Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Van Nispen over het niet publiceren van een kritisch onderzoek naar corruptiebestrijding
Vragen van het lid Van Nispen (SP) aan de Ministers van Justitie en Veiligheid en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over het niet-publiceren van een kritisch onderzoek naar corruptiebestrijding (ingezonden 22 september 2025).
Antwoord van Minister Van Oosten (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 10 november 2025).
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 230.
Vraag 1
Bent u bekend met het artikel van Follow the Money (FTM) «Ministerie hield kritisch
rapport over corruptie onder de pet»?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Hoe verklaart u dat het ministerie de kwaliteit van het rapport «Is de Nederlandse
overheid bestand tegen corruptie?» als ondermaats beoordeelde en het daarom niet publiceerde,
terwijl meerdere onafhankelijke experts, waaronder tegenlezers zoals de Rijksrecherche,
het juist als gedegen bestempelden?
Antwoord 2
Hoewel het document vanwege de aangebrachte opmaak en titel oogt als een afgerond
rapport, is het een interne verslaglegging van gevoerde gesprekken. Als zodanig is
het niet gepubliceerd, maar gebruikt als waardevolle input en richting voor de nieuwe
anti-corruptieaanpak. Deze aanpak is in juni 2025 via een Kamerbrief met de Tweede
Kamer gedeeld en is een prioriteit van dit kabinet.2
Vraag 3
Hoe valt het te verklaren dat de methodologie van het rapport nu bekritiseerd wordt,
terwijl de directoraat-generaal (DG) Ondermijning zelf om het verkennend onderzoek
heeft gevraagd en vóór openbaarmaking (na het Wet open overheid-verzoek van FTM) nooit
kritiek op de gehanteerde methodologie heeft geuit richting de auteurs?
Antwoord 3
Door de opstellers, die destijds werkzaam waren bij DG Ondermijning, zijn ten behoeve
van de probleemverkenning gesprekken gevoerd met ongeveer 160 personen, waaronder
partnerorganisaties. Ook een verslag van een dergelijke verkenning dient aan bepaalde
maatstaven van juistheid en verifieerbaarheid te voldoen.
Gedurende de looptijd van de verkenning hebben de opstellers feedback van collega’s
ontvangen op tussenproducten. De feedback, vragen en opmerkingen over onder meer de
methodologische tekortkomingen zijn slechts ten dele verwerkt in het eindverslag zoals
opgeleverd door de opstellers.
Vraag 4
De auteurs zelf noemen het een eindverslag van een verkennend onderzoek, waarom wordt
er vanuit het ministerie de suggestie gewekt dat het een wetenschappelijke rapportage
zou zijn?
Antwoord 4
Zoals vermeld in het antwoord op vraag 2, betreft dit document geen rapport maar een
interne verslaglegging van gevoerde gesprekken.
Vraag 5
Het ministerie stelt dat het rapport feitelijke onjuistheden bevatte; kunt u concreet
aangeven om welke onjuistheden het gaat? Ook wordt gesteld dat informatie ontbreekt
in het rapport; kunt u toelichten welke informatie dit betreft?
Antwoord 5
De inhoudelijke hoofdlijnen en conclusies zijn gebruikt als waardevolle input voor
de recent gepresenteerde aanpak van corruptie, zoals vermeld in het antwoord op vraag
2.
Een voorbeeld van feitelijke onjuistheden in het document is het niet juist of onvoldoende
genuanceerd weergeven van bepaalde bronnen, zoals het verwijzen naar bepaalde conclusies
uit bronnen zonder de daarin genoemde nuances te schetsen. Een ander voorbeeld is
het opvoeren van juridisch onjuiste stellingen, zoals de stelling dat strafverzwaring
niet mogelijk is wanneer een strafbaar corruptiefeit een link heeft met de georganiseerde
criminaliteit.
Een voorbeeld van informatie die ontbreekt in het verslag, is belangrijke informatie
die door bepaalde gesprekspartners aan de opstellers is verstrekt. Dit betreft bijvoorbeeld
de inbreng van gesprekspartners die een andere visie hadden dan de opstellers.
Vraag 6
Waarom stelt het ministerie dat in het rapport te veel de mening van de auteurs doorklinkt,
terwijl de aanbevelingen en conclusies grotendeels aansluiten bij die van internationale
instituties?
Antwoord 6
De aanbevelingen en conclusies uit dit stuk zijn gebruikt als waardevolle input voor
de recent gepresenteerde aanpak van corruptie, zoals vermeld in het antwoord op vraag 2.
Tegelijkertijd is het zo dat de inbreng van gesprekspartners die een andere visie
op bepaalde vraagstukken dan de opstellers hadden, in het verslag ontbreekt. Ook is
de verslaglegging op punten suggestief en zijn de gespreksverslagen niet bij alle
gesprekspartners gevalideerd. In een aantal passages zijn de opstellers onevenredig
kritisch over de samenwerkingspartners, en in een enkele passage is de kritiek te
herleiden naar een persoon. Deze uitlatingen zijn niet in alle gevallen voor wederhoor
voorgelegd aan de relevante betrokkenen.
