruimte voor intern salderen in
de voortoets als sprake is van activiteiten die onlosmakelijk met elkaar verbonden
zijn, en dit mee te nemen bij de uitwerking van het startpakket Nederland van het
slot. Naar deze mogelijkheid is gekeken. Vastgesteld is dat op dit moment in de wetgeving
geen regels zijn gesteld over de voortoets. Er zijn alleen regels gesteld over de
reikwijdte van de vergunningplicht voor Natura 2000-activiteiten, in artikel 5.1 van de Omgevingswet en paragraaf 11.1.2 van het Besluit
activiteiten leefomgeving, een algemene maatregel van bestuur op grond van de Omgevingswet.
Daarnaast zijn regels gesteld over de beoordeling van aanvragen om een omgevingsvergunning
voor een Natura 2000-activiteit, in paragraaf 8.6.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving,
eveneens een algemene maatregel van bestuur op grond van de Omgevingswet. In de Omgevingsregeling,
een ministeriële regeling, kunnen technische regels worden gesteld over de aanvraag
voor een omgevingsvergunning en daarbij over te leggen gegevens. Er is echter geen
grondslag om in die regeling een nieuwe toets te introduceren die vooraf gaat aan
het al dan niet aanvragen van een vergunning en om over de invulling daarvan – bijvoorbeeld
in relatie tot activiteiten die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn – nadere regels
te stellen. Dat zou een wetswijziging vergen. Daarbij moet goed worden afgewogen of
de daarmee gepaard gaande extra regels en verplichtingen, opwegen tegen de «juridische
duidelijkheid» die dan zou kunnen worden geboden over de vraag of activiteiten onlosmakelijk
aan elkaar verbonden zijn. Bij dat laatste geldt dan ook dat Europeesrechtelijk begrippen
in de jurisprudentie verder zullen uitkristalliseren en dat ervoor gewaakt moet worden
dat nationale regels in strijd komen met het Europese recht. De Minister van LVVN
zal de Tweede Kamer nader berichten over de definitieve afweging die het kabinet maakt
en over wat dit betekent voor de uitvoering van de motie.
62
Wat is de status van de grensoverschrijdende projecten voor natuurherstel en emissiereductie
en de samenwerking met Duitse deelstaten en Vlaanderen?
De samenwerking met de Duitse deelstaten is gericht op het stap voor stap te komen
tot samenwerking gericht op natuurkwaliteit en emissiereductie. Hiervoor investeren
we in de contacten en het netwerk met medeoverheden in de grensregio. Zo onderzoekt
het Rijk samen met overheden uit Noordrijn-Westfalen en de Nederlandse provincies
de mogelijkheden en kansen voor grensoverschrijdende samenwerking rondom verschillende
Natura 2000-gebieden en vond er eerder dit jaar een werkbezoek met een divers aantal
vertegenwoordigers van verschillende overheidslagen uit Nedersaksen plaats in het
Bargerveen.
Met Vlaanderen is afgelopen voorjaar een Memorandum van Overeenstemming (MoU) ondertekend
waarin intenties zijn vastgelegd om te komen tot verdere verdieping van de samenwerking.
Dit heeft voor de zomer al geresulteerd in een afsprakenkader over informatie-uitwisseling
en adviesverlening bij vergunningverlening van projecten met grensoverschrijdende
effecten op Natura 2000-gebieden. Eerder dit jaar is reeds een overeenkomst gesloten
tussen het RIVM, de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) en het Vlaams Gewest over de
uitwisseling van emissie-gegevens en afspraken over monitoring/rapportering.
63
Welke (aanvullende) stappen zullen er op dit vlak in 2026 door het Rijk en de Provincies
worden genomen?
Het Ministerie van LVVN blijft samen met de grensprovincies inzetten op de samenwerking
op het gebied van natuurherstel en emissiereductie met de Duitse deelstaten en het
Vlaams gewest. Zo hebben het Ministerie van LVVN, het Vlaamse Omgevingsdepartement
en de grensprovincies zich gecommitteerd aan de implementatie en opvolging van het
genoemde afsprakenkader. Daarnaast blijft de uitwisseling van kennis en ontwikkelingen
over elkaars beleid en kaders een belangrijk onderdeel van de samenwerking. Dit gebeurt
onder meer in de gezamenlijke ambtelijke werkgroepen en het Vlaams-Nederlands Bestuurlijk
Overleg Stikstof, maar ook tijdens bilaterale gesprekken op ministerieel en hoogambtelijk
niveau. Tevens zal worden gewerkt aan jaarlijkse gegevensuitwisseling en rapportage
over de stikstoftoestand (emissies en deposities) in de grensstreek.
64
Wat zijn de afgesproken doelstellingen en termijnen die onderdeel zijn van het Memorandum
of Understanding met Vlaanderen?
Zie antwoord op vraag 63. Ter invulling van de intenties zoals opgenomen in het MoU
is een Afsprakenkader vastgesteld over informatie-uitwisseling bij vergunningverlening
met grensoverschrijdende effecten, en zijn er in een overeenkomst tussen RIVM, VMM
en Vlaams Gewest afspraken gemaakt over de uitwisseling van emissie- en depositiegegevens.
Daarnaast wordt in navolging van het MoU op dit moment via gezamenlijke werkgroepen
gekeken naar verdere mogelijkheden voor gebiedsgerichte samenwerking in de grensregio
op kort termijn.
65
Wat is de verwachte impact van de Vlaamse stikstofaanpak naar aanleiding van het Vlaamse
stikstofarrest op de Belgische depositie in Nederland in 2030/2035?
De Vlaamse Stikstofaanpak (PAS), zo stelt de Vlaamse overheid, garandeert op een sluitende
manier een structurele dalende depositiebijdrage vanuit Vlaamse emissiebronnen, zowel
op Vlaamse als Zuid-Nederlandse Natura 2000-gebieden. De recent in Nederland verschenen
Monitor stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden 2025 laat een dalende trend van
buitenlandse emissies in Nederland zien voor de komende jaren (2030). De Vlaamse PAS
is nog niet meegenomen in deze toekomstprognoses. Het RIVM is verzocht ook de verwachte
aanvullende impact van de Vlaamse PAS op Nederlandse natuur in beeld te brengen. Er
wordt naar gestreefd deze impact tegen eind dit jaar inzichtelijk te maken.
66
Kunt u onderbouwen op welke manier doelsturing voldoende bij zal dragen aan de emissiereductie
van stikstof?
Via bedrijfsspecifieke emissienormen voor stikstof en klimaat wordt ingezet op het
reduceren van emissies van blijvende bedrijven. Voor het bepalen van de hoogte van
de normen wordt gekeken naar het (technisch) reductiepotentieel en de bedrijfseconomische
impact. Een recente publicatie van WUR heeft een inzage gegeven in dit potentieel
voor de melkveehouderij9 en deze studie laat onder meer zien dat er via managementmaatregelen en techniek
een aanzienlijke emissiereductie kan worden gerealiseerd. In 2026 zal de hoogte van
de normen worden vastgesteld zodat agrarisch ondernemers in de melk-, varkens- en
pluimveehouderijsectoren weten waar ze de komende jaren naartoe moeten werken. In
2035 worden de normen afrekenbaar en zal er een sanctie gelden wanneer de norm niet
is gehaald. Hiervoor wordt een proportionele handhavings- en sanctiesystematiek uitgewerkt.
In aanloop naar 2035 zal ook via een mix van onder meer informerend en stimulerend
beleid worden gestuurd op emissiereductie. Doelsturing kan daarmee dus een significante
bijdrage leveren aan doelbereik, maar zal niet voldoende zijn om de volledige opgave
in te vullen. Hiervoor is ook aanvullend beleid nodig, bijvoorbeeld via andere normerende
maatregelen, vrijwillige beëindiging en gebiedsgericht beleid
67
Hoeveel bedrijven verwacht u dat er zullen stoppen met behulp van de vrijwillige beëindigingsregeling
en hoeveel stikstofruimte verwacht u dat daarmee vrijkomt?
Zie het antwoord op vragen 39 en 40.
68
Hoe worden de middelen die voor de terugkeer van rode diesel waren gereserveerd concreet
ingezet om de financiële positie van boeren, tuinders en loonwerkers te versterken?
De middelen worden ingezet om de financiële positie van boeren, tuinders en loonwerkers
te versterken. Dit wordt gedaan via vier bestedingslijnen voor de beschikbare middelen.
Deze bestedingslijnen ondersteunen boeren bij het doen van investeringen op het boerenerf,
het maken van plannen voor nu en de toekomst en via het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid
(GLB). Concreet gaat het om de volgende onderwerpen; klimaatadaptatie en bodembeheer,
arbeidsbesparende innovaties, het GLB en de fondsen via het Nationaal Groenfonds.
Daarnaast is er aandacht voor agrarische ondernemers die (tijdelijk) geen perspectief
meer zien, via Taboer, en voor sociaaleconomische begeleiding bij het maken van toekomstplannen
voor het bedrijf, via BoerenPerspectief.
69
Welke externe partijen en deskundigen zijn geraadpleegd over het Landelijk Crisisplan
Voedselzekerheid en wanneer?
De werkgroep die is opgesteld om te komen tot een Landelijke Crisisplan-Voedselzekerheid
is eind juni gestart en is daarmee nog in volle gang. Er is een aantal partijen die
we nauw betrekken bij dit proces. Dit zijn Centraal Bureau Levensmiddelenhandel (CBL),
Federatie Nederlandse Levensmiddelen Industrie (FNLI), Land- en Tuinbouw Organisatie
Nederland (LTO) en Transport en Logistiek Nederland (TLN). Daarnaast werken we o.a. samen
met de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Defensie, en Justitie en
Veiligheid en deskundigen van het Voedingscentrum en NVWA. Afhankelijk van het onderwerp
betrekken we ook andere partijen en deskundigen bij de werksessies. De verwachting
is dat in Q2/Q3 2026 een stakeholder consultatie zal plaatsvinden om zo input te vragen
en rekening te houden met eventuele andere perspectieven vanuit de voedselsector.
Dit zal enerzijds langs de lijn van de meest betrokken bracheorganisaties gaan maar
daarnaast zal ook worden gekeken of bepaalde delen van de keten ontbreken en zullen
deze actief worden benaderd.
70
Wanneer vinden stakeholderconsultaties plaats over het Landelijk Crisisplan Voedselzekerheid
en in hoeverre hebben deze reeds plaatsgevonden?
Zie het antwoord op vraag 69.
71
Welke externe partijen en deskundigen zijn geraadpleegd over de Nationale Voedselstrategie?
De afgelopen periode heeft de Minister van LVVN gewerkt aan het opstellen van bouwstenen
voor de voedselstrategie. Voor het bepalen van daadwerkelijke keuzes die nodig zijn
voor een toekomstbestendig voedselsysteem en voedselzekerheid voor alle Nederlanders
is inbreng van deskundigen, medeoverheden en belangenorganisaties van belang. Dit
deel van het proces ligt nog voor mij. Afhankelijk van de voortgang van de formatie
zal het huidige kabinet, of het nieuwe kabinet, deze keuzes met uw Kamer delen.
72
Wanneer vinden stakeholderconsultaties plaats over de Nationale Voedselstrategie en
in hoeverre hebben deze reeds plaatsgevonden?
Zie het antwoord op vraag 71.
73
Welke externe partijen en deskundigen zijn uitgenodigd om deel te nemen aan de strategische
tafel landbouw en voedsel?
Voor het Strategisch Overleg Landbouw en Voedsel zijn uitgenodigd organisaties die
de primaire land- en tuinbouw vertegenwoordigen, natuur en milieu, de voedselketen
en de financiële sector. Het betreft LTO Nederland, Agractie, het Nederlands Agrarisch
Jongeren Kontakt (NAJK), Biohuis, Glastuinbouw Nederland, de Nederlandse Melkveehouders
Vakbond (NMV), de Nederlandse Akkerbouw Vakbond (NAV), Boerennatuur, de Groene11,
LandschappenNL, ZuivelNL, BO Akkerbouw, AVINED/Nederlandse Vakbond Pluimveehouders
(NVP), Coalitie Vitale Varkenshouderij (Coviva)/Producentenorganisatie Varkenshouderij
(POV), VNO-NCW, Rabobank. Het strategisch overleg wordt voorgezeten door de heer Elbert
Dijkgraaf als onafhankelijk voorzitter.
74
Wanneer vinden de strategische tafels landbouw en voedsel plaats?
Het eerste Strategisch Overleg Landbouw en Voedsel heeft plaatsgevonden op 10 juni
jongstleden en het tweede strategische overleg op 1 oktober jongstleden. Het volgende
Strategische Overleg Landbouw en Voedsel is voorzien voor januari 2026 (precieze datum
nog te bepalen).
75
Wat is de stand van zaken ten aanzien van de commitments en afspraken die er zijn
gemaakt op de Voedseltop in 2017?
Er zijn tijdens de Nationale Voedseltop in 2017 diverse ambities uitgesproken om voedsel
duurzamer en gezonder te maken. Deze zijn te vinden in de Slotverklaring10 van de top en in het overzicht van de resultaten11. Dit komt terug in lopend beleid. Het gaat bijvoorbeeld om de ambitie om voedselproductie
te verduurzamen en om gezonder en duurzamer te gaan eten volgens de adviezen van het
Voedingscentrum. Hier vindt inzet op plaats, zowel vanuit overheid als bedrijfsleven
en maatschappelijke organisaties. Enkele voorbeelden hiervan zijn de inzet van het
Voedingscentrum om handelingsperspectieven aan consumenten mee te geven om hen te
ondersteunen meer volgens de Schijf van Vijf te eten, de inzet op voedseleducatie
via het programma Jong Leren Eten en de inzet vanuit bedrijven om nieuwe innovatieve
producten op de markt te brengen met meer plantaardige eiwitten.
76
Welke inzet vanuit het ministerie, uitgesplitst per jaar, is er sinds 2017 geweest
ten aanzien van de Voedselagenda 2025–2016 (Kamerstuk 31 532, nr. 156)
Eind 2015 is door de toenmalige Staatssecretaris van Economische Zaken en de Minister
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) een voedselagenda gepresenteerd met daarin
een brede aanpak gericht op veilig, gezond en duurzaam voedsel. Er waren een drietal
hoofdsporen, die meerdere jaren doorliepen.
Het eerste spoor was gericht op het vergroten van het bewustzijn en kennis onder kinderen
en jongeren over wat ze eten. Met bijvoorbeeld het lopende programma Jong Leren Eten,
verlengd tot en met 2028, is een aanpak ingericht om kinderen en jongeren meer in
aanraking te brengen met kennis en activiteiten over voedsel, zodat ze zelf gezonde
én duurzame keuzes kunnen maken. Ook projecten van het Voedingscentrum waren onderdeel
van deze actielijn.
Het tweede spoor was gericht op het vergroten van transparantie in de voedselketen
en het stimuleren van groenten- en fruitconsumptie. Transparantie biedt consumenten
en ondernemers mogelijkheden om gerichte keuzes te maken en stimuleert verduurzaming.
De doorlopende inzet van het Voedingscentrum, gericht op wetenschappelijk onderbouwde
adviezen aan consumenten en professionals, de inzet van Milieu Centraal op duurzaamheidsbeeldmerken,
maar ook de ondersteuning aan het Nationaal Actieplan Groenten en Fruit, dat met bedrijven
is opgezet en de activiteiten van Dutch Cuisine vormden onderdeel van deze actielijn.
Het derde spoor van het beleid bestond uit de inzet op kennis en innovatie, onder
meer samen met de topsectoren. Binnen dit deel van de aanpak heeft een belangrijke
focus gelegen op het stimuleren van duurzame productiewijzen, maar ook op de ontwikkeling
van alternatieve eiwitbronnen, het gezonder maken van het productaanbod, het versterken
van kennis over «true pricing» en duurzame consumptie. Verder is met de Stichting
Samen Tegen Voedselverspilling (STV) de lopende aanpak voor voedselverspilling voor
ketenpartijen en consumenten onderzocht en uitgewerkt. Ook vanuit het programma voor
sociale innovatie «DuurzaamDoor», van 2013 t/m 2025 actief, zijn door een breed samengestelde
«participatietafel» projecten opgezet en initiatieven ondersteund waarmee innovatieve
stappen konden worden gezet naar duurzamere en gezondere voedselproductie en -consumptie.
Bijvoorbeeld de Green Protein Alliance en het netwerk Stadslandbouw.
De voedselagenda 2016–2020 is in 2022 geëvalueerd, deze evaluatie is met uw Kamer
gedeeld.12 Ook na 2020 heeft veel inzet een vervolg gekregen. Onlangs heeft uw Kamer de evaluatie
van het voedselbeleid 2022–2025 ontvangen, dat hier nader op ingaat.13
77
Welke inzet vanuit het ministerie, uitgesplitst per jaar, is er sinds 2017 geweest
ten aanzien van de Nationale Voedseltop (Kamerstuk 31 532, nr. 180)?
Zie beantwoording vraag 76. De inzet van het ministerie ten aanzien van het opvolgen
van de uitkomsten van de Nationale Voedseltop heeft met name plaatsgevonden via de
voedselagenda en vervolgens het bredere voedselbeleid.
78
Welke beleidsmaatregelen zijn genomen om de Nederlandse (kennis-) export vanuit de
veehouderij richting Afrika te bevorderen?
Met de Kamerbrief over de Internationale inzet van LVVN14 (15 maart 2024) is uiteengezet waarop het Ministerie van LVVN zich richt: lange termijnperspectief
voor de landbouw-, visserij- en tuinbouwsector, mondiale voedselzekerheid en het behalen
van de klimaatdoelen en het behoud en herstel van biodiversiteit wereldwijd. Dit doet
het ministerie via multilaterale en bilaterale samenwerking, waarbij het LVVN Attaché
Netwerk (LAN) instrumenteel is.
In zijn algemeenheid geldt dat het streven gericht is op wereldwijde versterking van
de export- en investeringspositie van Nederlandse ondernemers en tegelijkertijd geïnvesteerd
wordt in oplossingen voor lokale uitdagingen en lokale economische ontwikkeling. Deels
wordt hierbij gebruikgemaakt van instrumenten van derden zoals het handelsinstrumentarium
bij RVO dat gefinancierd wordt vanuit de begroting van het Ministerie van Buitenlandse
Handel en Ontwikkelingssamenwerking.
Specifieke beleidsmaatregelen om de Nederlandse (kennis-) export voor een specifiek
continent of sector te bevorderen zijn er niet, dus ook niet vanuit de veehouderij
richting Afrika. Wel wordt op verzoek van de Nederlandse dierlijke sectoren doorlopend
gefaciliteerd in veterinaire markttoegang in derde landen, en aandacht besteed aan
versterking van diplomatieke relaties, dus ook in Afrika. Met landen als Kenia en
Zuid-Afrika wordt bijvoorbeeld jaarlijks de voortgang van dergelijke dossiers met
de lokale Ministeries van Landbouw gemonitord via bilaterale Landbouwwerkgroepen.
79
Komt er in 2027 een herhaling van de Nationale Voedseltop?
Er is op dit moment geen herhaling van de Nationale Voedseltop in 2027 voorzien.
80
Kunt u een globale inschatting geven (bandbreedte) van de reducties van de mestproductie
in kilogrammen stikstof en fosfaat die de vrijwillige beëindigingsregeling respectievelijk
de extensiveringsregeling op zouden kunnen leveren?
Op dit moment is nog geen inschatting te maken van de verwachte reductie van de mestproductie
die met de Vrijwillige beëindigingsregeling veehouderijlocaties en de Subsidieregeling
extensivering melkveehouderij wordt bereikt. Een prognose van de verwachte reductie
hangt nauw samen met het aantal deelnemers en de eigenschappen van de locaties die
deelnemen. Voor beide regelingen geldt dat deze nog in concept zijn. Zo ligt de Subsidieregeling
extensivering melkveehouderij ter goedkeuring voor in Brussel en moet de Vrijwillige beëindigingsregeling veehouderijlocaties
nog worden ge(pre)notificeert. Een aantal factoren dat van belang is voor de deelname,
zoals de subsidiepercentages ligt daarmee nog niet vast. Er kan niet worden vooruitgelopen
op Europese goedkeuring, waardoor op dit moment nog geen inschatting van de reductie
kan worden gegeven.
81
Welke belemmeringen worden weggenomen om in 2050 richting een volledig circulaire
glastuinbouwsector te komen?
Om de transitie naar een volledig circulaire glastuinbouw te realiseren, worden verschillende
belemmeringen stapsgewijs weggenomen. Om circulaire ketens te sluiten en de vraag
naar circulaire producten te stimuleren wordt ook nauw samengewerkt met andere ministeries,
zoals Klimaat en Groene Groei en Infrastructuur en Waterstaat.
De afhankelijkheid van fossiele CO2-bronnen is een belangrijke belemmering voor circulaire productie. Het Convenant Energietransitie
Glastuinbouw 2022–2030 bevat onder meer afspraken over een alternatieve, duurzame
CO2-voorziening als meststof voor gewasproductie. Via de SDE++-regeling wordt de afvang
en levering van duurzame CO2 verder gestimuleerd, waardoor de transitie naar een circulaire sector wordt versterkt.
In het kader van de uitvoering van het Tuinbouwakkoord en de Nationale Tuinbouwagenda
2019–2030 wordt samen met de sector gewerkt aan een programmatische aanpak voor circulaire
glastuinbouw. Daarmee komt er meer inzicht in benodigde randvoorwaarden, passende
organisatievormen en prioriteiten voor onderzoek en innovatie. Ook wordt er gewerkt
aan het creëren van afzetmarkten voor restmaterialen uit de glastuinbouw, onder andere
door deze materialen in te zetten als grondstof voor de bouwsector.
Tot slot wordt bijgedragen aan het innovatieprogramma Circulaire Tuinbouw 2020–2050
van Stichting Innovatie Glastuinbouw (SIGN), dat experimenteerruimte, ondernemerschap
en nieuwe verdienmodellen ondersteunt.
82
Wat zijn de gevolgen in Nederland voor wat betreft eventueel benodigde herziening
van toelatingen van bestrijdingsmiddelen door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen
en biociden (Ctgb) naar aanleiding van de uitspraak van het Parijse Hof van Beroep
(Lire les arrêts nos 23PA03881, n° 23PA03883, n° 23PA03895), dat is gebaseerd op een
uitspraak van het Hof van Justitie van de EU (ECLI:EU:C:2024:356) en waarbij behalve
hormoonverstoring ook andere relevante schadelijke effecten zoals carcinogeniteit
of neurotoxiciteit moet worden herbeoordeeld?
De recente uitspraak van het Parijse Hof van Beroep heeft geen gevolgen in Nederland
of voor het Ctgb. De Tweede Kamer is eerder schriftelijk geïnformeerd15 over het EU Hof-arrest waarnaar in de vraag is verwezen. In dezelfde brief is de
Kamer bericht over de gevolgen die het Ctgb hieruit heeft getrokken.
83
Kan een overzicht worden verstrekt van besluiten van de afgelopen vijf jaar om subsidies
te verstrekken voor activiteiten waar pesticidengebruik een wezenlijk onderdeel van
was, waarbij in enkele zinnen het project wordt toegelicht en de financier, de naam
van de subsidieregeling, de ontvanger van de subsidie, het bedrag en het jaar dat
het besluit tot subsidie is genomen, wordt vermeld?
Hieronder ontvangt u het gevraagde overzicht.
Subsidie
Toelichting
Gemeenschappelijk Landbouwbeleid Eco-regeling (I.31)
Binnen de Eco-regeling voor Klimaat en Leefomgeving kunnen agrariërs een eco-premie
ontvangen. Sinds 2023 wordt de eco-activiteit biologische plaagbestrijding gesubsidieerd,
met een waarde van € 85 per hectare. Biologische plaagbestrijding is een methode waarbij
natuurlijke vijanden, parasitoïden of ziekteverwekkers worden ingezet om plagen te
bestrijden. Sinds 2024 wordt ook de eco-activiteit precisiegewasbescherming gesubsidieerd
met een waarde van € 43 per hectare. Sinds 2025 wordt ook de eco-activiteit «tagetes
als aaltjesbestrijding» ondersteund. De plant Tagetes scheidt een stof af die dodelijk
is voor aaltjes zodra deze de wortels binnendringen. Voor deze eco-activiteit ontvangt
de agrariër, afhankelijk van de regio, een vergoeding van: € 1.448 per hectare in
regio 1, of € 1.675 per hectare in regio 2. De totale waarde van alle eco-activiteiten
tezamen bepaalt het niveau van de eco-premie.
Gemeenschappelijk Landbouwbeleid Productieve investeringen Groen Blauw (I.73.1b)
Binnen het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELPO) is de Productieve
Investeringen Groen blauw waarin agrariërs subsidie kunnen ontvangen voor investeringen
die zien op het gereduceerd gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Denk hierbij aan
machines voor in het kader van precisielandbouw. Hiervoor is het budget € 50 miljoen
over de GLB-periode 2023–2027.
Gemeenschappelijk Landbouwbeleid Europese regeling Sectorale Interventie Groenten
& Fruit (SIG&F)
Binnen de SIG&F kunnen groenten- en fruittelers die lid zijn erkende producentenorganisaties
subsidie ontvangen. Hierin zijn verschillende onderdelen gericht op reductie van gebruik
van chemische gewasbescherming. Zo worden onder andere biologische gewasbescherming,
investeringen in innovatieve gewasbeschermingsapparatuur op niet-chemische basis,
ter voorkoming van ziekten en plagen, precisie-gewasbeschermingsapparatuur, en onderzoek
naar weerbare teelt gesubsidieerd. In totaal is er in 2024 voor € 140 miljoen aan
GLB-subsidie verstrekt binnen deze regeling, hiervan gaat ongeveer 15% naar maatregelen
om chemische gewasbescherming te reduceren.
2021: € 60 miljoen totaal, waarvan 10% gewasbescherming
2022: € 57 miljoen totaal, waarvan 15% gewasbescherming
2023: € 110 miljoen totaal, waarvan 12% gewasbescherming
2024: € 140 miljoen totaal, waarvan 16% gewasbescherming
Gemeenschappelijk Landbouwbeleid Regeling Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLB)
In het ANLb, die boeren en particulieren beloont voor het uitvoeren van beheermaatregelen
die de biodiversiteit in agrarische gebieden vergroten, bestaat de activiteit «geen
gebruik van chemische onkruidbestrijding op minstens 90% van de oppervlakte». Pakket
55 «Beperkt gebruik van onkruidbestrijdingsmiddelen», bestaat uit alleen deze activiteit.
De activiteit zit echter in meerdere pakketten. Een bedrag aan subsidie is niet te
noemen. De uitbetaling van het ANLb wordt gekenmerkt door een lump sum bedrag per
leefgebied. In een leefgebied worden tal van activiteiten uitgevoerd. De activiteit
an sich heeft een waarde welke in de beoordeling, samen met alle andere activiteiten
en eventuele kortingen, gebruikt wordt om te komen tot een uiteindelijke uitbetaling.
Subsidieregeling instituten toegepast onderzoek (Sito; alias TO2-regeling; LVVN-WR)
Deze richt zich op kennisinstellingen t.b.v. onderzoeksactiviteiten (zowel publiek
als publiek-privaat) gericht op de ontwikkeling van weerbare teeltsystemen, waarin
de afhankelijkheid van chemische gewasbeschermingsmiddelen, evenals hun emissies en
milieueffecten, tot een minimum worden beperkt.
2021: € 15.912.379
2022: € 15.830.422
2023: € 12.747.828
2024: € 10.902.060
2025: € 10.605.005
Nationaal Groeifonds
In CropXR werken kennisinstellingen en veredelingsbedrijven, gebruikmakend van datawetenschappen
en AI, aan methoden om rassen weerbaarder te maken tegen ziekten, plagen en weersextremen
om op termijn het gebruik van chemische gewasbescherming te verminderen.
2022: € 700.000
2023: € 2.729.000
2024: € 2.716.482
2025: € 4.833.828
Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies
Subsidiemodule geïntegreerde gewasbescherming met als doel om investeringen in duurzame
technieken ter vermindering van chemische gewasbescherming te ondersteunen.
2023: € 5.000.000
2024: € 1.000.000
Gewasbeschermingsbeleid (incidentele subsidies)
• De Europese Kleine Toepassingen Coördinatie Faciliteit welke EU-lidstaten ondersteunt
bij het oplossen van knelpunten voor kleine toepassingen van gewasbeschermingsmiddelen.
