Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Teunissen over de ratificatie van het VN-oceaanverdrag (BBNJ-overeenkomst)
Vragen van het lid Teunissen (PvdD) aan de Ministers van Infrastructuur en Waterstaat en van Buitenlandse Zaken en de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over de ratificatie van het VN-oceaanverdrag (BBNJ-overeenkomst) (ingezonden 1 oktober 2025).
Antwoord van Minister Tieman (Infrastructuur en Waterstaat), mede namens de Minister
van Buitenlandse Zaken en de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid
en Natuur (ontvangen 6 november 2025)Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar
2025–2026, nr. 271
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van de berichten dat Nederland het VN-Oceaanverdrag, dat in maart 2023 door een historische meerderheid van VN-lidstaten is aangenomen,
nog altijd niet heeft geratificeerd, terwijl inmiddels 90 landen dit wel hebben gedaan
en nog slechts tien ratificaties ontbreken voor de inwerkingtreding?
Antwoord 1
Deze berichten zijn bekend. Inmiddels is het vereiste aantal van 60 aanvaardingen
bereikt voor inwerkingtreding van de op 19 juni 2023 te New York tot stand gekomen
«Overeenkomst in het kader van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht
van de zee, inzake het behoud en het duurzame gebruik van de mariene biologische diversiteit
van gebieden voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht» (Biodiversity Beyond National Jurisdiction; hierna: BBNJ-overeenkomst), waardoor deze op 17 januari 2026 in werking zal treden.
Op het moment van sturen van deze brief is de BBNJ-overeenkomst door 74 landen en
de Europese Unie (EU) aanvaard.1
Veel van de landen die de BBNJ-overeenkomst al hebben aanvaard, hoeven pas na de aanvaarding
uitvoeringswetgeving op te stellen. Dat betekent in praktische zin dat niet ieder
land dat een overeenkomst aanvaardt ook al klaar is om invulling te geven aan de doelen
van de betreffende overeenkomst. In Nederland moet deze uitvoeringswetgeving gereed
zijn vóór de aanvaarding om meteen klaar te zijn voor de effectieve uitvoering. Momenteel
wordt hard gewerkt om de uitvoeringswetgeving zo snel mogelijk af te ronden zoals
toegelicht in de Kamerbrief Voortgang goedkeuringstraject BBNJ-overeenkomst van 16 juli
jl.2
Vraag 2
Erkent u dat het uitblijven van ratificatie afbreuk doet aan de geloofwaardigheid
van Nederland als voorvechter van biodiversiteit en marien natuurherstel, zeker nu
het verdrag de bescherming van 30 procent van de oceanen in 2030 mogelijk moet maken?
Antwoord 2
Nee. Nederland hecht veel waarde aan de BBNJ-overeenkomst en was mede daarom sinds
de start van de onderhandelingen in 2004 nauw betrokken bij deze overeenkomst. Ook
na afronding van de onderhandelingen blijft Nederland actief bijdragen aan de internationale
processen die de effectieve implementatie van de overeenkomst voorbereiden.
Tegelijkertijd draagt Nederland ook bij aan de effectieve implementatie van diverse
verdragen die toezien op bescherming en herstel van het mariene milieu en de mariene
biodiversiteit. Bijvoorbeeld het VN-Biodiversiteitsverdrag (CBD)3, de Commissie voor de instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische
wateren4, de Arctische Raad, en het Londenverdrag en -protocol.5
Ook blijft Nederland bijdragen aan het realiseren van het doel om uiterlijk in 2030
ten minste 30 procent van de zeeën en oceaan te beschermen («30-by-30»-doel). De nadere invulling die Nederland geeft aan het Kunming Montreal Global Biodiversity Framework (KM GBF) van de CBD, waaronder dit doel, staat in het eerste Nationaal Biodiversiteit
Strategie & Actieplan Nederland 2025–2030, dat op 25 maart jl. naar de Tweede Kamer
is gezonden.6 Voor de zeegebieden binnen de nationale rechtsmacht van Nederland wordt deze doelstelling
gehaald.
