Initiatiefnota : Initiatiefnota
36 853 Initiatiefnota van de leden Dral en Koekkoek over Veilig Online
Nr. 2
INITIATIEFNOTA
Inhoud
1 Inleiding
1
2 Probleemschets
2
2.1 De controle kwijt
2
2.2 Te veel schadelijke content online
4
2.3 Weinig kennis
5
3 Argumenten
8
3.1 Weerbaarheid
9
3.2 Preventie
10
3.3 Schoon internet
12
3.4 Wat nodig is: één gezamenlijk plan
14
4 Beslispunten
16
5 Financieel kader
17
6 Dankwoord
18
1 Inleiding
De wereld wordt razendsnel digitaal. Waar jongeren vroeger naar buiten gingen om elkaar
te ontmoeten of te spelen, is het nu steeds vaker het internet waar zij zich op begeven.
En laten we eerlijk zijn: het internet is ook gewoon heel leuk. Je maakt er goede
vrienden, je ziet wat er in de wereld gebeurt en je kan leuke spelletjes doen met
elkaar. Dat geldt voor jong en oud. De indieners geloven dat iedereen het recht heeft
op een fijne ervaring op het internet. Het is een prachtig iets dat we toegang hebben
tot het internet met alle kennis van de wereld. En dat iedereen de kans heeft om zichzelf
te ontplooien door op het internet nieuwe dingen te ontdekken.
Toch kunnen we niet om de problemen heen. Jongeren verliezen de grip over hun digitale
leven. Via chatgroepen en sociale media krijgen ze afschuwelijke beelden te zien.
Extreme wereldbeelden worden verspreid en leiden tot vrouwen- en homohaat, online
en in het echte leven. Jongeren worden slachtoffer van nieuwe vormen van pesten en
treiteren. In extreme gevallen is er sprake van ronselen, afpersing en seksueel misbruik.
De schaduwkant van de online leefwereld wordt steeds erger. Opvoeders, onderwijzers
en professionals hebben een steeds slechter beeld van wat er online allemaal speelt.
Dat maakt jongeren eenzaam – ze moeten zichzelf redden in een onbegrepen online wereld.
De politiek is er om de samenleving te helpen. Maar de overheid kan niet precies bepalen
wat je wel en niet mag doen online. Dat is een onderdeel van de opvoeding en iets
dat jongeren en hun opvoeders samen moeten bepalen. Als we doorschieten in jongeren
toegang tot het internet en sociale media ontnemen, dan worden jongeren daar slechter
op in plaats van beter. Vrije toegang tot informatie, het recht om jezelf te ontdekken
en om vriendschappen op te bouwen kan niemand je afnemen. De indieners willen dat
jongeren veilig online kunnen en weerbaar zijn. Dat betekent dat je je bewust bent
van de risico’s, maatregelen kan nemen om jezelf te beschermen en weet wie je kan
helpen als er iets fout gaat. Zo combineren we vrijheid en veiligheid.
Dat doen we niet alleen. Nederland heeft veel jongeren, opvoeders, professionals,
beleidsmakers, organisaties, scholen en verenigingen die zich inzetten voor een veiligere
online wereld. Die krachten moeten we bundelen en veel beter benutten. Niet voor de
zoveelste keer een nieuwe publiekcampagne optuigen, maar vertrouwen geven aan de mensen
die al goed werk leveren. En er voor zorgen dat organisaties beter samenwerken. In
de politiek moet duidelijk zijn wie er verantwoordelijk is voor een veilige online
wereld voor kinderen. De bewindspersonen die gaan over digitalisering, onderwijs,
welzijn, veiligheid en preventie moeten ook goed met elkaar samenwerken.
Daarom schrijven de indieners deze nota. We doen voorstellen over hoe jongeren weerbaar
kunnen worden, hoe de verantwoordelijkheden verdeeld moeten worden en om alle organisaties
die werken aan preventie zekerheid te geven. Dat doen we vanuit een gezamenlijke visie:
iedereen heeft het recht om vrij en veilig het internet te gebruiken. Waarin we duidelijke
grenzen stellen, maar met respect voor het recht van jongeren om een online leven
te hebben. Als iedereen zich bewust is van de risico’s en we die als politiek en maatschappij
zoveel mogelijk wegnemen, wordt de online wereld een stuk gezelliger.
2 Probleemschets
Er is al veel onderzoek gedaan naar de online veiligheid van jongeren. De conclusies
lopen uiteen: er is niet één duidelijke analyse die in alle gevallen klopt. In dit
hoofdstuk proberen de indieners alsnog de problemen rondom de online veiligheid van
jongeren samen te vatten op basis van verschillende onderzoeken. Zo zijn we duidelijk
over hoe wij de problemen zien.
2.1 De controle kwijt
Te beginnen met het idee van «weerbaarheid.» Wij zien dat als het gevoel dat je zelf
de baas bent over jouw online wereld. Dat je weet wat de grenzen zijn, nare dingen
herkent en vermijdt en bewust bent hoe je jezelf en anderen kan helpen als er iets
mis gaat. Dat is op dit moment nog te weinig het geval.
De schermtijd van jongeren gaat omhoog. Kinderen tussen de 0 en de 6 zitten per dag
bijna 1 uur en 45 minuten voor een scherm.1 Meer dan driekwart van de kinderen tussen de 7 en de 12 heeft al een eigen smartphone,
die ze gemiddeld 5 uur per dag gebruiken.2
3 De helft van kinderen tussen de 9 en de 13 vindt zichzelf telefoonverslaafd.4 Maar ook jongvolwassenen vinden van zichzelf dat ze te veel achter een scherm zitten:
62% van de jongeren tussen de 18 en 24 zegt verslaafd te zijn.5 Jongeren kunnen zich door hun mobieltjes en sociale media minder goed concentreren
en ze slapen slechter.6 Ook kan de mentale gezondheid een flinke klap krijgen door te veel in de online wereld
te leven.7 Problematisch schermgebruik is ook een sociaal probleem. Jongeren en opvoeders in
een kwetsbare gezinssituatie, met veel stress of financiële problemen, zijn extra
gevoelig voor de nadelige kant van het internet.8
Een verslaving kunnen we het niet zomaar noemen: «telefoonverslaving» wordt niet officieel
erkend of behandeld. Maar er is wel degelijk sprake van problematisch gedrag als zo
veel jonge mensen zichzelf verslaafd noemen. Dat laat zien dat jongeren zichzelf machteloos
voelen en het idee hebben altijd «aan» te (moeten) staan. Het is geen natuurverschijnsel,
maar een bewuste keuze van de bedrijven die telefoons, apps en sociale media maken.
Apps als Instagram, TikTok en X worden gebouwd om zo lang mogelijk de aandacht te
trekken. Voorbeelden hiervan zijn het eindeloos door kunnen scrollen, pushnotificaties
die alsmaar binnenkomen, en beloningen als je heel actief bent.9
Een hoge schermtijd staat niet per sé gelijk aan problematisch gebruik. Waar veel
schermtijd voor de ene jongere leidt tot onzekerheid en uitsluiting, is het voor een
ander dé manier om in contact te blijven met vrienden die in het buitenland wonen.