Het coördineert samenwerking en informatie-uitwisseling. 2020–2025: € 25.000 p/j.
• Het Fonds Kleine Toepassingen dat financiële ondersteuning biedt voor de kosten
die gepaard gaan met een toelatingsaanvraag van gewasbeschermingsmiddelen of een aanvraag
van een omgevingsvergunning voor het uitzetten van biologische bestrijders. 2020–2025:
€ 160.000 p/j.
• LTO Nederland voor uitvoering van het Praktijkprogramma Plantgezondheid «Weerbaarheid
in de praktijk». De focus ligt op het verminderen van het gebruik van chemische middelen
door middel van innovatieve technieken en duurzaam beheer van ziekten en plagen. 2021:
€ 6.384.000.
• HLB BV voor het Programma Duurzame Bollenteelt Drenthe. Dit richt zich op reductie
van gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen en verlagen van milieubelasting.
2021: € 726.000.
• Cosun voor het Plan van aanpak Vergelingsziekte, overgebracht door bladluizen in
suikerbieten. Dit omvat o.m. experimenten met resistente/tolerante rassen. 2022: € 280.500.
• Agrodis voor het Transitie Programma (ATP). Hierin worden o.m. adviseurs in de agrarische
sector opgeleid tot transitiecoaches. om de transitie naar toekomstbestendige teelt
te versnellen. 2022: € 175.500.
• CropLife Nederland voor het project Ontwikkeling verbeterd systeem van inzameling
lege verpakkingen en restanten van gewasbeschermingsmiddelen. 2023: € 15.150.
• LIDL voor de Pilot reductie chemische bestrijdingsmiddelen. Focus ligt op reductie
van het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen in aardappelen, aardbeien en appels
in een ketenaanpak. Bedrag € 141.395.
• Greenports Nederland voor de ontwikkeling van de Milieu Indicator Gewasbeschermingsmiddelen
(MIG) dat telers inzicht moet geven in de milieu impact van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen
op hun bedrijf. 2024: € 500.000.
84
Voor hoeveel toelatingen van (bestrijdings)middelen waarin werkzame stoffen die gelden
als «kandidaten voor vervanging» aanwezig zijn, is sinds 1 januari 2024 de nieuwe
werkwijze van het Ctgb in de «vergelijkende evaluatie» geldt, de toelating ingetrokken
respectievelijk niet verlengd?
Sinds 1 januari 2024 is zes keer een vergelijkende evaluatie uitgevoerd voor gewasbeschermingsmiddelen16, met de nieuwe werkwijze van het Ctgb. In vier gevallen heeft dit geleid tot het
vervallen van een aantal aangevraagde toepassingen (teelten of plaagorganismen), in
één geval is de gehele aanvraag voor uitbreiding afgewezen en in één geval is de gehele
aanvraag toegelaten omdat er voor geen enkel gebruik een veiliger alternatief was.
85
Wat zijn de kandidaten voor vervanging die vanaf 2014 zijn vervangen door (de erkenning
van het bestaan van) minder schadelijke alternatieven?
Sinds 2014 zijn geen aanvragen afgewezen op basis van de vergelijkende evaluatie.
Uw Kamer is hier op 25 mei 2022 schriftelijk geïnformeerd17 over een kwalitatieve analyse van de tijdsperiode van het moment van invoering van
de vergelijkende evaluatie (1 augustus 2015) tot en met begin 2022. Tussen begin 2022
en eind 2023 is verder geen aanvraag afgewezen op basis van de vergelijkende evaluatie.
Bij de vergelijkende evaluaties die zijn uitgevoerd bleken op grond van de landbouwkundige
vergelijking op dat moment geen geschikte alternatieven beschikbaar te zijn. Dit heeft
geleid tot het besluit om deze middelen toe te laten. Op basis van de ervaringen heeft
het Ctgb besloten dat de vergelijkende evaluatie vereenvoudigd dient te worden, wat
heeft geleid tot de nieuwe werkwijze van het Ctgb, zoals genoemd in mijn antwoord
op vraag 84.
86
Kan een overzicht worden gegeven van de toelatingen van middelen met kandidaten voor
vervanging die nog altijd van kracht zijn in Nederland, waarbij u aangeeft wanneer
voor deze pesticiden de eerste toelating is afgegeven, wanneer deze voor het laatst
(hernieuwd) is toegelaten en sinds wanneer deze als kandidaat voor vervanging wordt
beschouwd?
Er zijn momenteel 168 toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen op basis van 30 Europese
goedgekeurde kandidaten voor vervanging (werkzame stoffen). Een overzicht van deze
stoffen en informatie over de historie van de goedkeuring is te vinden in de Europese
pesticide databank18. Informatie over de betreffende Nederlandse toelatingen is te vinden in toelatingen
databank van het Ctgb19. Het is helaas niet mogelijk om een volledige analyse te geven van al deze gewasbeschermingsmiddelen
in het tijdsbestek voor beantwoording van schriftelijke vragen.
87
Kan een overzicht worden gegeven van het aantal toelatingen voor pesticiden per jaar
van de afgelopen 20 jaar dat van kracht was in dat jaar en hoeveel toelatingen zijn
ingetrokken en nieuwe toelatingen zijn afgegeven in dat jaar?
Het Ctgb publiceert jaarlijks in zijn jaarverslag het aantal toelatingen, ingetrokken
en geëxpireerde toelatingen en nieuwe toelatingen. De jaarverslagen voor de periode
2012–2024 zijn online terug te vinden op de Ctgb-website20. Het is niet mogelijk om een volledig overzicht te geven van de afgelopen 20 jaar
in het korte tijdsbestek voor beantwoording van schriftelijke vragen.
88
Kan een overzicht worden gegeven van toelatingen van pesticiden door het Ctgb die
afgelopen tien jaar zijn ingetrokken waarbij het risico (voor mens of milieu) groter
werd ingeschat dan de inzichten die er waren ten tijde van de eerste toelating van
het middel?
Er zijn verscheidene redenen mogelijk waarom een toelating van een middel kan worden
ingetrokken door de aanvrager of niet meer wordt verlengd door het Ctgb. Dit kan naast
geconstateerde risico’s in de beoordeling ook worden veroorzaakt door ontbrekende
gegevens of vanwege procedurele en bijvoorbeeld in het geval de aanvrager, bedrijfseconomische
redenen. Het is niet mogelijk om een volledig overzicht te geven van de redenen voor
volledige of gedeeltelijke afwijzing van toelatingen van de afgelopen 10 jaar. Wel
wordt sinds 2014 in de jaarverslagen van Ctgb aangegeven hoeveel middelen zijn voorgelegd
aan het College, hoeveel volledig of gedeeltelijk zijn afgewezen of teruggetrokken
door de aanvrager.
In het algemeen kan worden gesteld dat in de afgelopen 10 jaar het toetsingskader
strenger is geworden wat kan leiden tot het volledig of gedeeltelijk afwijzen van
toelatingen of tot het aanscherpen van de gebruiksvoorschriften. Ter indicatie, in
2024 werd van de reeds toegelaten middelen circa 35 procent van de aangevraagde toepassingen
afgewezen of ingetrokken en werd bij 37% van de toepassingen het gebruiksvoorschrift
aangescherpt.
89
Wat zijn de uitkomsten van de bestudering door het Ctgb van «de Deense informatie
om te zien wat dit voor de Nederlandse situatie betekent» zoals zij aangeeft in een
nieuwsbericht op haar website van 18 juli 2025, refererend aan het Deense besluit
om (alle) 23 gewasbeschermingsmiddelen met stoffen die onder de definitie van PFAS
vallen te verbieden? Hoeveel van deze 23 middelen zijn ook in Nederland toegelaten
en voor welke teelten?
Het Ctgb heeft inmiddels de wetenschappelijke onderbouwingen van de beslissing van
Denemarken ontvangen en bestudeert momenteel wat dit betekent voor de Nederlandse
situatie. Dit is een zorgvuldig proces wat tijd nodig heeft waarbij uw Kamer geïnformeerd
zal worden zodra de uitkomsten bekend zijn. De 23 middelen in het Deense intrekkingsbesluit
zijn gebaseerd op de volgende zes werkzame stoffen die onder de definitie van PFAS
vallen: fluopyram (fungicide), fluazinam (fungicide), flonicamid (insecticide), diflufenican
(herbicide), mefentrifluconazool (fungicide) en tau-fluvalinaat (insecticide). Op
basis van deze werkzame stoffen zijn er momenteel in totaal 56 middelen toegelaten
in Nederland voor diverse teelten. Welke teelten het betreft kan per middel worden
bekeken in de Ctgb-toelatingendatabank21.
90
Heeft u overwogen om evenals Denemarken PFAS-pesticiden te verbieden en zo ja, wat
was de uitkomst van uw afwegingsproces?
Het Ctgb is de Nederlandse bevoegde autoriteit voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen
en biociden. Wanneer nieuwe relevante wetenschappelijke informatie over een stof beschikbaar
komt, is het aan het Ctgb om deze te beoordelen en om, indien noodzakelijk, bestaande
toelatingen hierop aan te passen.
91
Kan een overzicht worden verstrekt van alle acties die zijn ondernomen sinds de brief
van het Ctgb aan u van 16 april 2025, waarin het Ctgb u oproept een snelle aanpak
te realiseren voor stoffen die trifluorazijnzuur (TFA) produceren?
Naar aanleiding van de oproep van het Ctgb heeft het Ministerie van LVVN, samen met
het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, een brief aan de Europese Commissie
gestuurd met de oproep om een snelle aanpak te realiseren in lijn met de aanbevelingen
van het Ctgb. Deze oproep is later ook mondeling in het hiervoor relevante Europese
SCoPAFF-overleg herhaald
92
Kan een overzicht worden verstrekt van de organisaties die sinds uw aantreden bij
u en het Ministerie van LVVN in brede zin over de mogelijke aanpak van stoffen die
TFA produceren en de methodiek die de Europese Commissie daarvoor wil ontwikkelen
een standpunt kenbaar hebben gemaakt?
Over het onderwerp TFA in brede zin heeft het Ministerie van LVVN input gekregen vanuit
PAN-Nederland, Croplife Europe en de Vereniging van waterbedrijven in Nederland (Vewin).
Met de Vewin zijn tevens gesprekken gevoerd om dit onderwerp nader te verkennen.
93
Kan een overzicht worden verstrekt van de hiaten in kennis en toetsing bij de toelatingsprocedures
voor pesticiden die de afgelopen vijf jaar zijn genoemd door relevante kennisinstellingen
of andere actoren zoals Wageningen University & Research (WUR), European Food Safety
Association (EFSA), Ctgb en rechterlijke instanties en daarbij aangeven wie dit hiaat
benoemde en in welke publicatie?
Het toelatingsbeleid is continu in ontwikkeling en gericht op het meenemen van nieuwe
wetenschappelijke inzichten, afkomstig van of geagendeerd door uiteenlopende actoren.
Om die reden heeft dit kabinet een onafhankelijke analyse laten uitvoeren naar het
toetsingskader voor gewasbeschermingsmiddelen en gedeeld met de uw Kamer22 (november 2024). Enkele thema’s die de afgelopen vijf jaren veel aandacht hebben
gekregen, betreffen onder meer het toetsen op neurologische aandoeningen,
− cumulatie van effecten (voor mens en milieu),
− blootstelling aan omwonenden,
− emissies naar water en natuurgebieden,
− vereenvoudiging van de toelating van «groene» middelen.
Deze thema’s hebben al langer de aandacht en zijn onder meer tijdens de evaluatie
van de gewasbeschermingsverordening (REFIT) in 2020 door Nederland al geagendeerd
in Europees overleg en bij de Europese Commissie (onder meer neurotoxiciteit, cumulatie).
Gezien de lange voorgeschiedenis is het niet mogelijk om te achterhalen welke actor
als eerste een nieuw inzicht heeft geagendeerd. De belangrijkste actoren zijn wetenschappelijke
instituten, universiteiten, Europese en nationale toelatingsautoriteiten, ngo’s en
burgerinitiatieven. Naar aanleiding van rechtszaken die ngo’s en/of burgerinitiatieven
hebben geïnitieerd, zijn er de afgelopen vijf jaren meer gerechtelijke uitspraken
geweest (Europees Hof, Raad van State, civiele rechters) die verwijzen naar een of
meer van de hiervoor genoemde thema’s.
94
Wat is de stand van zaken en wat zijn de mogelijk al getrokken conclusies voor wat
betreft de inhuur van reclamebureau’s door vier ministeries, waaronder LVVN, om de
communicatie over bestrijdingsmiddelen minder over de gevaren te laten gaan en wat
is de nieuwe kernboodschap?
De huidige communicatie over toelatingen van bestrijdingsmiddelen (gewasbeschermingsmiddelen
en biociden) leidt bij zowel burgers als bedrijven tot vragen en onduidelijkheden.
Het is van belang deze onduidelijkheden te adresseren en zodoende het vertrouwen in
en de begrijpelijkheid van de communicatie te vergroten.
Daarom is de inzet gericht op het verbeteren van de transparantie en duidelijkheid
van de communicatie over de toelating van bestrijdingsmiddelen. Ook om eenduidige
en heldere informatie te verschaffen, zodat alle betrokkenen beter inzicht verkrijgen
in het toelatingsproces en de daarmee samenhangende veiligheidsaspecten. De werkzaamheden
ter ontwikkeling van deze vernieuwde communicatieaanpak zijn gestart en worden naar
verwachting in het tweede kwartaal van 2026 afgerond.
95
Wat is het volume van sierteeltgewassen en het volume snijbloemen die sinds 2020 jaarlijks
vanuit niet-EU-landen worden geïmporteerd, indien mogelijk uitgesplitst per land van
herkomst?
Het onderstaande tabel geeft een overzicht van de importwaarde in mld. euro van sierteeltgewassen
en snijbloemen die Nederland sinds 2020 jaarlijks importeert vanuit niet EU-Landen.
Nederland importeert een grote diversiteit aan sierteeltgewassen en snijbloemen en
deze worden in veel verschillende eenheden per goederensoort weergegeven. De eenheden
laten zich moeilijk optellen en vergelijken, daarom worden de importcijfers in mld. euro
importwaarde weergegeven. De importwaarde van sierteeltgewassen en snijbloemen vanuit
niet-EU-landen tussen 2020 en 2024 is 6.063 miljard euro.
Tabel 1: Importwaarde sierteeltgewassen en snijbloemen niet-EU (mld. euro), 2020–20241
2020
2021
2022
2023
2024
1.189
n.n.b.
1.589
1.570
1.715
Bron: CBS Statline, 2025
X Noot
1
Gebaseerd op de basisdefinitie landbouwgoederen GN-06 sierteelt zoals gedefinieerd
in de publicatie: «De Nederlandse agrarische sector in internationaal verband – editie
2025».
Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) heeft voor de categorie «Afgesneden bloemen,
bloesems en bloemknoppen, voor bloemstukken of voor versiering, vers» gegevens gepubliceerd
over de periode 2020 tot en met 2024. Tabel 2 bevat de bijbehorende cijfers voor deze
jaren.
Bij de interpretatie van de cijfers moet rekening worden gehouden met een wijziging
in de publicatiemethode vanaf 2022. Waar in 2020 en 2021 aantallen per stuk zijn afgerond,
hanteert het CBS vanaf 2022 een afronding in miljoenen stuks. Hierdoor zijn de gegevens
over de jaren onderling niet direct vergelijkbaar. De cijfers zijn daarbij gegroepeerd
per regio en niet afzonderlijk per land beschikbaar.
Tabel 2: Invoerhoeveelheid in stuks «afgesneden bloemen, bloesems en bloemknoppen,
voor bloemstukken of voor versiering vers»
Totale import
Import vanuit Europa
Import vanuit Amerika
Import vanuit Azië
2020
1,101,658,074
360,465,768
105,566,492
11,189,307
2021
1,260,950,868
355,992,418
175,734,028
21,945,178
2022
1,397,000,000
442,000,000
191,000,000
48,000,000
2023
1,502,000,000
488,000,000
207,000,000
58,000,000
2024
1,526,000,000
457,000,000
229,000,000
50,000,000
96
Hoe wordt de toelatingsprocedure voor nieuwe biotechnologische toepassingen voor biologische
gewasbeschermingsmiddelen (zoals onder andere via precisiefermentatie) versneld en
vereenvoudigd?
Nederland zet zich, samen met het College voor de Toelating van Gewasbeschermingsmiddelen
en biociden (Ctgb) in EU-verband in om draagvlak te verkrijgen voor een efficiëntere
en meer passende beoordeling van biologische middelen, die beter aansluit bij de aard
en kenmerken ervan. Dit heeft begin 2025 geleid tot een publicatie van een vernieuwende
risicobeoordeling: «Using problem formulation for an efficient, fit-for-purpose risk
assessment of microbial plant protection products». Op dit moment wordt in EU- en
internationaal verband gewerkt aan verdere ontwikkeling hiervan, zowel voor microbiële
als niet-microbiële stoffen.
De Europese Commissie heeft aangekondigd dit najaar met een Omnibus wetsvoorstel te
komen die o.m. moet voorzien in concrete wijzigingen van de Verordening Gewasbeschermingsmiddelen
(EU) 1107/2009 om de beschikbaarheid van biologische gewasbeschermingsmiddelen te
versnellen. Hiervoor heeft de Europese Commissie op 16 september jl. een zogeheten
call for evidence gepubliceerd om input te ontvangen van belanghebbenden op gewenste
vereenvoudiging, verduidelijking en modernisering. Ook Nederland heeft input geleverd.
Eén van de punten die Nederland voorstelt voor gewasbeschermingsmiddelen is om binnen
de EU één zone aan te houden voor de toelating van producten die werkzame stoffen
of microbiële stoffen met een laag risico bevatten. Nederland blijft actief bijdragen
aan dit traject.
97
Welke concrete stappen worden gezet om de Europese toelatingskaders te beïnvloeden,
zodat Nederlandse innovaties sneller op de markt kunnen komen?
De inzet van Nederland richt zich op snellere en vereenvoudigde procedures voor alle
biologische gewasbeschermingsmiddelen (zie het antwoord op vraag 96), ongeacht waar
deze ontwikkeld zijn.
98
Hoe wordt de proportionaliteit van regelgeving geborgd, zodat innovatieve midden-
en kleinbedrijven niet worden ontmoedigd door hoge lasten?
Bij het maken of wijzigen van beleid of regels kunnen er gevolgen zijn voor bedrijven.
In beleidsontwikkeling wordt veelal met betrokken partijen gesproken voor wie de regelgeving
relevant is. Daarnaast kent een wetgevingstraject ook een internetconsultatie waarbij
er breed reactie wordt opgehaald vanuit de samenleving. Binnen de Rijksoverheid is
het Beleidskompas de centrale werkwijze voor het ontwikkelen en herzien van beleid.
Bij het Beleidskompas staan vijf stappen centraal bij het opstellen van beleid, variërend
van het identificeren van het probleem tot het in kaart brengen van verschillende
opties, met bijbehorende gevolgen, om het beleidsdoel te realiseren. Hierbij wordt
ook gekeken naar aspecten als administratieve lasten en proportionaliteit.
Om deze gevolgen in beeld te krijgen voert het Ministerie van LVVN de verplichte Bedrijfseffectentoets
(BET) (inclusief (cumulatie van) Regeldruk) en de MKB-Toets uit. Hierbij wordt er
onder andere getoetst op effecten op innovatie, op de markt en (cumulatie van) regeldruk
voor bedrijven. Deze toetsen zijn verplicht voor alle nieuwe regels of wijzigingen
die voortkomen uit nationaal beleid, Europese richtlijnen en EU-verordeningen. De uitkomsten van de toetsen verwerkt LVVN in het concept wetsvoorstel of
de concept regelgeving. Vervolgens vraagt LVVN hiermee advies aan bij het Adviescollege
Toetsing Regeldruk (ATR). Het ATR onderzoekt onder andere hoe hoog de regeldruk is
en wie de druk ervaart, en of het gemakkelijker kan. De ATR kan hierbij gebruik maken
van een internetconsultatie. ATR geeft vervolgens een samenvattend oordeel (dictum)
aan de verantwoordelijke bewindspersoon, al dan niet nadat het concept wetsvoorstel
of de concept regelgeving is aangepast op verzoek van het ATR.
Daar waar regelgeving gevolgen heeft voor partijen kan het zo zijn dat er subsidies
of andere ondersteunende maatregelen worden genomen, om ofwel meer tijd te krijgen
om aan regelgeving te voldoen, ofwel de mogelijkheid te krijgen om te investeren in
bijvoorbeeld kosten om te verduurzamen.
99
Hoeveel procent van het landbouwareaal wordt momenteel gebruikt voor biologische landbouw
en wat was de ontwikkeling hiervan de afgelopen tien jaar?
In 2024 bedroeg het biologische landbouwareaal in Nederland volgens de cijfers van
Skal Biocontrole 91.527 hectare. Dit was 5,1% van het totale Nederlandse landbouwareaal
van 1,8 miljoen hectare. De tabel hier onder geeft de ontwikkeling van het biologische
landbouwareaal over de afgelopen 10 jaren weer.
Jaartal
Biologische landbouw areaal in hectares
Biologisch areaal als percentage van het totale landbouwareaal
2015
56.729
3,1%
2016
58.446
3,2%
2017
60.449
3,3%
2018
66.623
3,7%
2019
69.349
3,8%
2020
74.282
4,1%
2021
78.248
4,3%
2022
79.853
4,4%
2023
87.416
4,8%
2024
91.527
5,1%
Bron: Skal Biocontrole/CBS
100
Kunt u toelichten hoe de margeverdeling in de voedselketen op dit moment is en hoe
deze zich de afgelopen tien jaar ontwikkeld heeft?
Marges in de voedselketen verschillen per ketenschakel en product. De grote verschillen
in de prijsvorming van onze voeding maken het onmogelijk om een algemene uitspraak
te doen over margeverdeling in de keten. Schaalvoordelen of niches in de markt leiden
veelal tot hogere marges voor bedrijven. De voedselketen, ook aan te duiden als het
agrocomplex, bevat vele schakels, van toeleveranciers, primaire productie, verwerkende
industrie, tot verkoopkanalen in de horeca en retail. Daarnaast hangt een groot deel
van de activiteiten in het agrocomplex samen met export van bewerkt en onbewerkt agrarische
producten. De bijdrage van het totale agrocomplex aan het bruto binnenlands product
(bbp) schommelt al jaren rond de 7%. In het deel van het agrocomplex dat enkel gebaseerd
is op binnenlandse agrarische grondstoffen, waren toelevering (ca 35%) en primaire
productie (ca 30%) samen verantwoordelijk voor twee derde van de toegevoegde waarde.
De ACM heeft in 2025 opnieuw met Wageningen Social Economic Research onderzoek gedaan
naar margeverdeling over verschillende ketenschakels voor 6 producten, en recent deze
Agro-nutrimonitor gepubliceerd. De Minister van LVVN zal de resultaten op korte termijn
met de Kamer delen. Uit de monitor blijkt dat een verwerkt product zoals kaas of verwerkte
sperziebonen in glas en blik over het algemeen een hogere marge oplevert dan vers,
onbewerkt product zoals appels, tomaten of aardappels. De ACM heeft ook in 2014 onderzoek
gedaan naar prijsvorming in de keten, en gaf toen aan dat er in de keten nergens onevenredig
veel winst werd gemaakt. Op basis van de monitors die zijn uitgevoerd sinds 2022 heeft
de ACM ook geen signalen afgegeven over onevenredige margeverdeling in de keten. Afgelopen
jaren hebben prijzen gefluctueerd. Na een periode van sterk gestegen grondstofprijzen
(2023) zijn deze inmiddels gedaald, met een kostendaling tot gevolg en minder druk
op de marges voor producenten. Bedrijven die afhankelijk zijn van energie (bijvoorbeeld
industrie) houden echter druk op hun marges door gestegen energieprijzen.
101
Kunt u toelichten wat de belangrijkste oorzaken zijn van de vertraging die is ontstaan
bij de uitvoering van aankooptrajecten door de Nationale Grondbank?
De Nationale Grondbank (NGB) van LVVN koopt op verzoek van de provincies cultuurgrond
of agrarische bedrijfslocaties (met grond) op basis van vrijwilligheid en tegen marktconforme
prijzen. Voor het aanbod is de NGB afhankelijk van anderen: de NGB opereert passief.
Het zorgvuldig doorlopen van het gehele aankooptraject speelt een rol bij de genoemde
«vertraging»: een traject duurt gemiddeld zes tot twaalf maanden. Slechts een klein
deel van de bedoelde vertraging kan worden verklaard door het achterblijven van nieuwe
aankooptrajecten: er lijkt voldoende aanbod en de NGB heeft ook een flink aantal casussen
opgepakt. De belangrijkste oorzaak voor de lagere uitputting en de noodzaak om middelen
te schuiven, is echter dat een deel van de casussen niet heeft geleid tot een aankoop;
veelal doordat de verkopende partij met een andere partij tot overeenstemming kwam,
met als achterliggende verklaring dat bod van de NGB te laag werd bevonden.
102
Hoe ziet uw blijvende inzet op multifunctionele landbouw er concreet uit voor de komende
jaren?
Multifunctionele landbouw ondernemingen leveren een positieve bijdrage aan het verdienvermogen
van agrarische bedrijven, de leefbaarheid en werkgelegenheid op het platteland. Zowel
het landelijk gebied als de klanten, cliënten en consumenten profiteren van het multifunctioneel
landbouw-aanbod. Het versterkt de band tussen boer en burger, en tussen stad en platteland.
Dit komt ten goede aan het draagvlak voor de gehele agrarische sector. Ik sta in nauw
contact met LTO Platform Multifunctionele Landbouw, en zal mij ook de komende jaren
blijven inzetten voor deze diverse bedrijfstak in de agrarische sectoren de ontwikkeling
van multifunctionele landbouw.
Zo zet ik me in voor ruimte in beleid en regelgeving. Daartoe voer ik samen met provincies,
gemeenten en andere betrokken partijen het gesprek over regels die in de weg staan
voor multifunctionele initiatieven. Als onderdeel van deze inzet ondersteun ik nu
de ontwikkeling van een routekaart voor Nederlandse gemeenten om multifunctionele
landbouw in het omgevingsplan te passen.
Daarnaast zet ik in op kennis en innovatie over het toekomstperspectief voor de ontwikkeling
van de sector. Zo wordt gewerkt aan een rapport dat het toekomstpad van de multifunctionele
landbouw richting 2035 schetst. Dit rapport zal handvatten bieden voor beleid, verdienmodellen
en samenwerking in de komende jaren. Als laatste blijf ik in constante dialoog met
ondernemers van multifunctionele landbouw ondernemingen en gerelateerde belanghebbenden.
103
Wordt in deze inzet expliciet rekening gehouden met de positie van zorgboerderijen
binnen de multifunctionele landbouw?
Ik zie de positie van zorgboerderijen als zeer belangrijk en in deze inzet wordt dan
ook expliciet rekening gehouden met de positie van zorgboerderijen binnen de multifunctionele
landbouw. Waar het zorgwet- en regelgeving betreft is dit de primaire verantwoordelijkheid
van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. In het kader van de motie van
de Kamerleden Van Campen & Grinwis (Kamerstuk 30 252, nr. 186) ben ik op dit onderwerp in gesprek met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport. De motie verzoekt de regering om in samenwerking met het Ministerie van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport in kaart te brengen hoe knellende wet- en regelgeving
voor zorgboeren en andere, soortgelijke multifunctionele bedrijven weggenomen kan
worden, bijvoorbeeld door middel van uitzonderingen of versoepelingen. Waarbij het
Ministerie van Landbouw, Visserij, voedselzekerheid en Natuur het voortouw dient te
nemen.
Begin 2026 deel ik mijn bevindingen naar aanleiding van deze motie met de Kamer. Het
is een gedeelde kabinetsinzet om administratieve lasten te verminderen en dit staat
dan ook bij ons beiden hoog op de agenda. In dat kader ben en blijf ik in met het
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de sector in gesprek. Zo zoeken
we continue synergie op onze inzet ten aanzien van knellende wet- en regelgeving voor
multifunctionele landbouw ondernemingen in het algemeen en zorgboerderijen in het
bijzonder.
104
Maakt het verminderen van administratieve lasten en het versimpelen van bestaande
wet- en regelgeving onderdeel uit van de inzet? Zo ja, welke concrete stappen neemt
u om dit te realiseren?