Vraag 7
Waarom is in het rapport één van slotconclusies «Bestuurlijke verantwoordelijkheid
is onvoldoende en leiderschap schiet tekort» bij openbaarmaking weggelakt?
Antwoord 7
Deze passage is gelakt op grond van artikel 5.1 lid 2 sub i en 5.2 lid 1 van de Woo.
Het betreft onder meer uitlatingen in de vorm van een persoonlijke beleidsopvatting.
Persoonlijke beleidsopvattingen zijn ambtelijke adviezen, meningen, visies en standpunten
en overwegingen ten behoeve van intern beraad.
Vraag 8
Herkent u zich in het beeld dat de auteur van het rapport schetst, namelijk dat niemand
van het DG Ondermijning contact heeft opgenomen met hem, bijvoorbeeld met klachten
over de kwaliteit?
Antwoord 8
Zie hiervoor het antwoord op vraag 3.
Vraag 9
Gezien het feit dat in het rapport aandacht wordt besteed aan de Nota Corruptiepreventie
uit 2005, welke was gebaseerd op het WODC-onderzoek van Huberts en Nelen uit datzelfde
jaar en in die nota talrijke actiepunten zijngeformuleerd over samenwerking tussen
het Ministerie van Justitie en Veiligheid en het Ministerie van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties, onder meer op het gebied van voorlichting over de aangifteplicht
van ambtenaren en de klokkenluidersregeling; wat vindt u van de constatering dat een
groot deel van die actiepunten en problemen uit die nota uit 2005 nog steeds actueel
en niet opgelost zijn? Wat gaat u daaraan doen?
Antwoord 9
Sinds de publicatie van de Nota Corruptiepreventie uit 2005 zijn verschillende maatregelen
getroffen om het anti-corruptiebeleid, het integriteitsbeleid en de bescherming van
klokkenluiders te versterken. Zo bevat de Ambtenarenwet 2017 verschillende integriteitsverplichtingen
voor overheidswerkgevers en ambtenaren, en kent de Rijksoverheid één Gedragscode Integriteit
Rijk waarmee rijksambtenaren worden geïnformeerd over bestaande meldvoorzieningen.
In de nota integriteit openbaar bestuur3 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties uitgebreid stilgestaan
bij het integriteitsbeleid voor het openbaar bestuur en de voortgang die op dit terrein
is geboekt. Verder is in 2016 de Wet Huis voor klokkenluiders in werking getreden
en is het Huis voor klokkenluiders opgericht. Met de wijziging van de Wet Huis voor
klokkenluiders naar de Wet bescherming klokkenluiders in 2023 is de rechtsbescherming
van (potentiële) melders van vermoedens van misstanden verder versterkt. De constatering
dat een groot deel van de actiepunten en problemen uit de nota nog steeds actueel
en niet opgelost zijn, herken ik dan ook niet. Dit neemt niets van de urgentie van
de problematiek weg. De bestrijding en preventie van corruptie vraagt om constante
aandacht en inzet. Het is belangrijk dat medewerkers de integriteitsregels kennen,
en weten bij wie zij terecht kunnen bij vragen en/of meldingen. Het kabinet ziet de
bestrijding en preventie van corruptie als één van haar speerpunten, zoals opgetekend
in de recente anti-corruptieaanpak.
Vraag 10
Klopt het dat het Platform Corruptiebestrijding nog steeds bestaat, maar niet gebruikt
wordt en dat diverse instanties binnen de overheid niet eens op de hoogte zijn van
het bestaan? Hoe kan dit?
Antwoord 10
Het Platform Corruptiebestrijding is tijdens de coronaperiode geheel stil komen te
liggen. Hierna is uit gesprekken met diverse deelnemers gebleken dat er onvoldoende
behoefte bestond om het Platform weer te hervatten. In het Platform konden partijen
met elkaar ervaringen en best practices uitwisselen. Door de jaren heen zijn hiervoor zowel tussen partijen onderling als
met het Ministerie van Justitie en Veiligheid andere (periodieke) overleggen georganiseerd.
Zo heeft Justitie en Veiligheid in 2024 op ambtelijk niveau een anti-corruptieoverleg
voor meerdere ministeries georganiseerd en zijn er periodieke overleggen met het Openbaar
Ministerie en de Rijksrecherche. Daarnaast organiseert Justitie en Veiligheid eens
in de twee jaar een Anti-Corruptiecongres voor zowel de publieke als de private sector.
Vraag 11
Deelt u de analyse dat de dalende positie van Nederland op de Corruption Perceptions
Index, samen met kritiek van organisaties als GRECO en de Open State Foundation, wijst
op een groeiend corruptierisico? Bent u bereid om werk te maken van een overheidsbreed
anti-corruptiebeleid, bijvoorbeeld via een onafhankelijke anti-corruptieautoriteit?