Of de enige mogelijkheid om als jonge LHBTI’er in een conservatieve omgeving te leren
over gender en seksualiteit. Er is niet één oplossing die voor iedereen werkt en de
problemen verschillen tussen groepen jongeren.10 De politiek moet niet doorschieten in strenge, algemene maatregelen die onbedoeld
veel schade aanrichten.11
In de Europese Unie wordt gewerkt aan wetgeving om sociale media als geheel aan te
pakken.12 De overgrote meerderheid van de Tweede Kamer wil ook dat er keihard wordt ingegrepen
in deze platforms om ze minder verslavend en polariserend te maken.13 Techbedrijven hebben een grote verantwoordelijkheid om hun platforms anders te ontwerpen,
de politiek moet ze daartoe dwingen. Zodat gebruikers keuzevrijheid hebben om te bepalen
wat ze te zien krijgen en welke functies ze aan of uit willen zetten.
2.2 Te veel schadelijke content online
Een ander groot probleem: de enorme hoeveelheid schadelijke content die online wordt
verspreid. Sociale media kent filters die de beelden er wel uit filteren, maar er
glippen altijd dingen doorheen. Al helemaal nu bedrijven als TikTok hun Nederlandse
moderatieteams ontslaan.14 Daarbuiten zijn er ook veel ongereguleerde websites. Met één klik op de knop krijg
je een waslijst aan video’s van dodelijke ongelukken en onthoofdingen te zien. Wat
er in chatgroepen en één-op-één gesprekken gebeurt kan niemand zien, maar ook daar
wordt er onderling heftige content gedeeld.
Het grootste probleem is pesten. 41% van de jongeren vindt dat het grootste probleem
in Nederland.15 Voor jongeren doet het er niet meer toe of dat online of offline gebeurt, want het
effect is hetzelfde: mentale problemen en eenzaamheid. Maar waar problemen op de schoolplein
gezien worden en opgelost kunnen worden, is er nog te weinig begrip voor wat online
pesten met jongeren doet. Alle volwassenen moeten zich dat aantrekken, van ouders
tot docenten, maar vooral ook de politici in Den Haag.
Naast pesten, krijgen we online ook steeds meer dingen te zien die we helemaal niet
willen zien. Dat versterkt het gevoel dat je niet zelf de baas bent over je digitale
leven. Bijna één-vijfde van de tieners tussen de 10 en 16 online heeft wel eens iets
onprettigs gezien online. Dat gaat dan om beelden van extreme ongelukken, (dieren)leed
of verminking.16 Ook nepnieuws, pestgedrag en haat vinden makkelijker plaats op het internet.17 Zulk gedrag normaliseert en manifesteert zich steeds vaker in schoolklassen en op
straat.
De algoritmes op sociale media jagen deze trend aan. Heftige beelden trekken de aandacht.
En hoe langer je naar zulke berichten kijkt, hoe sneller platforms als TikTok, Instagram
en X hetzelfde soort berichten aan je laten zien. Die worden alsmaar heftiger om je
aandacht vast te houden. Er zijn ook influencers die extreme standpunten delen, met
figuren als Andrew Tate die veel ophef veroorzaken. Juist daardoor worden hun video’s
sneller gedeeld en dan met name bij jongeren die daar al gevoelig voor zijn.18 Na een paar keer doorklikken op onschuldige YouTube-video’s, beland je zo in de «manosphere»
– een online gemeenschap van mannen die tegen vrouwenrechten zijn.19
Het gevolg van zo veel heftige schadelijke content is dat jongeren ongevoelig worden.
In een fase waarin ze veel bezig zijn met het ontwikkelen van hun identiteit – wie
ben je, wat vind je, waar hoor je bij. In die zoektocht komen ze steeds extremere
opvattingen tegen. Al snel belanden ze in een «fuik» waar ze niet meer uitkomen. Eenmaal
in contact met mensen in zulke extreme online omgevingen, gaat de radicalisering snel.
De AIVD constateert dat sinds 2020, de Nederlandse rechts-terroristische beweging
en het jihadisme voor een groot deel uit jongeren bestaat.20
Ongevoeligheid voor heftige beelden en ideeën leidt ook tot meer online seksueel misbruik.
Ongeveer de helft van jongeren tussen de 12 en de 25 jaar hebben wel eens ongewenste
online seksuele intimidatie meegemaakt. Ongeveer één-derde kreeg ooit te maken met
ongewenste sexting en één-vierde met online seksueel misbruik.21 Volgens Offlimits, de autoriteit op het gebied van online seksueel kindermisbruik,
neemt het aantal beelden dat wordt gemaakt en rondgedeeld toe. De slachtoffers worden
steeds jonger en in toenemende mate zijn het de slachtoffers zelf die de foto’s en
video’s maken.22
70% van de slachtoffers tussen de 12 en de 25 jaar krijgt direct te maken met psychische
klachten en sociale gevolgen. Toch praat slechts 37% van hen over wat hen is overkomen.23 Jonge daders – dus de jongeren die misbruikmateriaal van minderjarigen kijken of
maken – zijn meestal verslavingsgevoelig en ongevoelig geworden voor legale pornografie.24 Overigens kampt ook deze groep van (potentiële) daders met schaamte en psychische
klachten.
Nederland kent ook het unieke probleem dat we bekend staan als de grootste «hoster»
van kindermisbruikmateriaal. 33% van de wereldwijd gerapporteerde websites waar dit
materiaal te vinden is, draaien op de serverkasten van Nederlandse bedrijven.25 De netwerken die daar achter zitten zijn internationaal, de slachtoffers ook. Nederland
heeft dus wereldwijd een verantwoordelijkheid om actief schadelijke content te verwijderen.
2.3 Weinig kennis
Dat er zo veel nare dingen te zien zijn op het internet is voor veel mensen een verrassing.
Niet alle opvoeders zijn zich bewust van wat er in de online leefwereld van jongeren
gebeurt. En als dat wel het geval is, weten opvoeders niet hoe ze jongeren het best
kunnen begeleiden. Door een gebrek aan tijd of kennis is het zelfs de vraag of opvoeders
daar wel aan toe komen. Bovendien zijn opvoeders zelf ook vatbaar voor de verslavende
trucjes van sociale media. Het merendeel van hen legt niet aan hun kinderen uit wat
de gevaren zijn van de online leefwereld.26
Het is essentieel dat opvoeders kinderen al vanaf jonge leeftijd – onder begeleiding
van ouders – leren omgaan met digitale media. Terwijl opvoeders moeite hebben om de
online wereld bij te houden, speelt die wereld een steeds groter deel in het leven
van jongeren. Zo volgt 78% van de jongeren het nieuws via sociale media. Instagram,
TikTok en YouTube zijn de voornaamste nieuwsbronnen. Er is weliswaar geen sprake van
een vertrouwenscrisis dat jongeren hebben in nieuwsbronnen, maar de kanalen waarop
ze dit binnenkrijgen zijn, aan de andere kant, wel degelijk riskant. Sociale media
faciliteren nepnieuws en door de komst van artificiële intelligentie (AI) wordt het
alsmaar moeilijker om echt van nep te onderscheiden.27 Kritisch nadenken over wat je online ziet en nieuwsgierig zijn of informatie wel
klopt zijn essentiële vaardigheden.
Jongeren zijn zich onvoldoende bewust van deze risico’s en gevaren van de online wereld.
Bijna de helft van ouders en hun kinderen weet niet of ze online misdaad zouden herkennen
en weten niet wat ze daar tegen kunnen doen.28 Nederlandse leerlingen zijn gemiddeld minder digitaal geletterd dan leerlingen uit
andere landen.29 Dat maakt ze vatbaar voor beïnvloeding en minder bewust van de risico’s van (hun)
online gedrag. Scholen met veel achterstandsleerlingen scoren nog lager op digitale
geletterdheid. Zo versterkt digitalisering kansenongelijkheid.