Zie het antwoord op vraag nr. 103.
105
In hoeverre stemt u, in het kader van kabinetsinzet op multifunctionele landbouw,
af over de omvangrijke administratieve lasten en regelgeving die zorgboerderijen raken,
zowel in hun rol als ondernemer, agrariër, als in hun rol als zorgaanbieder?
Zie het antwoord op vraag nr. 103.
106
Wat gaat u het komende jaar doen om de positie van multifunctionele landbouw en in
het bijzonder van zorgboerderijen te versterken?
Zie het antwoord op vraag nr. 103.
107
Welke concrete stappen gaat u zetten om de administratieve lastendruk en regeldruk
voor zorgboerderijen en andere bedrijven in de multifunctionele landbouw substantieel
te verminderen?
Zie het antwoord op vraag nr. 103.
108
Wanneer zal de Autoriteit dierwaardige veehouderij worden opgericht?
Er is nog geen datum bekend waarop de Autoriteit dierwaardige veehouderij zal worden
opgericht. De convenantpartijen laten momenteel een verkenning uitvoeren naar de oprichting
van deze Autoriteit. De planning is erop gericht dat deze verkenning eind 2025 gereed
zal zijn. Op basis van deze verkenning en de besluitvorming daarover door convenantpartijen
zal een oprichtingsvoorstel worden uitgewerkt.
109
Welke wetenschappers zijn door het ministerie geconsulteerd over de algemene maatregel
van bestuur (AMvB) dierwaardige veehouderij en wanneer?
Er zijn vanuit meerdere disciplines verschillende wetenschappers geraadpleegd bij
de totstandkoming van de algemene maatregel van bestuur dierwaardige veehouderij.
Het gaat om de volgende disciplines: diergezondheid, dierenwelzijn, economie en emissies.
Ook zijn praktijkexperts geraadpleegd. Dit is gebeurd op verschillende momenten bij
de vormgeving van de AMvB. Zoals aan het begin voor raadpleging van de vormgeving
van mogelijke regels en het inzichtelijk maken van de gedragsbehoeftes van dieren,
bij het berekenen van gevolgen op economisch en emissie gebied van mogelijke regels,
en bij de wetenschappelijke toets die tijdens de internetconsultatie is uitgevoerd.
110
Welke externe organisaties (niet zijnde convenantsorganisaties) zijn door het ministerie
geconsulteerd over de AMvB dierwaardige veehouderij en wanneer?
Tijdens de totstandkoming van de algemene maatregel van bestuur (AMvB) is gedurende
het hele traject regelmatig overleg gevoerd met wetenschappelijke experts, sectorpartijen
en Dierenbescherming. Voor het uitvoeren van de agrarische praktijktoets is met (groepen
van) veehouders gesproken. Daarnaast is een informatiesessie georganiseerd waarbij
niet-convenantpartijen zoals andere veehouderijsectoren, NGO’s, andere ketenpartijen
(o.a. transport en slacht) zijn bijgepraat over de aanpak, planning en vormgeving
van de AMvB.
111
Kunt u een gedetailleerde lijst opstellen van de overeenkomsten en verschillen van
de concept AMvB van Minister Wiersma en de maatregelen in de contourenbrief van voormalig
Minister Adema (Kamerstuk 28 286, nr. 1330) ten aanzien van invulling regelgeving dierwaardige veehouderij?
In de bijlage bij de contourenbrief van mijn voorganger zijn voorgenomen maatregelen
op hoofdlijnen beschreven waarbij een beperkte onderbouwing is gegeven. Daarvoor is
destijds een globale economische impactanalyse opgesteld. De ontwerp AMvB dierwaardige
veehouderij kent concrete artikelen, een artikelsgewijze toelichting en een uitgebreide
nota van toelichting. Voor de totstandkoming van deze ontwerp AMvB zijn meerdere toetsen
uitgevoerd en is een uitgebreidere impactanalyse opgesteld. De documenten zijn dusdanig
verschillend van opzet en onderbouwing dat deze zich niet laten vergelijken.
112
Welke en hoeveel publieke middelen worden ingezet om de dierwaardige veehouderij op
te schalen?
Er zijn in de Rijksbegroting geen middelen beschikbaar gesteld om dierwaardige veehouderij
op te schalen. Het budget dat de komende jaren beschikbaar is gesteld (à € 51 miljoen)
wordt ingezet ter ondersteuning van de uitvoering van het convenant en de ontwerp
AMvB.
113
Hoe verhouden de publieke middelen die worden ingezet ten aanzien van de dierwaardige
veehouderij zich met de beëindigings- en subsidieregelingen voor emissiereductie in
de veehouderij?
Er zijn geen financiële regelingen voor dierwaardige veehouderij. Het budget dat de
komende jaren beschikbaar is gesteld (à € 51 miljoen) wordt ingezet ter ondersteuning
van de uitvoering van het convenant en de ontwerp AMvB. Deze publieke middelen laten
zich dan ook niet vergelijken met de publieke middelen die voor beëindigings- en subsidieregelingen
voor emissiereductie in de veehouderij worden ingezet.
114
Welk afwegingskader wordt gehanteerd in besluitvorming ten aanzien van dierenwelzijn
waar de intrinsieke waarde van het dier een rol speelt?
Als het gaat om het stellen van regels bij of krachtens de Wet dieren dan volgt uit
artikel 1.3 van die wet dat «ten volle rekening gehouden wordt met de gevolgen die
deze regels of besluiten hebben voor deze intrinsieke waarde van het dier, onverminderd
andere gerechtvaardigde belangen. Daarbij wordt er in elk geval in voorzien dat de
inbreuk op de integriteit of het welzijn van dieren, verder dan redelijkerwijs noodzakelijk,
wordt voorkomen en dat de zorg die de dieren redelijkerwijs behoeven is verzekerd.».
In de toelichting bij de ontwerp-AMvB dierwaardige veehouderij wordt gemotiveerd hoe
hieraan gevolg wordt gegeven voor de in de AMvB op te nemen regels.
In deze toelichting ga ik tevens uitgebreid in op de vele aspecten die een rol spelen
bij de afweging om te komen tot een maatregel en om de inwerkingtredingsdatum daarvan
te bepalen. Kort gezegd komt het op het volgende neer. Dieren moeten kunnen beschikken
over een goede omgeving, een goede gezondheid, goede voeding en ze moeten kunnen voorzien
in hun gedragsbehoeften. De gedragsbehoeften van de dieren vormen het beginpunt om
te bepalen welk houdvoorschrift moet worden gesteld en daarmee is de intrinsieke waarde
van het dier een centraal element in de afweging, waarbij ook andere gerechtvaardigde
belangen worden betrokken zoals de uitvoerbaarheid (waaronder vergunningverlening),
de economische gevolgen en relatie met emissies. Dat past bij het uitgangspunt van
dierwaardige veehouderij om de dieren niet aan te passen aan het houderijsysteem,
maar het houderijsysteem aan de dieren.
115
Kunt u aangeven welk afwegingskader u heeft gehanteerd in de besluitvorming om te
komen naar een maatregelenpakket voor de AMvB dierwaardige veehouderij?
Zie het antwoord op vraag 114.
116
Welke belangen hebben meegespeeld en hoe zijn deze belangen afgewogen in het komen
tot de oppervlaktenorm voor kalveren van twee vierkante meter aangezien de EFSA hier
minimaal drie vierkante meter adviseert?
In de Nota van toelichting van de ontwerp AMvB dierwaardige veehouderij ga ik uitgebreid
in op de vele aspecten die een rol spelen bij de afweging om te komen tot een maatregel
en om de inwerkingtredingsdatum daarvan te bepalen. De overkoepelende werkwijze over
het komen tot afwegingen staat beschreven in het algemene deel van de Nota van toelichting
bij de ontwerp AMvB. Daarnaast bevat de Nota van toelichting dierspecifieke hoofdstukken
waarin de afweging per maatregel nader staat toegelicht, zo ook over de specifieke
maatregel die u in deze vraag beschrijft.
117
Welke belangen hebben meegespeeld in de besluitvorming ten aanzien van verplichte
weidegang voor koeien en kalveren en hoe zijn deze belangen afgewogen om te komen
tot het besluit om geen verplichte weidegang in te stellen?
Zie het antwoord op vraag 116.
118
Welke belangen hebben meegespeeld en hoe zijn deze belangen afgewogen in het blijven
toestaan van individuele huisvesting van kalveren tijdens de eerste 2 weken van hun
leven, terwijl a) voormalig Minister Adema individuele huisvesting voor kalveren wilde
uitfaseren en b) dat de EFSA tegen individuele huisvesting adviseert?
Zie het antwoord op vraag 116.
119
In hoeverre en op welke wijze wordt de intrinsieke waarde van het dier als een zelfstandig
belang met een eigen waarde tegenover dat van een mens meegenomen in de belangenafweging
om te komen tot het maatregelenpakket in de concept-AMvB dierwaardige veehouderij?
Als het gaat om het stellen van regels bij of krachtens de Wet dieren dan volgt uit
artikel 1.3 van die wet dat «ten volle rekening gehouden wordt met de gevolgen die
deze regels of besluiten hebben voor deze intrinsieke waarde van het dier, onverminderd
andere gerechtvaardigde belangen. Daarbij wordt er in elk geval in voorzien dat de
inbreuk op de integriteit of het welzijn van dieren, verder dan redelijkerwijs noodzakelijk,
wordt voorkomen en dat de zorg die de dieren redelijkerwijs behoeven is verzekerd.».
In de toelichting bij de ontwerp-AMvB dierwaardige veehouderij wordt gemotiveerd hoe
hieraan gevolg wordt gegeven voor de in de AMvB op te nemen regels.
120
Welke personen en partijen zijn benaderd, gevraagd en/of uitgenodigd om plaats te
nemen in een Autoriteit Dierwaardige Veehouderij en op welke basis, criteria en voorwaarden
deze selectie heeft plaatsgevonden?
Er is niemand benaderd, gevraagd en/of uitgenodigd om plaats te nemen in een Autoriteit
dierwaardige veehouderij. Daarvoor is het nog te vroeg. Er vindt, op verzoek van de
convenantpartijen, momenteel een verkenning plaats naar de oprichting en inrichting
van deze Autoriteit.
121
Wat is de stand van zaken ten aanzien van het in 2008 geformuleerde voornemen om een
afwegingskader te ontwikkelen dat behulpzaam kan zijn voor de weging van verschillende
belangen?
Ik ben niet bekend met het voornemen uit 2008 om een afwegingskader te ontwikkelen
dat behulpzaam kan zijn voor de weging van verschillende belangen. Ik kan u wel melden
dat het Centre for Sustainable Animal Stewardship (CenSAS) van de Universiteit Utrecht
op verzoek van mijn ministerie in 2022 een dergelijk afwegingskader heeft opgesteld.
Uw Kamer is in april 2022 geïnformeerd over de oplevering van dit kader, getiteld
«een stappenplan voor de belangenafweging rond de intrinsieke waarde van het dier»23.
122
Profiteren en zo ja, op welke wijze, dierwaardige koploperboeren van financiële regelingen
ten opzichte van gangbare boeren?
Naar aanleiding van diverse signalen is de RVO bezig met een inventarisatie om te
bezien of financiële regelingen die door RVO worden uitgevoerd mogelijk onbedoeld
niet toegankelijk zijn voor natuurinclusieve of biologische boeren.
123
Kan een opsomming worden gegeven van interventies binnen het agrarisch onderwijs die
bijdragen aan de transitie naar een dierwaardige veehouderij?
De vernieuwing van het onderwijs en de koppeling tussen theorie en praktijk wordt
op een aantal manieren ondersteund. Daarover is veel contact tussen mijn departement
en het agrarisch onderwijs, onder andere via het Groenpact. Het agrarisch onderwijs
heeft een belangrijke stap gezet met de oprichting van het nieuwe lectorenplatform
in de groene sector: Dierwaardigheid in Praktijk (DiP). Dit is een initiatief van
zes hogescholen (Aeres, HVHL, Has greenacademy, Inholland, Christelijke Hogeschool
Ede en Avans). Naast de deelnemende hogescholen zijn ook Universiteit Utrecht, Wageningen
University & Research, CenSAS, Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA), De Land Bouwers
Twente, ZLTO en het practoraat Dierenwelzijn en -gezondheid betrokken bij het platform.
Ik beschik niet over een compleet overzicht van activiteiten maar licht er hieronder
een aantal voor u uit. Het Center of Expertise Groen (cluster dier) en het lectorenplatform
hebben gezamenlijk een position paper dierwaardigheid in de praktijk opgesteld. In
het verlengde daarvan wordt binnen het programma praktijkgericht onderzoek voedsel
en groen van NWO-SIA een thematische call opengesteld voor een meerjarig praktijkgericht
onderzoek dierwaardigheid. Kennisdeling naar het onderwijs en de praktijk over dierwaardigheid,
en diergezondheid en welzijn in het algemeen, vindt plaats via Groenkennisnet in samenwerking
met het Dierenwelzijnsweb onder meer via het kennisdossier Dierwaardigheid. Het Centrum
voor Innovatief Vakmanschap Groen (cluster dier) organiseert landelijke onderwijsdagen
voor docenten. Een van deze onderwijsdagen stond in het teken van dierwaardige veehouderij.
124
Hoeveel geld gaat er naar onderzoek naar nieuwe dierwaardige stalsystemen en hoeveel
geld er gaat naar onderzoek naar dierwaardigheid binnen bestaande stalsystemen?
Er wordt momenteel geen budget specifiek ingezet voor onderzoek naar nieuwe dierwaardige
stalsystemen en/of specifiek onderzoek naar dierwaardigheid binnen bestaande stalsystemen.
Wel zijn er PPS-projecten die stalaspecten meenemen, denk aan Melkwegen 2050, Coviva 1.0 en 2.0. Mijn
inzet is er evenwel op gericht om de komende jaren in de uitvoering van het convenant
dierwaardige veehouderij en het daarvoor beschikbare budget (à € 51 miljoen) te investeren
in onderzoek naar dierwaardigheid in bestaande en/of nieuwe stalsystemen.
125
In hoeverre en op welke dossiers is dierwaardigheid een randvoorwaarde in beleid?
Met de inwerkingtreding van de Wet dieren per 1 juli 2024 is het streven naar dierwaardige
veehouderij in 2040 voor alle dossiers die spelen in of raken aan de veehouderij in
mindere of meerdere mate relevant geworden. Het raakt nu vooral aan onderwerpen die
spelen in de pluimveesector, varkenssector, melkveesector en kalverhouderij. Op een
later moment zullen andere veehouderijsectoren hierbij eveneens direct betrokken raken.
In meerdere subsidieregelingen is het verhogen van dierenwelzijn als randvoorwaarde
opgenomen.
126
Waar zitten de knelpunten om dierwaardigheid op te nemen als voorwaarde in de vergunningverlening
van stallen en welke mogelijke maatregelen, los of deze politiek haalbaar zijn, kunnen
deze knelpunten weghalen?
Dierwaardigheid is géén voorwaarde voor vergunningverlening. Uiteraard is vergunningverlening
wel van belang. Immers om aan de voorschriften uit de ontwerp-AMvB dierwaardige veehouderij
te kunnen voldoen, zullen aanpassingen in bestaande stallen moeten worden gedaan of
nieuwe stallen moeten worden gebouwd. Momenteel is ten algemene de natuurvergunningproblematiek
een groot knelpunt. Op 16 september jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd over het vervolgpakket
«Nederland van het slot»24.
127
Welke kritische prestatie-indicatoren (kpi’s) zijn geformuleerd in beleidsdoelstellingen
voor dierwaardigheid in de melkveehouderij, kalverhouderij, leghennenhouderij, vleeskuikenhouderij,
broederijen, ouderdieren en de varkenshouderij?
Er zijn vooralsnog geen kritische prestatie-indicatoren (kpi’s) geformuleerd in beleidsdoelstellingen
voor dierwaardige veehouderij. Wel wordt verkend hoe opgaven op het gebied van dierwaardigheid
mee kunnen worden gewogen in de integrale KPI-kernset voor duurzame landbouw, als
onderdeel van het programma bedrijfsgerichte doelsturing. Het streven is om dit jaar
de integrale KPI-kernset voor melkvee op te leveren.
128
Welke tenderregeling staan open of worden geopend ten aanzien van de eiwittransitie,
extensivering en/of dierwaardigheid?
De GLB-NSP regeling Samenwerking in veenweide en overgangsgebieden N2000 is een tenderregeling.
De tweede openstelling is gepland in voorjaar 2026.
Voor Dierwaardige Veehouderij en de Eiwittransitie staat geen tenderregelingen open.
129
Hoeveel runderen worden in Nederland jaarlijks gefokt op hoornloosheid?
Deze gegevens worden niet geregistreerd.
130
Welke restricties biedt het zelfreguleringsplan «Duurzame Fokkerij» ten aanzien van
het fokken op hoogproductiviteit en het fokken op het weghalen van lichaamsdelen zoals
hoorns bij runderen?
Deze vraag kan ik niet beantwoorden. Het is niet duidelijk waarop wordt gedoeld met
het zelfreguleringsplan «Duurzame Fokkerij».
131
Hoeveel biggen werpen zeugen gemiddeld in Nederland? Wat is hierin de trend van de
afgelopen tien jaar?
Er worden bij de varkens geen geboortemeldingen geregistreerd. Dit betekent dat niet
is te bepalen hoeveel biggen per zeug er gemiddeld geboren worden.
132
Waar en in hoeverre wordt CRISPR-Cas in Europa en Nederland toegepast op dieren?
In Nederland en Europa wordt de CRISPR-Cas techniek niet toegepast op productiedieren
of huisdieren. Hier gelden zeer strikte regels voor in Europa en is nog nooit een
vergunning voor afgegeven. CRISPR-Cas wordt daarentegen wel toegepast bij proefdieren,
om deze dieren het gewenste genetische profiel wat nodig is voor een bepaald experiment
te geven. In welke mate deze techniek wordt toegepast wordt echter niet bijgehouden
in de dierproevenstatistieken in Nederland en Europa.
133
Wat is de financiële bijdrage van financiële instellingen zoals banken, verzekeraars
en pensioenfondsen aan het convenant dierwaardige veehouderij of de uitwerking van
de AMvB dierwaardige veehouderij?
Er zijn geen financiële bijdragen van financiële instellingen aan het convenant dierwaardige
veehouderij of de uitwerking van de AMvB dierwaardige veehouderij. Ik sluit niet uit
dat dergelijke instellingen in sectoren of in bedrijven investeren. Ik beschik echter
niet over dergelijke data.
134
Wat is de financiële bijdrage en commitment aan het convenant dierwaardige veehouderij
of de uitwerking van de AMvB dierwaardige veehouderij van respectievelijk de bedrijven
Hendrix-Genetics, Topigs Norsvin NL, Van Drie, Vion, For Farmers, Plukon Food Group,
Friesland Campina en CRV?
De bedrijven Friesland Campina en Van Drie Group en zijn vertegenwoordigd in de achterban
van de convenantpartijen voor de melkveesector en kalverhouderij. Deze bedrijven hebben
«in kind» bijdragen geleverd via de bij het convenant betrokken sectorpartijen. En
via deze sectorpartijen zijn zij ook gecommitteerd aan het convenant door de ondertekening
daarvan. Geen van bovenstaande partijen heeft een financiële bijdrage geleverd.
135
Aan de invulling van welke open normen in de Wet dieren en/of het Besluit houders
van dieren wordt op dit moment gewerkt?
Bij brief van 24 juni jl. is de Tweede Kamer, naar aanleiding van een toezegging aan
het lid Kostic (PvdD), geïnformeerd over de invulling van open normen25. Momenteel wordt nog aan de invulling van dezelfde open normen gewerkt zoals in die
brief vermeld. Voor zover het gaat om de invulling van open normen in de Wet dieren
of het Besluit houders van dieren gaat het om:
1. Artikel 3.6 van het Besluit houders van dieren (Bhvd): verbod en uitzondering voor
niet bedrijfsmatig handelen (met gezelschapsdieren).
2. Artikel 1.6 lid 3 van het Bhvd: «een dier wordt, indien het niet in een gebouw wordt
gehouden, bescherming geboden tegen [...] roofdieren» (c.q. de wolf)
3. In de artikelen 1.6, 1.7, 1.8 en 3.12 van het Bhvd gegeven normen, voor zover het
betreft de toepassing van het tijdelijk huisvesten van reptielen op reptielenbeurzen.
4. Artikel 1.6 lid 3 van het Bhvd: «een dier wordt, indien het niet in een gebouw wordt
gehouden, bescherming geboden tegen slechte weersomstandigheden [...]» (anders dan
hitte).
5. Artikel 2.5 lid 4 van het Bhvd: «... de gasconcentraties in de omgeving van het dier
zijn niet schadelijk voor het dier». Deze open norm wordt nader ingevuld voor de diersoort
varkens.
6. Artikel 2.3, onderdeel b van het Besluit diergeneeskundigen: het verbod op het routinematig
couperen van staarten van biggen.
7. Artikel 1,7, onderdeel b van het Bhvd: houder dient te zorgen dat een dier toegang
heeft tot een toereikende hoeveelheid water van passende kwaliteit of op een andere
wijze aan zijn behoefte aan water kan voldoen. Deze open norm wordt nader ingevuld
voor reguliere vleeskuikenouderdieren.
136
Welke organisaties en wetenschappers zijn bij de invulling van welke open normen in
de Wet dieren betrokken?
Op dit moment wordt gewerkt aan de invulling van open normen in de Wet dieren, en
meer specifiek aan een aantal normen uit het Besluit houders van dieren (zie het antwoord
op vraag 135 met het overzicht van open normen waar aan invulling wordt gewerkt).
In de regel zullen in ieder geval de partijen die aan de betreffende regels moeten
voldoen, worden betrokken bij de invulling van de open norm. Ook andere belanghebbenden
kunnen in verschillende fases van het proces van het invullen worden betrokken. Daarnaast
worden toezichthoudende instanties betrokken en kunnen onderzoekers in het proces
worden betrokken als blijkt dat nadere wetenschappelijke kennis voor de invulling
van de open norm gewenst is.
137
Wie kan verzoeken indienen om open normen in de Wet dieren en/of het Besluit houders
van dieren in te vullen?
De toezichthouders NVWA, RVO LID en de (Dieren)politie kunnen een verzoek indienen
om een open norm in te vullen. Een verzoek kan ook voortkomen uit een motie van of
een toezegging aan het parlement. Daarnaast ben ik, zoals aangegeven in de brief van
8 juli jl.26, bezig om het proces om te komen tot invulling van open normen aan te scherpen en
de betrokkenheid van sectorpartijen en belangenorganisaties een vaste plek te geven
in de werkwijze. Sectorpartijen kunnen, indien zij zorgen hebben op een bepaalde open
norm, deze inbrengen in de diverse bestaande bestuurlijke overleggen.
138
Door wie zijn verzoeken ingediend om open normen in de Wet dieren en/of het Besluit
houders van dieren in te vullen?
NVWA en LID hebben de verzoeken ingediend van de open normen in de Wet Dieren en/of
het Besluit houders van dieren, die zijn ingevuld of waarvoor aan invulling wordt
gewerkt.
139
Hoe is vervolg gegeven aan de motie van de leden Bromet en Thijssen (GroenLinks-PvdA)
(Kamerstuk 36 200 XIV, nr. 46) over het ondersteunen van innovatieve grondgebonden natuurinclusieve veehouderij
sinds het uitblijven van een Landbouwakkoord?
Het kabinet wil ten algemene bevorderen dat zoveel mogelijk boeren werken op een wijze
die ook goed is voor natuur en milieu en heeft daarom structureel budget beschikbaar
gesteld voor uitbreiding van agrarisch natuurbeheer om boeren beter te kunnen belonen
en langjarig zekerheid te bieden en zo deelname aantrekkelijker te maken. Specifiek
voor veehouders in en rond stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ondersteunt de regeling
«samenwerking in veenweiden en overgangsgebieden N2000» melkveehouders die in de stikstofgevoelige
Natura 2000-gebieden en de zone daaromheen extensiveren. Deze regeling zet ook in
op samenwerking van veehouders omdat zo koplopers in de kringlooplandbouw, waaronder
biologische en natuurinclusieve melkveehouderijbedrijven, hun kennis over extensieve
bedrijfsvoering kunnen delen met de andere melkveehouderijbedrijven in het samenwerkingsverband.
LVVN ondersteunt ook projecten die bijdragen aan de verdere ontwikkeling van de natuur-inclusieve
veehouderij. Een voorbeeld is de financiering door LVVN van de pilot Natuurinclusieve
landbouw (NIL) die de samenwerking bevordert tussen boeren en natuurbeheerders die
zich toespitst op overgangszones bij natuurgebieden. Een ander voorbeeld is het faciliteren
van kennisontwikkeling/deling rond verdienmodellen van natuurinclusieve en biologische
bedrijven door «Wij.land», dat nu een vervolg krijgt in ReGeNL. ReGeNLontwikkelt samen
met Nederlandse boeren een toekomstbestendige landbouwsector waarbij landbouw samengaat
met bodemverbetering en natuurherstel en daarbij een goed verdienmodel voor de boeren.
Tussen nu en 2030 start ReGeNL met 1.000 boeren de overgang naar regeneratieve landbouw
met een positieve business case.
LVVN heeft ook de kennis en kennisdoorwerking over natuurinclusieve landbouw in het
groene onderwijs gestimuleerd via de «Green Deal groen onderwijs natuurinclusieve
landbouw». Deze is onlangs afgerond, maar de onderwijsinstellingen gaan door met het
verspreiden van de benodigde kennis en vaardigheden onder de boeren van de toekomst.
140
Hoe wordt vervolg gegeven aan de motie van de leden Kostic (PvdD) en Koekkoek (Volt)
(Kamerstuk 35 334, nr. 391) over stikstofmaatregelen toetsen op dierwaardigheid?
Het beleid en verschillende maatregelen die voor verschillende opgaven wordt gemaakt,
wordt zoveel mogelijk integraal aangevlogen. Immers, het komt allemaal samen op het
boerenerf. Zo wil het kabinet voorkomen dat beleid ingaat tegen andere opgaven waar
agrarische ondernemers aan werken en dat maatregelen elkaar juist zo veel mogelijk
versterken. Er zijn maatregelen waarin dierwaardigheid en het verminderen van de stikstofuitstoot
hand in hand gaan, zoals bij weidegang. Ook sommige stalinnovaties dragen zowel bij
aan het verminderen van emissies als een hoger dierenwelzijn. Maar er zijn ook maatregelen
waar we meer alert moeten zijn en waar nodig wordt daar getoetst op de effecten op
dierwaardigheid. Bijvoorbeeld bij maatregelen op gebied van veevoer. Waar gewerkt
wordt aan het verlagen van het ruw eiwitgehalte van het melkveerantsoen, is extra
aandacht voor de gevolgen voor diergezondheid. Zo onderzoekt de Dairy Campus wat de
gevolgen zijn van verschillende ruw eiwitgehaltes op de diergezondheid. Ook binnen
de pilot Koe & Eiwit wordt onderzocht wat de effecten zijn van voeraanpassingen op
diergezondheid. In het convenant voerspoor is een inspanningsverplichting opgenomen
op sectorniveau. Hierdoor behouden veehouders keuzevrijheid en is er ruimte voor onderlinge
verschillen. Zo blijven nutritionele behoeftes geborgd en wordt diergezondheid niet
geschaad en worden daarmee negatieve effecten op dierwaardigheid voorkomen. Ook geldt
de relatie tussen stikstof en dierwaardigheid andersom en kunnen sommige maatregelen
ten behoeve van dierwaardigheid effecten hebben op de stikstofopgaven. Samen met partijen
van het convenant dierwaardige veehouderij geeft de Minister van LVVN daarom uitvoering
aan de kennisagenda dierwaardige veehouderij waarbij ook hiernaar gekeken wordt.
141
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, de Land- en Tuinbouworganisatie Nederland (LTO) en over welk dossier?
De Minister en de Staatssecretaris van LVVN hebben op verschillende momenten, op verschillende
plaatsen en op verschillende manieren contact met genoemde partijen. Om daar open
en transparant over te zijn, worden de agenda’s van de bewindspersonen openbaar gemaakt.