Vraag 3
Hoe beoordeelt u de constatering van mariene wetenschappers en maatschappelijke organisaties
dat vertraging van ratificatie de uitvoering van de afgesproken beschermingsdoelen
bemoeilijkt en daarmee het voortbestaan van kwetsbare ecosystemen zoals koraalriffen,
walvissen en diepzeenatuur verder in gevaar brengt?
Antwoord 3
Zoals in het antwoord op vraag 1 is aangegeven, staat het aanvaarden van een overeenkomst
niet gelijk aan het effectief (kunnen) uitvoeren daarvan. De overeenkomst moet voor
de uitvoering ook effectief en zorgvuldig worden geïmplementeerd, waarvoor nationale
regels en procedures nodig zijn. In sommige landen kan een overeenkomst direct aanvaard
worden en hoeven pas daarna nationale regels en procedures opgesteld te worden. In
Nederland moet de uitvoeringswetgeving gereed zijn voordat een overeenkomst kan worden
aanvaard. Dat is aan de voorkant een langer proces, maar het betekent in het geval
van de BBNJ-overeenkomst ook dat Nederland op het moment van aanvaarding direct klaar
is voor de effectieve uitvoering ervan. Verder zet Nederland zich al lange tijd in
voor een gezond marien milieu en mariene biodiversiteit en zal dit blijven doen, zie
ook het antwoord bij vraag 2.
Vraag 4
Kunt u aangeven welke stappen Nederland concreet heeft gezet om de eigen mariene bescherming
in lijn te brengen met de doelen van het VN-Oceaanverdrag en het Kunming-Montreal Global Biodiversity Framework?
Antwoord 4
In 2024 heeft Nederland het convenant met «The Ocean Cleanup» herzien om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de BBNJ-overeenkomst.7 In dat convenant zijn de afspraken over het doen van milieueffectbeoordelingen voor
de activiteiten die The Ocean Cleanup uitvoert in gebieden voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht aangepast en
voor zover mogelijk in lijn gebracht met de bepalingen van de BBNJ-overeenkomst.
Daarnaast is één van de doelen van de BBNJ-overeenkomst het versterken van samenwerking
tussen organisaties en raamwerken die mandaten hebben op de oceaan. Nederland roept
daarom op in onder andere de Internationale Zeebodemautoriteit (ISA), de OSPAR8-commissie, de CBD en de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) tot samenwerking
tussen de organisaties met mandaten die zien op de oceaan en zeeën.
Daarnaast streeft Nederland ernaar om nationaal en regionaal, bijvoorbeeld middels
het OSPAR-verdrag, maatregelen te nemen die onder andere in lijn zijn met de BBNJ-overeenkomst
en het KM GBF. Voorbeelden zijn het aanwijzen van mariene beschermde gebieden en het
nemen van andere beschermings-maatregelen en het uitvoeren van monitoring en onderzoeken
onder de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, OSPAR en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie.
Zoals aangegeven in het antwoord bij vraag 2 wordt het «30-by-30»-doel van het KM GBF voor de zeegebieden binnen de nationale rechtsmacht van Nederland
gehaald.
Zoals vastgelegd in het Ruimtelijk Ontwikkelingsprogramma Caribisch Nederland, streeft
Nederland, in lijn met het KM GBF, ook in Caribisch Nederland ernaar om tenminste
30% van de gehele Exclusieve Economische Zone (EEZ) en terrestrische gebieden te beschermen,
herstellen en beheren.
Vraag 5
Deelt u de analyse dat het niet geloofwaardig is als Nederland in 2026 deelneemt aan
de geplande VN-Oceaantop, terwijl het verdrag nog altijd niet door ons land is geratificeerd?
Zo nee, waarom niet?