Scholen moeten een belangrijke rol spelen om vaardigheden aan te leren. Dat erkennen
de PO-raad, VO-raad en Kennisnet.30 iTeachers, een organisatie die ICT-les geeft op achterstandsscholen, ziet dat leraren
hun leerlingen soms overschatten. Jongeren die «handig» met een tablet om kunnen gaan,
worden al snel gezien als digitaal vaardig. Maar dat zegt weinig over hun diepere
kennis.31 Nu digitale geletterdheid vanaf 1 augustus 2027 een vast deel wordt van het curriculum
op school, moet er meer worden gedaan om leerlingen voor te lichten.32 Dat is niet van de ene op de andere dag gedaan. Het vergt ook lef van leraren en
aandacht op de PABO, waar leraren worden opgeleid.33
Tegelijkertijd zijn we ons bewust dat scholen al veel op hun bord hebben. Er is een
lerarentekort en scholen hebben niet altijd genoeg kennis in huis over ICT en de online
wereld. Ze zijn afhankelijk van eigen personeel dat zich hier voor inzet, of externe
programma’s of partijen die lessen aanbieden. Online trends komen en gaan echter snel.
Als er iets in een klaslokaal speelt rondom een nieuwe challenge, kan een school hier niet snel genoeg op reageren. Dan zijn het de leerlingen die
hun leraar moeten leren wat er aan de hand is. Leerzaam, maar geen oplossing voor
het mediawijs maken van de leerlingen.
2.4 Geen gezamenlijk plan
Iedereen voelt dat er wat moet gebeuren. Maar wie precies aan zet is, blijft de grote
vraag. Scholen kijken naar opvoeders om hun kinderen wegwijs te maken online. Opvoeders
kijken naar de politiek om streng te normeren. De politiek kijkt naar de wetenschap
om houvast te geven over wat voor normen er nodig zijn. En wetenschappers zitten met
de handen in het haar: de nuance waarmee zij naar de problemen kijken, wint in Den
Haag regelmatig niet.
In Den Haag is niemand écht de baas over dit onderwerp. Er zijn vijf verschillende
ministeries verantwoordelijk:
• Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties moet ervoor zorgen dat Nederland op een verantwoorde manier digitaliseert en rechten
respecteert.
• Het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport moet ervoor zorgen dat jongeren gezond zijn door vroeg te interveniëren om problemen
te voorkomen.
• Het Ministerie van Justitie en Veiligheid moet ervoor zorgen dat online misbruik wordt voorkomen, slachtoffers worden geholpen
en cybermisdaad wordt bestreden.
• Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap moet ervoor zorgen dat jongeren digitaal geletterd worden en toegang hebben tot betrouwbare
informatie.
• Het Ministerie van Economische Zaken moet zich inzetten voor effectieve maatregelen tegen onveilige online platforms en
keuzevrijheid voor gebruikers.
De ministeries werken niet genoeg samen. Als er al iets wordt gedaan, dan is dat zonder
andere ministeries of organisaties te betrekken. Dat is schieten met hagel zonder
een duidelijk doel. Duidelijke resultaten blijven uit, ondanks de goede bedoelingen.
Tegelijkertijd staat het hele veld van preventie-organisaties klaar met bewezen effectieve
oplossingen. Van speelse lespakketten die aansluiten op de leefwereld van jongeren
tot betrouwbare methodes om online content te classificeren en adviezen voor een gezonder
telefoongebruik. Helaas wordt er te weinig gebruik gemaakt van de kennis die er al
is. Deze organisaties werken wel met elkaar samen, zoals de 1.000+ organisaties binnen
het Netwerk Mediawijsheid.34 Of UNICEF, die samen met Leiden Universiteit en Kennisnet een reeks essays publiceerde
over online kinderrechten.35 In het verleden hebben constructies zoals het Platform Internet Veiligheid (PIV),
het Safer Internet Center NL en Better Internet For Kids al hun meerwaarde getoond
als manier voor organisaties om samen op te trekken.
Uiteindelijk moeten deze ambities op lokaal niveau worden gerealiseerd. Gelukkig zetten
steeds meer gemeenten zetten zich hiervoor in. Zij voelen zich verantwoordelijk voor
het welzijn van kinderen in hun dorpen en steden. Gemeente Amsterdam heeft samen met
lokale partners een plan gemaakt, met financiering, voor een veilige online leefomgeving.36 215 gemeenten maken inmiddels gebruik van de lessen van HackShield om kinderen spelenderwijs
digitaal weerbaar te maken.37 Gemeenten en zorgorganisaties hebben ook meegewerkt aan de richtlijnen voor sociale
media, getrokken door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.38 Bij de Risk Factory, een initiatief in drie verschillende veiligheidsregio’s, leren
jongeren integraal over de echte en de online wereld.
Er bestaat in Nederland dus één groot preventienetwerk, bestaande uit duizenden maatschappelijke,
publieke en commerciële organisaties. Zij krijgen te maken met versnippering in de
financiering, wat samenwerking in de weg staat. Zo ontstaan er telkens losse projecten,
waar niet alle relevante maar slechts één of enkele organisaties bij betrokken worden.
Een gezamenlijk plan van bovenaf waar alle projecten aan zouden kunnen bijdragen ontbreekt.
In plaats van elkaar versterken, is er sprake van dubbel werk en tegenstrijdige projecten.
Door het ontbreken van inzicht in en overzicht van waar alle betrokkenen mee bezig
zijn, verliezen we te veel tijd aan opnieuw dezelfde dingen uitvinden. Het lerend
vermogen van alle betrokkenen neemt daardoor ook af, terwijl de urgentie om samen
aan de slag te gaan groot is.
De financiering van al het bestaande netwerk en losse projecten is versnipperd over
verschillende ministeries. De enige structurele financiering volgt uit de Mediawet,
die wordt betaald door het Ministerie van OCW. Alle andere projecten moeten het doen
met financiering op jaarbasis vanuit verschillende ministeries. Structurele financiering
voor het hele preventienetwerk, zowel de bestaande samenwerkingen als losse projecten,
ontbreekt. Dat beperkt de vrijheid van de experts om samen initiatieven te ontwikkelen
en maakt het voortbestaan van waardevolle projecten onzeker. Ze kunnen de groeiende
urgentie voor weerbaarheid niet bijbenen, omdat de financiering over meerdere jaren
onzeker is. Het leidt ertoe dat experts meer bezig zijn met fondsenwerving, dan met
het werken aan goede plannen voor een veiligere online omgeving.
Tot slot ontbreekt er structureel één stem aan tafel: die van de jongeren zelf. In
het debat over hún rechten gaat het steeds over de gevaren en het nemen van harde
maatregelen om toegang tot applicaties die mogelijk schadelijk zijn te ontnemen. Dat
doet totaal geen recht aan de beleving van jongeren. Ze zijn zich bewust dat er regelmatig
dingen fout gaan. Maar ook geven jongeren aan dat er echte voordelen zitten aan de
online wereld.39 Doordat jongeren buiten de discussie worden gehouden, is er geen oog meer voor de
kansen die er zijn op het internet. In meerderheid geven zij aan dat ze gelukkiger
worden van sociale media en dat het goed is voor hun vriendschappen.40
3 Argumenten
Met alle problemen op een rij is het wel duidelijk dat er werk aan de winkel is. De
indieners willen daar oplossingen voor bieden, maar we zijn ons volledig bewust dat
het niet zo zwart-wit is. Het internet is niet één grote schroothoop. Het is ook een
plek die heel veel te bieden heeft. In het bijzonder voor nieuwsgierige jongeren die
zich ontwikkelen. Alle jongeren zijn anders en hebben andere behoeften. Er is dan
ook niet één plan te bedenken dat voor iedereen werkt.