Alle officiële gesprekken, afspraken en werkbezoeken met externe partijen zijn terug
te vinden in deze openbare agenda op Rijksoverheid.nl, met uitzonderingen voor afspraken
die bijvoorbeeld privacy of veiligheid raken. Bij alle agenda-items wordt tenminste
het onderwerp/thema en een toelichting op de activiteit opgenomen. De agenda wordt
wekelijks gepubliceerd en bevat alleen de afspraken die ook daadwerkelijk hebben plaatsgevonden.
Bij de afspraken worden ook de deelnemers en organisaties zoveel mogelijk genoemd.
We volgen daarbij het uitgangspunt «openbaar, tenzij» en de beschrijving uit de «Uitvoeringsrichtlijn
Openbare agenda bewindslieden».
Daarnaast zijn er bijeenkomsten waar meerdere van de genoemde partijen aanwezig zijn.
De contacten die daar plaatsvinden worden niet geregistreerd. Dat geldt ook voor overige
informele of partijpolitieke contacten.
142
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, Agractie en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
143
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, Farmers Defence Force en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
144
Hoe vaak heeft de Minister van LVVN, en hoe vaak heeft de Staatssecretaris van LVVN,
sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond van, het Nederlands
Agrarisch Jongeren Kontakt (NAJK) en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
145
Hoe vaak heeft de Minister van LVVN, en hoe vaak heeft de Staatssecretaris van LVVN,
sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond van, Biohuis en over
welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
146
Hoe vaak heeft de Minister van LVVN, en hoe vaak heeft de Staatssecretaris van LVVN,
sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond van, Bionext en over
welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
147
Hoe vaak heeft u gesproken met, en/of evenementen bijgewoond van, de Nederlandse Akkerbouw
Vakbond (NAV) en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
148
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, BO Akkerbouw en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
149
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, de Nederlandse Aardappel Organisatie (NAO) en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
150
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, de Vereniging voor Aardappelverwerkende Industrie Nederland (VAVI) en over welk
dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
151
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, de Vereniging van de Nederlandse Groente- en Fruitverwerkende Industrie (VIGEF)
en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
152
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, de Nederlandse Fruittelers Organisatie (NFO) en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
153
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, Glastuinbouw Nederland en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
154
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, Plantum en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
155
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, Agrifirm en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
156
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, De Heus en over welk dossier?
157
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, ForFarmers?
Zie beantwoording vraag 141.
158
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, Cargill en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
159
Hoe vaak heeft de Minister van LVVN sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen
bijgewoond van, het Comité van Graanhandelaren?
Zie beantwoording vraag 141.
160
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, de Producenten Organisatie Varkenshouderij (POV) en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
161
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, de Coalitie Vitale Varkenshouderij (CoViVa) en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
162
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, de Centrale Organisatie voor Broedeieren en Kuikens (COBK) en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
163
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, de Stichting Brancheorganisatie Kalversector (SBK) en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
164
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, Vion Food Group en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
165
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, VanDrie Groep en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
166
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, Nutreco en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
167
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, Compaxo en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
168
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, Plukon en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
169
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, Tomassen Duck-To en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
170
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, het Platform Melkgeitenhouderij en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
171
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, de Algemene Nederlandse Vereniging van Eierhandelaren en Eiproductfabrikanten
(Anevei) en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
172
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, Stichting AVINED en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
173
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, de Nederlandse Vakbond Pluimveehouders (NVP) en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
174
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, de Unie van Pluimvee Producenten (PO UPP) en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
175
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, de Nederlandse Vereniging van Pluimvee Service Bedrijven (NVPSB) en over welk
dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
176
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, de Vereniging van de Nederlandse Pluimveeverwerkende Industrie (NEPLUVI) en over
welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
177
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, FrieslandCampina en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
178
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, Dutch Dairy Board en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
179
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, de Nederlandse Melkveehouders Vakbond (NMV) en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
180
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, de Nederlandse Zuivel Organisatie (NZO) en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141
181
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, ZuivelNL en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
182
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, het Centraal Bureau Levensmiddelenhandel (CBL) en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
183
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, de Centrale Organisatie voor de Vleessector (COV) en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
184
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, de Vereniging voor de Nederlandse Vleeswarenindustrie (VNV) en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
185
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, Koninklijke Nederlandse Slagers (KNS)?
Zie beantwoording vraag 141.
186
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging (KNJV)?
Zie beantwoording vraag 141.
187
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, de Vereniging van Keurslagers en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
188
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, de Federatie Nederlandse Levensmiddelen Industrie (FNLI) en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
189
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, Caring Farmers en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
190
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, de Dierenbescherming?
Zie beantwoording vraag 141
191
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, (de organisaties van) de Dierencoalitie en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
192
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, Stichting DierenLot en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
193
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, de Nederlandse Vissersbond en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
194
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, de Coöperatieve Visserij Organisatie (CVO) en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
195
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, de Visfederatie en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
196
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, de Nederlandse Vereniging van Viskwekers (NeVeVi) en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
197
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, Landschappen NL en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
198
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, Natuur&Milieu en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
199
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, de Natuur- en Milieufederaties en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
200
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, Natuurmonumenten en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
201
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, Milieudefensie en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
202
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, Soorten NL en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
203
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, de Zoogdiervereniging en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
204
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, Stichting De Noordzee en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
205
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, Vogelbescherming Nederland en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
206
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, Wereld Natuur Fonds Nederland en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
207
Hoe vaak heeft u sinds 1 januari 2025 gesproken met, en/of evenementen bijgewoond
van, de Waddenvereniging en over welk dossier?
Zie beantwoording vraag 141.
208
Hoeveel bedrijven in de garnalenvisserij verwacht u die gebruik zullen maken van de
vrijwillige saneringsregeling en om welk aandeel van de totale garnalenvisserij gaat
dit dan?
Naar verwachting zullen er rond de 50 garnalenvaartuigen worden gesaneerd. Dit blijkt
uit gesprekken met de sector. Dat komt neer op ongeveer 25% van de garnalenvloot.
209
Wat is de formulering van de opdracht ten aanzien van de evaluatie van het huidige
jachtstelsel?
Over de formulering van de opdracht vindt op dit moment nog afstemming plaats, waarbij
de provincies en andere stakeholders nauw worden betrokken.
210
Welke preventieve maatregelen kan de overheid nemen, los van het politiek draagvlak,
om de achteruitgang van dierlijke soorten tegen te gaan?
In de Omgevingswet zijn verbodsbepalingen opgenomen die erop gericht zijn de achteruitgang
van soorten te voorkomen, waaronder het verbod om dieren te doden, verontrusten of
verblijfplaatsen te vernielen. Daarnaast vloeien uit de Omgevingswet verplichtingen
voort om voor bepaalde soorten actieve maatregelen te nemen met als doel populaties
te herstellen. Voor dit laatste zijn provincies verantwoordelijk.
211
Is er ten aanzien van de stelselherziening jacht met de provincies gesproken over
het overdragen van de financiele aansprakelijkheid van faunaschade van provincies
naar de landelijke overheid om hiermee de financiele belangenverstrengeling tussen
besluitvorming en beoordeling weg te nemen?
Nee, het verlenen van tegemoetkomingen is een bevoegdheid van de provincies. Er zijn
op dit moment geen voornemens om daaraan iets te veranderen. Bij de inwerkingtreding
van de Wet natuurbescherming in 2016 is er bewust voor gekozen om de rol van bevoegd
gezag en de verantwoordelijkheid om tegemoetkomingen te verlenen bij één bestuurslaag
te beleggen.
212
Hoe wordt de onafhankelijkheid van de evaluatie naar het jachtstelsel van het onderzoeksbureau
of de onderzoekers gewaarborgd?
De onafhankelijkheid van de evaluatie wordt gewaarborgd door een transparante selectie
van het onderzoeksbureau, waarbij onafhankelijkheid als belangrijk selectiecriterium
in het offerteproces wordt meegewogen. Daarnaast worden duidelijke afspraken gemaakt
over de onderzoeksopzet en -uitvoering. Voorafgaand aan de start van het onderzoek
wordt van het bureau verwacht dat het een voorstel indient waarin wordt toegelicht
hoe de onafhankelijkheid gedurende het hele onderzoek wordt geborgd.
213
Wordt ook de effectiviteit van alternatieven voor jacht (zoals preventieve maatregelen,
ecologische beheeropties, uitbreiding natuurareaal) in de evaluatie naar het jachtstelsel
meegenomen?
De evaluatie zal zich richten op wetgeving, de manier waarop daar uitwerking en uitvoering
aan wordt gegeven en de mate waarin de doelstellingen van het wettelijk instrumentarium
worden gerealiseerd. Een van de wettelijke vereisten in het kader van schadebestrijding
is dat bij een ingreep eerst wordt beoordeeld of de inzet van andere bevredigende
oplossingen mogelijk is. Inzicht in dergelijke oplossingen en ook de mate waarin die
bevredigend zijn is dus onderdeel van de evaluatie. Bij jacht ten behoeve van benutting
is een beoordeling van andere bevredigende oplossingen niet onderdeel van het wettelijk
kader.
214
Hoe en wanneer wordt de Kamer geïnformeerd over de voortgang van de evaluatie naar
het jachtstelsel?
In de volgende verzamelbrief Natuur zal een update van de evaluatie worden gegeven.
215
Wanneer start de evaluatie naar het jachtstelsel en wat is de verwachte opleverdatum?
Naar verwachting wordt de opdracht medio januari 2026 verstrekt en kan de evaluatie
rond de zomer van 2026 worden opgeleverd. De definitieve doorlooptijd is afhankelijk
van de scope van de evaluatie en de gekozen onderzoeksmethode. Hierover bestaat meer
duidelijkheid na de selectie van het onderzoeksbureau. De officiële planning van het
onderzoeksbureau zal na de selectie met de Kamer worden gedeeld.
216
Wat is het beschikbare budget voor de evaluatie naar het jachtstelsel en uit welk
begrotingsartikel komt dit?
Het traject voor de bestedingsplannen van 2026 zal binnenkort van start gaan. Het
voornemen is om 80.000 euro te reserveren voor de beleidsevaluatie, uit begrotingsartikel
22 voor Natuur Visserij en Gebiedsgericht werken.
217
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de herziening van natuurdoelanalyses?
Is de handreiking hiervoor inmiddels beschikbaar? Wordt deze met de Kamer gedeeld?
Eind vorig jaar zijn bestuurlijke afspraken gemaakt over het vervolg cyclisch proces
van de natuurdoelanalyses. Rijk en provincies hebben afgesproken dat de natuurdoelanalyses
verbreed zullen worden naar alle drukfactoren, alle habitats en alle Natura 2000-gebieden,
in plaats van een beperkte focus op stikstof zoals in de eerste cyclus het geval was.
Ook is afgesproken dat de natuurdoelanalyses een plek krijgen in het proces van de
Natura 2000-beheerplannen. Het is aan de voortouwnemers om aan deze afspraken nu al
invulling te geven. Om hen (provincies, Rijkswaterstaat en Defensie) hierin te faciliteren,
wordt de handreiking voor het opstellen van de natuurdoelanalyses geactualiseerd door
Rijk en provincies. De geactualiseerde handreiking is nog niet af omdat het kabinet
het belangrijk vindt dat hierin ook de inbreng van externe stakeholders betrokken
wordt. Deze inbreng is opgehaald en wordt nu verwerkt. Verwacht wordt dat de handreiking
eind dit jaar in concept gereed is, deze zal vervolgens door de Ecologische Autoriteit
getoetst worden. Nadat het toetsingsadvies verwerkt is en bestuurlijke besluitvorming
heeft plaatsgevonden, kan de handreiking met uw Kamer gedeeld worden.
218
Welke overheidsmiddelen moeten op basis van de Impactassessment Verordening Natuurherstel
beschikbaar worden gemaakt om de noodzakelijke maatregelen te nemen om te kunnen voldoen
aan de Natuurherstelverordening? Klopt het dat dit zo'n 1,7 tot 2 miljard euro per
jaar vraagt?
De Natuurherstelverordening behelst een grote opdracht voor Nederland en andere Europese
Lidstaten op het gebied van natuurherstel en additionele natuurmonitoring. De NHV
bevat oplopende doelen voor 2030, 2040 tot en met 2050. Conform de vereisten van de
verordening zal Nederland op 1 september 2026 een concept-natuurplan opleveren, en
vervolgens op 1 september 2027 een definitief natuurplan. Op dit moment wordt ten
behoeve van het concept-natuurplan uitgewerkt welke maatregelen én middelen nodig
zijn om als Nederland te kunnen voldoen aan de Natuurherstelverordening. De eerste
inschatting daarover is gemaakt door Berenschot en Arcadis in het impact assessment
dat is gemaakt ten tijde van de totstandkoming van de Natuurherstelverordening. De
daadwerkelijke omvang van benodigde (Nederlandse) overheidsmiddelen is afhankelijk
van verschillende factoren, zoals het type maatregelen die benodigd blijken en/of
waarvoor gekozen wordt, de kosteneffectiviteit van maatregelen en de mate waarin Europese
financiering vanuit het nieuwe MFK zal bijdragen aan de te nemen maatregelfinanciering.
Dat is bepalend voor de totale omvang van het benodigd budget en het is te vroeg om
hierop vooruit te lopen. Zoals in het Programmaplan Natuurplan is aangegeven, geldt
dat het verder vormgeven van het Natuurplan en bijbehorende bekostiging aan een volgend
kabinet is.
219
Is het juist dat investeringen in systeemherstelmaatregelen omwille van de efficiency
en effectiviteit het best aan het begin van het traject van de Natuurherstelverordening
kunnen worden gedaan? Welke budgettaire consequenties heeft dit?
De urgentie van deze opgave is groot. Uit alle recente onderzoeken en rapportages
blijkt dat het overheidsbeleid van de afgelopen jaren niet heeft geleid tot duurzaam
herstel van natuur en biodiversiteit en ook dat het beleid dat nu in uitvoering of
voorbereiding is onvoldoende perspectief biedt op VHR-doelbereik. Gezien de juridische
verplichtingen die additioneel op de natuurwetgeving zijn gekomen door de Natuurherstelverordening,
zal er meer invulling moeten worden gegeven aan het natuurbeleid, om de doelen daadwerkelijk
te halen. Systeemherstel is daarvoor randvoorwaardelijk en het starten met systeemherstel
kan voorkomen dat extra kosten moeten worden gemaakt voor herstel van schade omdat
systeemherstel uitblijft. Tegelijkertijd zijn ook andere maatregelen zoals goed beheer
zijn nodig om de natuur daadwerkelijk te verbeteren.
Daar zullen naar verwachting substantiële incidentele- en structurele middelen voor
nodig zijn om de benodigde maatregelen te kunnen treffen. Het (concept)natuurplan
zal zich primair richten op de doelen voor 2030, met doorkijk naar de verder oplopende
doelen voor 2040 en 2050. Voor zowel de te nemen maatregelen als de financiering daarvan,
zal een afweging worden gemaakt op basis van zaken als effectiviteit van de maatregel,
de synergiën met ander beleid, kostenefficiëntie, draagvlak en uitvoerbaarheid. In
het Programmaplan Natuurplan zijn de stappen voor het komen tot maatregelen en het
concept en definitief Natuurplan uitvoerig geduid. Het is te vroeg in het proces van
de totstandkoming van het Natuurplan om al een precieze inschatting te kunnen geven
van de budgettaire consequenties.
220
Hoeveel stikstofuitstotende bedrijven zijn er binnen 250 meter van overbelaste gebieden
in de Veluwe en de Peel?
Eind april heeft het RIVM een kennisnotitie gepubliceerd met informatie over de zones
rondom Natura 2000-gebieden27. Als bijlage bij deze kennisnotitie zijn databestanden toegevoegd, waarin onder andere
de hier gevraagde informatie te vinden is. Voor de Veluwe gaat het om ongeveer 215 agrarische
en 2 industriële bedrijven in de zone tot 250 meter van de rand van het Natura 2000-gebied
(inclusief bedrijven in het gebied zelf). Voor de beide Peel-gebieden samen gaat het
in totaal om ongeveer 20 agrarische en 0 industriële bedrijven in diezelfde zone.
De aantallen zijn gebaseerd op de data van het emissiejaar 2022.
221
Hoeveel schapen of andere gehouden hoefdieren zijn er in 2024 en 2025 gebeten of aangevallen
door een hond en hoeveel zijn gestorven als gevolg van de bijtwonden van een hond?
De vastgestelde getallen die bij B1228 bekend zijn, staan in de onderstaande tabel. De gegevens zijn bijgewerkt tot 16 oktober
2025.
Gewond
Gedood
Geëuthanaseerd
2024
40
73
12
2025
14
14
5
222
Welke vormen van innovatie die voortkomen uit rijksinvesteringen hebben tot nu toe
de meeste stikstofruimte opgeleverd en hoeveel?
Vooralsnog hebben maatregelen gericht op innovatie nog geen stikstofruimte opgeleverd.
Voor de SSRS-systematiek is er namelijk enkel sprake van stikstofruimte als er, sinds
de introductie van deze systematiek, vergunningen zijn gewijzigd ten gevolge van de
inzet van innovatieve maatregelen. Ten aanzien van emissiereductie uit stallen geldt
dat de investeringsprojecten uit de recente openstelling van de regeling «Subsidie
voor investeringen in verduurzaming voor veehouderijlocaties met piekbelasting» nog
lopen en er nog geen vergunningen zijn aangepast.
De voermanagementmaatregel waarover in 2021 afspraken zijn gemaakt met de melkveesector
is niet inrekenbaar aangezien er geen aanpassing van vergunningen plaatsvindt. Daarom
zal deze maatregel, ondanks de verwachte daling van het ruweiwitgehalte naar 160 g/kg
droge stof in 2025 dankzij landelijke uitrol van voorgaande pilots, geen stikstofruimte
in de zin van de SSRS-systematiek opleveren.
223
Valt onder het meer wendbaar maken van de organisatie van de NVWA ook het inkrimpen
en of flexibiliseren van het vaste personeelsbestand?
Om de organisatie voldoende wendbaar te houden, werkt de NVWA ook aan het flexibiliseren
van het vaste personeelsbestand. Een deel van de medewerkers combineert specialistische
en generalistische taken, en waar mogelijk worden bestaande functies verbreed. We
ondersteunen dit met een gericht ontwikkelaanbod en learning on the job. We ontwikkelen
daarnaast nieuwe, flexibele organisatievormen, zodat we met het huidige personeelsbestand
het toezicht risicogericht en effectief kunnen inzetten.
224
Wat is de verwachte emissiereductie per maatregel en per wanneer?
Op Prinsjesdag heeft het kabinet onder andere aangekondigd om € 2,6 miljard incidenteel
en € 287,5 miljoen structureel vrij te maken voor emissiereductie en natuurherstel.
Dit komt bovenop de reeds beschikbare middelen die met het startpakket beschikbaar
zijn gekomen.
Alvorens de middelen besteed worden, dienen maatregelen verder uitgewerkt en verfijnd
te worden. Aan die uitwerking wordt momenteel hard gewerkt, in samenspraak met maatschappelijke
partijen en medeoverheden, om ervoor te zorgen dat de maatregelen ook uitvoerbaar
en doeltreffend zijn in de praktijk. Hoeveel reductie er te verwachten is per maatregel,
hangt af van deze nadere concretisering. Een precieze emissiereductie valt derhalve
op dit moment niet te geven. Beoogd wordt om de middelen te besteden in de jaren 2028
tot en met 2030. Dit sluit aan bij het kabinetsvoornemen om een significant deel van
de beoogde emissiereductie al vóór 2030 te realiseren. Ook worden hiervoor concrete
streefwaarden voor 2030 gericht op alle sectoren bepaald, en worden in 2026 normen
voor doelsturing in de landbouw vastgesteld.
225
Kunt u inzicht geven in de procedure die wordt gevolgd wordt voor het vervangen van
AERIUS, inclusief het tijdpad?
In de Kamerbrief Doorontwikkeling berekening stikstofdepositie van 19 september jl.29 heeft het kabinet diens visie op het gebruik van modellen in het stikstofdossier
nader toegelicht. Onderdeel daarvan is de ambitie om op termijn AERIUS Calculator
te vervangen. In de brief staat aangegeven dat de vervanging van AERIUS wordt gerelateerd
aan de overstap naar emissiebeleid. Zodra daar concrete ontwikkelingen zijn, volgt
AERIUS. Het is op dit moment nog te vroeg om daar een concreet tijdspad aan te koppelen.
226
Welke concrete plannen zijn er voor de reservering van 2,6 miljard euro voor de agrarische
sector?
Op Prinsjesdag heeft het kabinet onder andere aangekondigd € 2,6 miljard incidenteel en € 287,5 miljoen structureel vrij te maken voor de reductie van
stikstofemissies en voor natuurherstel. Dit komt bovenop de reeds beschikbare middelen
die met het startpakket beschikbaar zijn gekomen. Deze middelen zijn geplaatst op
artikel 51 van de begroting van LVVN, nog onverdeeld. Momenteel vindt een nadere uitwerking
en concretisering van de maatregelen plaats, voordat de middelen naar een ander begrotingsartikel
worden overgeheveld. In de brief van 16 september jl.30 is een richtinggevende verdeling opgenomen met een richtinggevend bedrag per maatregel.
Zoals in genoemde brief is opgenomen, valt te denken aan maatregelen rond vrijwillige
beëindiging, natuurherstelmaatregelen, innovatie en een gebiedsgerichte aanpak. De
bedragen per maatregel kunnen nog wijzigen naar aanleiding van vervolgbesluitvorming.
227
Hoe is het bedrag van 2,6 miljard euro als reservering voor de agrarische sector tot
stand gekomen?
Bij het vormgeven van het vervolgpakket is gekozen om dit financieel te dekken uit
het restant van de landbouwenveloppe die bij het hoofdlijnenakkoord beschikbaar is
gesteld voor het LVVN-domein.
228
Hoe verhoudt het gereserveerde bedrag van 2,6 miljard euro zich tot het eerder aangekondigde
maatregelenpakket dat tot en met 2035 21,3 miljard zou kosten?
Met de middelen die het kabinet vrijmaakt voor het vervolgpakket, kan een volgende
stap worden gezet bij het reduceren van stikstofemissies en het herstellen van natuur.
Zoals de Minister van LVVN heeft aangegeven in de brief over het vervolgpakket gaat
Nederland met deze inzet nog niet volledig van het slot en is blijvende inzet nodig.
In de begroting is geen bedrag van € 21,3 miljard vrijgemaakt voor het terugdringen
van stikstofuitstoot. Eventuele vervolgbesluitvorming over additionele maatregelen
en bijbehorende dekking is aan een volgend kabinet.
229
Hoeveel aanvragers van de regelingen Lbv en Lbv-plus zijn inmiddels daadwerkelijk
opgekocht en hoeveel hectare aan grond is hiermee vrijgekomen?
De ondernemers die deelnemen aan de Lbv of Lbv-plus ontvangen subsidie voor het vrijwillig
beëindigen van hun veehouderijlocaties. Er worden nadrukkelijk geen bedrijven opgekocht.
Bij opkopen zou de overheid namelijk eigenaar worden van de veehouderijlocatie en
daar is geen sprake van. De aanvrager blijft eigenaar van zijn bedrijfslocatie en
kan als ondernemer andere economische activiteiten voortzetten.
De actuele cijfers met betrekking tot de aanvragen van de Lbv en Lbv-plus zijn online
te vinden.31 De meest recente update van 11 september laat zien dat 26 aanvragen zijn vastgesteld;
deze ondernemers hebben het gehele proces van de aanvraag doorlopen en hebben hun
veehouderijlocatie beëindigd.
Het aankopen van landbouwgrond maakt geen onderdeel uit van de Lbv en Lbv-plus. Een
aanvrager behoudt zijn grond na deelname en kan zelf bepalen of hij zijn grond wil
behouden. Met de Lbv en Lbv-plus komen er dus geen hectares grond vrij. De deelnemers
aan de beëindigingsregelingen hebben de mogelijkheid om hun grond aan de Nationale
Grondbank (NGB) van LVVN te verkopen. De NGB is door diverse agrariërs benaderd en
dit heeft inmiddels in 2 gevallen geleid tot daadwerkelijke aankoop van in totaal
circa 120 ha.
230
Hoeveel stikstofruimte hebben respectievelijk de Lbv en Lbv-plus opgeleverd?
Begin 2025 heeft een analyse plaatsgevonden naar de potentiële stikstofreductie als
gevolg van de Lbv-regelingen. Hieruit is gebleken dat er maximaal circa 37 mol per
hectare per jaar aan depositiereductie plaatsvindt. Deze analyse is gebaseerd op de
aanname dat ondernemers die op de peildatum een nog lopende aanvraag hadden voor een
van de Lbv-regelingen, daadwerkelijk zullen deelnemen. Zoals eerder reeds benoemd,
is het niet waarschijnlijk dat deze aanname bewaarheid zal worden waarmee de opbrengst
van de regelingen lager zal uitvallen. Hoe de opbrengst van de regelingen zich vertaald
naar stikstofruimte die ingezet kan worden, valt op dit moment niet te zeggen, mede
omdat het antwoord op die vraag zeer afhankelijk is van de locatie van de bedrijven
die definitief deelnemen.
231
In hoeverre is in de passage over de Wet openbare overheid (Woo) rekening gehouden
met de aangenomen Kamermoties op de Woo voor een beter bescherming van agrariërs?
Op dit moment bezien het Ministerie van LVVN, het Ministerie van BZK en het Ministerie
van J&V de uitvoering van de genoemde moties.
232
Hoeveel bedrijven zijn gestopt via het totaal aan uitkoop- en beëindigingsregelingen,
hoeveel hectare grond is hiermee vrijgekomen en hoeveel stikstofruimte is hiermee
vrijgekomen?
Voor het antwoord op deze vraag wordt u verwezen voor de Lbv en Lbv-plus naar de beantwoording
van vraag 229 en 230 en voor de Maatregel Gebiedsgerichte Beëindiging naar de beantwoording
van vraag 377 en 378. Ten aanzien van de Lbv kleinere sectoren zijn op dit moment
nog geen aanvragers die het gehele proces tot beëindiging zijn doorlopen; Er is dus
ook nog geen stikstofruimte vrijgekomen.
Het aankopen van landbouwgrond maakt geen onderdeel uit van de beëindigingsregelingen.
Een aanvrager behoudt zijn grond na deelname en kan zelf bepalen of hij zijn grond
wil behouden. Met de beëindigingsregelingen komen er dus geen hectares grond vrij.
De deelnemers aan de landelijke beëindigingsregelingen hebben de mogelijkheid om hun
grond aan de Nationale Grondbank (NGB) van LVVN te verkopen.
233
Hoeveel veehouderijen bevinden zich op dit moment binnen 1.200 meter van dorpskernen?
Er is geen overzicht beschikbaar van hoeveel veehouderijen zich op dit moment binnen
1.200 meter van dorpskernen bevinden.
234
Hoe heeft het aantal dierenklinieken zich de afgelopen 10 jaar ontwikkeld?
Er zijn geen formele data van het aantal en soorten dierenklinieken in Nederland beschikbaar.
Uit het rapport van Ecorys32, uitgevoerd naar de prijsontwikkeling in de diergeneeskundige zorg, blijkt dat naar
schatting van KNMvD het aantal praktijken is gegroeid van 700 in 2006 naar circa 1.200
in 2015, waarvan circa 1.000 praktijken voor gezelschapsdieren en gemengde praktijken
(landbouw- en gezelschapsdieren). Dat aantal is naar schatting in 2024 vrijwel ongewijzigd.
235
Hoe heeft het aantal uitgevoerde sterilisaties/castraties bij huisdieren zich de afgelopen
10 jaar ontwikkeld?
Deze gegevens worden niet centraal bijgehouden. Ook de Koninklijke Nederlandse Maatschappij
voor Diergeneeskunde (KNMvD) heeft hier geen gegevens over. Uit het rapport van Ecorys33, uitgevoerd naar de prijsontwikkeling in de diergeneeskundige zorg, blijkt dat het
aantal huisdieren is toegenomen van ongeveer 30 miljoen in 2005 naar 35 miljoen in
2023. Dit zal naar verwachting hebben geleid tot een stijging in het aantal uitgevoerde
sterilisaties en castraties in diezelfde periode.
236
Hoeveel nieuwe bevoegde dierenartsen zijn er de afgelopen tien jaar per jaar bijgekomen
en hoeveel zijn er gestopt?