Antwoord 11
Het kabinet onderschrijft dat Nederland niet naïef mag zijn in de aanpak van corruptie.
De aanpak van corruptie heeft dan ook de volle prioriteit. Dat er in Nederland corruptierisco’s
zijn, wordt bevestigd door diverse strafzaken en door rapporten van (internationale)
organisaties. De Corruption Perceptions Index van Transparency International meet
niet de daadwerkelijke corruptie in een land, maar de perceptie van corruptie. De
daling op deze index weerspiegelt dus een dalend vertrouwend van geraadpleegde experts
in de politiek en eerlijke besluitvorming in Nederland.
In de met uw Kamer gedeelde overheidsbrede aanpak van corruptie heeft het kabinet
deze aanpak langs vier lijnen geïntensiveerd. Zoals in de aanpak vermeld, wordt momenteel
de eerste National Risk Assessment Corruptie (NRA) door het WODC uitgevoerd. De NRA
zal periodiek inzicht geven in de grootste corruptierisico’s voor Nederland. Dit maakt
het mogelijk om risico-gestuurd te werken en het anti-corruptiebeleid telkens op de
grootste kwetsbaarheden te richten.
Het kabinet zet in op nauwe samenwerking tussen alle betrokken organisaties. Daarom
coördineer ik de uitvoering van de corruptieaanpak samen met de Minister van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties. Daarnaast komen de relevante organisaties in meerdere
gremia samen, zoals het Strategisch Beraad Ondermijning4 en de Ambtelijke Commissie Aanpak Ondermijning.
Vraag 12
Bent u bereid het pleidooi van de Rijksrecherche en het Openbaar Ministerie om «handel
in invloed» strafbaar te stellen opnieuw te overwegen en dit in wetgeving op te nemen?
Antwoord 12
In reactie op de Kamervragen van Kamerlid Van Nispen van 4 februari jl. heb ik toegelicht
waarom ik geen lacune in de huidige wetgeving zie.5 Ook heb ik hierin aangegeven dat de Rijksrecherche en het Openbaar Ministerie geen
bestuurlijk signaal hebben afgegeven over een strafbaarstelling van ongeoorloofde
beïnvloeding (handel in invloed).
Dit neemt niet weg dat de toekomstige richtlijn ter bestrijding van corruptie in de
Europese Unie diverse strafbepalingen bevat, waaronder ongeoorloofde beïnvloeding.
Het is onwenselijk om vooruitlopend op de uitkomsten van de onderhandelingen over
de corruptierichtlijn met nationale wetgevingsinitiatieven te komen, aangezien een
nieuwe strafbaarstelling snel achterhaald zou kunnen zijn als in de definitieve richtlijn
een afwijkende omschrijving van ongeoorloofde beïnvloeding zou worden opgenomen.
Na afronding van de trilogen met het Europees Parlement en de Europese Commissie zal
worden bekeken of ter implementatie van de richtlijn wijzigingen van de nationale
strafwetgeving noodzakelijk zijn. Indien dit zo is, zal daartoe een wetsvoorstel in
procedure worden gebracht. Het OM kan zich vinden in dit proces.
Vraag 13
Welke stappen gaat u nemen om te voorkomen dat studies – met mogelijk relevante conclusies
voor de Kamer – in het vervolg openbaar worden gemaakt en niet worden achtergehouden
of beïnvloed door politiek-bestuurlijke overwegingen?
Antwoord 13
Zoals in het antwoord op vraag 2 is uiteengezet, gaat het in dit geval niet om een
studie maar om een intern verslag.
In algemene zin geldt dat door bestuursorganen aangevraagde wetenschappelijke studies
door de verantwoordelijke onderzoekers worden gepubliceerd. Hierop volgt in beginsel
na uiterlijk zes weken een beleidsreactie die aan uw Kamer wordt toegezonden.
Op grond van de Wet open overheid (Woo) moet steeds meer informatie actief openbaar
gemaakt worden. In de wet zijn hiervoor 17 informatiecategorieën opgenomen die overheidsorganisaties
op termijn verplicht actief openbaar moeten maken, waaronder vastgestelde onderzoeksrapporten.6 Op het moment dat de verplichting tot actieve openbaarmaking voor deze categorie
in werking treedt zijn bestuursorganen wettelijk verplicht deze informatie binnen
twee weken openbaar te maken, tenzij de uitzonderingsgronden in de Woo daaraan in
de weg staan. Wanneer informatie uit een verplichte categorie (bijvoorbeeld een onderzoeksrapport)
in zijn geheel niet openbaar gemaakt kan worden, moet het bestuursorgaan hier een
mededeling over doen.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
F. van Oosten, minister van Justitie en Veiligheid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.