Ellende voorkomen is uiteindelijk het allerbeste middel. Vanuit die gedachte willen
wij jongeren weerbaar maken, inzetten op preventie en de schadelijke content van het
internet opruimen. We moeten de basis op orde brengen, zodat iedereen zich bewust
is van zowel de voor- als de nadelen van de online wereld. Zodat jongeren en opvoeders
samen kunnen bepalen wat voor hun de beste oplossingen zijn. Ondersteund door één
Nederlands preventienetwerk dat hen hier zo goed mogelijk bij helpt en aansluit op
de verschillende behoeften van jong en oud.
Voor ons zijn de rechten van kinderen leidend. Natuurlijk komen we tegemoet aan de
behoefte van opvoeders, die zich ook machteloos voelen en vragen om duidelijkheid.
Wij menen dat we die duidelijkheid kunnen geven door een innige samenwerking aan te
gaan tussen de overheid, het preventienetwerk en de maatschappij. Met één gezamenlijk
plan dat door iedereen wordt gedragen, voorzien van een zekere financiering zodat
het jarenlang mee kan gaan.
In dit hoofdstuk staat wat de visie is van de indieners op weerbaarheid, preventie
en een schoon internet. We beschrijven wat volgens ons de grote opgave is en stellen
een doel. Vervolgens beschrijven wij hoe we hoe we komen tot één gezamenlijk plan
om deze doelen te halen.
3.1 Weerbaarheid
Jongeren en opvoeders leren om te gaan met gevaren op het internet, zodat de voordelen
van het internet kunnen worden benut zonder dat het recht op informatie wordt beperkt.
Het uitgangspunt van de indieners is dat jongeren moeten leren hoe ze goed met technologie
en de digitale wereld om kunnen gaan. Het online leven van jongeren is voor het grootste
deel van henzelf. Opvoeders zullen nooit volledig weten wat daar allemaal gebeurt,
dat is ook niet wenselijk. Jongeren hebben de behoefte en het recht om zichzelf te
ontwikkelen. Ga daarom uit van hun nieuwsgierigheid en zelfstandigheid, zonder hun
vrijheid in te perken. Pas dan worden jongeren weerbaar: als zij zelf een onderdeel
van de oplossing zijn en niet worden weggezet als het probleem.
Jongeren zijn weerbaar als ze het volgende zelf kunnen doen: risico’s herkennen, problemen
signaleren en daar vervolgens op handelen. Ze moeten omringd zijn door een vangnet
dat hen kan helpen, maar moeten ook zelfstandig in actie (kunnen) komen. Het is niet
precies te meten wanneer daar sprake van is, dat is voor iedereen anders. Een belangrijke
indicator is of jongeren zelf aangeven dat ze in zichzelf vertrouwen om bewust online
te zijn. Daarbij moet gezegd worden dat kennis nog niet gelijk staat aan gedrag. Pas
als er echte gedragsverandering is, weet je zeker dat jongeren zelfredzaam zijn en
elkaar kunnen ondersteunen.
Aansluiting op de leefwereld van jongeren
Het weerbaarheidsaanbod – de lessen en initiatieven gericht op jongeren – moet daarom
aansluiten op hun leefwereld. Zo biedt het echt handelingsperspectief voor de situaties
waar jongeren in terecht komen. Omdat die trends heel snel ontwikkelen, zijn lespakketten
binnen de kortste keren verouderd. Organisaties die lespakketten maken zullen flexibel
moeten werken, net als HackShield die binnen enkele weken actueel materiaal kan afleveren.
Door intensief samen te werken met de overheid, gemeenten, scholen, kennisorganisaties,
bibliotheken, kinderopvang, zorg- en welzijnsorganisaties, maar vooral ook met jongeren
en opvoeders, kunnen zij hun aanbod afstemmen op de vraag.
Die vraag verschilt enorm per groep. Er zijn grote verschillen tussen groepen jongeren
op basis van gender, seksualiteit, geloof en afkomst. Het gedrag van jongeren online
loopt evenveel uiteen als binnen gemeenschappen in wijken, dorpen en steden. De betrokkenheid
van lokale vertrouwelingen is daarom essentieel. Scholen spelen daarin een rol, maar
ook (sport)verenigingen, jongerenwerkers, wijkagenten en andere sleutelfiguren in
de wijk horen bij de totaalaanpak voor online weerbaarheid. Samen met de jongeren
weten zij wat er nodig is.
Gezamenlijke verantwoordelijkheid
Weerbaarheid komt vanuit jongeren zelf. Maar de weg daar naartoe moet van alle kanten
worden ondersteund. De overheid moet ervoor zorgen dat iedereen toegang heeft tot
hulpmiddelen en voorlichting. Organisaties ontwikkelen die voorzieningen vanuit hun
eigen expertise en betrekken alle belanghebbenden. Scholen moeten dit aanbod vervolgens
beschikbaar stellen voor leerlingen. Opvoeders – ouders, maar ook jongerenwerkers
en wijkagenten – moeten zich inleven in de leefwereld van jongeren, zodat zij goede
afspraken kunnen maken over internetgebruik en een veilige plek zijn waar jongeren
bij terecht kunnen.
Samen vormen al deze belanghebbenden één ecosysteem. Een effectieve aanpak voor online
weerbaarheid maakt gebruik van het hele netwerk. Elke schakel in die keten heeft daarom
hulpmiddelen en voorlichting nodig. Beperk deze voorzieningen niet alleen tot de jongeren,
maar stel ze beschikbaar voor iedereen en op hun kennisniveau, van opvoeder tot leraar.
Iedereen moet digitaal vaardiger worden zodat het vangnet om jongeren heen verstevigt.
Shit happens
Eén ding zullen we moeten onderkennen: er gaat heus wel eens iets mis. Net als in
de fysieke wereld, kom je online dingen tegen die je liever niet had willen zien.
Dat kan je nooit volledig voorkomen. Een eventueel verbod kan averechts werken door
rechten en vrijheden inperken, zoals het recht op toegang tot informatie en de vrijheid
van meningsuiting. En het is nog maar de vraag of het effectief zou zijn. Als toegang
tot bepaalde content wordt beperkt, zijn jongeren slim genoeg om alsnog toegang te
krijgen. Dan verplaatsen zij zich naar plekken die nog verder uit het zicht zijn van
autoriteiten, het zogenaamde «waterbedeffect.»
De eerste stap is dus om te accepteren dat er soms iets fout zal gaan. Jongeren moeten
weten dat dat oké is en dat het niet per sé hun schuld is als hen iets overkomt. Als
er een taboe heerst, dan wordt het probleem nooit bespreekbaar. Zelfs dan zullen er
jongeren zijn die hun problemen niet met hun opvoeders willen of kunnen bespreken.
Er moet dus altijd laagdrempelige hulp zijn, waar jongeren onafhankelijk van wie dan
ook bij terecht kunnen. Dat voorkomt dat problemen zich opstapelen en erger worden.
Vooral als het gaat om illegaliteit of misdaad.
Dit willen wij bereiken:
• Jongeren geven aan dat zij weerbaar zijn online. Ze hebben concreet handelingsperspectief voor situaties waar zij online in terecht
komen.
• Alle jongeren zijn in aanraking gekomen met het weerbaarheidsaanbod. Elke school heeft tijd besteed aan de online weerbaarheid van jongeren.
• De meldingsbereidheid onder jongeren neemt toe. Problemen die zich online afspelen, worden bespreekbaar. Het lukt jongeren om de
weg te vinden naar de juiste ondersteuning.