De huidige registratie in het Diergeneeskunderegister geldt in beginsel voor onbepaalde
tijd, tenzij de inschrijving wordt doorgehaald («uitschrijving»), bijvoorbeeld door
een onherroepelijk geworden tuchtrechtelijke uitspraak, door een overlijden of op
eigen verzoek. Uitschrijving gebeurt in de praktijk nauwelijks. Hierdoor geeft het
register geen compleet beeld van het aantal praktiserende diergeneeskundigen. Het
Ministerie van LVVN verkent momenteel een systeem van herregistratie. Hiermee ontstaat
een beter beeld van de actieve beroepsgroep. In onderstaande tabel is opgenomen hoeveel
nieuwe registraties van dierenartsen er per jaar zijn bijgekomen en hoeveel registraties
zijn doorgehaald («uitgeschreven»).
In 2021 is een piek te zien van het aantal doorgehaalde registraties. Dit heeft te
maken met de koppeling van het Diergeneeskunderegister aan de Basisregistratie Personen
die dat jaar is geoptimaliseerd. Ook vond er in dat jaar communicatie plaats vanuit
het CIBG aan alle ingeschreven dierenartsen over nieuwe regels rondom de identificatie
en registratie van honden, waardoor een groep dierenartsen die niet meer praktiseerden
zich mogelijk heeft uitgeschreven.
De jaarlijkse instroom van dierenartsen op de arbeidsmarkt is vanaf 2022 hoger doordat
de capaciteit van de masteropleiding aan de Faculteit Diergeneeskunde is verhoogd
en er een toename is van het aantal buitenlandse dierenartsen (zowel vanuit de EU
als daarbuiten) die zich in Nederland heeft geregistreerd.
Jaartal
Aantal nieuwe registraties dierenartsen
Aantal doorgehaalde registraties dierenartsen
2015
290
52
2016
240
43
2017
257
50
2018
235
49
2019
314
44
2020
348
49
2021
324
208
2022
319
53
2023
374
56
2024
376
49
2025
394
45
237
Hoeveel individuele meldingen zijn bij de NVWA binnengekomen in 2025 over een mogelijke
schending van het welzijn van varkens verband houdende met het Nationaal plan voor
veetransport bij extreme temperaturen?
De NVWA heeft 10 meldingen ontvangen met betrekking tot een mogelijke schending van
welzijn bij varkens tijdens dagen dat het Nationaal plan van kracht was. En er is
één internationale melding binnengekomen over een lang transport (langer dan 8 uur)
met varkens in Frankrijk verband houdende met het Nationaal plan voor veetransport
bij extreme temperaturen.
238
Hoeveel hitte-inspecties heeft de NVWA uitgevoerd bij transport van varkens (inclusief
bij aankomst in het slachthuis) in 2025? Hoeveel van deze hitte-inspecties zijn afgedaan
als akkoord?
Tijdens een periode van hitte zijn 82 inspecties uitgevoerd tijdens het transport
van varkens. Hiervan waren er 4 niet akkoord. Controles tijdens hitte bij aankomst
van varkens op slachthuizen maken onderdeel uit van het reguliere toezicht op deze
locaties. De hitte-inspecties op slachthuizen zijn daarom niet in aantal te kwantificeren.
Op dagen dat het warmer is dan 27 graden Celsius en het Nationaal plan veetransport
bij extreme temperaturen in werking treedt, voert de NVWA risicogericht, extra controles
uit. Bij varkensslachthuizen zijn in 2025 tot en met 20 augustus 8 bevindingen geconstateerd
in relatie tot hitte.
239
Hoeveel biggen worden nog gecastreerd?
Het vlees van niet-gecastreerde beren kan een onaangename geur hebben («berengeur»).
Om dit te voorkomen kan worden besloten om beerbiggen te castreren. De partijen in
de Nederlandse varkensketen inclusief de supermarkten zijn reeds 10 jaar geleden erin
geslaagd om karkassen met berengeur te detecteren en apart te verwerken. Sindsdien
worden beerbiggen in Nederland uit de conventionele varkenshouderij bestemd voor de
Nederlandse markt niet meer gecastreerd. Volgens de laatste bekende gegevens wordt
nog 35% van de beerbiggen gecastreerd. Omgerekend betreft dit naar schatting 4,2 miljoen
beerbiggen.
240
Welke gemiddelde leeftijd behaalden zeugen in de Nederlandse varkenshouderij voordat
zij werden afgevoerd naar de slacht in 2024?
Er worden geen gegevens van individuele varkens geregistreerd. Dit betekent dat niet
is te bepalen wat de geboorte en sterfdatum, leeftijd van de zeugen is.
241
Wat is de stand van zaken rondom de wijziging van de Wet dieren ten aanzien van cameratoezicht
op slachthuizen en verzamelcentra?
Het ontwerpwetsvoorstel verplicht cameratoezicht wordt inhoudelijk afgerond. Aangezien
de Kamer het ontwerpwetsvoorstel controversieel heeft verklaard, worden de volgende
stappen in het proces, namelijk notificatie aan de Europese Commissie en advisering
aan de Raad van State, overgelaten aan een nieuw kabinet.
242
Wat is de stand van zaken rondom het onderzoek naar de mogelijkheden om het 3 strikes
out-principe toe te passen bij transport van zieke dieren?
De NVWA voert een verkenning uit op het toepassen van het 3 strikes out-principe tijdens
transport. Deze verkenning is op dit moment nog niet afgerond.
243
Klopt het dat het geld dat middels een amendement voor wildopvangcentra (Kamerstuk
36 725 XIV, nr. 7) is vrijgemaakt wordt besteed conform de toelichting (voor fte) en niet voor andere
zaken wordt gebruikt?
Met het amendement wordt 5 jaar lang 0,9 miljoen euro per jaar beschikbaar gesteld
voor de Spreekbuis Wildopvang en Dierenambulances. Dit geld is inderdaad in de eerste
plaats bedoeld als bijdrage voor het aannemen van vakbekwaam personeel in wildopvangcentra.
244
Hoe wordt de aangenomen motie van het lid Graus (Kamerstuk 28 286, nr. 1368) inzake het onderzoeken of kosten van de basisopleiding voor dierenambulancemedewerkers
gedekt kunnen worden uit de opbrengsten van verhoogde bestuurlijke boetes gedekt?
De motie waaraan gerefereerd wordt is eerder dit jaar afgedaan in de verzamelbrief
«dierenwelzijn van dieren buiten de veehouderij – overig»34. In de beantwoording staat uitgelegd waarom de kosten voor de basisopleiding voor
dierenambulancemedewerkers niet met opbrengsten van verhoogde bestuurlijke boetes
kunnen worden gedekt. Zoals aangegeven zijn hiervoor al andere middelen gereserveerd.
245
Wanneer wordt het aanvalsplan voor invasieve exoten naar de Kamer gestuurd?
Het landelijk aanvalsplan invasieve exoten zal eind van dit jaar naar de Kamer worden
gestuurd. In december 2024 heeft de Staatssecretaris van LVVN uw Kamer de contouren
voor het landelijk aanvalsplan gestuurd35.
246
Bent u op de hoogte van het initiatief voor het eerste schildpaddenreservaat van Nederland
in Friesland? Wordt dit initiatief ondersteund? Ook financieel?
Het Ministerie van LVVN is op de hoogte van dit initiatief. In het Nederlandse milieu
bevinden zich grote aantallen lettersierschildpadden waarvan een deel door burgers
naar opvangcentra wordt gebracht. Opvangcentra zoeken financiering voor het opvangen
van deze invasieve exoten. Vanuit het exotenbeleid (van LVVN en provincies) is hiervoor
geen financiering beschikbaar. Vanuit het exotenbeleid zal de komende tijd vooral
aandacht worden besteed aan preventie, het voorkómen dat mensen schildpadden en andere
exoten in de natuur vrijlaten.
247
Welke mogelijkheden zijn er voor samenwerking met lokale en provinciale overheden
bij het initiatief voor het eerste schildpaddenreservaat van Nederland?
Provincies en gemeenten kunnen vanuit hun eigen verantwoordelijkheden voor respectievelijk
het exotenbeleid en de bewaarplicht voor gevonden huisdieren samenwerking overwegen
met het schildpaddenreservaat.
248
Bij hoeveel procent van de biggen wordt het staartje afgebrand of afgeknipt en om
hoeveel biggen in aantallen gaat het per jaar, over de jaren 2024 en 2025 (tot heden)?
Uit de Nulmeting Varkensstaarten aan de Slachtlijn36 van Wageningen UR uit 2022 blijkt dat bij circa 99% van de biggen in de Nederlandse
varkenshouderij de staart wordt gecoupeerd. Dit betreft naar schatting 21 miljoen
biggen per jaar. Recentere cijfers zijn niet beschikbaar.
In de concept AMvB dierwaardige veehouderij zijn nadere regels gesteld die invulling
geven aan het verbod op het routinematig couperen van biggenstaarten. Verwachting
is dat deze regelgeving na inwerkingtreding zal bijdragen aan toename van het aantal
varkens met krulstaarten.
249
Hoeveel procent van de (mannelijke) biggen worden er gecastreerd en om hoeveel biggen
gaat dat in aantallen per jaar, over de jaren 2024 en 2025 (tot heden)?
Zie mijn antwoord op vraag 239.
250
Bij hoeveel procent van de biggen gebeurt castratie onder verdoving?
In de private kwaliteitssystemen van de Nederlandse varkensketen is opgenomen dat
castratie van biggen alleen onder verdoving en met pijnbestrijding is toegestaan.
Vrijwel alle houders zijn aangesloten bij een van deze private kwaliteitssystemen.
251
Bij hoeveel procent van de biggen gebeurt castratie onder verdoving en napijn-bestrijding?
In de private kwaliteitssystemen van de Nederlandse varkensketen is opgenomen dat
castratie van biggen alleen onder verdoving en met pijnbestrijding is toegestaan.
Vrijwel alle houders zijn aangesloten bij een van deze private kwaliteitssystemen.
252
Welke manier van bedwelmen werd er in 2024 en wordt er in 2025 (tot heden) bij hoeveel
procent van de volgende diergroepen toegepast tijdens de slacht: legkippen, vleeskuikens,
eenden, kalkoenen, zeugen, vleesvarkens, kalveren, melkkoeien, vleeskoeien, schapen,
geiten, en paarden.
De manier van bedwelmen en het percentage dieren dat met een bepaalde bedwelmingsmethode
bedwelmd wordt, wordt voor hoefdieren (zeugen, vleesvarkens, kalveren, melkkoeien,
vleeskoeien, schapen, geiten, en paarden) niet bijgehouden. Voor het bedwelmen van
hoefdieren zijn de volgende bedwelmingsmethoden toegestaan:
• Mechanische methoden, zoals het penetrerend penschiettoestel (alle diersoorten);
• Elektrische methoden, zoals elektrische bedwelming kop tot lichaam (alle diersoorten);
• Methoden met atmosfeer beheersing, zoals CO2 in hoge concentratie (varken).
Zie de tabel voor een overzicht voor pluimvee (vleeskuikens, legkippen, moederdieren,
eenden en kalkoenen) van de manier van bedwelmen en het percentage dieren dat met
een bepaalde bedwelmingsmethode bedwelmd wordt. Onder CAS wordt verstaan Controlled
Atmosphere Stunning. Het waterbad en de kopbedwelming zijn beide elektrische methoden.
Pluimvee
Aantal geslacht (x1.000) in 2024
Aantal geslacht (x1.000) in 2025
Type bedwelming
% per methode 2024
% per methode 2025
Vleeskuikens
482.792
388.035
CAS
86,9
87,1
Waterbad
13,1
12,9
Kopbedwelming
0,03
0,03
Moederdieren
11.452
9.616
CAS
99,0
99,6
Waterbad
0,7
0,3
Kopbedwelming
0,3
0,1
Legkippen
8.926
8.017
CAS
99,7
99,8
Waterbad
0,02
0,01
Kopbedwelming
0,26
0,20
Eenden
4,6
3,2
Waterbad
100
100
Kalkoenen
4,2
2,2
Waterbad
92,9
100
Kopbedwelming
7,1
0
253
Hoeveel eenden werden er in 2024 en in 2025 (tot en met heden) in Nederland geslacht,
en hoeveel procent van het geslachte vlees is vervolgens geëxporteerd?
In 2024 zijn ruim 4.600.000 eenden geslacht. In 2025 zijn tot en met 1 oktober ruim
3.100.000 eenden geslacht. De NVWA houdt geen informatie bij over de totale productie
van eendenvlees in Nederland. Er zijn in 2024 veterinaire certificaten van de NVWA
afgegeven voor bijna 1.410.000 kg eendenvlees ten behoeve van export naar derde landen.
In 2025 betreft dit tot en met 1 oktober veterinaire certificaten voor ruim 1.570.000
kg eendenvlees. Voor verplaatsing van eendenvlees binnen de EU worden door NVWA geen
gegevens bijgehouden.
254
Sinds wanneer worden inspectierapporten van de NVWA digitaal opgeslagen voor de afdeling
dier (handhaven, slachttoezicht, handelstoezicht)?
De Afdeling Dier is onderdeel van de directie Handhaven. De afdeling Dier (en voorlopers)
doet al decennia lang aan digitale vastlegging, dit is bij de vorming van de NVWA
in 2012 doorgezet. De directies Handelstoezicht en Slachttoezicht (destijds Keuren)
zijn in de periode 2014–2015 gefaseerd overgestapt van papieren inspectielijsten naar
een digitale applicatie waarin de inspectieresultaten in een database worden opgeslagen.
255
Hoeveel inspecties dierenwelzijn hebben van 1 januari 2023 tot en met heden per jaar
plaatsgevonden op bedrijven met schapen, geiten, melkkoeien, vleeskoeien, vleeskalveren,
leghennen, vleeskuikens, vleeskuikenouderdieren, vleeskuikengrootouderdieren, broederijen,
eenden, kalkoenen, overig pluimvee, kweekvissen, konijnen, en paarden, indien mogelijk
opgesplitst in bedrijfsmatig en hobbymatig?
Onderstaande tabellen laten voor de diverse diersoorten de aantallen uitgevoerde inspecties
zien in de periode van 1 januari 2023 tot 1 oktober 2025, uitgesplitst per jaar. Hobbymatig
gehouden pluimvee valt, vanwege de aanwezigheid van verschillende soorten, onder de
categorie «pluimvee overig». Bij vleeskuikens worden zowel fysieke als administratieve
inspecties uitgevoerd. De administratieve inspecties richtten zich op de mate van
contactdermatitis binnen koppels en op mogelijke overbezetting. Aangezien alle koppels
die aangeleverd worden hierop worden gescreend, liggen de aantallen inspecties voor
vleeskuikens hoger dan voor andere pluimveesoorten.
Diersoort
2023
2024
2025 t/m 1 oktober
Legkippen
9
147
18
Vleeskuikens1
24.484
24.241
18.626
Vleeskuikenouder
Dieren
0
0
0
Vleeskuikengroot
Ouderdieren
0
0
0
Broederijen
2
0
0
Eenden
8
2
0
Kalkoenen
1
2
25
Overig pluimvee
Hobbymatig: 4
Bedrijfsmatig: 2
Hobbymatig: 7
Bedrijfsmatig: 45
Hobbymatig: 8
Konijnen
2
0
0
Paling2
0
13
11
Schapen
300
386
307
Geiten
120
101
60
Melkvee
588
443
367
Vleesvee
296
347
337
Vleeskalveren
14
35
15
Paarden
267
262
248
X Noot
1
betreft gescreende koppels
X Noot
2
controle op elektrisch bedwelmen van paling voor de slacht
Alle pluimvee en konijnen betreft bedrijfsmatige bedrijven, tenzij anders aangegeven.
Voor de zes laatstgenoemde diersoorten wordt door de NVWA in principe uitgegaan van
bedrijfsmatigheid.
256
Hoeveel van de inspecties dierenwelzijn waren een fysieke inspectie en hoeveel een
administratieve inspectie, uitgesplitst naar bedrijven met bedrijven met schapen,
geiten, melkkoeien, vleeskoeien, vleeskalveren, leghennen, vleeskuikens, vleeskuikenouderdieren,
vleeskuikengrootouderdieren, broederijen, eenden, kalkoenen, overig pluimvee, kweekvissen,
konijnen, en paarden?
Onderstaande tabellen laten voor de diverse diersoorten de aantallen uitgevoerde inspecties
zien in de periode van 1 januari 2023 tot 1 oktober 2025, uitgesplitst per jaar. Administratieve
controles bij vleeskuikens worden uitgevoerd op basis van slachthuisgegevens. Hierbij
wordt gecontroleerd op overbezetting aan de hand van de stalafmetingen en het afgeleverde
gewicht, evenals op de mate van contactdermatitis die aan de slachtlijn wordt vastgesteld.
Onze dierenartsen screenen de koppels bij binnenkomst in het slachthuis. Indien sprake
is van een vermoeden van welzijnsafwijkingen, voert de dierenarts een steekproefsgewijze
inspectie van het koppel uit.
Diersoort
2023
2024
2025
Fysiek
Administratief
Fysiek
Administratief
Fysiek
Administratief
Legkippen
9
0
136
11
12
6
Vleeskuikens
9
24.475
3
24.238
13
18.613
Vleeskuiken
ouderdieren
0
0
0
0
0
0
Vleeskuiken
groot
ouderdieren
0
0
0
0
0
0
Broederijen
2
0
0
0
0
0
Eenden
8
0
2
0
0
0
Kalkoenen
1
0
2
0
24
1
Overig pluimvee
4
0
9
0
52
1
Konijnen
2
0
0
0
0
0
Paling
0
0
13
0
12
0
Diersoort
2023
2024
2025
Fysiek
Op afstand
Fysiek
Op afstand
Fysiek
Op afstand
Schapen
300
0
384
2
307
0
Geiten
120
0
99
2
60
0
Melkvee
588
0
442
1
364
3
Vleesvee
295
1
345
2
336
1
Vleeskalveren
14
0
33
2
15
0
Paarden
267
0
256
6
245
3
Voor bovenstaande diersoorten voeren we geen administratieve inspecties uit. In bepaalde
gevallen, bijvoorbeeld bij herinspecties, vinden inspecties soms plaats op afstand.
Dit kan bijvoorbeeld telefonisch zijn.
257
Hoeveel van de inspecties dierenwelzijn waren op op basis van regulier toezicht, naleefmetingen,
herinspecties (onder andere verscherpt toezichtbedrijven) en naar aanleiding van meldingen,
uitgesplitst naar diersoort (bedrijven met schapen, geiten, melkkoeien, vleeskoeien,
vleeskalveren, leghennen, vleeskuikens, vleeskuikenouderdieren, vleeskuikengrootouderdieren,
broederijen, eenden, kalkoenen, overig pluimvee, kweekvissen, konijnen, en paarden)
en soort inspectie (administratief of fysiek)?
Onderstaande tabellen laten voor de diverse diersoorten of de aantallen uitgevoerde
inspecties zijn uitgevoerd in het kader van regulier toezicht, naleefmeting, herinspecties
of meldingen in de periode van 1 januari 2023 tot 1 oktober 2025, uitgesplitst per
jaar.
Diersoort
2023
2024
2025
Regulier
Melding
Regulier
Melding
Regulier
Melding
Legkippen
8
1
142
5
13
5
Vleeskuikens
24.484
0
24.240
1
18.620
6
Vleeskuikenouderdieren
0
0
0
0
0
0
Vleeskuikengrootouder
dieren
0
0
0
0
0
0
Broederijen
2
0
0
0
0
0
Eenden
0
8
0
2
0
0
Kalkoenen
0
1
1
1
25
0
Overig pluimvee
1
3
6
3
46
7
Konijnen
1
1
0
0
0
0
Paling
0
0
13
0
12
0
In bovenstaande tabel is regulier toezicht inclusief naleefmetingen en herinspecties.
Herinspecties op afstand
2023
2024
2025
Schapen
2
Geiten
2
Melkee
1
3
Vleesvee
1
2
1
Vleeskalveren
2
Paarden
6
3
fysiek
Regulier/overig
Meldingen
NLM
VeTo
Herinspectie
Schapen
2023
10
224
0
27
39
2024
15
217
103
23
26
2025
10
162
96
21
18
Geiten
2023
11
86
0
7
16
2024
12
54
0
13
20
2025
6
32
0
8
14
Melkee
2023
36
286
123
25
118
2024
43
241
0
46
112
2025
65
160
0
65
74
Vleesvee
2023
38
145
0
34
78
2024
23
150
86
24
62
2025
42
124
78
41
51
Vleeskalveren
2023
1
13
0
0
0
2024
21
12
0
0
0
2025
4
6
0
0
5
Paarden
2023
14
188
0
13
52
2024
13
201
0
13
29
2025
14
173
8
8
42
258
Hoeveel dieren zijn er, uitgesplitst per diersoort en per jaar, omgekomen bij stalbranden
in 2024 en 2025 (tot op heden)?
Voor de monitoring van stalbranden in Nederland wordt uitgegaan van de Risicomonitor
Stalbranden van het Verbond van Verzekeraars37. Dit betreft een generiek overzicht van de stalbranden in Nederland gebaseerd op
data vanuit verschillende instanties. De Risicomonitor bevat onder andere informatie
over het aantal stalbranden in Nederland en het aantal dierlijke slachtoffers. Onderstaande
tabel geeft het aantal stalbranden weer en het aantal daarbij omgekomen dieren (uitgesplitst
per diersoort) in de jaren 2020–2024. De data voor het jaar 2025 wordt begin 2026
gepubliceerd en is daarom nog niet beschikbaar.
Jaar
Branden
Varkens
Pluimvee
Geiten
Runderen
Paarden
Schapen
Totaal aantal dieren
2020
54
1.780
106.900
1
61
10
42
108.794
2021
35
6.404
0
253
258
0
0
6.915
2022
41
0
128.000
880
328
17
70
129.295
2023
43
12.752
24.000
330
175
8
40
37.305
2024
43
8.535
54.000
150
42
18
45
62.790
Totaal
216
29.471
312.900
1.614
864
53
197
345.099
259
Hoeveel veterinaire verklaringen zijn er geschreven in handhaven afdeling dier, slachttoezicht
en handelstoezicht in de jaren 2020 tot en met heden? Hoeveel procent hiervan had
betrekking op dierenwelzijn (per jaar opgesplitst)?
Een veterinaire verklaring kan onderdeel van zijn van een rapport van bevindingen,
het aantal veterinaire verklaringen wordt niet bijgehouden.
260
Hoeveel officiële waarschuwingen zijn er geschreven in handhaven afdeling dier, slachttoezicht
en handelstoezicht in de jaren 2020 tot en met heden? Hoeveel procent hiervan had
betrekking op dierenwelzijn (per jaar opgesplitst)?
Directies Handelstoezicht en Slachttoezicht
Jaar
Totaal aantal officiële waarschuwingen
Aantal officiële waarschuwingen met betrekking tot dierenwelzijn
2020
910
25
2021
1.093
155
2022
863
105
2023
816
51
2024
832
28
2025 (tot 1 okt)
465
13
Directie Handhaven, afdeling Dier
Totaal officiële waarschuwingen
Aantal officiële waarschuwingen met betrekking tot dierenwelzijn
% dierenwelzijn tov totaal
2020
1.053
428
40,65
2021
1.065
452
42,44
2022
873
309
35,40
2023
1.434
555
38,70
2024
1.346
587
43,61
2025 (tot 1 okt)
1.118
484
43,29
261
Hoeveel mondelinge mededelingen zijn er gegeven in handhaven afdeling dier, slachttoezicht
en handelstoezicht in de jaren 2020 tot en met heden? Hoeveel procent hiervan had
betrekking op dierenwelzijn (per jaar opgesplitst)?
Mondelinge mededelingen vallen niet onder officiële waarschuwingen en worden niet
als zodanig geregistreerd.
262
Hoeveel rapporten van bevindingen voor een boete zijn er geschreven in handhaven afdeling
dier, slachttoezicht en handelstoezicht in de jaren 2020 tot en met heden? Hoeveel
procent hiervan had betrekking op dierenwelzijn (per jaar opgesplitst)?
Hieronder de aantal opgelegde boetes voor de jaren 2020 tot en met juni 2025 voor
overtredingen van de gehele Wet dieren. Er is geen uitsplitsing te maken in het aantal
boetes die zien op dierenwelzijnsovertredingen of boetes per directie.
Jaar
Totaal aantal boetes Wet dieren (gegevens tot juni 2025)
2020
1.128
2021
1.278
2022
1.086
2023
1.303
2024
2.054
2025
874
Eindtotaal
7.723
Hieronder het totaal aantal opgelegde maatregelen van 2020 tot en met september 2025
voor overtredingen van de gehele Wet dieren. Er is geen uitsplitsing te maken in het
aantal maatregelen die zien op dierenwelzijnsovertredingen of maatregelen per directie.
Jaar
Totaal aantal maatregelen Wet dieren (gegevens tot okt 2025)
2020
237
2021
301
2022
323
2023
518
2024
515
2025
364
Eindtotaal
2.258
Niet alle rapporten van bevindingen leiden tot het opleggen van een boete. Er kunnen
ook andere maatregelen genomen zijn. Ook kunnen onder 1 boete meerdere rapporten van
bevindingen liggen.
Directies Handelstoezicht en Slachttoezicht
Jaar
Totaal aantal rapporten van bevinding
aantal rapporten van bevinding mbt dierenwelzijn
2020
789
505
2021
951
594
2022
731
440
2023
826
532
2024
901
614
2025 (tot 1 okt)
286
172
Directie Handhaven, afdeling Dier
Totaal aantal rapporten van bevinding
Aantal rapporten van bevinding mbt dierenwelzijn
% dierenwelzijn tov totaal
2020
973
388
39,88
2021
840
450
53,57
2022
653
335
51,30
2023
821
508
61,88
2024
863
580
67,21
2025 (tot 1 okt)
591
356
60,24
263
Hoeveel rapporten van bevindingen voor een Last onder Dwangsom (LOD) zijn er geschreven
in handhaven afdeling dier, slachttoezicht en handelstoezicht in de jaren 2020 tot
en met heden? Hoeveel procent hiervan had betrekking op dierenwelzijn (per jaar opgesplitst)?
Zie het antwoord op vraag 262.
264
Hoeveel rapporten van bevindingen voor een Last onder Bestuursdwang (LOB) zijn er
geschreven in handhaven afdeling dier, slachttoezicht en handelstoezicht in de jaren
2020 tot en met heden? Hoeveel procent hiervan had betrekking op dierenwelzijn (per
jaar opgesplitst)?
Zie het antwoord op vraag 262.
265
Hoeveel processen verbaal zijn er geschreven in handhaven afdeling dier, slachttoezicht
en handelstoezicht in de jaren 2020 tot en met heden? Hoeveel procent hiervan had
betrekking op dierenwelzijn (per jaar opgesplitst)?
Directie Handhaven, afdeling Dier
Totaal aantal processen verbaal
Aantal processen verbaal mbt dierenwelzijn
% dierenwelzijn tov totaal
2020
172
106
61,63
2021
214
148
69,16
2022
197
153
77,66
2023
180
151
83,89
2024
213
186
87,32
2025 (tot 1 okt)
139
121
87,05
266
Hoeveel tijd heeft een dierenarts per week gemiddeld voor het afhandelen van administratie,
inclusief het schrijven van officiële waarschuwingen, rapport van bevindingen (RvB»)s,
processen-verbaal (PV’s) en veterinaire verklaringen, in de jaren 2020 tot en met
heden, uitgesplitst naar dierenartsen van handhaven afdeling dier, handelstoezicht
en slachttoezicht, en uitgesplitst naar jaar?
In de jaarplannen wordt rekening gehouden met alle werkzaamheden die een toezichthouder
doet. Administratie tijd valt daar ook onder. Het is immers van belang om bevindingen
op de werkplek correct af te handelen door het opmaken van bijvoorbeeld een Rapport
van Bevindingen of het registreren van inspectieresultaten. Het is – gezien de diverse
functiegroepen en het verschuiven van beleidsdoelen door de jaren heen – niet mogelijk
om aan te geven welk deel van de tijd exact voor administratie is.
267
Hoeveel procent van de toezichthouders is momenteel ook Buitengewoon opsporingsambtenaren
(BOA) bij handhaven afdeling dier, slachttoezicht en handelstoezicht, onderverdeeld
in dierenartsen en overige toezichthouders?
