Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Flach over de recente update van AERIUS
Vragen van het lid Flach (SGP) aan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over de recente update van Aerius (ingezonden 28 oktober 2025).
Antwoord van Minister Wiersma (Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur) (ontvangen
10 november 2025).
Vraag 1
Hoe waardeert u de analyse dat het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
bij de recente update van Aerius niet de door de Kamer gevraagde correctie voor depositieonderzoek
in duingebied, in lijn met de motie Flach (Kamerstuk 35 334, nr. 373), heeft toegepast?1
Antwoord 1
Vooropgesteld is het de taak van het RIVM om, als onafhankelijk wetenschappelijk instituut,
te bepalen op welke manier de monitoring van de totale stikstofdepositie het beste
kan worden uitgevoerd. Het RIVM werkt samen met andere kennisinstituten aan de continue
doorontwikkeling van de meet- en rekenmethodiek, bijvoorbeeld via het Nationaal Kennisprogramma
Stikstof. Als Minister vertrouw ik op de keuzes die vanuit de wetenschap gemaakt worden.
De kennisnotitie die het RIVM heeft gepubliceerd over dit onderwerp2, geeft een heldere uiteenzetting van de verschillende type metingen en de verschillende
mogelijke toepassingen van die metingen. Hieruit komt duidelijk naar voren dat de
metingen in Solleveld uit 2014 niet geschikt zijn om de landelijke berekeningen van
de stikstofdepositie te kalibreren.
Vraag 2
Deelt u de analyse dat het depositieonderzoek in Solleveld serieuze aanwijzingen geeft
voor forse overschatting van de berekende droge depositie via de DEPAC-module?3
Antwoord 2
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 zijn de metingen in het Solleveld uit
2014 niet geschikt om de landelijke berekeningen van de stikstofdepositie te kalibreren.
Wel geven die metingen uit 2014 aanleiding voor nader onderzoek. Hiervoor is recent
een nieuwe meetcampagne gestart met gerichtere metingen. De metingen lopen tot ten
minste eind 2026. Nieuwe inzichten uit die metingen zullen bij voldoende en consistente
wetenschappelijke onderbouwing door het RIVM worden gebruikt om het model aan te passen.
Vraag 3
Is de veronderstelling juist dat de berekening van de depositie in duingebieden is
gebaseerd op depositiemetingen bij Engels raaigras, een veel dichtere vegetatie dan
de schrale vegetatie in duingebieden, en dat hierdoor de depositie in duingebieden
wordt overschat?
Antwoord 3
Bovenal wil ik nogmaals benadrukken dat het niet zeker is dat de stikstofdepositie
in de duingebieden wordt overschat. Zie daarvoor ook het antwoord op vraag 1.
Om inhoudelijk antwoord te geven op de vraag, is het van belang om onderscheid te
blijven maken tussen de verschillende functies van metingen in het model.
In het model is een deel van de theoretische beschrijvingen van droge depositie gebaseerd
op metingen boven Engels raaigras. Dit gaat echter om onderdelen in het depositieproces
die niet afhankelijk zijn van vegetatietype. De veronderstelde conclusie kan daarom
niet worden getrokken op basis van die metingen.
In de berekening van de depositie wordt daarnaast onderscheid gemaakt tussen enkele
algemene categorieën voor landgebruik. Voor de duinen wordt als vegetatietype inderdaad
de categorie «gras» gehanteerd (andere categorieën zijn bijvoorbeeld «bos» en «water»).
In het aanvullende onderzoek in Solleveld wordt onderzocht in hoeverre de huidige
in het model toegepaste vegetatiekenmerken voor de duinen passend zijn. Ook hier zullen
de resultaten van het onderzoek bij voldoende en consistente wetenschappelijke onderbouwing
door het RIVM worden gebruikt om het model aan te passen.
Vraag 4
Kunt u een inschatting geven van de gevolgen voor de berekende lokale ammoniakconcentratie
als de berekende droge depositie met tenminste een factor twee zou worden verlaagd?
Antwoord 4
Het RIVM heeft in het «Eindrapport Ammoniak van Zee» een paragraaf (paragraaf 4.4.3)
gewijd aan het effect van een lagere depositie op de berekende lokale ammoniakconcentraties.4 Hierin is te vinden dat het halveren van de depositiesnelheid leidt tot een ca. 15–20%
hogere concentratie.
Er is op dit moment echter geen inhoudelijke (wetenschappelijke) onderbouwing om de
depositiesnelheid te halveren.
Vraag 5
Is de veronderstelling juist dat berekende deposities in kustgebieden relatief dicht
bij de kritische depositiewaarden uitkomen en eventuele overschatting van deze deposities
derhalve bepalend kan zijn voor het al dan niet overschrijden van deze kritische depositiewaarden?
Antwoord 5
Het klopt dat de totale stikstofdepositie in het kustgebied over het algemeen lager
is dan in de rest van het land. In combinatie met de specifieke kritische depositiewaarde
van duinhabitats, is de verwachting dat in 2030 al ruim 80% van het stikstofgevoelige
areaal in de duingebieden onder de kritische depositiewaarde komt.5
Vraag 6
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat initiatiefnemers van onder meer woningbouwprojecten
in west-Nederland afgerekend worden op berekende overschrijding van kritische depositiewaarden,
terwijl zeer waarschijnlijk sprake is van overschatting van deze depositie en in veel
minder gevallen sprake is van overschrijding van deze kritische depositiewaarden?
Antwoord 6
Ook hierbij geldt dat het niet zeker is dat de stikstofdepositie in de duingebieden
wordt overschat.
Een overschrijding van de KDW hoeft overigens ook niet bepalend te zijn voor het al
dan niet verlenen van een natuurvergunning. Voor de beoordeling van projecten die
mogelijk een effect kunnen hebben, moet nader worden beoordeeld of het project een
significant negatief effect kan hebben op de natuur. Indien uit een ecologische beoordeling
blijkt dat de betreffende natuur in een goede staat van instandhouding is en de eventuele
toename van stikstofdepositie niet tot een negatief effect kan leiden, kan een vergunning
verleend worden.
Vraag 7
Gaat u ervoor zorgen dat de DEPAC-module in het OPS-model zo snel mogelijk wordt aangepast
naar aanleiding van het onderzoek in Solleveld? Wanneer kunnen deze aanpassingen worden
doorgevoerd?6
Antwoord 7
Zoals ook al aangegeven bij het antwoord op vraag 1 is het aan het RIVM om te bepalen
op welke manier de monitoring van de totale stikstofdepositie het beste kan worden
uitgevoerd. Het RIVM werkt met andere kennisinstituten in het Nationaal Kennisprogramma
Stikstof aan onderzoek om onder andere de DEPAC-module te verbeteren. Daarvoor doen
de onderzoekers metingen in Solleveld, zoals eerder genoemd, maar ook op andere locaties
zoals bij Speuld en bij Loobos. Het model wordt aangepast wanneer er voldoende en
consistent wetenschappelijk bewijs beschikbaar is. Daarbij weegt het RIVM wetenschappelijke
inzichten van andere kennisinstituten mee.
Vraag 8
Bent u bereid te bezien hoe op korte termijn een vorm van correctie kan plaatsvinden
voor zeer waarschijnlijke overschatting van de stikstofdepositie in duingebieden in
het geval dat genoemde bijstelling van de DEPAC-module niet op korte termijn kan plaatsvinden?
Antwoord 8
Zie de antwoorden op vraag 1 en 7.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
F.M. Wiersma, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.