• Jongeren helpen elkaar. De beste steun komt van leeftijdsgenoten die elkaar opzoeken. Jongeren moeten elkaar
onderling kunnen ondersteunen als er iets mis gaat.
• Het beschikbare weerbaarheidsaanbod is actueel en sluit aan op de leefwereld van jongeren. Kennis en ervaring wordt vrijuit gedeeld tussen de relevante kennisorganisaties.
• Alle belanghebbenden hebben toegang tot een weerbaarheidsvoorziening. Er is een actueel aanbod voor opvoeders, leraren en andere relevante figuren.
3.2 Preventie
Opvoeders zijn in staat om jongeren te begeleiden tot verantwoord gebruik van de online
wereld. Online pesten en ander online misbruik wordt effectief voorkomen.
Nog beter dan goed met problemen omgaan, is problemen voorkomen door vroeg te interveniëren.
De indieners geloven dat alle jongeren een sterk vangnet om zich heen nodig hebben
dat op tijd in kan grijpen en hen goed kan begeleiden. Problematisch gedrag kan dan
sneller worden gesignaleerd en voorkomen. Er kunnen betere afspraken worden gemaakt
over online gedrag tussen opvoeders en jongeren zodra de kloof in kennis afneemt.
We kunnen alleen niet van opvoeders, docenten en andere sleutelfiguren verwachten
dat zij hier zomaar toe in staat zijn. Terecht kijken zij naar de politiek voor handelingsperspectief.
De komst van richtlijnen voor schermtijd en sociale media voor verschillende leeftijden
is een begin. Het is nodig om alle expertise in Nederland samen te brengen zodat elke
opvoeder, jeugdzorgprofessional, jongerenwerker en docent toegang heeft tot dezelfde
betrouwbare informatie. Alle organisaties die hier aan werken, moeten er samen voor
zorgen dat zij alle doelgroepen bereiken en naar elkaar verwijzen. Ze verkondigen
dezelfde boodschap, maar gebracht op een manier die aansluit op verschillende doelgroepen.
Zo krijgt ieder sociaal vangnet de voorlichting die zij nodig heeft om goed te functioneren.
Toegankelijk voor iedereen en gebruik wat er al is
Hoe het vangnet van jongeren eruit ziet, verschilt per persoon. We bereiken alle doelgroepen
door volop gebruik te maken van het bestaande netwerk. Nieuwe campagnes optuigen zorgt
alleen maar voor versnippering. Een investering in bestaande organisaties, landelijk
en lokaal, kan hetzelfde of zelfs meer opleveren. Kijk bij elke nieuwe actie rondom
online veiligheid voor jongeren altijd naar het bestaande netwerk. Verken welke organisaties
samen in staat zijn om het doel te bereiken. Als er een nieuwe voorziening moet worden
getroffen, doe dat dan gezamenlijk. Zodat alle kennis wordt benut om mensen zo goed
mogelijk te bereiken.
Bijzondere aandacht gaat uit naar lokale initiatieven. Doorgaans wordt de eigen school,
vereniging of kinderarts het meest vertrouwd. Zij bereiken opvoeders en jongeren die
worden vergeten door landelijke campagnes met een sterk netwerk dat al stevig staat.
Het is een kans dat preventie voor een groot deel bij gemeenten ligt. Trek samen met
lokale overheden op en help hen om lokale sleutelfiguren in kaart te brengen en te
voorzien van toegankelijke hulpmiddelen en voldoende geld. Betrouwbare informatie
van organisaties zal op alle plekken met veel opvoeders en jongeren te vinden moeten
zijn, van de supermarkt tot de huisartsenpraktijk.
Risico’s vermijden per media
Alle apps, websites en games werken anders. Aan Snapchat kleven hele andere risico’s
dan aan Roblox, omdat ze een ander ontwerp en doel hebben. Besef in het preventieve
werk dat de online leefwereld van jongeren bestaat uit verschillende omgevingen met
andere spelregels, met andere «communities.» Een algemeen verbod op TikTok werkt niet
voor de tiener die de app op een verantwoorde manier gebruikt om haar favoriete boekentrends
te volgen, bijvoorbeeld. Het is dus nodig om de online omgevingen waar jongeren zich
het meest op begeven, goed te begrijpen.
Systeemrisico’s van verschillende online omgevingen moeten betrouwbaar worden vastgesteld.
Nederland heeft daar de juiste expertise voor in huis, denk aan het NICAM, ook bekend
van de Kijkwijzer, Gamewijzer en het betrokken zijn bij de leeftijdsadviezen van PEGI.
Iedereen moet worden geïnformeerd over de wetenschappelijk bewezen risico’s. Dat kan
met een bijsluiter bij nieuwe telefoons, waarin de adviezen voor schermtijd beschreven
staan. Samen met de telefoonproducenten en mobiele providers kan dit worden afgesproken.
Maar een Digitale Kijkwijzer in appstores, waarin per app te belangrijkste risico’s
worden beschreven, kan ook bijdragen aan meer begrip voor hoe de platforms werken.
Het is aan de Tweede Kamer en het Europees Parlement om strenge regels te maken, zodat
de platforms gezonder worden.
Aandacht voor slachtoffers én daders
Online problematiek is geen natuurverschijnsel. Vaak zijn het jongeren zelf die zich
schuldig maken aan pestgedrag, afpersing of seksueel misbruik. Natuurlijk zijn er
consequenties voor de daders. Maar een effectieve aanpak moet ook begrip hebben voor
daders. Als we begrijpen waarom jongeren zich misdragen, kunnen ze beter begeleid
worden om zulk gedrag te bestrijden. Meeste daders hebben zelf te maken met problemen,
vaak gelaagd en complex. Of beleven grote sociale druk van hun omgeving en hebben
te maken met radicalisering.
Jongeren die dader zijn of potentieel dader kunnen worden, moeten vroegtijdig begeleiding
krijgen. Ze horen niet thuis in het verdomhoekje, maar op een plek waar ze kunnen
leren en zichzelf beteren. Wie weet komen ze daar veel beter tot hun recht. Denk aan
jongeren die hun school hacken en een fantastische ethische hacker kunnen worden.
Of aan jongeren die zijn geronseld, die de politie kunnen helpen om ronselaars van
de straat te halen. Effectieve vroege interventies die zich op de daders en kijkers
richten, en uit gaan van compassie in plaats van afschuw, kunnen heel effectief zijn.
Dit willen wij bereiken:
• Opvoeders en leraren weten wat er speelt in de online leefwereld van jongeren. Zij nemen hun verantwoordelijkheid in het begeleiden van jongeren.
• Voorlichting op alle vertrouwde plekken. Landelijke voorzieningen bereiken alle doelgroepen door aan te sluiten op de lokale
preventie-aanpak van gemeenten.
• Kennis over de specifieke risico’s van apps. Organisaties en wetenschappers werken samen om per online omgeving de gevaren in kaart
te brengen.
• Scholen, verenigingen en jongerenorganisaties hebben eenduidige informatie. Ze zijn op de hoogte van het beschikbare aanbod van begeleiding en ondersteuning
in het geval van online pestgedrag en seksueel misbruik.
• Compassievolle begeleiding van (potentiële) daders. Er is begeleiding voor (potentiële) daders naar plekken waar ze leren om hun talenten
te gebruiken.
3.3 Schoon internet
Nederland speelt een actieve rol in het opsporen en verwijderen van illegale content
online. De experts die hier voor zorgen hebben effectieve technische middelen om dit
te doen.
Nederland moet een bijzondere verantwoordelijkheid voelen om het internet op te schonen.