Binnen het Rijk en daarmee ook binnen de NVWA worden medewerkers ingedeeld in functiefamilies
in het Functiegebouw Rijk. De medewerkers ingedeeld binnen de functiefamilie «toezicht»
voeren voor een deel toezichthoudende taken uit, maar kunnen ook (gedeeltelijk) andere
niet toezichthoudende taken uitvoeren. Door het aantal boa’s af te zetten tegen de
functiefamilie «toezicht» maken we dus een onjuiste vergelijking. Wel kan aangegeven
worden dat binnen de NVWA, ongeveer 130 boa» werkzaam zijn. Hiervan zijn 125 boa’s
werkzaam binnen de directie Handhaven afdeling Dier en 5 boa’s binnen de directie
Handelstoezicht. De toezichthouders binnen de directie Slachttoezicht zijn, naast
dierenarts, enkel toezichthouder en geen boa.
268
Hoeveel fte's zijn er op dit moment bij de NVWA beschikbaar voor de controle op de
slacht voor heel Nederland (slachttoezicht), opgesplitst in dierenartsen en overige
inspecteurs?
Per oktober zijn er 268 fte dierenarts beschikbaar ten behoeve van controle op de
slacht, hiervan is 66 fte extern ingehuurd. In de rol van overige inspecteur die toezichthoudende
werkzaamheden doen is per oktober 2025 369 fte in dienst.
269
Hoeveel fte’s zijn er op dit moment bij de NVWA beschikbaar voor handelstoezicht,
opgesplitst in dierenartsen en overige inspecteurs?
Per oktober 2025 is er 142 fte dierenarts beschikbaar voor handelstoezicht, hiervan
is 31 fte extern ingehuurd. In de rol van overige inspecteur die toezichthoudende
werkzaamheden doen is per eind oktober 100 fte in dienst.
270
Hoeveel fte's zijn er op dit moment bij de NVWA beschikbaar voor inspecties dierenwelzijn
op primaire bedrijven voor heel Nederland? Uitgesplitst in fte voor: gezelschapsdieren,
vervoer/transport van dieren, verscherpt toezicht veeindustrie en «gewoon» dierenwelzijn,
opgesplitst in dierenartsen en overige inspecteurs?
Totaal fte dierenwelzijn primaire bedrijven
fte voor gezelschapsdieren
fte voor dierenvervoer
59
8
9
Een verdere uitsplitsing van gegevens is niet mogelijk.
271
Hoeveel fte's zijn er op dit moment bij de NVWA beschikbaar voor inspecties bij aquacultuurbedrijven
en in de visserijsector opgesplitst in dierenartsen en overige inspecteurs?
Voor inspecties in de visserijsector is in 2025 85 fte beschikbaar (inspectie en expertise).
Fte
Regulier
ControleVerordening
Totaal
Inspectie
62
11
73
Expertise
8
4
12
85 fte
Voor aquacultuurbedrijven is momenteel 1 fte beschikbaar. Controles bij aquacultuurbedrijven
en controles in de visserijsector worden door inspecteurs, niet zijnde dierenarts,
uitgevoerd.
272
Hoeveel fte’s voor bovenstaande categorieën staan er momenteel nog open in de vorm
van nog niet vervulde vacatures, opgesplitst in dierenartsen en overige inspecteurs?
Bij een vergelijking op basis van formatie en bezetting is er een vacatureruimte van
+/- 100 fte bij de functiegroep dierenartsen. Deze «vacatures-ruimte» worden opgevangen
door de inzet van onze flexibele schil nl. de practitioners die de NVWA inhuurt. De
werving voor dierenartsen loopt continu door. Tegelijkertijd wordt geworven t.b.v.
van vervanging van medewerkers op het moment dat er medewerkers vertrekken.
273
Hoe was de inzet van deze fte’s verdeeld over de volgende sectoren: varkens in vermeerderingsbedrijven,
vleesvarkens, legkippen, kalkoenen, vleeskuikens, vleeskuikenouderdieren, vleeskuikengrootouderdieren,
broederijen, eenden, kalveren, melkkoeien, vleeskoeien schapen, geiten, konijnen,
paarden?
Dit antwoord gaat uit van gemaakte uren voor inspecties dierenwelzijn op primaire
bedrijven. Uren die bijvoorbeeld op basis van meldingen worden gemaakt, worden niet
alleen door inspectie uitgevoerd, maar bijvoorbeeld ook door expertise afgehandeld.
Om die reden valt het aantal fte’s hier hoger uit dan bij vraag 270.
Sectoren
Som van uren
fte
GRAZERS
5.700
4
GZD
10.395
7,7
HITTE NIET ONDER TE VERDELEN
700
0,5
KALKOEN
480
0,4
MELDINGEN VRAGEN INC NIET ONDER TE VERDELEN
14.155
10,4
MELKVEE
1.000
0,7
NIET ONDER TE VERDELEN
31.088
22,9
PAARDEN
1.810
1,3
PLUIMVEE
2.916
2,1
VARKEN
3.820
2,8
VERVOER
12.629
9,3
VLEESKUIKEN
1.350
1
VLEESVEE
1.232
O,9
Eindtotaal
87.275
64,3
274
Hoeveel broedeieren van legkippen zijn er in 2024 geëxporteerd en naar welke landen?
In het registratiesysteem worden geen specifieke gegevens vastgelegd over broedeieren
van legkippen. In 2024 zijn een kleine 570 miljoen broedeieren verplaatst naar andere
lidstaten: voornamelijk naar Duitsland, België en Polen. Aanvullend zijn ruim 391
miljoen broedeieren geëxporteerd naar landen buiten de EU. Irak, Oekraïne en Saoedi-Arabië
zijn de grootste ontvangers.
275
Hoeveel broedeieren van vleeskippen zijn er in 2024 geëxporteerd en naar welke landen?
In het registratiesysteem worden geen specifieke gegevens vastgelegd over broedeieren
van vleeskippen. Zie het antwoord op vraag 274.
276
Hoeveel broedeieren van legkippen zijn er tot nu toe in 2025 geëxporteerd en naar
welke landen?
In het registratiesysteem worden geen specifieke gegevens vastgelegd over broedeieren
van legkippen. Tot 9 oktober 2025 zijn er ruim 505 miljoen broedeieren verplaatst
naar andere lidstaten: voornamelijk naar Duitsland, Polen en België. Aanvullend zijn
er ruim 176 miljoen broedeieren geëxporteerd naar landen buiten de EU. Oekraïne, Libië
en Irak zijn de grootste ontvangers.
277
Hoeveel broedeieren van vleeskippen zijn er tot nu toe in 2025 geëxporteerd en naar
welke landen?
In het registratiesysteem worden geen specifieke gegevens vastgelegd over broedeieren
van vleeskippen. Zie het antwoord op vraag 276.
278
Hoeveel zeugen zijn er in 2024 geslacht in Nederlandse slachthuizen?
De slachtgegevens van de volwassen zeugen worden onder één noemer met de slachtgegevens
van de volwassen beren vastgelegd in het slachtregistratiesysteem. Nadere specificatie
is hierdoor niet mogelijk. Er zijn in 2024 ruim 149.000 zeugen en beren geslacht.
279
Hoeveel zeugen zijn in 2024 geëxporteerd voor de slacht en naar welke landen zijn
deze dieren geëxporteerd?
In het registratiesysteem worden geen specifieke gegevens vastgelegd over zeugen.
In 2024 zijn er ongeveer 1,3 miljoen varkens (zeugen en beren) voor de slacht verplaatst
naar andere lidstaten: voornamelijk naar Duitsland, Kroatië, Spanje, Italië en België.
In mindere mate zijn varkens naar Frankrijk, Slovenië, Polen en Griekenland verplaatst.
280
Hoeveel leghennen zijn in 2024 geslacht in Nederlandse slachthuizen?
Leghennen worden in het slachtregistratiesysteem van de NVWA onder de naam «legkippen»
geregistreerd. In 2024 zijn er ruim 8.920.000 legkippen geslacht.
281
Hoeveel leghennen zijn in 2024 geëxporteerd voor de slacht en naar welke landen zijn
deze dieren geëxporteerd?
In het registratiesysteem worden geen specifieke gegevens vastgelegd over leghennen.
In 2024 zijn in totaal bijna 16 miljoen kippen voor de slacht verplaatst naar andere
lidstaten:
voornamelijk naar België, Polen, Duitsland en Frankrijk.
282
Hoeveel vleeskuikenouderdieren zijn in 2024 geslacht in Nederlandse slachthuizen?
De NVWA houdt geen gegevens bij over het type ouderdieren dat wordt geslacht. Vermeerderingsdieren
worden in het registratiesysteem van de NVWA onder de naam «vleeskippen» geregistreerd.
In 2024 zijn er volgens gegevens van de NVWA in Nederland ruim 11.450.000 vleeskippen
geslacht.
283
Hoeveel vleeskuikenouderdieren zijn in 2024 geëxporteerd voor de slacht en naar welke
landen zijn deze dieren geëxporteerd?
In het registratiesysteem worden geen specifieke gegevens vastgelegd over vleeskuikenouderdieren.
Zie ook het antwoord op vraag 281.
284
Hoeveel ouderdieren van leghennen zijn in 2024 geslacht in Nederlandse slachthuizen?
De NVWA houdt geen gegevens bij over het type ouderdieren dat wordt geslacht. Vermeerderingsdieren
worden in het registratiesysteem van de NVWA onder de naam «vleeskippen» geregistreerd.
In 2024 zijn volgens gegevens van de NVWA in Nederland ruim 11.450.000 vleeskippen
geslacht
285
Hoeveel ouderdieren van leghennen zijn in 2024 geëxporteerd voor de slacht en naar
welke landen zijn deze dieren geëxporteerd?
In het registratiesysteem worden geen specifieke gegevens vastgelegd over ouderdieren
van leghennen. U wordt verwezen naar het antwoord op vraag 281.
286
Hoeveel dieren zijn in 2024 gestorven bij verzamelplaatsen, uitgesplitst per diersoort?
In 2024 is voor 16.713 dieren een doodmelding geregistreerd op een verzamelplaats.
In onderstaande tabel staan de aantallen weergegeven per diersoort.
Dieren met een doodmelding op verzamelplaats
2024
Runderen
2.370
Varkens
13.625
Schapen
407
Geiten
311
287
Zijn er dit jaar apen ingevoerd in Nederland met als doel de proefdierindustrie? Wat
was hun oorsprong?
In 2025 zijn tot 1 oktober geen apen ingevoerd vanuit landen buiten de EU met als
doel proefdieren.
288
Hoeveel apen zijn er uitgevoerd en met welke bestemming?
In 2025 zijn dit jaar 280 apen uitgevoerd naar Duitsland, Frankrijk, Polen, België,
Tsjechië, Italië, Ierland, Denemarken, Oostenrijk, Groot-Brittannië en China.
289
Hoeveel eenden zijn er in Nederland geïmporteerd voor de slacht? Uit welke landen?
In 2025 zijn tot 1 oktober ongeveer 700.000 eenden vanuit Duitsland geïmporteerd voor
de slacht.
290
Hoeveel eenden zijn er tot nu toe in 2025 in Nederland geslacht?
In 2025 zijn tot 1 oktober zijn ruim 3.180.000 eenden geslacht.
291
Hoe staat het met het onderzoek na de FIOD-NVWA inval bij eendenslachter Tomassen
Duck-To september vorig jaar? Zijn er aanwijzingen dat het bedrijf vaker dezelfde
overtreding heeft begaan?
De NVWA doet geen uitspraken over lopende onderzoeken.
292
Hoeveel overtredingen zijn er sinds 1 januari 2024 geconstateerd met betrekking tot
vangletsel bij eenden, met welke interventies (mededeling, waarschuwing of boete)
zijn deze opgevolgd, en hoe vaak is hiertegen in bezwaar gegaan?
Op acht eendenhouderijen zijn controles uitgevoerd tijdens het vangen. Daarbij zijn
geen afwijkingen geconstateerd met betrekking tot het vangen.
In 2024 is op een slachthuis bij 1 koppel eenden meer dan 1% (vang)letsel vastgesteld.
Hiervoor is een bestuurlijke boete opgelegd aan de pluimveehouder en de vangploeg.
Beide zijn in bezwaar gegaan. In 2024 is bij 1 buitenlands koppel eenden meer dan
1% (vang)letsel vastgesteld, waarvan melding is gemaakt bij de betreffende lidstaat.
In 2025 is bij 1 koppel eenden meer dan 1% letsel vastgesteld. Het College van Beroep
voor het bedrijfsleven heeft 29 april 2025 echter beslist dat de methode van de NVWA
om vangletsel bij pluimvee te constateren onvoldoende bewijs oplevert voor het vaststellen
van een overtreding. Daardoor kan de NVWA geen bestuurlijke boetes meer opleggen,
wanneer letsel bij pluimvee aan de slachtlijn wordt gezien.
293
Hoe staat het met het NVWA-onderzoek naar de drone-beelden van het vangen van eenden
uit 2024 en 2025?
Zoals vermeld in de brief aan de Tweede Kamer38 heeft de NVWA op basis van de beelden van augustus 2024 zeven bestuurlijke boetes
opgemaakt, waarvan vijf voor eendenhouders en twee voor vangploegen. Op basis van
de beelden van november 2024 heeft de NVWA twee bestuurlijke boetes opgelegd, waarvan
één voor een eendenhouder en één voor een vangploeg. Ook is naar aanleiding van zowel
de beelden van augustus als november 2024 een bestuurlijke boete opgelegd voor een
vervoerder van eenden. Inmiddels is op elk van de opgelegde boetes bezwaar ontvangen.
De NVWA heeft deze bezwaren in behandeling.
294
Wat is de stand van zaken met betrekking tot het onderzoek om publieksinteracties
met dierentuindieren te verbieden?
Het onderzoek voor een mogelijk verbod op publieksinteracties met dierentuindieren
wordt meegenomen in het traject dat gestart is om het vergunningsstelsel van dierentuinen
toekomstbestendig te maken. Naar verwachting is dit deel van het traject medio 2026
afgerond.
295
Hoeveel inspecties hebben er in 2025 plaatsgevonden bij eendenmesterijen, -broederijen,
-vermeerderingsbedrijven? Wat waren de resultaten?
Op eendenmesterijen hebben tussen 1 januari tot 1 oktober 2025 acht inspecties plaatsgevonden
tijdens het vangen. Daarbij zijn met betrekking tot het vangen geen afwijkingen geconstateerd.
Op eendenbroederijen en -vermeerderingsbedrijven zijn geen inspecties uitgevoerd.
296
Hoeveel inspecties hebben er in 2025 plaatsgevonden bij kalkoenenmesterijen, -broederijen,
-vermeerderingsbedrijven? Wat waren de resultaten?
Van 1 januari tot 1 oktober 2025 zijn 28 welzijnsinspecties uitgevoerd bij kalkoenmesterijen
in het kader van een naleefmeting bij Nederlandse kalkoenhouders. Dit resulteerde
in 12 akkoord en 10 niet akkoord inspecties. Verder waren 4 bedrijven niet meer actief
en bij 2 inspecties waren ten tijde van de inspectie geen dieren aanwezig. Er zijn
geen welzijnsinspecties uitgevoerd bij kalkoenbroederijen en -vermeerderingsbedrijven.
297
Hoeveel inspecties hebben er in 2025 plaatsgevonden bij konijnenhouderijen? Wat waren
de resultaten?
Van 1 januari tot 1 oktober 2025 zijn geen welzijnsinspecties uitgevoerd bij konijnenhouderijen.
298
Hoeveel inspecties hebben er in 2025 plaatsgevonden bij geitenhouders/bokkenmesters?
Tot en met 1 oktober 2025 hebben er bij geitenhouders in het kader van dierenwelzijn
in totaal 60 inspecties plaatsgevonden. Door de NVWA wordt niet bijgehouden welke
dierenwelzijnsinspecties specifiek op opfokbedrijven met geitenbokjes hebben plaatsgevonden.
299
Hoeveel inspecties hebben er in 2025 plaatsgevonden bij schapenhouders? Wat waren
de resultaten?
Tot en met 1 oktober 2025 hebben er bij schapenhouders in het kader van dierenwelzijn
in totaal 307 inspecties plaatsgevonden. Hiervan waren er 223 akkoord en 84 niet akkoord.
300
Hoeveel slachthuizen hebben één of meerdere strikes ontvangen binnen het three strikes
out principe? Kan de Kamer een lijst hiervan ontvangen?
Tussen januari 2024 en oktober 2025 zijn negen strikes uitgedeeld aan slachthuizen
binnen de roodvleessector. Dit betreft verschillende bedrijven. Er is geen bedrijf
met meerdere strikes. De NVWA maakt in dergelijke gevallen de namen van de individuele
slachthuizen niet openbaar, anders dan via een verzoek op grond van de Wet Open Overheid
en toetsing aan de geldende wettelijke regels voor openbaarmaking, waarbij het betreffende
bedrijf de mogelijkheid heeft gehad een zienswijze te geven.
301
Wanneer wordt het three strikes out principe ingevoerd voor pluimveeslachthuizen?
Op dit moment onderzoekt de NVWA hoe het «three strikes out» principe ingericht kan
worden bij pluimveeslachthuizen en hoe dat er dan uit zou kunnen zien. De NVWA streeft
ernaar om in het voorjaar van 2026 het three strikes out principe op pluimveeslachthuizen
toe te passen. Uw Kamer wordt hierover geïnformeerd wanneer dit is gebeurd.
302
Wat is de stand van zaken met de uitkoop van nertsenfokkerijen en de afhandeling daarvan?
Wat is de stand van zaken van de beroepszaken van de nertsenhouders?
De nadeelcompensatie is medio 2022 (grotendeels) afgerond. Het College van Beroep
voor het bedrijfsleven heeft op 2 oktober 2025 uitspraak gedaan in de 54 beroepszaken
over de vergoeding van schade (nadeelcompensatie) voor pelsdierhouders die hun bedrijf
hebben moeten beëindigen in 2020 in verband met het vervroegde verbod op de pelsdierhouderij.
Op dit moment worden de consequenties van deze uitspraak bestudeerd. Uw Kamer wordt
nader geïnformeerd over het vervolg.
303
Hoe staat het met de inventarisatie van stalverstikkingen, stalvloerdoorzakkingen,
veetransportongelukken?
In stallen waarbij de gezondheid en het welzijn van het dier afhankelijk zijn van
kunstmatige ventilatie gelden sinds 1 juli 2023 aangescherpte regels voor alarmsystemen.
Daarnaast is vanaf 1 juli 2024 een noodstroomaggregaat verplicht. Er bestaat momenteel
geen meldingsplicht voor incidenten waarbij ventilatiesystemen in stallen uitvallen.
In de periode 1 januari 2024 tot en met 1 oktober 2025 zijn in totaal 6 (vrijwillige)
meldingen gedaan bij de NVWA over de uitval van ventilatiesystemen in stallen.
Ten aanzien van incidenten met een stalvloer waarbij dieren in de mestput belanden
ben ik, zoals toegezegd in de beantwoording van de feitelijke vragen bij de LVVN-begroting
van 202539, in gesprek met verschillende stakeholders om meer inzicht te krijgen in dergelijke
incidenten, en de mogelijkheden voor registratie van deze incidenten. Samen met het
Nederlands Instituut Publieke Veiligheid (NIPV) verkent de Minister van LVVN momenteel
de mogelijkheid voor het opzetten van een monitor om kwantitatieve data over incidenten
die de afgelopen 5 jaren hebben plaatsgevonden te verzamelen. Op deze manier kan meer
inzicht verkregen worden in het aantal incidenten per jaar, en kan eventuele aanvullende
informatie ontsloten worden over het type stal en de dierlijke slachtoffers.
Verkeersongelukken waar veetransport bij betrokken is, worden niet geïnventariseerd.
304
Worden in de Nederlandse garnalen kweek de oogstelen van moederdieren afgeknipt?
De praktijk van het afknippen van oogstelen van moederdieren komt in de Nederlandse
garnalen kweek niet voor.
305
Hoe staat het met het verbod op het levend koken van kreeftachtigen?
U wordt hiervoor verwezen naar de reactie40 op de motie van de leden Kostic en Graus waarin wordt aangegeven dat dit jaar aan
een verkenning wordt gewerkt om het verbod op het levend koken van krabben en kreeften
zo goed mogelijk vorm te kunnen geven. Hiervoor is de Staatssecretaris van LVVN in
gesprek met Koninklijke Horeca Nederland en wetenschappelijke experts. In deze reactie
staat ook aangegeven dat uw Kamer eind dit jaar geïnformeerd wordt over de stand van
zaken met betrekking tot dit verbod. Zoals ook in de recente beantwoording van Kamervragen
staat aangegeven is de inzet erop gericht om het verbod in 2026 in werking te laten
treden (Aanhangsel Handelingen II, vergaderjaar 2025/26, nr. 180).
306
Hoeveel levende kreeften en krabben zijn in 2025 in Nederland ingevoerd? Op welke
wijze? Wat was de oorsprong daarvan?
In 2025 zijn 10 zendingen (7 ton) levende kreeften (Homarus), bestemd voor menselijke
consumptie ingevoerd van landen buiten de EU: 8 zendingen (6 ton) uit Canada en 2 zendingen
(1 ton) uit USA. Ook zijn 44 zendingen levende kreeften als sierwaterdieren ingevoerd,
in totaal ruim 25.000 dieren, voornamelijk uit Indonesië.
307
Hoeveel kangoeroevlees werd er in 2025 geïmporteerd? Hoeveel bleef daarvan in Nederland?
Waar werd de rest heen geëxporteerd?
In 2025 zijn 10 zendingen (138 ton) kangoeroevlees geïmporteerd van landen buiten
de EU, waarvan 9 zendingen (124 ton) met bestemming Nederland en 1 zending (14 ton)
met bestemming Frankrijk.
308
Hoeveel zebravlees werd er in 2025 geïmporteerd? Hoeveel bleef daarvan in Nederland?
Waar werd de rest heen geëxporteerd? Hoe zit dat bij ander exotisch vlees, zoals antiloop,
krokodil, primaat, et cetera
In 2025 is tot 1 oktober geen zebravlees geïmporteerd uit landen buiten de EU.
Wel zijn tot 1 oktober twee zendingen krokodillenvlees (16 ton) uit Zuid-Afrika geïmporteerd,
bestemd voor Nederland.
309
Hoeveel angorawol/-producten werd er in 2025 geïmporteerd? Hoeveel bleef daarvan in
Nederland? Waar werd de rest heen geëxporteerd?
In de importstatistieken worden geen gegevens bijgehouden over angorawol/-producten.
310
Hoeveel dons dat levend is geplukt werd er in 2025 geïmporteerd? Hoeveel bleef daarvan
in Nederland? Waar werd de rest heen geëxporteerd?
In 2025 werden tot 1 oktober vijf zendingen (14 ton) dons uit China geïmporteerd.
Vier zendingen (14 ton) waren bestemd voor Nederland en 1 zending (0.075 ton) was
bestemd voor Portugal. Het is niet bekend of het levend geplukt dons betreft.
311
Hoeveel bont is er in 2025 in Nederland ingevoerd?
Bont (in gelooide toestand) is niet onderworpen aan officiële veterinaire controles
bij binnenkomst in de EU. Hierover zijn geen gegevens bekend.
312
Hoe vaak is in 2025 gecontroleerd op het verplicht hebben van een noodaggregaat bij
stallen die afhankelijk zijn van kunstmatige ventilatie? Wat waren de uitkomsten van
die controles?
Vanaf 1 juli 2024 is voorgeschreven dat een noodsysteem voor ventilatie een noodstroomaggregaat
moet bevatten. De verplichtingen voor een noodsysteem worden gecontroleerd bij een
welzijnsinspectie door de NVWA. Gekeken wordt of een noodstroomaggregaat op het bedrijf
aanwezig is, dat voldoet aan de specificaties en op de juiste wijze wordt getest.
In 2025 zijn tot en met 30 september in totaal 112 inspecties van het noodsysteem
en het noodstroomaggregaat uitgevoerd. Bij 5 inspecties zijn tekortkomingen geconstateerd
313
Hoe vaak is er gecontroleerd op de aanwezigheid van een noodventilatiesysteem?
Zie het antwoord op vraag 312.
314
Hoeveel «niet akkoord» bevindingen waren er in 2024 en 25 bij eendenslachter Tomassen
Duck-To? Tot hoeveel waarschuwingen en boetes leidde dit?
De NVWA maakt de bevindingen van een individueel slachthuis niet actief openbaar.
Wel kan verwezen worden naar reeds openbaar gemaakte informatie over eendenslachter
Tomassen Duck-To op de website van de NVWA41 of via het zoekportaal op de website van Open overheid42, dat openbaar gemaakt is naar aanleiding van informatieverzoeken, waarbij getoetst
is aan de wettelijke regels voor openbaarmaking en het betreffende bedrijf de mogelijkheid
heeft gehad een zienswijze te geven
315
Hoeveel inspecties zijn er uitgevoerd door de NVWA op instellingen waar dierproeven
plaatsvinden in 2025?
Tot 1 oktober 2025 heeft de NVWA 94 inspecties en 2 audits, gericht op dierenwelzijn,
uitgevoerd bij instellingen waar dierproeven plaatsvinden.
316
Hoeveel waarschuwingen werden er uitgedeeld en hoeveel sancties omwille van inbreuken
op de Dierenwelzijnswet of de Wet op de dierproeven (WOD) als gevolg van inspecties
door de NVWA in 2025?
Tot 1 oktober 2025 heeft de NVWA 3 officiële waarschuwingen uitgedeeld en 1 maal Proces
Verbaal (PV) opgemaakt.
317
Hoeveel inspecties werden er in 2025 uitgevoerd bij Hartelust door de NVWA?
Hoeveel inspecties werden er in 2025 uitgevoerd bij Charles River door de NVWA?
Hoeveel inspecties werden er in 2025 uitgevoerd bij BPRC door de NVWA?
Hoeveel in 2024 en 25 bij Pharming Group N.V.?
De NVWA heeft in het kader van de Wet op de dierproeven tot 1 oktober 2025 nog geen
inspectiebezoek afgerond bij Hartelust, 2 inspecties uitgevoerd bij Charles River
en 5 inspecties uitgevoerd bij het BPRC. De NVWA heeft in het kader van de Wet op
de dierproeven in de periode 2024 tot 1 oktober 2025 2 inspecties uitgevoerd bij Pharming.
318
Hoeveel konijnen houdt Pharming Group N.V. op hoeveel locaties? Hoe oud worden deze
konijnen gemiddeld?
Pharming Group N.V. heeft voor twee locaties een vergunning om dierproeven te verrichten
en proefdieren te fokken en af te leveren. De NVWA houdt de door de vergunninghouder,
conform Artikel 15 Wod en Bijlage 7 van de Dieproevenregeling 2014, aangeleverde registratiegegevens
bij. De aantallen gehouden proefdieren en leeftijd van de proefdieren zijn daar geen
onderdeel van.
319
Welke ruimingen hebben er in 2025 plaatsgevonden? Vanwege welke ziektes? Hoeveel dieren
van welke soort/doel werden er geruimd?
In 2025 hebben vijf ruimingen plaatsgevonden vanwege een besmetting met Hoog Pathogeen
Vogelgriep Virus H5N1:
Plaats
Idsegahuizum
Idsegahuizum
Hapert
Putten
Gasselternijveenschemond
Bedrijf soort
Legpluimvee
scharrel
Legpluimvee
Vrije uitloop
Kinderboerderij
Vleeskalkoenen
Ouderdiervlees
Datum besmet
30-1-2025
17-2-2025
24-2-2025
19-3-2025
6-10-2025
Aantal dieren geruimd
25.508
37.721
47
24.650
68.173
Aantal eieren geruimd
91.800
35.374
17
0
306.828
320
Hoeveel foie gras werd er in 2025 in Nederland geïmporteerd en van waar?
In 2025 werd tot 1 oktober geen foie gras geïmporteerd.
321
Hoeveel dieren werden hoogzwanger aangevoerd voor de slacht in 2025 uitgesplitst naar
soort?
De NVWA heeft in de eerste 3 kwartalen van 2025 in slachthuizen 125 bevindingen gedaan
van dieren die vermoedelijk hoogdrachtig waren (>90% dracht). Dit betrof uitsluitend
runderen.
322
Hoe verhoudt het antibiotica gebruik in de Nederlandse veehouderij zich tot medisch
gebruik voor mensen en huisdieren (in kilo’s en percentage van het totaal antibiotica
gebruik in Nederland)?