Antwoord 5
Die analyse wordt niet gedeeld. De eerste Vergadering van de Verdragspartijen (COP)
van de BBNJ-overeenkomst vindt mogelijk in 2026 of begin 2027 plaats. Nederland zal
aan de eerste BBNJ COP deelnemen, omdat het voortzetten van onze deelname in lijn
is met de eerdere betrokkenheid bij de BBNJ-overeenkomst. Momenteel neemt Nederland
deel aan het internationale proces dat deze COP voorbereidt, onder meer om ervoor
te zorgen dat de afspraken over implementatie ambitieus zijn en tegelijk voor Nederland
uitvoerbaar blijven. Dat is in het belang van onze maritieme industrie en onze onderzoeksinstituten
die – na inwerkingtreding van de BBNJ-overeenkomst voor het Europese en het Caribische
deel van Nederland – zich daaraan moeten houden. Bovendien kan Nederland ook invloedrijk
zijn in de internationale uitvoering. Omdat Nederland al langere tijd vrij gedetailleerd
bezig is met de ontwikkeling van de nationale uitvoeringswetgeving, kijken andere
landen naar ons land als voorbeeld hoe de BBNJ-overeenkomst te implementeren.
Vraag 6
Bent u bereid het VN-Oceaanverdrag nog dit jaar voor te leggen aan de Tweede Kamer,
zodat Nederland uiterlijk begin 2026 de ratificatie heeft voltooid en een geloofwaardige
bijdrage levert aan het realiseren van 30 procent oceaanbescherming in 2030? Zo nee,
waarom niet?
Antwoord 6
Dit is praktisch niet mogelijk, vanwege de termijnen die voor de verschillende fasen
van de wetgevingsprocedure staan. Voor de parlementaire goedkeuringsprocedure van
de BBNJ-overeenkomst bestaan de goedkeuringsstukken in ieder geval uit de Rijkswet
tot goedkeuring van het verdrag en de benodigde uitvoeringswetgeving. Momenteel loopt
de interdepartementale ambtelijke voorbereiding van de regelgeving, waarin de uitvoeringswetgeving
wordt opgesteld en met de uitvoeringsorganisaties wordt gesproken over de daadwerkelijke
uitvoering van de BBNJ-overeenkomst voor Nederland. Na afronding van de interdepartementale
voorbereiding worden de wetgevingsprocedures voor respectievelijk de goedkeuringswet
en uitvoeringswetgeving gevolgd.9 Vanwege de termijnen die voor de verschillende fasen in deze procedures staan, is
de verwachting dat de goedkeuringsstukken op zijn vroegst eind 2026 aan de Tweede
Kamer aangeboden kunnen worden.
Vraag 7
Kunt u toezeggen dat Nederland, in de tussentijd dat het verdrag nog niet in werking
is getreden, geen enkel besluit zal nemen of steunen dat diepzeemijnbouw, grootschalige
visserij of andere schadelijke activiteiten in internationale wateren faciliteert?
Antwoord 7
Volgens het internationaal recht dient Nederland als ondertekenaar van de BBNJ-overeenkomst
zich te onthouden van handelingen die het voorwerp en het doel van de BBNJ-overeenkomst
zouden ontnemen.
Nederland handelt in internationale gremia met mandaten op de oceaan en zeeën in lijn
met deze verplichting, maar het is belangrijk om te benadrukken dat de BBNJ-overeenkomst
ook na inwerkingtreding niet in de plaats zal treden van al bestaande bevoegde autoriteiten,
zoals het beheer van visserijactiviteiten, scheepvaart en diepzeemijnbouw. Deze activiteiten
blijven onder de bevoegdheid van respectievelijk bestaande regionale visserijbeheerorganisaties,
de IMO en de ISA. Daarbij is en blijft Nederland gebonden aan de bestaande internationale
wet- en regelgeving die geldt voor de visserij, diepzeemijnbouw en scheepvaart.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
R. Tieman, minister van Infrastructuur en Waterstaat -
Mede namens
J.F. Rummenie, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur -
Mede namens
D.M. van Weel, minister van Buitenlandse Zaken
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.