Ons land staat bekend als «bad hoster» van de wereld, met grote hoeveelheden illegale
content die op Nederlandse servers worden bewaard. We moeten meer doen om proactief
illegale en schadelijke beelden op te sporen en te verwijderen. De indieners geloven
in de nationale aanpak van de zedenpolitie, Offlimits en de ATKM, die nu al intensief
samenwerken om online seksueel kindermisbruik te bestrijden en voorkomen. We stellen
voor om dat uit te breiden, op een manier die proportioneel is en bijdraagt aan de
veiligheid van jongeren.
In Brussel staat Nederland ook bekend als zeer kritisch richting grote techbedrijven.
De Kamer en het kabinet zijn voorstander van een harde handhaving van Europese wet-
en regelgeving die techbedrijven verantwoordelijk stellen voor wat er op hun online
platforms gebeurt. Dit moet onverminderd worden doorgezet om de online leefwereld
structureel veiliger te maken voor iedereen. Alle experts en organisaties die we rijk
zijn, kunnen hierbij helpen. Ze moeten altijd worden geraadpleegd over relevante de
Europese wet- en regelgeving.
Offline halen van illegaliteit
Illegale content hoort niet op online platforms. We rusten de nationale autoriteiten
goed uit om snel op meldingen te reageren en verwijderverzoeken te doen. 24/7 dienstverlening
moet gegarandeerd zijn, zodat er nooit kostbare tijd verloren gaat als er illegale
content wordt verspreid online. Pak ook de «bad hosters» aan – de bedrijven waar die
content wordt opgeslagen – met «know-your-customer»-beleid of door autoriteiten zoals
de Autoriteit Persoonsgegevens en de ATKM in staat te stellen bestuurders sancties
op te leggen. De TU Delft heeft een methode ontwikkeld om te monitoren hoe bekende
misbruikbeelden verspreid worden tussen hostingbedrijven.41 Ook is er de Hash Check Service, waarmee bekende illegale beelden opgespoord kunnen
worden.42 Door zulk onderzoek structureel uit te voeren, halen we kostbare informatie op waar
autoriteiten hun acties op kunnen baseren.
Het moet voor alle jongeren en opvoeders duidelijk zijn dat zij melding kunnen doen
van illegale content. Het doel is dat de meldingsbereidheid van jongeren groeit door
één duidelijke landingspagina voor meldingen in te richten. Vervolgens kan deze pagina
onder de aandacht worden gebracht in communicatie, voorlichting en via vertrouwde
informatiebronnen. De technische mogelijkheden om sneller te kunnen melden, zoals
een ingebouwde meldfunctie of een makkelijke landingspagina met een verwijzing naar
alle meldpunten, moeten ook worden onderzocht.
Schadelijke content classificeren
Er is ook schadelijke content die grote gevolgen kan hebben voor jongeren, maar niet
illegaal is. Denk aan bikinifoto’s van tienermeiden of video’s van dronken pubers
die domme dingen doen. Zulke beelden kunnen je achtervolgen en leiden tot uitsluiting
en psychische klachten. Jongeren die te maken hebben met schadelijke maar legale content
moeten ook aanspraak kunnen maken op laagdrempelige hulpvoorzieningen. Hierin kunnen
bestaande autoriteiten en meldpunten een rol spelen. Tegelijkertijd moet de overheid
geen censuur toepassen, want de vrijheid van meningsuiting is een groot goed.
Contentclassificatie zou helpen om bepaalde soorten content beter af te schermen online.
Denk aan het toevoegen van kenmerken als «gewelddadig» of «dierenleed» aan online
berichten. Het NICAM heeft hier een systeem voor ontwikkeld, «Kijkwijzer Online,»
wat hiervoor ingezet kan worden. Jongeren kunnen dit soort content beter vermijden
doordat van tevoren duidelijk is dat hier sprake van is. Jongeren geven aan dat deze
informatie voor hen nuttig is. Het helpt ook de autoriteiten om gerichter te kunnen
kijken naar geclassificeerde content, waar sneller sprake zal zijn van kwalijke randgevallen.
Reguleren van online platforms
Sociale media, in hun huidige vorm, zorgen voor te veel problemen. De eigenaars van
TikTok, Instagram en X worden in Europa verplicht om hun platforms veiliger te maken.
Verslavende en polariserende ontwerpkeuzes zijn echter nog altijd een onderdeel van
hun verdienmodel. Nederland moet het voortouw nemen in het beter aanpakken van deze
structurele problemen. Die inzet kan worden ondersteund met de kennis van wetenschappers
en organisaties, die kunnen onderbouwen welke ontwerpkeuzes tot de grootste risico’s
leiden.
Een veiliger internet vraagt om meer keuzevrijheid voor iedereen. Als gebruikers zelf
kunnen kiezen welke content ze willen zien, hoe hun tijdlijn is ingericht en in welke
algoritmes ze belanden, hebben zij meer zeggenschap. Dat maakt hen – en met name jongeren
– beter bewust van hun eigen online ervaring. Het voorkomt dat ze geconfronteerd worden
met ongewenste beelden. De platforms zijn hiervoor verantwoordelijk.
Dit willen wij bereiken:
• Er wordt proactief gezocht naar «bad hosters.» Autoriteiten krijgen de opdracht om bekend materiaal op te sporen, zodat we weten
wáár illegale beelden opgeslagen worden. Meer organisaties worden verplicht gebruik
te maken van de Hash Check Service.
• Laagdrempelige meldmogelijkheid. Jongeren kunnen met één klik op de knop rechtstreeks melding doen van illegale en
ongewenste beelden.
• Hulp tegen schadelijke content. Autoriteiten en meldpunten zijn in staat om slachtoffers van «awful but lawful» content
snel te helpen.
• Classificeer content. Berichten, foto’s en video’s zijn voorzien van kenmerken over hun inhoud. Zo kan je
ongewenste inhoud vermijden.
• De structurele problemen van sociale media worden aangepakt. Nederland zet zich in Europa in voor strenge regels over het verslavende en polariserende
ontwerp van sociale media. Er komen wettelijke kaders voor aanbevelingsalgoritmen.
3.4 Wat nodig is: één gezamenlijk plan
Van het keukentafelgesprek tussen opvoeder en jongere, tot de kaders die de landelijke
overheid stelt: het dient één doel, het zorgen voor een veilige online wereld voor
jongeren. De indieners willen dat iedereen zijn verantwoordelijkheid neemt in deze
brede aanpak. De opgave voor weerbaarheid, preventie en een schoon internet is helder.
Om dat om te zetten in actie, moet er een motorblok komen van publieke en private
organisaties die komen tot een gezamenlijk plan. Geen nieuwe initiatieven, maar het
versterken van wat er al is. Met zekerheid dat het een duurzame samenwerking is met
lange termijn perspectief.
De breed aangenomen motie-Dral c.s.43 is de inspiratie geweest voor deze nota. Hierop volgde intensief contact tussen de
initiatiefnemers en een brede vertegenwoordiging van organisaties die actief zijn
in het ecosysteem rondom online kinderrechten. Wij geloven in de kracht van het maatschappelijk
middenveld dat al jarenlang bezig is met deze problemen. Het is tijd om de versnippering
te doorbreken en te komen tot een gezamenlijke nationale agenda met alle organisaties
die zich willen en kunnen aansluiten. De opgave voor zo’n samenwerking staat hier
beschreven.
Maak een gezamenlijk plan
Ondanks de onderlinge verschillen tussen organisaties, zijn ze allemaal verbonden
in hun missie om jongeren online weerbaar te maken en te werken aan een veilig internet.