De Autoriteit Diergeneesmiddelen (SDa) monitort de gebruikte en verkochte hoeveelheid
antibiotica bij dieren. In 2024 werd 121.168 kg aan massa actieve stof antibiotica
verkocht in dieren in Nederland (SDa rapportage 2025). De verdeling van het gebruik
per gemonitorde diersector is in onderstaande figuur weergegeven. Van het totale gebruik
in dieren werd 89% (108.141 kg) voorgeschreven in de gemonitorde diersectoren (waaronder
vleeskuikens, melkvee, vleeskonijnen, kalkoenen, vleeskalveren, overig pluimvee, eenden,
varkens en overig rundvee). Er is geen monitoring van gebruik in huisdieren, waardoor
niet bekend is hoeveel antibiotica in deze diersector werd gebruikt t.o.v. het totaal.
In de humane gezondheidszorg wordt het antibioticagebruik bijgehouden met behulp van
de zogenaamde DDD (Defined Daily Dose – gemiddelde dagelijks dosis per 1.000 inwoners
per dag). Hierover wordt jaarlijks gerapporteerd in de NethMap rapportage. In de humane
gezondheidszorg wordt het jaarlijks antibioticumgebruik in kilo's niet bijgehouden.
323
Hoeveel koloniekooi bedrijven zijn er nog in Nederland? Hoeveel leghennen verblijven
er nog in kooien? Hoeveel vleeskuikens?
Op dit moment staan 39 kipnummers geregistreerd met de bedrijfssoort legpluimvee en
de houderijvorm kolonie leg. In 2024 waren er gemiddeld 4,3 miljoen hennen aanwezig
op legpluimveebedrijven met de houderijvorm kolonie. Er zijn geen vleeskuikenbedrijven
met de houderijvorm kolonie.
324
Welk aantal en procent leghennen bevindt zich in scharrelschuur zonder uitloop?
In 2024 waren er gemiddeld 20,7 miljoen (61%) leghennen met de houderijvorm scharrel
aanwezig op legpluimveebedrijven. Een groot deel daarvan is Beter Leven 1 ster gecertificeerd
en heeft een overdekte uitloop. Deze aanvullende gegevens voor marktconcepten zoals
een uitloop worden niet geregistreerd.
325
Hoeveel kalkoen kuikens en eieren worden jaarlijks in Nederland geïmporteerd? Van
waar?
In 2024 zijn er bijna 1,26 miljoen kalkoenkuikens verplaatst vanuit Duitsland naar
Nederland en ruim 7.250 kalkoenkuikens vanuit Frankrijk. Vanuit het Verenigd Koninkrijk
is er 1 zending met 1.000 kalkoenkuikens geïmporteerd. Er zijn 2 zendingen met 212.800
kalkoeneieren geïmporteerd vanuit Canada en 2 zendingen met 12.800 kalkoeneieren vanuit
de VS.
326
Welk percentage (en aantal hectare) van de beschikbare landbouwgrond in Nederland
wordt gebruikt voor begrazing door vee en verbouwing van gewassen voor veevoeder (afgezet
tegen verbouwen van voedsel voor mensen)?
Volgens het CBS werd in 2024 van de in totaal circa 1,8 miljoen hectare beschikbare
landbouwgrond in Nederland ongeveer 1 166 duizend hectare, ofwel 65 procent, benut
als grasland en voor de teelt van groenvoedergewassen die doorgaans worden gebruikt
als vers veevoer. Het overige areaal van circa 633 duizend hectare, overeenkomend
met 35 procent, werd aangewend voor akker- en tuinbouwgewassen. Hiervan is niet gespecificeerd
of dit bedoeld is voor teelt van gewassen voor veevoer of voor humane consumptie.
327
Hoeveel inspecties hebben er in 2025 plaatsgevonden bij viskwekerijen, uitgesplitst
naar soort, en wat waren de uitkomsten van deze inspecties?
In 2025 zijn er tot nu toe 11 inspecties aquacultuur uitgevoerd (een daarvan was een
herinspectie). Uitgesplitst in 3 paling-, 3 forel-, 1 steur-, 1 zalm-, 1 black cod-,
1 artemia-kwekerijen. Er zijn geen overtredingen geconstateerd. De meest voorkomende
opmerkingen gingen om de (onvolledig) biobeveiligingsplan.
328
Hoeveel kikkers bedoeld voor consumptie werden er in 2025 in Nederland ingevoerd?
In 2025 werden tot 1 oktober 10 zendingen (62 ton) kikkerbillen uit Vietnam ingevoerd.
6 zendingen (27 ton) bestemd voor Zwitserland en 4 zendingen (35 ton) bestemd voor
Nederland.
329
Hoeveel aquariumvissen werden er in 2025 in Nederland geïmporteerd?
In 2025 werden tot 1 oktober ongeveer 6.650.000 aquariumvissen geïmporteerd vanuit
landen buiten de EU.
330
Hoeveel schapen zijn er tot nu toe in 2025 geslacht?
In 2025 zijn tot 1 oktober ruim 374.500 schapen geslacht.
331
Hoe wordt ervoor gezorgd dat de noodzakelijk identiteitscontrole van de eigenaar door
de dierenarts, zoals bepaald in artikel 7.7 van de Regeling diergeneeskundigen en
toegelicht in de Nota van Toelichting (NvT), wordt verplicht voordat de injecteerbare
transponder wordt geplaatst bij de hond, zodat wordt voorkomen dat iemand het Uniek
Bedrijfsnummer (UBN) van een ander persoon gebruikt, waardoor het risico op illegale
hondenhandel bestaat?
Controle door een dierenarts verplicht stellen is een zwaar middel. Het betekent dat
er wettelijke taken aan het beroep dierenarts worden toegevoegd. Het is wel de verantwoordelijkheid
van de dierenarts om de identiteit van de eigenaar te controleren. De dierenarts kan
nu de identiteit van de houder controleren door de gegevens die de houder krijgt bij
aanvraag van UBN, te vergelijken met een identiteitsbewijs van de houder. RVO attendeert
de houder er op deze gegevens goed te bewaren en dat de dierenarts hier naar kan vragen.
332
Wat zijn de aantallen gechipte en ongechipte honden die zijn geïmporteerd naar Nederland
en het aantal dat in Nederland geboren is, van 2020 tot en met 2024?
De NVWA kan aangeven hoeveel honden via commerciële zendingen zijn binnengekomen in
Nederland. Voor deze zendingen moet een diergezondheidscertificaat worden afgegeven.
Dit zijn altijd honden die gechipt zijn, omdat dit een voorwaarde is voor afgifte
van het diergezondheidscertificaat. In onderstaande tabel is het aantal binnengekomen
honden via commerciële zendingen genoemd in de kolom herkomst EU en herkomst 3e land
(niet-EU-landen). Voor niet-commerciële zendingen/stichtingen zijn geen gegevens beschikbaar.
In de laatste kolom staat het aantal geboortes van honden in Nederland, dat is gemeld
bij RVO.
Jaar
Herkomst EU
Herkomst 3e land
Geboortes
2020
21.002
1.051
106.347
2021
18.761
1.416
102.848
2022
11.503
874
87.791
2023
10.331
520
92.459
2024
9.665
456
78.029
333
Wat gebeurt er momenteel met de registraties in de database van de Rijksdienst voor
Ondernemend Nederland (RVO) voor wat betreft het opsporen van illegale hondenhandel?
(Op welke manier maakt de NVWA gebruik van deze data?)
RVO heeft de gegevens beschikbaar gesteld aan de instanties op dit onderwerp handhaven.
334
Hoeveel zaken zijn in 2020 tot en met 2024 door de NVWA opgespoord waarbij sprake
was van illegale hondenhandel? Uit welke landen kwamen deze honden?
De NVWA voert inspecties uit op dierenwelzijn, identificatie en registratie en op
de importeisen zoals een ontbrekende rabiësvaccinatie. Dit doet zij bij fokkers en
handelaren, zowel met betrekking tot binnenlandse handel als handel vanuit het buitenland.
Ook vindt een deel van de inspecties plaats bij particulieren met een dier uit het
buitenland waarbij niet is voldaan aan de importeisen. Dit kan ook een onbewuste (niet
opzettelijke) non-conformiteit betreffen. Bij particulieren is het niet altijd duidelijk
of er sprake is van handel, dus of het dier was aangekocht of was bestemd voor eigendomsoverdracht,
of dat de particulier het dier al langer in bezit had en zelf vanuit het buitenland
had mee (terug) genomen. Een deel van de inspecties betreft daarom particulieren waar
geen sprake is van handel, maar het aandeel hiervan kan niet vastgesteld worden. In
de periode 2020 tot en met 2024 zijn overtredingen aangetroffen bij 636 inspecties
binnen bovengenoemd type. Er kan hierbij geen onderscheid worden gemaakt tussen inspecties
bij honden en bij katten, waardoor inspecties bij katten in dit totaal zijn meegenomen.
Het merendeel van de inspecties betrof echter wel honden.
Veel honden kwamen uit Oekraïne vanwege de oorlog. Honden die naar Nederland komen
zonder rabiësvaccin komen vaak uit landen zoals Polen, Roemenië, (Wit-)Rusland, Turkije
en Marokko.
335
Hoeveel honden zijn via zwerfdierorganisaties naar Nederland geïmporteerd?
Het aantal honden dat in Nederland geïmporteerd wordt door zwerfdierstichtingen wordt
niet geregistreerd.
336
Waarom is het voor tweede en daaropvolgende houders van de hond niet verplicht gesteld
ook een UBN aan te vragen waardoor de identiteit van elke houder bekend is?
De identiteit van de tweede en derde eigenaar is wel een vereiste, alleen is een UBN
geen verplichting, maar wordt naar NAW gegevens gevraagd. Om gebruik te maken van
een Burgerservicenummer (BSN) en identiteitsbewijs (nodig voor een UBN aanvraag) is
een goede reden nodig. Dit is voor de latere houders veel minder goed te beargumenteren
dan voor de eerste houder. Als er sprake is van illegale hondenhandel zal dit vooral
plaatsvinden bij een handelaar of importeur (eerste houder).
337
Wat wordt momenteel gedaan om ook de registratie van de identiteit van de tweede en
daaropvolgende houders van eenzelfde hond te verplichten, om zo het risico op illegale
handel te verkleinen?
De identiteit van de tweede en derde houder is al verplicht. Alleen gebeurt dit op
basis van NAW gegevens en niet op basis van UBN.
338
Is bekend dat de illegale hondenhandel kan bestaan dankzij het verdwijnen van sales
accounts in de online verkoop, waardoor de verkopers niet meer traceerbaar zijn en
waardoor illegale hondenhandel makkelijk mogelijk is? Hoe wordt hiermee omgegaan?
De NVWA heeft meerdere samenwerkafspraken gemaakt met Marktplaats, die ook worden
gebruikt bij het toezicht. Een van die maatregelen die Marktplaats heeft genomen is
verkopers laten betalen voor het plaatsen van een advertentie. De NVWA vordert bij
mogelijke overtredingen de betaalgegevens en de advertentie-historie van adverteerders.
De NVWA gebruikt deze gegevens om potentiële overtreders te identificeren om handhavend
op te treden. De NVWA heeft op regelmatige basis overleg met Marktplaats, waarbij
besproken wordt welke aanvullende (preventieve) maatregelen nodig zijn. Hierin zal
het verdwijnen van sales accounts worden meegenomen.
339
Wat is er momenteel gepland voor het aanscherpen van wetgeving om de illegale online
hondenhandel in Nederland te voorkomen?
Illegale hondenhandel speelt zich af in het internationale domein, niet alleen in
Nederland. Voor een effectieve aanpak is het dan ook belangrijk dat dit op Europees
niveau wordt opgepakt. Het EC-voorstel «welzijn van honden en katten en hun traceerbaarheid»
zal een belangrijke bijdrage leveren in het terugdringen van illegale hondenhandel.
Momenteel vinden de triloogonderhandelingen plaats tussen de Europese Commissie, de
Raad van de EU en het Europees Parlement. Nederland wacht de afronding van de onderhandelingen
over het voorstel af.
340
Is bekend dat er eenvoudige, slimme verificatie-oplossingen bestaan zoals Veripet,
waarmee online platforms zoals Markplaats de verkoper eenvoudig kunnen identificeren
waardoor de gechipte hond aan de geïdentificeerde verkoper kan worden gekoppeld, voordat
de advertentie online gaat? Hoe wordt hiermee omgegaan?
Ja, dit is bekend. Identificatie van de verkoper vindt op Marktplaats plaats door
een verplichte betaling alvorens de advertentie geplaatst wordt. Een koper heeft zelf
ook een verantwoordelijkheid om te checken of de verkopende partij betrouwbaar is.
De koper kan zelf de registratie van een hond controleren in de I&R app. Daarnaast
staan hier de openbare gegevens van de hond, zoals paspoortnummer, geboortedatum,
herkomst, eventuele importdatum en UBN (voor zover beschikbaar).
341
Is bekend dat een online verificatiesysteem van verkopers reeds succesvol is toegepast
bij de onlineverkoop van honden op sites vergelijkbaar met Marktplaats, in Zwitserland
en Ierland, om zo de illegale hondenhandel te voorkomen? Zo ja, waarom gebruikt Nederland
dat niet?
Ja, dit is bekend. Veripet is een systeem dat de eigenaar van de hond verifieert voordat
de advertentie online gaat. Nederland gebruikt dit systeem niet omdat er nog enkele
zorgen en praktische problemen bestaan over het systeem.
Een zorg is dat een Veripet-check misleidend kan zijn voor de koper. Dit Veripet-vinkje
kan onterecht geïnterpreteerd worden als bewijs dat elk aspect van fokken, verkoop
en handel is gecontroleerd en goedgekeurd. Het is echter alleen een check of het ingevoerde
microchip-nummer in de database staat onder de naam van de adverteerder. Dit biedt
de koper geen enkele zekerheid dat het dier dat wordt verkocht ook daadwerkelijk de
microchip met het nummer van de advertentie heeft; dat het dier legaal is geïmporteerd
en geregistreerd in TRACES; dat er geen sprake is van malafide handel; dat het dier
oud genoeg is om verkocht te worden; dat het dier goed verzorgd is; dat de ouderdieren
in goede gezondheid en welzijn verkeren; of dat het dier goed is gesocialiseerd.
Een praktisch probleem is dat er niet kan worden geadverteerd met nog niet gechipte
pups, terwijl het juist belangrijk is dat fokkers vanaf een vroeg stadium beginnen
met het zoeken naar de juiste match tussen toekomstige eigenaar en pup en dat er tijd
is voor meerdere bezoeken voordat de daadwerkelijke verkoop plaatsvindt. Hoewel puppy’s
op een zeer jonge leeftijd gechipt kunnen worden, is het niet wenselijk om een fokker
hiertoe te dwingen met een Veripet-check.
342
Is bekend dat in Frankijk in 2021 een wet is aangenomen die strengere regels voor
de online verkoop van huisdieren bevat, waaronder verificatieverplichtingen? Waarom
heeft Nederland dat niet?
Ja, dit is bekend. Nederland wacht op dit gebied de afronding van de onderhandelingen
over de EU-verordening «welzijn honden en katten en hun traceerbaarheid» af. Ten aanzien
van dit voorstel vinden momenteel de triloogonderhandelingen plaats tussen de Europese
Commissie, de Raad en het Europees Parlement.
343
Waarom wordt voor de online verkoop van huisdieren in Nederland de identificatie van
verkopers niet verplicht gesteld voor online verkoopsites, zoals een Marktplaats,
door gebruik te maken van een online verificatiesysteem?
Op dit moment vindt de identificatie van verkopers op Marktplaats plaats door een
verplichte betaling voor het plaatsen van een advertentie voor de verkoop van een
hond. Hier is geen ander online verificatiesysteem voor nodig. Nederland wacht op
dit gebied ook de afronding van de onderhandelingen over de EU-verordening «welzijn
honden en katten en hun traceerbaarheid» af. Ten aanzien van dit voorstel vinden momenteel
de triloogonderhandelingen plaats tussen de Europese Commissie, de Raad en het Europees
Parlement.
344
Het is nu mogelijk dat meerdere personen zich naast elkaar inschrijven als eigenaar
/ houder van een hond via één van de acht portals waardoor de Identificatie & Registratie
database van RVO vervuilt doordat meerder eigenaren op één hond geregistreerd staan.
Wat wordt hiermee gedaan in het kader van de opsporing? En wat wordt eraan gedaan
om dit te voorkomen?
Het is niet mogelijk dat meerdere houders gekoppeld zijn aan eenzelfde hond. Als een
hond eenmaal in I&R geregistreerd staat kan deze niet nogmaals geregistreerd worden
in I&R. Ook niet via een ander portaal. Een hond kan wel van houder veranderen doordat
de oude houder een afvoermelding doet en de nieuwe houder een aanvoermelding. Het
kan voorkomen dat de nieuwe houder een aanvoermelding doet voordat de oude houder
een afvoermelding heeft gedaan. Maar in I&R hond zijn alle opeenvolgende meldingen
van een hond zichtbaar. De NVWA en Landelijke Inspectiedienst Dierenwelzijn (LID)
kunnen dit ook zien.
345
Klopt het dat de politie momenteel niet rechtstreeks toegang heeft tot de I&R-hond
database van RVO? Waarom niet?
Het klopt dat de politie op dit moment niet rechtstreeks toegang heeft tot de I&R
hond database. Op dit moment vinden er gesprekken plaats met de politie of deze toegang
een waardevolle toevoeging is en onder welke voorwaarden deze toegang kan worden verstrekt.
346
Waarom is ervoor gekozen dat de dierhouder de registratie van de gechipte pups zelf
compleet moet maken, in plaats van de dierenarts, door de pups te koppelen aan het
chipnummer van de moederhond, waardoor illegale hondenhandel eenvoudig mogelijk is?
Wat wordt eraan gedaan om deze omissie in de regelgeving op te lossen, en indien dit
niet gebeurt, waarom niet?
Voor een complete registratie in I&R hond is een chipaanbrenging en geboortemelding
(o.a. registreren moederdier) van een hond nodig. Tijdens het chippen van de pups
ziet de dierenarts en chipper veelal het moederdier. Bij een verdachte situatie kan
hiervan melding worden gemaakt.
Als men kwaadwillend is, kan men nog steeds pups omkatten. Dat is ook niet tegen te
gaan door de dierenarts de registratie te laten doen. Het is voor een dierenarts lastig
om met zekerheid vast te stellen dat de teef ook daadwerkelijk de moeder is. Het is
een moeilijk vraagstuk en er wordt gekeken naar hoe dit op te lossen.
347
Klopt het dat dierenartsen momenteel geen melding kunnen maken van een vermoeden van
illegale hondenhandel (te jonge hond, niet gevaccineerd, niet gechipt, vals paspoort,
onbekende herkomst) via de portals, dat het doen van een melding door een dierenarts
nu omslachtig via een formulier op de website van de NVWA moet, terwijl het makkelijk
kunnen melden van verdachte handel wel in de Nota van Toelichting is beloofd?
Een verplichte eenvoudige meldknop bij een portal voor het melden van misstanden door
dierenartsen is helaas niet mogelijk. Bij een melding hoort de nodige informatie die
de NVWA in staat stelt iets met de melding te doen. Het meldformulier van de NVWA
is vorig jaar aangepast en wordt momenteel nog verder aangescherpt na onder andere
een evaluatie met dierenartsen uit de praktijk. Daarnaast werkt de Staatssecretaris
van LVVN aan een toevoeging in I&R hond zodat dierenartsen apart kunnen aangeven als
zij een hond registreren van onbekende herkomst.
348
Waarom is de meldingsmogelijkheid van illegale hondenhandel (te jonge hond, niet gevaccineerd,
niet gechipt, vals paspoort, onbekende herkomst) door dierenartsen via een zgn. meldknop
in de portals nog niet geregeld en op welke termijn is dit te verwachten?
Zoals al in het antwoord op vraag 347 staat is een eenvoudige meldknop bij een portal
voor het melden van misstanden door dierenartsen helaas niet mogelijk.
349
Is de centrale database van I&R gekoppeld aan Europetnet en zo nee, waarom niet? Gaat
dit wel gebeuren?
De centrale RVO-database van I&R is niet gekoppeld aan Europetnet. In Nederland is
de centrale I&R database voor honden niet afgesloten van de I&R database voor andere
diersoorten. Europetnet heeft niet kunnen verzekeren dat er geen risico is dat er
via Europetnet illegaal toegang kan worden verkregen tot de gehele I&R database. De
connectie met Europetnet is daarom vooralsnog een te groot risico voor de veiligheid
van de data in de I&R database. De Nederlandse Databank Gezelschapsdieren en PetBase
zijn overigens wel gekoppeld aan Europetnet. Nederland wacht op dit gebied ook afronding
van de onderhandelingen over de EU-verordening «welzijn honden en katten en hun traceerbaarheid»
af. Ten aanzien van dit voorstel vinden momenteel de triloogonderhandelingen plaats
tussen de Europese Commissie, de Raad en het Europees Parlement.
350
Klopt het dat de RVO in het Besluit aanwijzing toezichthouders Wet dieren wel is aangewezen
voor bestuursrechtelijke handhaving op I&R-regelgeving, maar daar geen of beperkt
uitvoering aan wordt gegeven voor wat betreft meldingen over ongechipte honden? Zo
ja, waarom niet.
RVO is aangewezen om bestuursrechtelijk te handhaven wat betreft de ongechipte honden.
Per 2026 bij ontvangen van rapporten van LID van bevindingen kan RVO uitvoering geven
aan de bestuurlijke handhaving.
351
Klopt het dat het Functioneel Parket overtredingen door particulieren van I&R Hond
regelgeving, zoals een ongechipte hond, niet in behandeling neemt? Zo ja, waarom niet?
Handhaving van I&R hond kan zowel op basis van strafrecht als bestuursrecht plaatsvinden.
Handhaving op basis van strafrecht blijkt in de praktijk moeilijk na te streven omdat
zaken die enkel betrekking hebben op een overtreding van I&R geen prioriteit hebben
voor het OM. Bij grotere overtredingen, waar veel meer speelt wordt I&R wel meegenomen.
352
Welk percentage van de dieren, uitgesplitst naar diersector, wordt gehouden in gangbare
houderijsystemen, in een houderijsysteem met één ster van het Beter Leven keurmerk
van de Dierenbescherming, in een houderijsysteem met twee sterren, met drie sterren
en biologisch en om hoeveel dieren gaat dit?
Gegevens met percentages van dieren en in welke houderijsystemen deze dieren worden
gehouden, worden niet geregistreerd.
353
Wat is er bekend over de staat van instandhouding van de soorten die vermeld staan
op de wildlijst en wat zijn hier de bronnen van?
In 2022 is de staat van instandhouding (SvI) van de soorten die vermeld staan op de
wildlijst onderzocht door Wageningen Universiteit en Sovon Vogelonderzoek Nederland.
Uit de rapporten, die aan uw Kamer zijn toegestuurd43, blijkt dat de staat van instandhouding van de soorten die vermeld staan op de wildlijst
(artikel 8.3 lid 4 Omgevingswet) ongunstig is.
354
Wat is bekend over de staat van instandhouding van de wolf in Nederland en wat zijn
hier de bronnen van?
In september is uw Kamer geïnformeerd over het rapport «Populatieomvang en verspreidingsgebied
volgens de Habitatrichtlijn» van Wageningen University & Research)44. Momenteel vindt een aanvullend onderzoek plaats dat rekening houdt met de specifieke
Nederlandse situatie als klein en dichtbevolkt land.
355
Wat is bekend over de staat van instandhouding van soorten op de wildlijst in de respectievelijke
provincies?
De «staat van instandhouding» van een soort is een begrip uit de Europese Habitatrichtlijn.
Conform de Europese methodiek wordt de staat van instandhouding in beginsel op nationaal
niveau beoordeeld. Sommige provincies laten een provinciale staat van instandhouding
onderzoeken ten behoeve van provinciaal beleid en vergunningverlening. Het Ministerie
van LVVN beschikt niet over deze gegevens op provinciaal niveau.
356
Welke preventieve maatregelen kunnen boeren en veehouders nemen tegen schade door
fauna?
Voor de belangrijkste schadeveroorzakende diersoorten heeft BIJ12 een Faunaschade
PreventieKit opgesteld. Hierin staat welke niet-dodelijke maatregelen boeren en veehouders
kunnen nemen om effectief faunaschade te voorkomen. Voor meer informatie kunt u terecht
op de website van BIJ12 https://www.bij12.nl/onderwerp/faunaschade/schade-voorkomen/.
357
Hoeveel horeca en outdoor gelegenheden serveren nog kreeft en krab op hun menu?
Precieze aantallen over horeca en outdoor gelegenheden die kreeft en krab serveren
zijn mij niet bekend.
358
Hoeveel kreeften en krabben zijn er in 2024 en 2025 levend gekookt?
Er zijn geen gegevens bekend over het aantal krabben en kreeften dat levend is gekookt
in 2024 en 2025.
359
Zijn er, naar aanleiding van de aangenomen motie van de leden Kostic (PvdD) en Graus
(PVV) (Kamerstuk 28 286, nr. 1362) over het levend koken van kreeften en krabben gesprekken geweest met de visserijsector,
opleidingen, horeca en catering? Zo ja, met wie en wat was de strekking van deze gesprekken?
Zoals in de beantwoording op vraag 305 staat aangegeven is de Staatssecretaris van
LVVN in gesprek met Koninklijke Horeca Nederland en wetenschappelijke experts over
het zo goed mogelijk vormgeven van het verbod op het levend koken van krabben en kreeften.
Het doel van deze gesprekken ziet op het gezamenlijk verkennen van alternatieve methoden
voor het levend koken van krabben en kreeften die ook praktische toepasbaar zijn in
de horeca keuken.
360
Hoe staat het met het structureel verzamelen van data en kengetallen over de huis-
en hobbydierketens?
Ares Dronten, Van Hall Larenstein en HAS Green Academy hebben in opdracht van LVVN
een verkenning uitgevoerd met als doel te achterhalen of het structureel verzamelen
van data en kengetallen over de huis- en hobbydierketens haalbaar is. Uit deze verkenning
blijkt dat meerdere stakeholders data verzamelen, maar dat een gedetailleerdere analyse
per stakeholder nodig is om onder andere de kwaliteit van de data, de systeemeisen
en de (juridische) knelpunten en mogelijkheden beter te begrijpen. Hoewel de verkenning
een aantal waardevolle inzichten heeft opgeleverd, wordt geen vervolgonderzoek uitgezet
naar de mogelijkheden om data structureel te verzamelen in bijvoorbeeld een monitoringsysteem.
Een vervolgonderzoek brengt hoge kosten met zich mee, en de verwachte resultaten leveren
op korte termijn weinig directe bijdrage aan de beleidsdoelen.
361
Wat is de stand van zaken ten aanzien van de beleidsregel reptielenbeurzen?
De beleidsregel voor reptielenbeurzen bevat regels ten aanzien van tijdelijk huisvesten
van reptielen gedurende een beurs, tentoonstelling of markt. Met verschillende partijen
heeft de Staatssecretaris van LVVN de afgelopen periode gewerkt aan deze beleidsregel,
waarbij ook dierenwelzijnsorganisaties en reptielenorganisaties waren betrokken. Op
dit moment worden de laatste stappen doorlopen. De beleidsregel zal naar verwachting
begin 2026 worden gepubliceerd.
De beleidsregel voor reptielenbeurzen bevat regels ten aanzien van tijdelijk huisvesten
van reptielen gedurende een beurs, tentoonstelling of markt. Met verschillende partijen
heeft de Staatssecretaris van LVVN de afgelopen periode gewerkt aan deze beleidsregel,
waarbij ook dierenwelzijnsorganisaties en reptielenorganisaties waren betrokken. Op
dit moment worden de laatste stappen doorlopen. De beleidsregel zal naar verwachting
begin 2026 worden gepubliceerd.
362
Hoeveel inspecties en gesprekken hebben in 2024 en 2025 plaatsgevonden met het Dolfinarium
en waar gingen deze over?
In 2024 en 2025 werd er één inspectie uitgevoerd door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit.
Er vonden daarnaast twaalf gesprekken plaats tussen Rijksdienst voor Ondernemend Nederland
en het Dolfinarium. Deze gesprekken hadden onder meer betrekking op de hoorzittingen
en diverse voorschriften.