Door de huidige structuur, waarin organisaties individueel opdrachten en financiering
moeten bedingen, wordt de samenwerking onvoldoende opgezocht. Na breed overleg met
een vertegenwoordiging van deze organisaties, stellen wij voor om tot één gezamenlijk
plan te komen voor de online weerbaarheid van jongeren. Dit plan brengt de organisaties,
wetenschap en de landelijke en lokale overheid samen met een gemeenschappelijk doel.
Iedereen draagt bij vanuit de eigen expertise.
Zo’n publiek-private samenwerking moet worden voorzien van een toereikende, structurele
financiering. De betrokken organisaties bepalen, op basis van informatie die zij zelf
ophalen en met elkaar delen, welke acties genomen moeten worden. In plaats van concurreren
met elkaar, wordt op basis van capaciteit en relevante kennis gekeken wie welk project
het best kan dragen. Zo kan veel sneller worden gereageerd op de razendsnelle werkelijkheid
van de online wereld.
Eén aanspreekpunt binnen de overheid
Zoals eerder beschreven, zijn er (te) veel ministeries een beetje verantwoordelijk
voor online kinderrechten. Uiteindelijk is daardoor niemand écht verantwoordelijk.
Zo ontstaan er veel initiatieven vanuit de deelbelangen van ministeries zonder samenhang.
Tegelijkertijd raakt het onderwerp ook echt aan alle terreinen. Een brede samenwerking
van overheid, bedrijfsleven en maatschappij kan dit voorkomen. Plannen die ministeries
willen uitvoeren, worden dan voorgelegd aan alle partners binnen de samenwerking en
worden de meest geschikte organisaties aangewezen om het uit te voeren. Het budget
wordt verdeeld onder de partijen.
Om daarover politieke verantwoording over af te leggen, is het goed één aanspreekpunt
te hebben in het kabinet. Dan worden we niet meer van het ene ministerie naar het
andere ministerie verwezen. Volgens ons is het verstandig om dit neer te leggen bij
één ministerie. Dit kan bijvoorbeeld specifiek bij de coördinerende bewindspersoon
voor digitalisering. Het is al zijn taak om digitaal beleid te coördineren en expertise
van collega-bewindspersonen in te schakelen waar het nodig is. Dit heeft de Kamer
gevraagd met de eerdergenoemde motie-Dral c.s.
Handelingsperspectief voor jong en oud
Een gezamenlijk plan is effectief en maakt duidelijk wat de landelijke consensus is
over een veiliger internet. Iedereen die een verantwoordelijkheid heeft, kan een onderdeel
zijn van het plan. Er moet vanuit de samenwerking een concreet handelingsperspectief
komen voor opvoeders en jongeren. Uiteindelijk zijn zij hoofdverantwoordelijk voor
weerbaarheid en preventie. Dat moet je ze niet landelijk opleggen, maar zo goed mogelijk
in steunen.
In de nieuwe samenwerking, moet ruimte komen voor iets essentieels: de stem van jongeren.
We voorkomen dat zij worden vergeten door een representatieve groep jongeren onderdeel
te maken van het plan. Omdat het over hen gaat, schrijven we dat samen. Jongeren hebben
veel zinnige dingen te zeggen over hun online wereld, dat verwerken we in de plannen
en dragen we uit met ambassadeurs richting jongeren.
Dit willen we bereiken:
• Er is één landelijk plan om jongeren weerbaar te maken online. Er is een structurele en duurzame samenwerking die dit draagt, bestaande uit private
en publieke organisaties met bewezen bestaansrecht.
• Het landelijke plan is onafhankelijk. Er is een structurele financiering door de overheid, zodat organisaties niet individueel
afhankelijk zijn van subsidies.
• Politieke verantwoordelijkheid ligt bij één bewindspersoon. Diegene kan namens het hele kabinet spreken over online kinderrechten.
• Eén centraal punt met betrouwbare informatie. Het landelijke plan is gezaghebbend en kan met gezag richtlijnen en advies uitbrengen
aan alle opvoeders en jongeren.
• Jongeren krijgen een stem in het beleid. Hun rechten en vrijheden worden gerespecteerd in de hele aanpak.
4 Beslispunten
De analyse en de doelstellingen geven aanleiding tot politieke actie. De indieners
vragen het kabinet om in te gaan op de punten die zij hebben beschreven tot nu toe
in de nota. Concreet vragen wij de Kamer ermee in te stemmen de regering te verzoeken
zich in te spannen voor het volgende:
1. Schrijf één landelijk plan. Met alle bestaande partners komen we tot één breed gedragen plan voor de online weerbaarheid
van jongeren, dat aansluit op de plannen die al lopen, deze versterkt, en ruimte laat
voor nieuwe ontwikkelingen. In het plan komen doelen voor het weerbaar maken van jongeren
online en het voorkomen van gevaren. In onze visie gaat het plan uit van de rechten
van jongeren, die vrij en veilig zich moeten kunnen begeven op het internet. Door
te werken aan de veerkracht van jongeren, kunnen ze volop genieten van de mooie kant
van hun online leven en stevig in hun schoenen staan. Er is maatwerk en een sterke
lokale component, omdat organisaties in de buurt er het best in slagen om doelgroepen
te bereiken. Er komt handelingsperspectief voor iedereen die te maken krijgt met vraagstukken
rondom jongeren en de digitale wereld. Betrouwbare informatie namens alle betrokkenen
wordt beschikbaar gesteld op de plekken waar jongeren en opvoeders het meeste komen.
2. Richt een publiek-private samenwerking op. Het gezamenlijke plan wordt gedragen door een overkoepelende samenwerking. Deze bestaat
uit overheden en zowel publieke als private organisaties die zich al inzetten voor
weerbaarheid en preventie. Dit zijn de partijen die nu al bewezen effectief werk verrichten
gericht op de online leefwereld van jongeren en een groot bereik hebben of kunnen
hebben. Ga in gesprek met deze organisaties en werk een constructie uit waar alle
organisaties onder kunnen vallen, met behoud van hun onafhankelijkheid en karakter.
Het doel is om meer samenhang aan te brengen in bestaande projecten en te bezien of,
en zo ja welke, nieuwe initiatieven er nog nodig zijn. Natuurlijk is er ook ruimte
voor nieuwe experimenten als bestaand aanbod niet voldoende aansluit op wat nodig
is. Er is kennisdeling en -opbouw omdat organisaties samenwerken, in plaats van concurreren.
We maken afspraken over het standaardiseren van werk- en onderzoeksmethoden. Zo kunnen
wetenschappelijke inzichten gecombineerd en vergeleken worden. Dit alles wordt duurzaam
en gezamenlijk gefinancierd, zodat het toereikend is voor de groeiende vraag en niet
afhankelijk is van individueel toegekende subsidies. Regie en coördinatie is eerlijk
verdeeld over betrokken organisaties, op een manier die wordt gedragen door partijen;
de overheid is niet de «baas» van deze samenwerking en speelt een faciliterende rol.
3. Zorg voor een heldere taakverdeling in het kabinet. De huidige inrichting van het beleid rondom online kinderrechten is gefragmenteerd.
Dit zit samenwerking tussen partners in de keten in de weg. Beleg de coördinatie van
dit onderwerp volledig bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
onder verantwoordelijkheid van de Staatssecretaris voor Digitalisering. Alle departementen
blijven vanuit hun eigen expertise bijdragen aan initiatieven en beleid. Nieuwe plannen
van bewindspersonen worden voorgelegd in de publiek-private samenwerking. In goed
overleg wordt eerst afgestemd of dit binnen bestaande initiatieven al kan worden uitgevoerd.