363
In hoeverre wordt invasiviteit meegenomen in de beoordeling van de reptielenlijst?
Het toetsingskader voor de beoordeling van reptielensoorten is nog in ontwikkeling.
De toetsing gaat uit van risico’s voor het welzijn van het dier of de veiligheid van
de mens. Soorten die vanwege invasiviteit niet in Nederland mogen worden gehouden
op basis van de Europese verordening «Invasieve Uitheemse soorten», komen ook niet
op een positieflijst.
364
Hoeveel vleeskuikens en producten afkomstig van vleeskuikens met lagere standaarden
dan de EU zijn de afgelopen jaar geïmporteerd in de EU, en in Nederland en vanuit
welke landen?
Dieren en dierlijke producten moeten bij import voldoen aan de EU-regelgeving en dienen
daarmee aan dezelfde standaarden als de EU te voldoen. Op het importcertificaat worden
garanties afgegeven voor volksgezondheid, diergezondheid en het dierenwelzijn wat
betreft het slachten. Mocht u in de vraagstelling verwijzen naar de wijze waarop dieren
gehouden en vervoerd worden in landen buiten de EU dan kunnen daar verschillen in
zitten, maar dat is geen onderdeel van de importcontrole.
365
Hoeveel vleeskuikens zonder Beter Leven keurmerk zijn in respectievelijk 2020, 2021,
2022, 2023 en 2024 in Nederland geproduceerd?
Er worden geen gegevens over het Beter Leven keurmerk geregistreerd.
366
Hoeveel NVWA en/of RVO inspecties in dierentuinen hebben er in 2023 en 2024 plaatsgevonden
en wat zijn hier de bevindingen van geweest?
2023
Dierentuinen (met vergunning)
Instellingen zonder vergunning
Totaal
Aantal inspecties
8 inspecties
25 inspecties
33 inspecties
Aantal maatregelen bij overtreding
1 last onder bestuursdwang
1 last onder dwangsom
6 waarschuwingen
1 last onder bestuursdwang
1 last onder dwangsom
6 waarschuwingen
2024
Dierentuinen (met vergunning)
Instellingen zonder vergunning
Totaal
Aantal inspecties
11 inspecties
21 inspecties
32 inspecties
Aantal maatregelen bij overtreding
2 last onder dwangsom
2 waarschuwingen
6 waarschuwingen
2 last onder dwangsom
8 waarschuwingen
367
Hoeveel inspecties en of controles door de NVWA, RVO, politie en douane zijn er in
2024 en 2025 geweest ten aanzien van de import van kangoeroeproducten en welke bevindingen
zijn hier gemaakt?
Er zijn geen invoervergunningen uitgegeven voor kangoeroesoorten die onder CITES vallen.
Er zijn daarom ook geen controles uitgezet voor de kangoeroesoorten die onder CITES
vallen.
368
Kunt u uiteenzetten hoeveel vis, schaal- en schelpdieren en weekdieren Nederland jaarlijks
importeert, uiteengezet naar diersoort en vanuit welk land?
Tot 1 oktober 2025 zijn er ca. 6.600 zendingen vis geïmporteerd, vnl. afkomstig uit
China, Rusland, Verenigd Koninkrijk en Vietnam. Er zijn ca. 2.200 zendingen schaal-
en schelpdieren geïmporteerd, vnl. afkomstig uit Bangladesh, Ecuador, Indonesië en
Vietnam. Er zijn ca. 500 zendingen weekdieren geïmporteerd, vnl. afkomstig uit China,
Indonesië, India, Japan en Nieuw Zeeland.
369
Hoeveel van de geïmporteerde vis, schaal- en schelpdieren en weekdieren hebben een
Aquaculture Stewardship Council (ASC)-keurmerk?
De gegevens worden niet geregistreerd.
370
Hoeveel en welke dierentuinvergunningen zijn ingetrokken in het afgelopen jaar en
om welke redenen?
Van 5 dierentuinen is in 2024 de dierentuinvergunning ingetrokken, allen op verzoek
van de dierentuin zelf. Eén dierentuin is door de eigenaar vanwege persoonlijke omstandigheden
verkocht. Twee dierentuinen zijn gestopt vanwege de gezondheid van de eigenaar. Eén
dierentuin is gestopt omdat de eigenaar deze niet langer als dierentuin wil exploiteren.
Eén dierentuin is gestopt, deze krimpt de diercollectie in omdat deze niet meer voldoet
aan de regelgeving.
371
Hoeveel dierentuinvergunningen heeft de Rijksdienst van Ondernemend Nederland (RVO)
geweigerd en hoeveel verleend in het afgelopen jaar en om welke redenen?
In 2024 heeft RVO 0 (nul) aanvragen voor een dierentuinvergunning geweigerd en 0 (nul)
dierentuinvergunningen verleend.
372
Kunt u aangeven welke belangen hebben meegespeeld en hoe u deze belangen heeft afgewogen
in het komen tot de maximumnorm voor ammoniak in varkensstallen van «gemiddeld maximaal 20 ppm» aangezien de
EFSA hier 10 parts per million als maximum concentratie adviseert?
Zie het antwoord op vraag 116.
373
Kunt u aangeven welke belangen hebben meegespeeld en hoe u deze belangen heeft afgewogen
in het komen tot een oppervlaktenorm voor vleeskuikens van (mogelijk) 35 kilogram
per vierkante meter in 2035 en 32 kilogram per vierkante meter in 2040, terwijl EFSA
adviseert vleeskuikens te huisvesten op maximaal 11 kilogram per vierkante meter?
Zie het antwoord op vraag 116.
374
Kunt u aangeven welke belangen hebben meegespeeld en hoe u deze belangen heeft afgewogen
in het komen tot een oppervlaktenorm voor leghennen van slechts 1.250 vierkante centimeter
per dier in 2040, terwijl EFSA ten minste 2.500 per leghen adviseert?
Zie het antwoord op vraag 116.
375
Kunt u aangeven welke belangen hebben meegespeeld en hoe u deze belangen heeft afgewogen
in het komen tot geen verplichte uitloop voor leghennen en vleeskuikens in 2040, terwijl
de EFSA toegang tot een overdekte uitloop en vrije uitloop vanaf 14 dagen leeftijd
adviseert?
Zie het antwoord op vraag 116.
376
Kunt u aangeven wie primair verantwoordelijk is voor de bestrijding van uitheemse
rivierkreeften en de financiering daarvan, ook buiten Natura 2000 gebieden?
Zoals de Staatssecretaris eerder aan uw Kamer heeft medegedeeld45, is hij op grond van de Exotenverordening eerstverantwoordelijk voor beheersmaatregelen
tegen uitheemse rivierkreeften. De negatieve effecten van uitheemse rivierkreeften
raken echter doelstellingen van verschillende regelgeving, waaronder in ieder geval
de Vogel- en Habitatrichtlijnen, Natuurherstelverordening, Exotenverordening, Visserijwet,
Kaderrichtlijn Water en regelgeving voor het regionale waterbeheer (https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2024/11/04/governance…). Voor deze regelgeving zijn verschillende overheden eerstverantwoordelijk. De Exotenverordening
biedt lidstaten een grondslag voor prioriteren op basis van een kosten-batenafweging
bij het treffen van beheersmaatregelen voor wijdverspreide soorten. Hij geeft bij
de aanpak van alle invasieve exoten, dus ook van uitheemse rivierkreeften, prioriteit
aan maatregelen die bijdragen aan de biodiversiteitsdoelstellingen van de Vogel- en
Habitatrichtlijnen en de Natuurherstelverordening. In de praktijk worden die maatregelen
vooral in beschermde natuurgebieden genomen. In de Voorjaarsnota 2025 zijn middelen
ter beschikking gekomen voor maatregelen tegen invasieve exoten. De kosten voor maatregelen
tegen uitheemse rivierkreeften in beschermde natuurgebieden zoals die geraamd zijn
door de provincies in hun Ambitiedocument Invasieve Exoten kunnen hieruit niet gedekt
worden. Evenwel wil hij een klein deel van deze middelen inzetten om binnen het programma
Ontwikkeling Beheersingsaanpak Uitheemse Rivierkreeften (OBUR) tot een geschikte effectieve
aanpak te komen. Het Ministerie van LVVN, het Ministerie van IenW, de Unie van Waterschappen
en het Interprovinciaal Overleg zijn binnen het programma OBUR in gesprek over de
verantwoordelijkheidsverdeling en financiering van beheersmaatregelen in de gebieden
buiten beschermde natuurgebieden. In het eerste kwartaal van 2026 zal uw Kamer geïnformeerd
worden over de stappen die hierin gezet worden.
377
Hoeveel bedrijven zijn inmiddels gestopt via de Maatregel Gebiedsgerichte Beëindiging
(MGB)?
Op dit moment zijn er nog geen veehouderijen beëindigd op basis van de MGB. De uitvoering
van de MGB loopt via provincies, waarvan tot nu toe de provincies Gelderland, Limburg
en Drenthe een regeling hebben opengesteld. Diverse andere provincies zijn bezig met
voorbereidende werkzaamheden gericht op het openstellen van provinciale regelingen
op basis van de genotificeerde MGB-regeling in het voorjaar van 2026.
378
Hoeveel stikstofruimte heeft de MGB opgeleverd?
De MGB heeft nog geen stikstofruimte opgeleverd. Op dit moment zijn er nog geen veehouderijen
beëindigd op basis van de MGB. De uitvoering van de MGB loopt via provincies, waarvan
tot nu toe de provincies Gelderland, Limburg en Drenthe een regeling hebben opengesteld.
Diverse andere provincies zijn bezig met voorbereidende werkzaamheden gericht op het
openstellen van provinciale regelingen op basis van de genotificeerde MGB-regeling
in het voorjaar van 2026.
379
Kunt u toelichten voor welke doeleinden de beleidsmatig gereserveerde middelen op
het artikel «Kennis en innovatie» zijn bestemd?
Het hoofddoel van het kennis- en innovatiebeleid van de Minister van LVVN is het leveren
van een bijdrage aan (1) het ontwikkelen van kennis en innovatie (voor beleid en samenleving)
en (2) de verspreiding van kennis en van werkende ideeën en oplossingen, voor een
toekomstbestendig voedselsysteem, een robuuste natuur en een vitaal platteland. De
beleidsmatige gereserveerde middelen zijn bestemd voor nieuwe programma’s en openstellingen
van subsidieregelingen. Concreet gaat het om middelen voor bijvoorbeeld doelsturing,
robotisering, experimenteerlocaties en budget bestemd voor beleidsmatige onderzoeken.
380
Kunt u een opsomming geven van de juridische en praktische voor- en nadelen van kwantitatieve
en kwalitatieve doelsturing?
Aangezien bij doelsturing de resultaten worden uitgedrukt in Kritische Prestatie Indicatoren
(een eenheid), is doelsturing in essentie, in welke toepassingsvorm dan ook, kwantitatief
van aard. Een kwalitatieve norm biedt namelijk minder houvast. Die zal al snel leiden
tot de behoefte om tot nadere afbakening of invulling te komen. Een kwantitatieve
norm daarentegen, bijvoorbeeld een norm per hectare of per eenheid, heeft als voordeel
dat die duidelijkheid (en rechtszekerheid) biedt. Zowel voor degene tot wie de norm
gericht is (de agrariër) als voor toezicht en handhaving, bijvoorbeeld via meten of
rekenen.
381
Kunt u een overzicht geven van onderzoeken over het welzijn van vissen, week-, schelp-
en schaaldieren die in de afgelopen twee jaar in opdracht van het Ministerie van LVVN
zijn gedaan?
In de afgelopen twee jaar zijn de volgende onderzoeken naar het welzijn van vissen,
week-, schelp- en schaaldieren in opdracht van het Ministerie van LVVN gedaan of lopen
nog.
• (1) Onderzoeken naar specificaties voor het elektrisch bedwelmen van krabben en kreeften
naar aanleiding van een motie van de leden Wassenberg en de Groot (Kamerstuk 35 925 XIV, nr. 67),
• (2) Een impactanalyse op de herziening van de Europese transportverordening op waterdieren
en bijbehorende sector (COM/2023/770 final)
• (3) Een publiek-private samenwerking op het verdoven van vissen aan boord van visserijschepen.
Onderzoek door Wageningen Livestock Research (WLR)
• (4) Een studie naar het medicijngebruik in aquacultuur (AquaMed) als onderdeel van
het EU Partnership on Animal Health and Welfare.
382
Hoeveel Europese subsidie, directe betalingen, bijdragen aan promotiecampagnes of
andere vormen van steun zoals fiscale regelingen of kortingen gaan er naar de Nederlandse
veehouderij, uitgesplitst per sector? Op basis van welke regelingen is dit? Wat is
(per regeling of andere vorm van steun) het doel? Hoe wordt (per regeling of andere
vorm van steun) bepaald hoe hoog de bijdrage is? Wat is in de afgelopen vijf jaar
(per regeling of andere vorm van steun) de hoogte van de jaarlijkse bijdrage geweest
en wat zijn hierbij (per regeling of andere vorm van steun) de voorwaarden?
Er zijn verschillende vormen van steun gericht op de veehouderij en landbouwsector
als geheel. Deze vormen van steun verschillen van aard, te denken valt aan fiscale
maatregelen (zoals vermeld in de bijlagen bij de miljoenennota 2026), Europese en
nationale subsidies en garantstellingen. De steun is verder gericht op verschillende
doelen, bijvoorbeeld innovaties, verduurzaming, verplaatsing, kennis, omschakeling
of natuur en landschapsbeheer. De mate van steun per bedrijf hangt daarnaast af van
de omvang van het bedrijf en de activiteiten die op de bedrijven plaatsvinden.
De omvang van subsidies en overheidssteun aan agrarische bedrijven wordt voorts begrensd
door staatssteunregels. Deze regels zijn bedoeld om overheidssteun eerlijk en transparant
te verdelen en de concurrentie op de EU-markt niet te verstoren. De grote verscheidenheid
van vorm, doel, omvang, maakt dat het niet mogelijk is een kwantitatief antwoord op
deze vraag te geven.
Een gedetailleerd overzicht van het gevraagde is niet te verstrekken in de gevraagde
vorm, omdat deze informatie niet bekend is. Alle gevraagde informatie staat in principe
in de begroting, Kamerbrieven en het Financieel Jaarverslag Rijk en het Jaarverslag
LVVN, en om dat werkbaar en herkenbaar te houden is – in afstemming met de Kamer –
gekozen om dat in een bepaalde structuur en een bepaald detailniveau te doen. Deze
sluiten niet aan bij de gestelde vraag.
383
Hoeveel Europese subsidie, directe betalingen, bijdragen aan promotiecampagnes of
andere vormen van steun zoals fiscale regelingen of kortingen gaan er naar de Nederlandse
visserij, uitgesplitst per sector, op basis van welke regelingen is dit? Wat is (per
regeling of andere vorm van steun) het doel? Hoe wordt (per regeling of andere vorm
van steun) bepaald hoe hoog de bijdrage is? Wat is in de afgelopen vijf jaar (per
regeling of andere vorm van steun) de hoogte van de jaarlijkse bijdrage geweest en
wat zijn hierbij (per regeling of andere vorm van steun) de voorwaarden?
Zie tabellen in bijlage 1, toegevoegd aan deze beantwoording.
384
Welke vormen van steun zoals fiscale regelingen of kortingen gaan er naar de Nederlandse
aquacultuur, uitgesplitst per sector? Op basis van welke regelingen is dit? Wat is
(per regeling of andere vorm van steun) het doel? Hoe wordt (per regeling of andere
vorm van steun) bepaald hoe hoog de bijdrage is? Wat is in de afgelopen vijf jaar
(per regeling of andere vorm van steun) de hoogte van de jaarlijkse bijdrage geweest
en wat zijn hierbij (per regeling of andere vorm van steun) de voorwaarden?
Zie tabellen in bijlage 1, toegevoegd aan deze beantwoording.
385
Hoe staat het met de ontwikkeling van een standaardmethodiek ten aanzien van de milieu-impact
op voedsel en welke indicatoren worden hiervoor gebruikt?
LVVN ondersteunt ontwikkeling van de Product Environmental Footprint (PEF). De PEF
is een door de Europese Commissie ontwikkelde geharmoniseerde methodiek om de milieu-impact
van producten, waaronder voedsel, op een eenduidige manier te berekenen en te vergelijken.
De methodiek maakt gebruik van een levenscyclusbenadering en omvat zestien milieuthema’s,
waaronder klimaatverandering, landgebruik, watergebruik, verzuring, vermesting, fijnstofvorming
en toxiciteit. De algemene PEF-methodiek is reeds vastgesteld. Voor een aantal voedselcategorieën
zijn inmiddels productspecifieke regels ontwikkeld, waaronder zuivel en diervoeder.
Voor andere categorieën zoals groenten en fruit wordt hieraan gewerkt.
Omdat de PEF nog niet voor alle voedselcategorieën beschikbaar is en toepassing in
de praktijk complex kan zijn, heeft Wageningen University & Research (WUR) samen met
een brede groep Nederlandse partijen een PEF-wise methodiek ontwikkeld. Deze bouwt
voort op de PEF en maakt het mogelijk om milieu-impact tussen verschillende productcategorieën
te vergelijken. Nederland werkt samen met andere Europese landen aan verdere harmonisatie
van deze aanpak. De verwachting is dat de Europese versie van de PEF-wise methodiek
in 2026 gereed zal zijn.
386
Op basis van welke elementen heeft u de Sociaal-Economische Raad (SER) gevraagd om
een vervolgadvies uit te werken voor de toekomst van de landbouw en welke elementen
ten opzichte van het eerste advies zijn deze keer weggelaten?
In 2021 heeft het SER de verkenning Naar duurzame toekomstperspectieven voor de landbouw gepresenteerd. De daarin beschreven transitiepaden (tegenwoordig ontwikkelpaden)
zijn waardevol, maar vragen om nadere concretisering. Met name hoe deze ontwikkelpaden
er concreet uit kunnen zien voor boeren en tuinders in verschillende sectoren, welke
kansen de ontwikkelpaden bieden voor boeren en tuinders en wat de overheid kan betekenen
voor het wegnemen van barrières en het ondersteunen van oplossingsrichtingen zijn
elementen die het kabinet graag in het vervolgadvies behandeld zie worden.
Uiteraard hebben er bovendien ontwikkelingen plaatsgevonden tussen 2021 en het heden
die extra aandacht vragen, zoals de maatregelenpakketten van de Ministeriële Commissie
Economie en Natuurherstel, de gegroeide aandacht voor voedselzekerheid en het dichterbij
brengen van de uitvoering bij de praktijk van ondernemers. Daarom is de SER ook gevraagd
om deze elementen mee te nemen in het advies.
387
Welk aandeel van de Nederlandse veeteelt is bedoeld voor export?
In 2024 exporteerde Nederland 10,7 miljard euro aan vlees. Van deze export is 73%
van Nederlandse makelij. De belangrijkste vleessoorten die worden geëxporteerd zijn
rund- en kalfsvlees, varkensvlees en kippenvlees. Ongeveer 42% van de vleesexport
is bestemd voor onze directe buurlanden; Duitsland, Frankrijk en Verenigd Koninkrijk
(WUR, 2025).
388
Hoeveel mensen zijn werkzaam in de slachthuizen en welk aandeel hieruit bestaat uit
arbeidsmigranten?
Volgens onderzoek van SEO uit 2025 werkten er in 2020 37.400 werknemers in de rood- en witvleesslachterijen, de vleesverwerkende industrie en de groothandel
in vlees samen. Dit aantal is inclusief uitzendkrachten ingeleend vanuit de uitzendsector
en omvat ook de groep arbeidsmigranten, maar is exclusief werknemers die vanuit het
buitenland gedetacheerd zijn in Nederland. Volgens SEO waren er in 2020 13.800 werknemers met een niet-Nederlandse nationaliteit werkzaam in de vleessector, wat neerkomt
op 37% van het totale aantal werknemers.
389
Hoe vaak heeft de NVWA misstanden bij slachthuizen geconstateerd en welke misstanden
kwamen hierbij het vaakst voor?
De NVWA voert inspecties uit bij slachthuizen voor roodvlees en pluimvee. Roodvlees
is vlees van varkens, runderen, kalveren, schapen, geiten en paarden. Bij pluimvee
gaat het vooral om kippen, maar bijvoorbeeld ook om eenden en ganzen. De NVWA controleert
of deze slachthuizen zich aan de geldende wet- en regelgeving houden. De inspectieresultaten
maakt de NVWA openbaar. De NVWA vermeldt naam en adres van het slachthuis en wat is
aangetroffen bij de inspecties. Dit betekent dat iedereen kan zien of een individueel
slachthuis de regels voor dierenwelzijn, diergezondheid en voedselveiligheid naleeft.
Ieder half jaar publiceren we nieuwe inspectieresultaten.46 Zie voor aantallen strikes op roodvleesslachthuizen het antwoord op vraag 300.
390
Hoeveel geld trekt u uit voor de uitvoering van de Nationale Eiwitstrategie?
Voor de uitvoering van de Nationale Eiwitstrategie zijn geen centrale budgetten gereserveerd.
Wel wordt vanuit andere budgetten op de LVVN-begroting een bijdrage geleverd aan de
doelen van de Nationale Eiwitstrategie, namelijk die voor de stimulering van teelt
van Nederlandse eiwitrijke gewassen, innovatie, insecten, reststromen en het verhogen
van plantaardige consumptie.
391
Hoe verhouden de uitgaven van de Nationale Eiwitstrategie zich tot de uitgaven in
de laatste vijf jaar?
Voor de uitvoering van de Nationale Eiwitstrategie is tot nu toe circa € 100.000 uitgegeven.
Dit zit met name in het promoten van de nationale eiwitstrategie, onderzoek en het
laten opstellen van de Eiwittransitiekaart.
392
Hoeveel geld besteedt u in 2026 aan het aanjagen en opschalen van de teelt van plantaardige,
waaronder eiwitrijke, gewassen?
Vanuit de LVVN-begroting is er in 2026 budget gereserveerd voor de stimulering van
biobased teelt (€ 7,2 miljoen) en Bean Meal (€ 15k) waarmee direct wordt bijgedragen
aan het aanjagen en opschalen van plantaardige gewassen. Tegelijkertijd wordt vanuit
het Actieplan biologisch een bijdrage geleverd (€ 12,0 miljoen) middels onder anderen
een consumentencampagne, waarmee naast de plantaardige gewassen ook de biologische
dierlijke keten wordt gestimuleerd. Daarnaast zijn er nog alternatieve financieringsstromen
zoals die van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) en die van medeoverheden.
393
Hoe verhoudt de financiering ten aanzien van de plantaardige en alternatieve ketens
zich tot het totaal aan subsidies, en indien relevant andere vormen van ondersteuning,
aan de veehouderij en dierlijke agroketen?
Vanuit de LVVN-begroting is er budget gereserveerd voor zowel de plantaardige ketens
als de veehouderij en dierlijke agroketens. Tegelijkertijd zijn er instrumenten die
beide doelgroepen bedienen, zoals de stimulering van biologische landbouw, waarbij
budget is gereserveerd voor onder anderen het vergroten van de afzetmarkt van biologische
producten. Daarnaast zijn er nog alternatieve financieringsstromen zoals die van het
Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) en die van medeoverheden. Hierdoor is het niet
mogelijk om exact aan te geven hoe deze zich tot elkaar verhouden.
394
Hoeveel gelden worden vrijgemaakt voor het stimuleren van verduurzaming van de dierlijke
productie en de consumptie door middel van nieuwe vormen van ketensamenwerking en
nieuwe marktstrategieën? Hoe worden deze ingezet?
Binnen het Marktprogramma Verduurzaming Dierlijke Producten wordt er samen met ketenpartijen
gewerkt aan de verduurzaming en vermarkting van dierlijke producten en concepten.
Voor 2026 is er voor onderzoek, ondersteuning en faciliteren circa 900.000 euro begroot.
Tevens zal er geld vrij gemaakt worden voor ketendeals zoals beschreven in het convenant
stappen naar een dierwaardige veehouderij.
395
Hoeveel gelden worden vrijgemaakt voor het stimuleren van de plantaardige productie
en consumptie door middel van nieuwe vormen van ketensamenwerking en nieuwe marktstrategieën?
Hoe worden deze ingezet?
Vanuit de LVVN-begroting is er in 2026 budget gereserveerd voor de stimulering van
biobased teelt (€ 7.200k) en Bean Meal (€ 15k) waarmee direct wordt bijgedragen aan
het aanjagen en opschalen van plantaardige gewassen. Tegelijkertijd wordt vanuit het
Actieplan biologisch een bijdrage geleverd (€ 11.971k) middels onder anderen een consumentencampagne,
waarmee naast de plantaardige gewassen ook de biologische dierlijke keten wordt gestimuleerd.
Daarnaast zijn er nog alternatieve financieringsstromen zoals die van het Gemeenschappelijk
Landbouwbeleid (GLB) en die van medeoverheden.
396
Welke maatregelen zijn er getroffen sinds 2022 om te komen tot de doelstelling uit
de Nationale Eiwitstrategie ten aanzien van 50 procent dierlijk en 50 procent plantaardig?
De huidige beleidsinzet om te komen tot een balans in de consumptie van dierlijke
en plantaardige eiwitten in het gemiddelde voedingspatroon richt zich in de basis
op het monitoren van de consumentenvraag en het aanbod, met de Eiwitmonitor (uitgevoerd
door Wageningen Social Economic Research). Deze Eiwitmonitor wordt ook in 2026 verder
voortgezet. Samen met de retail is in 2023 de Eiweet methodiek opgezet, welke voor
meer transparantie over de verkoop van eiwitten zorgt in nu zowel de retail, als de
food-service. Met deze partijen, zoals de retail, blijven we in gesprek en we volgen
de mooie stappen die zij zetten nauwgezet. Daarnaast is de beschikbaarheid van betrouwbare
informatie een belangrijke voorwaarde. Het kabinet ondersteunt daarom de voorlichting
over voedselkeuzes in lijn met de Schijf van Vijf via het Voedingscentrum, die de
50/50 balans benadert als je de maximaal geadviseerde hoeveelheid vlees per week eet.
En om de plantaardige eiwitconsumptie te stimuleren werd in 2023 het initiatief Bean
Meal gelanceerd; een activatieweek rond de internationaal erkende Wereldpeulvruchtendag.
Het doel van Bean Meal is het vergroten van de consumptie van peulvruchten, in bewerkte
of onbewerkte vorm, bij voorkeur van Nederlandse bodem. Een initiatief waar veel partijen
uit de eiwitketen bij betrokken zijn en wat LVVN de afgelopen edities financieel heeft
ondersteund.
397
Klopt het dat Nederland vanuit het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid (GLB) en Gemeenschappelijk
Visserij Beleid (GVB) subsidies heeft uitgegeven voor de promotie van de consumptie
van Europees vlees, vis en zuivel? Zo ja, hoeveel en waaraan is dat besteed?
In het kader van het EU-Promotiebeleid voor landbouwproducten (Verordening 1144/2014)
worden subsidies voor voorlichtings- en afzetbevorderingsacties van landbouwproducten
waaronder vlees en zuivel verstrekt. Het Promotiebeleid richt zich zowel op de EU
als op derde landen. De EU-Promotieverordening kent in 2025 een EU-budget van circa € 132
miljoen euro. De verdeling van het budget over dierlijke en plantaardige landbouwproducten
is afhankelijk van de ingediende aanvragen en varieert per jaar. Besluiten over welke
programma’s subsidie ontvangen worden in Europees verband genomen. Nederlandse sectororganisaties
kregen voor de periode sinds 2017 circa 9,4 miljoen euro subsidie toegekend voor de
promotie van vlees en zuivel.
De EU-Schoolregelingen hebben tot doel de consumptie van fruit, groente en zuivel
(voedingsmiddelen uit de Schijf van Vijf) door kinderen te bevorderen en hen gezonde
en duurzame eetgewoonten aan te leren. Dit vindt plaats door het verstrekken van fruit,
groente en zuivel aan kinderen op scholen, in combinatie met begeleidende educatieve
maatregelen. In 2024 werd circa 0,5 miljoen euro uit EU-budget uitbetaald voor het
verstrekken van schoolmelk en andere zuivel uit de Schijf van Vijf.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
A. Podt, voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur -
Mede ondertekenaar
A. van den Brule-Holtjer, adjunct-griffier
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.