Zo niet, dan wordt er gezamenlijk gewerkt aan nieuwe acties die samenhangen met lopende
projecten.
4. Voer een proactief beleid voor het opschonen van het internet. Nederland heeft een verantwoordelijkheid om illegale content van het internet te
verwijderen, met respect voor netneutraliteit en de vrijheid van meningsuiting. Dit
spoor staat los van het preventieve spoor en dient op een andere wijze gefinancierd
te worden. Wij vragen het kabinet om in overleg te gaan met de TU Delft, de Anti-Abuse
Network en de ATKM om de onderzoeksbevoegdheid van de autoriteit uit te werken. Er
moet meer inzicht komen in wáár bekende illegale beelden worden opgeslagen en hoe
deze zich verplaatsen. De inzichten worden ingezet om bad hosters aan te pakken. Ga
bovendien in overleg met Offlimits, onder de digitaldienstenverordening aangewezen
als «trusted flagger» en bevoegd om verwijderverzoeken te doen van online berichten.
Zorg in ieder geval dat deze meldingen snel behandeld worden zodat er goed doorverwezen
kan worden naar hulp voor jonge slachtoffers van schadelijke maar legale content.
Breidt hiertoe de systematiek van de Kijkwijzer Online van het NICAM uit, die schadelijke
inhoud zowel classificeert als een meldmogelijkheid biedt op sociale media.
Aan het demissionaire kabinet vragen wij om een reactie op de voorgestelde beslispunten,
waarin ook gereageerd wordt op de probleemschets en de doelen zoals door ons verwoord
in hoofdstuk 2 en hoofdstuk 3.
5 Financieel kader
Wij gaan uit van een totaalbedrag van 5 miljoen euro per jaar om bestaande publiek-private samenwerkingen te versterken en toe te werken
naar een duurzame, overkoepelende samenwerking gedragen door partijen uit het veld
die zichzelf reeds hebben bewezen, onder regie van één gezamenlijk plan. Daarbij moeten
uitdrukkelijk bestaande effectieve methoden worden benut en wordt vermeden dat er
onnodig overlappende initiatieven worden opgestart. Dit wordt zowel door publieke
als private partijen bekostigd, dus komt het bedrag slechts deels op de rekening van
de overheid. Ervan uitgaande dat publieke en private partijen half-om-half bijdragen
om een gezamenlijk fonds te vullen, komen we uit op 2,5 miljoen euro per jaar dat moet worden vrijgemaakt op de begroting.
Een dergelijk fonds begint met een marktverkenning om te bezien welke organisaties
kunnen en willen bijdragen. Daarom doen wij een beroep op de regering om samen met
de grootste netwerken die al bestaan een realistisch beeld te krijgen van de hele
preventieketen, zodat we weten welke expertise er in huis is en op welke manier organisaties
een bijdrage kunnen leveren.
Het voorstel is om de jaarlijkse uitgaven die nu vanuit verschillende departementen
worden gedaan in het kader van online kinderrechten samen te voegen tot één structurele
financiering van de publiek-private samenwerking. De Kamercommissie Digitale Zaken
heeft gevraagd om een overzicht van de jaarlijkse uitgaven aan online kinderrechten.44 De som van deze uitgaven geeft een indicatie van de subsidies die nu individueel
worden verstrekt. Deze kunnen binnen de samenwerking structureel ten goede komen van
de hele keten.
Hieronder stellen wij een verdeling voor tussen de betrokken departementen. Uiteraard
kan er ook gekozen worden voor een andere verdeling, zolang het uitkomt tot een structureel
bedrag dat uitgekeerd kan worden aan de nieuwe samenwerking.
Vanuit het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt dit gedekt
uit artikel 6.2 Informatiesamenleving. Dit betreft het beleidsdomein online kinderrechten. Bestaande uitgaven en jaarlijkse
subsidies aan organisaties worden omgezet tot een structurele bijdrage aan de publiek-private
samenwerking.
Vanuit het Minister van Justitie en Veiligheid wordt dit gedekt uit artikel 92.1 Nog onverdeeld. Wij stellen voor dit deels te bestemmen voor het proactieve beleid zoals beschreven
in hoofdstuk 3.3 van deze nota.
Vanuit het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wordt dit gedekt uit artikel 1.30 Gezondheidsbevordering. Dit betreft uitgaven die ten goede komen van preventie. Wij nemen aan dat een beter
balans van schermtijd onder jongeren bijdraagt aan hun gezondheid en psychische klachten
helpt te voorkomen. Het is gerechtvaardigd dat het departement vanuit preventiemiddelen
structureel een bijdrage levert aan de publiek-private samenwerking.
Vanuit het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap wordt dit gedekt uit artikel 15 Media. Dit betreft uitgaven aan, onder andere, mediawijsheid. Hier worden al ketenpartners
en samenwerking uit gefinancierd. Er kan ook een beroep worden gedaan op artikel 3.2 Voortgezet onderwijs, in het kader van basisvaardigheden verbeteren. Digitale geletterdheid valt daaronder.
Een kleine bijdrage aan een netwerk dat jongeren wegwijs maakt in de online wereld
draagt daar aan bij.
Uiteraard moedigen wij aan dat het demissionaire kabinet financieringsmogelijkheden
bespreekt met de beoogde samenwerkingspartners. De Kamer kan en zal niet precies voorschrijven
hoe de organisaties willen samenwerken en zichzelf willen organiseren. Voorop staat
dat er één gezamenlijk plan komt. De nieuwe vorm van financiering moet daarop worden
aangepast. In goed overleg zal duidelijk worden welke bijdrage betrokken departementen
willen leveren. Mogelijk kunnen ook uitvoeringsorganisaties, agentschappen, zbo’s
en medeoverheden structureel bijdragen.
6 Dankwoord
Zonder het harde werk van opvoeders en jongeren was de politiek er niet van doordrongen
geraakt dat we keihard aan de slag moeten om de online leefwereld leuker en veiliger
te maken. Het dankwoord van de indieners gaat dus in eerste instantie uit naar alle
kinderen, tieners, ouders, verzorgers, docenten, jongerenwerkers, wijkagenten, kinderartsen,
jeugdpsychologen, wetenschappers en zo veel meer mensen die de problemen op de kaart
hebben gezet.
We kijken ook met bijzondere interesse naar de initiatiefnota’s van de leden Ceder
en Six Dijkstra over online kinderrechten45 en het lid Van der Werf over een digitaal kinderwetje.46 Het is mooi dat zo veel partijen de urgentie voelen en voorstellen doen om het online
leven van jongeren beter te maken. De indieners voegen zich graag bij dat gezelschap
en we kijken uit naar een goed debat hierover, waarin we ook onderling de samenhang
van de voorstellen bezien.
Tot slot willen wij alle organisaties die hebben meegedacht en meegewerkt aan de nota
hartelijk bedanken. Het onderlinge vertrouwen tussen deze organisaties is inspirerend
en voorspelt veel goeds voor een toekomstige samenwerking zoals voorgesteld in de
nota. Deze nota was er nooit gekomen zonder de samenwerking met:
• Offlimits
• HackShield
• Bits of Freedom
• Anti-Abuse Network
• FastID
• TU Delft
• DIVD Academy
• NICAM
• Risk Factory
• Netwerk Mediawijsheid
• Videogames Federatie Nederland
• Esther Roozendaal (persoonlijke titel)
• ECP
• UNICEF
• Trimbos
Dral Koekkoek
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
R.M. Dral, Tweede Kamerlid -
Mede ondertekenaar
M. Koekkoek, Tweede Kamerlid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.